dinsdag 31 juli 2007

Een verklaring van openbaar nut is niet de laatste horde

Het echtpaar Pype-Werbrouck, landbouwers in Torhout, verzetten zich tegen de verklaring van openbaar nut voor de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur door Aquafin.

De heer en mevrouw Pype vorderen de schorsing van deze verklaring en voeren een vierledig moeilijk te herstellen ernstig nadeel (MTHEN) in dat zij zouden ondervinden mocht de verklaring van openbaar nut niet geschorst worden door de Raad van State:
- Schade aan de teelaarde en de grond;
- Blijvende schade aan de drainagesystemen op de akkers;
- Schade door de aanwezigheid van de inspectieputten, waardoor het uitermate hinderlijk wordt om met landbouwvoertuigen het land te bewerken;
- Een moreel nadeel: verzoekers zijn respectievelijk vijfenzestig en zestig jaar oud; hun levenswerk zou door de aanleg van de infrastructuur ondermijnd worden.

De Raad van State ontwaart echter geen MTHEN (R.v.St., Pype, nr. 173.485, 12 juli 2007):

Overwegende dat met de verwerende partij en de tussenkomende partij wordt aangenomen dat het bestreden besluit enkel een verklaring van openbaar nut inhoudt die betrekking heeft op de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Torhout, de gemeente Hooglede en de gemeente Lichtervelde en dat voornoemd besluit “geenszins de nodige stedenbouwkundige vergunning (inhoudt) voor de oprichting van de betrokken rioolwaterzuiveringsinstallatie”; dat de tussenkomende partij daaraan op goede gronden toevoegt dat de nadelen die de verzoekers aanvoeren uitsluitend voortvloeien uit de bouw en de exploitatie van de op te richten rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en dat zij bijgevolg hun oorzaak niet vinden in het bestreden besluit maar in beslissingen die later eventueel kunnen of zullen worden genomen;
Overwegende tenslotte dat de nadelen die de verzoekers inroepen op dit ogenblik een hypothetisch karakter vertonen;


Share/Bookmark

donderdag 26 juli 2007

Europese Commissie start procedure tegen Electrabel

Moet er nog zand zijn?

De Europese Commissie heeft blijkens een persbericht van vandaag beslist om een procedure wegens inbreuk op artikel 82 EG-Verdrag te willen starten tegen Electrabel:

"The suspected infringement takes the form of long-term contracts concluded by the SUEZ group with final consumers of electricity in Belgium, in particular but not limited to large industrial consumers. It is suspected that in combination these contracts prevent customer switching thereby significantly foreclosing the market(s) concerned."


Share/Bookmark

"Luc Barbé stapt naar de Raad van State"

De formatienota van Leterme doet nog steeds een beetje (nucleair) stof opwaaien. In De Morgen van vandaag beweert Luc Barbé dat “de nucleaire plannen van de formateur onwettig zijn” en dat “als hij toch doorzet, [hij] meteen naar de Raad van State [stapt] en die vernietigt dit”.

Mag het allemaal wat genuanceerder?

Toegegeven, en ook ik heb boter op het hoofd, het is zeer gemakkelijk om de summiere twee bladzijden over energie in de formatienota onderuit te halen. Nochtans kan het ook milder, zoals André Jurres, ex-Essent, bewijst op zijn weblog. We moeten inderdaad afwachten of de partijen aan de onderhandelingstafel er meer uit willen halen. De enkele bedenkingen en suggesties op deze blog zijn enkel een aanzet tot verdere discussie.

Stellen, zoals Luc Barbé, dat “plannen onwettig zijn” is in ieder geval meer dan één brug te ver.

De Wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie bepaalt in zijn artikel 9: “In geval van bedreiging van de bevoorradingszekerheid inzake elektriciteit, kan de Koning, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, na advies van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas, de noodzakelijke maatregelen nemen en dit onverminderd de artikelen 3 tot 7 van deze wet, tenzij in geval van overmacht. Dit advies zal inzonderheid betrekking hebben op de weerslag van de evolutie van de productieprijzen op de bevoorradingszekerheid.”

Volgens Luc Barbé in De Morgen zou deze bepaling enkel kunnen ingeroepen worden als er “een revolutie zou uitbreken in Rusland en een gasterminal in Zeebrugge ontploffen”. “Een regering die tekortschiet om alternatieve productie te voorzien, valt niet onder de clausule”, zou Barbé gezegd hebben.

Barbé overdrijft en zaait verwarring:
- Een revolutie in Rusland zal geen noemenswaardig effect hebben op de elektriciteitsproductie in ons land. België voert bijna geen Russisch aardgas in. Als er al iets zou gebeuren in Rusland zal dit wel een invloed hebben op de prijs van het aardgas, maar niet op de bevoorradingszekerheid;
- De federale regering heeft bevoegdheidsrechtelijk niets te zeggen over alternatieve energieproductie. Dat is het speelveld van de gewesten. Daarmee wil ik niet gezegd hebben dat niet beter een samenwerkingsakkoord zou worden gesloten of dat er een homogenisering van de bevoegdheidsregels moet komen.
- De Raad van State zou, eventueel, desgevallend, het koninklijk besluit dat ter gelegener tijd goedgekeurd zal worden in de ministerraad, na advies van de CREG, kunnen vernietigen indien tegen dit besluit voldoende overtuigende juridische middelen aangevoerd zouden worden. De kans dat Luc Barbé enig persoonlijk belang heeft om de vernietiging van het koninklijk besluit te vragen is echter even onbestaande dan dat er een LNG-terminal in Zeebrugge zou ontploffen.
Share/Bookmark

Maximumprijzen, een verstoring van de vrije markt?

Ergeg, de groep van Europese energieregulatoren, heeft zich in zijn position paper van 18 juli 2007 on end-user price regulation zeer duidelijk afgezet tegen de invoering van maximumprijzen op retailniveau.

Ergeg schrijft:

A fully open market with well functioning competition cannot in the long term coexist with regulated end-user energy prices. Price regulation hinders the goal of customer protection and participation through competition by distorting the functioning of the market:
- If regulated end-user prices are not in line with wholesale market conditions, suppliers without significant low cost generation capacities or equivalent long term contract will not be able to make competitive offers which cover their supply costs. Consequently, with a limited number of suppliers, there will be no development of wholesale markets. Liquidity will remain at a low level. As a result, neither the wholesale nor retail markets will be competitive.
- Regulated prices limit the possibilities and incentives of customers to switch supplier and thereby limit competition in the market. If customers benefit from artificially low regulated prices there will be no incentive to switch supplier.
- The lack of competition on retail markets hampers the customers’ position. It is through exercising their right to choose that customers stimulate retail competition between suppliers. Competitive pricing on the retail side is an important driver for market integration.

Share/Bookmark

woensdag 25 juli 2007

Onze Noorderburen over de formatie

De Nederlandse elektronische nieuwsbrief Energeia schrijft vandaag op de voorpagina "Belgische regeringsonderhandeling: kerncentrales langer open, meer concurrentie". De volgende passage is Hollands direct:

Wat staat er wel in het pak papier met als titel 'De kracht van mensen. Samen uitdagingen ombuigen tot kansen'? Energeia zoomt in op hoofdstuk 5: Kansen voor duurzame ontwikkeling. Daarin worden de klimaatdoelstelling, de houding ten opzichte van kernenergie en de visie op de vrije markt uit de doeken gedaan. Hoewel er concrete punten worden genoemd, is de grote afwezige vaak het antwoord op de vraag "hoe dan?".

Share/Bookmark

Memorandum van Elia aan de formateur

Ook Elia heeft een memorandum geschreven voor de formateur.
Share/Bookmark

Hoe ver willen de partijen gaan?

Een eerste lezing het hoofdstukje energie in de formatienota van formateur Yves Leterme “De kracht van mensen” (kopies beschikbaar op de websites van De Standaard, De Tijd en de VRT) overtuigde mij gisteren al niet.

Het zou een gemiste kans zijn voor de vrijmaking van de energiemarkten in ons land mochten de onderhandelaars deze nota ook op dit vlak niet verder uitgewerken. Daarom nog enkele bijkomende bedenkingen, mee geïnspireerd door een aantal personen “uit het veld” (waarvoor dank!).

In de eerste plaats is het opmerkelijk dat uit de nota geen kennis blijkt van de zeer omvangrijke beslissing van de Europese Commissie van 14 november 2006 over de geplande fusie tussen Suez en Gaz de France. Nochtans, zoals ik al eerder heb geschreven, is deze nota de meest geschikte en onafhankelijke analyse over onze energiemarkt. Mocht de volgende regering zelfs al maar een minimum ondernemen om de verschillende pijnpunten die deze beslissing opsomt te remediëren zouden we al een stuk verder staan.

De regering waakt over de beheersing van de energieprijzen, meer bepaald door een adequate concurrentie.
Aan de federale regulator CREG geeft de regering de nodige onafhankelijkheid (…) om de prijsschommelingen te beheersen.

In een vrijgemaakte markt worden bepaalde prijscomponenten gezet door het spel van vraag en aanbod. Het is niet de taak van de regering om deze prijs te zetten, tenzij voor een aantal deelaspecten binnen de markt (Elia- en Fluxys-tarieven). Het recente avontuur van Electrabel heeft echter ook aangetoond dat zeker wat de groothandelsmarkt van aardgas betreft een zeker vorm van prijscontrole mogelijk moet zijn. De sp.a heeft hierover in de Kamer trouwens al een wetsvoorstel ingediend.

In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel stelt de sp.a: "Maximumprijzen zouden immers een pervers effect kunnen hebben door leveranciers zonder of met slechts een beperkte productiecapaciteit of langetermijncontracten die verplicht zijn elektriciteit en gas bij hun concurrent te betrekken uit de markt te duwen. Dit wetsvoorstel voorziet daarom ook in de mogelijkheid om maximumprijzen in te voeren voor elektriciteit en gas op de groothandelsmarkten («whole sale markets»)."

Om tot normale concurrentieverhoudingen te komen, moet er, naast een structureel versterkt SPE, één bijkomende sterke elektriciteitsproducent/leverancier op de Belgische markt komen.

Een bijkomende producent biedt uitzicht op een betere marktwerking als deze speler voldoende middelen krijgt om een positie binnen de markt te verwerven. Vooral daar wringt het schoentje. Is Suez van plan om onder de 75% marktaandeel-drempel te zakken? Zal de overheid dan interventionistisch optreden en Suez verplichten om assets af te stoten? Hoe is dit te verzoenen met het principe van de vrije markt en met het eigendomsrecht (zie hierover mijn vroeger bericht over de nota van Liedekerke)?

"De regering kiest resoluut voor de onafhankelijkheid van de netbeheerders door een overwegend publieke eigendom en een publiek beheer van de netten en door het aandeel van de producenten/leveranciers terug te dringen tot onder de 25%."

Nog geen twee weken geleden stemde het Europees Parlement in met de voorstellen van de Europese Commissie om naar een ownership unbundling te gaan voor de netbeheerders. ‘Resoluut’ kiezen voor een ‘overwegend’ publieke eigendom lijkt dan ook opmerkelijk.

"De regering zorgt ervoor dat er gelijke toegangsvoorwaarden zijn voor de concurrenten om aardgas te importeren en te transporteren."

Wat bedoelt men hiermee? Is het nu al niet de wettelijke plicht van Fluxys om elkeen die toegang wenst te bekomen tot het aardgasvervoersnet die toegang te verlenen tegen non-discriminatoire voorwaarden? Erkent de formateur dat de analyse die de CREG en de Europese Commissie dienaangaande eerder gemaakt hebben toch correct is?

"De regering vrijwaart de middelen voor de ontmanteling van de nucleaire centrales."

Bedoeld worden waarschijnlijk de nucleaire provisies. Waarom is hier enkel sprake van de provisies voor de ontmanteling en niet de provisies voor het beheer van de bestraalde splijtstoffen?

Wordt (hopelijk) vervolgd...
Share/Bookmark

dinsdag 24 juli 2007

Kabeldistributie en het Europees (aanbestedings)recht

In de lijn van de recente golf aan “inbestedingsarresten”, doet ook de Belgische Raad van State zijn duit in het zakje. In een recent arrest (R.v.St., SA Coditel Brabant, nr. 173.079, 3 juli 2007) (dat weliswaar drie jaren na de zitting geveld werd) stelt de Raad van State de volgende vraag aan het Hof van Justitie:

Kan een gemeente, zonder beroep te doen op de mededinging, lid worden van een coöperatieve vennootschap, waarvan de aandeelhouders enkel gemeenten zijn of verenigingen van gemeenten (zuivere intercommunales) met het oog op de overdracht van het beheer van haar teledistributienet in de wetenschap dat de vennootschap het essentiële deel van haar activiteiten realiseert met haar aandeelhouders en ter hunner ontlasting (“à leur décharge”) en dat de beslissingen over de vennootschap genomen worden door de raad van bestuur en door de sectorcomités binnen de grenzen aangegeven door de raad van bestuur, die statutaire organen zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de openbare overheden en waarvan deze de meerderheid vormen? Kan het aldus uitgeoefende toezicht (“maîtrise”), middels de statutaire organen, door alle coöperanten of door een deel van hen in het geval van exploitatiesectoren of –ondersectoren, op de beslissingen van de coöperatieve vennootschap beschouwd worden als hen toelatende om een toezicht op de vennootschap uit te oefenen zoals op haar eigen diensten? Moeten dit toezicht en deze controle door de leden individueel uitgeoefend worden of volstaat het dat dit gebeurt door de meerderheid van de aangesloten leden?

Begin 1969 tekenen Coditel en de gemeente Ukkel een overeenkomst “relative aux conditions d'utilisation du domaine communal pour l'installation et l'exploitation d'un réseau de télédistribution sur le territoire de la commune d’Uccle”. Eind oktober 1999 koopt de gemeente Ukkel het kabelnet over van Coditel voor iets minder dan 50 mio BEF (iets minder dan 1,25 mio EUR) zonder BTW.

Op hetzelfde moment beslist de gemeente Ukkel om de exploitatie van het kabelnet in concessie te geven. Coditel dient voor deze concessie een offerte in. Op vraag van de gemeente Ukkel bevestigt zij daarnaast dat zij bereid is om het kabelnet over te nemen voor 1,5 mia BEF (37 mio EUR).

In mei 2000 beslist de gemeente Ukkel om af te zien van het in concessie van het kabelnet en zich “te oriënteren naar de verkoop van het net”. Een bestek wordt hiertoe opgesteld. Coditel biedt in oktober 2000 750 mio BEF (18,6 mio EUR) voor het kabelnet.

Eind november beslist de gemeente Ukkel om het kabelnet niet te verkopen omdat “dans ces conditions la vente du réseau ne constituerait pas un acte de bonne gestion, soucieuse des deniers communaux”. Tijdens dezelfde gemeenteraad beslist Ukkel echter om aan te sluiten bij de coöperatieve vennootschap Brutele met een inbreng van het kabelnet in het kapitaal van Brutele.

Coditel dient een verzoek tot nietigverklaring in tegen deze beslissing (en andere hiermee verband houdende beslissingen). Coditel meent dat de beginselen van niet-discriminatie en in mededinging stellen niet gerespecteerd zijn.

De Raad van State stelt in de eerste plaats vast dat de toetredingsbeslissing van de gemeente Ukkel uiteindelijk toch moet gekwalificeerd worden als een concessie van openbare dienst omdat “malgré les termes ambigus utilisés, la commune d’Uccle reste propriétaire de son réseau”. Daarenboven ontvangt de gemeente jaarlijks vergoedingen van Brutélé die in verhouding staan tot het aantal abonnees op het grondgebied van de gemeente. Volgens de Raad zijn weliswaar de regels inzake overheidsopdrachten niet van toepassing, maar in ieder geval wel “les règles fondamentales du droit communautaire primaire en général et le principe de non-discrimination en raison de la nationalité en particulier, ce principe impliquant, notamment, une obligation de transparence qui permet au pouvoir adjudicateur de s’assurer que ledit principe est respecté”. Hij verwijst hiervoor naar het arrest-Telaustria.

De Raad beslist wel dat Ukkel kon beslissen om haar netwerk niet te verkopen en om een andere oplossing te zoeken. Echter, de Raad meent dat de gemeente niet “sans appel à la concurrence ni examen comparatif des offres en présence, retenir directement et immédiatement la formule de l’affiliation à la S.C. BRUTELE alors que l’opération s’apparente à une concession de service et en constitue même une au sens du droit communautaire”.

Volgens de Raad moest de gemeente “pour satisfaire aux exigences du droit communautaire, faire appel à la concurrence en vue d’examiner si la concession de son service de télédistribution à la société requérante ou à d’autres opérateurs économiques ne constituait pas une alternative plus avantageuse que celle finalement retenue”.

Vervolgens maakt de Raad een vreemde wending in haar redenering. Hoewel zij vaststelt dat het hier in casu gaat om een concessie van openbare dienst, waarop de algemene principes van het Europees recht van toepassing zijn, verwijst zij naar het Teckal-arrest van 18 november 1999 en het Telaustria-arrest van 7 december 2000. Hij onderzoekt of “le contrôle exercé sur l’entité concessionnaire par le pouvoir concédant soit analogue à celui que cette dernière exerce sur ses propres services et, d’autre part, que cette entité réalise l’essentiel de son activité avec l’autorité qui la détient.”

De Raad besluit:

Considérant qu’au vu de ces éléments le Conseil d’Etat est enclin à considérer que le premier moyen est fondé; qu’il estime toutefois ne pas être suffisamment éclairé par la jurisprudence de la Cour de Justice pour se prononcer définitivement sur l’existence d’une exception aux règles et principes susmentionnés du droit communautaire primaire dans le cas d’espèce; qu’avant de statuer sur le moyen, dans un souci d’unité dans l’application du droit communautaire, il y a lieu de poser à la Cour de Justice des Communautés européennes la question préjudicielle figurant au dispositif du présent arrêt.

Dit arrest roept heel wat vragen op.

In de eerste plaats is het zeer betreurenswaardig dat de Raad na de zitting van 13 oktober 2004 er bijna drie jaar over doet om tot een arrest te komen.

Daarnaast wekt het verwondering dat de Raad intussen geen rekening lijkt te houden met nieuwere rechtspraak van het Hof van Justitie (zie de arresten Teckal, Stadt Halle, Commissie/Spanje, Commissie/Oostenrijk, Carbotermo en Consorzio Alisei, en vooral Auroux) .

Tenslotte stelt zich de vraag waarom de Raad op basis van de vaststelling dat de beginselen van niet-discriminatie en transparantie geschonden waren door de gemeente Ukkel toch nog een zeer vage, maar tegelijk gewrochten prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie.
Share/Bookmark

maandag 23 juli 2007

Inwerkingtreding EPB-regeling voor private huizen

De kranten kopten vandaag dat de energieprestatievereisten van kracht worden voor private woningen.

Daarmee zijn de kranten tegelijk zeer laat met hun berichtgeving (het EPB-Decreet werd aangenomen op 7 mei 2004) en wat voorbarig.

Het persbericht van de Vlaamse regering luidt immers als volgt:

"De Vlaamse Regering beslist principieel om het energieprestatiecertificaat voor residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur in te voeren. De bestaande regelgeving met betrekking tot de uitvoering van de energieaudit wordt in het besluit geïncorporeerd. Over dit besluit wordt nog advies ingewonnen bij de SERV en de MiNa-Raad."

Share/Bookmark

vTn II

Na de Waalse regering blijkt nu ook de Vlaamse regering de uitbreiding van de vTn/rTr-leiding van Eynatten naar Zeebrugge (en omgekeerd) genegen te zijn.

Op voorstel van minister Van Mechelen besliste de Vlaamse regering op donderdag 19 juli:

"De nv Fluxys bereidt de realisatie voor van een nieuwe aardgastransportleiding door Vlaanderen, het zogenaamde VTN2-project. Het gaat om een hoofdtransportleiding van grote diameter. Vanuit ruimtelijk oogpunt kan het VTN2-project beschouwd worden als een "ontdubbeling" van de bestaande VTN-leiding. De Vlaamse Regering ondersteunt principieel het VTN2-project. Er zal een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan worden opgemaakt, waarbij de ruimtelijke impact van het project voldoende kwalitatief wordt omschreven. Zonodig wordt aanvullend bij het project-MER tijdig gestart met de opmaak van een ruimtelijk veiligheidsrapport."

Share/Bookmark

Elia-heffing

Volgens verschillende persberichten zou de Vlaamse regering beslist hebben om de Elia-heffing af te schaffen.

Meer informatie over dit gevoelig thema vind je bij de VVSG.
Share/Bookmark

donderdag 19 juli 2007

Verplaatsing van nutsleidingen

Het zevende lid van het enige artikel van de wet van 17 januari 1938 bepaalt:

"De Staat, de provinciën en de gemeenten hebben in alle geval het recht om de inrichting of het plan van een aanleg evenals de daarmede verband houdende werken later op hun onderscheidenlijk domein te doen wijzigen. Worden wijzigingen opgelegd hetzij om reden van de openbare veiligheid of tot behoud van natuurschoon, hetzij in het belang van de wegen, waterloopen, vaarten of van een openbaren dienst, hetzij als gevolg van veranderingen welke de aangelanden aan de toegangen tot de eigendommen langsheen de gebezigde wegen hebben toegebracht, dan zijn de kosten der werken ten laste van de aanneming, die den aanleg heeft gedaan; in de andere gevallen komen ze ten laste van de overheid die de wijzigingen oplegt."

In het kader van de werken voor de HSL, vroeg de NMBS onder andere aan IGAO en aan AWW om hun leidingen te verplaatsen. De discussie over de kostprijs van deze verplaatsing leidde tot het arrest van het Hof van Cassatie van 22 juni 2007 (Cass. AWW/NMBS Holding en IGAO/NMBS Holding, C.05.0514.N en -C.05.0518.N/19).

In dit arrest oordeelde het Hof van Cassatie:

1. De bovengrondse kruising van een lager gelegen gewone weg door een spoorweg, ook al steunt deze bovengrondse kruising op een bouwwerk dat rust op de lager gelegen weg, heeft op de plaats van die kruising niet de inlijving tot de spoorweg tot gevolg van de lager gelegen weg. Werken aan de bovengrondse spoorweg kunnen dus geen aanleiding geven tot de toepassing van het zevende lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 voor de verplaatsing van leidingen onder de lagergelegen gewone weg omdat deze gewone weg geen deel uitmaakt van de spoorweg.

2. Een overheid kan zich enkel beroepen op dit zevende lid op een moment dat de grond waaronder zich de te verplaatsen leidingen bevinden nog niet onder haar beheer, maar onder het beheer van een andere overheid vallen.
Share/Bookmark

Het einde van het openbaar domein?

Deze post is té belangrijk voor het publiek recht in ons land om hem hier niet te plaatsen, ook al heeft het (op het eerste zicht) weinig van doen met nutsvoorzieningen.

Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 18 mei 2007 EINDELIJK geoordeeld:

"Voor zover evenwel een privaat recht van opstal voormelde bestemming [tot het gebruik van allen] niet verhindert, kan het worden gevestigd op een goed van het openbare domein."

Het Hof zet hiermee een punt achter een eeuwenoude stelling dat er geen zakelijke rechten (behalve misschien erfdienstbaarheden) kunnen toegestaan worden op het openbaar domein.

De integrale tekst is te vinden op de "Rechtspraak-website" van het Ministerie van Justitie (Cass. 18 mei 2007, Vlaams Gewest / Hesse-Noordnatie, C.06.0086.N/1):

"3. Een goed behoort tot het openbare domein doordat het, hetzij door een uitdrukkelijk hetzij door een impliciete beslissing van de overheid wordt bestemd tot het gebruik van allen, zonder onderscheid van de persoon. (...)

4. Behoort een goed tot het openbare domein en is het zodoende bestemd tot het gebruik van allen, dan kan niemand een privaat recht verwerven dat het bedoelde gebruik zou kunnen belemmeren en dat afbreuk zou kunnen doen aan het recht van de overheid om het te allen tijde, gelet op dat gebruik, te regelen.

5. Voor zover evenwel een privaat recht van opstal voormelde bestemming niet verhindert, kan het worden gevestigd op een goed van het openbare domein.

6. De appelrechters die zonder enig onderscheid oordelen dat een recht van opstal op het openbaar domein onmogelijk is, verantwoorden hun beslissing niet naar recht."

Share/Bookmark

Afwegingskader voor biobrandstoffen

Groen diende op 7 maart 2007 een voorstel van resolutie in "betreffende de invoering van duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en groene stroom" dat op 26 maart 2007 verworpen werd in de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement. De voornaamst reden voor de verwerping is het ontbreken van een Europees kader voor zulke criteria.

Tijdens de laatste commissievergadering van het vorige werkingsjaar op 3 juli 2007 stelden Eloi Glorieux en Sabine Poleyn nog vragen om uitleg over de negatieve effecten van de ontwikkeling van biobrandstoffen op de voedselprijzen.

De nieuwbakken minister Crevits stelde dat ze "begaan is met de problematiek" maar dat "Vlaanderen alleen niet sterk staat" en de "we moeten proberen om dat op grotere schaal aan te pakken".

Een trans- of internationaal certificeringssysteem, zoals door de Europese Unie wordt voorbereid, lijkt voor de minister een uitstekend aanknopingspunt. Verder verwees zij naar een voorlichtingsnamiddag van het Vlaams Energieagentschap op 7 mei 2007 met tal van betrokken partijen, waarop de Nederlandse en Britse voorstellen toegelicht werden. Nederland heeft een toetsingskader voor duurzame biomassa uitgewerkt en het Verenigd Koninkrijk onderzoekt de verslaggeving. Tot slot verwees zij ook naar "het certificatensysteem van Electrabel, dat duurzame biomassa waarborgt".
Share/Bookmark

maandag 16 juli 2007

Stedenbouw: Is een kiezelweg een voldoende uitgeruste weg?

Mevrouw Meert dient in 1992 een verkavelingsvergunningsaanvraag voor twee percelen gelegen aan een 150 m lange private insteekweg. Langs deze dienstweg zijn waterleiding, elektriciteit en openbare verlichting aanwezig. Het perceel is echter niet aangesloten op riolering en de wegverharding bestaat uit een losse steenslagstructuur.

Uit veiligheidsoverwegingen zijn volgens de Vlaamse minister van ruimtelijke ordening "meerdere gebouwen langs deze smalle weg te vermijden". Verder oordeelt hij dat "gezien de plaatselijke toestand de weg onvoldoende is uitgerust”.

Op 1 juli 1993 stelt mevrouw Meert een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State, die op 28 juni 2007 (of bijna 14 jaar later) oordeelt (R.v.St., Meert-Verhoeven, nr. 172.925):

"Overwegende dat het geheel van argumenten van het bestreden besluit dat “de wegverharding uit een losse steenslagstructuur bestaat” en dat “uit veiligheidsoverwegingen meerdere gebouwen langs deze smalle weg te vermijden zijn”, volstaat om de vaststelling dat “gezien de plaatselijke toestand de weg onvoldoende is uitgerust”, te motiveren en dat bijgevolg de uitzonderingsbepaling van artikel 23, 1°, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 niet van toepassing is;"

Share/Bookmark

Beroep tegen een beslissing van het fonds beheerd door BIPT of de CREG

Zowel inzake beslissingen van het BIPT als de CREG heeft de wetgever tijdens de laatste legislatuur geoordeeld dat het Hof van Beroep van Brussel de bevoegde rechtsmacht is tegen zulke beslissingen beroep in te stellen.

Wat het BIPT betreft zijn deze beroepsregels uitgewerkt in de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector. Wat de CREG betreft bepaalt de Wet van 27 juli tot organisatie van de mogelijkheden tot beroep tegen de beslissingen genomen door de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas de te volgen beroepsprocedure.

Voor een bespreking van deze nieuwe beroepsprocedures verwijs ik graag naar de rechtsleer terzake:
Bram Delvaux, "De specifieke beroepsprocedure tegen de beslissingen van de CREG", in T. Vanden Borre, De vrijmaking van de elektriciteits- en gasmarkt: de federale wetgeving in een stroomversnelling?, Antwerpen, Intersentia, 2006.

Op zich lijken deze nieuwe bepalingen vrij duidelijk ten aanzien van het BIPT of de CREG zelf. Maar wat met de Fondsen die door één van beide regulatoren beheerd worden (zoals het Fonds voor Universele Dienstverlening of de fondsen voorzien in artikel 21ter van de Elektriciteitswet.

Verschillende OLO's ("Other licensed Operators") stelden een beroep in bij de Raad van State tegen een beslissing van Raad van het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie in zijn hoedanigheid van beheerder van het Fonds voor de Universele Dienstverlening inzake Sociale Tarieven betreffende de methodologie voor het bepalen van compensaties per operator voor het sociale element van de universele dienst.

De Raad van State oordeelde (R.v.St., NV Colt Telecom, nr. 172.079, 11 juni 2007; R.v.St., NV Base, nr. 172.080, 11 juni 2007; R.v.St., NV Euphony Benelux, nr. 172.076, 11 juni 2007; R.v.St., NV Verizon Belgium Luxembourg, nr. 172.078, 11 juni 2007; R.v.St., BT Belgium (Belgian Branch), nr. 172.077, 11 juni 2007; R.v.St., NV Mobistar, nr. 172.074, 11 juni 2007; R.v.St., NV Versatel Belgium, nr. 172.075, 11 juni 2007; R.v.St., NV Tele 2 Belgium, nr. 172.073, 11 juni 2007):

"dat in deze weliswaar de bestreden beslissing is genomen door de Raad van het BIPT in zijn hoedanigheid van beheerder van het Fonds voor de Universele Dienstverlening inzake Sociale Tarieven, zodat in de zuivere theorie het een beslissing is van dat Fonds, omdat het Fonds luidens artikel 74, vierde lid, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie een eigen rechtspersoonlijkheid bezit; dat evenwel in wezen de Raad van het BIPT die beslissing heeft genomen aangezien het Fonds als zodanig zelf niet over een orgaan beschikt dat beslissingen zou kunnen nemen; dat in die omstandigheden en in de besproken context het onwaarschijnlijk en zelfs onredelijk voorkomt dat sommige beslissingen van het BIPT in uitvoering van de hiervoor besproken regelgeving, omwille van de aangenomen hoedanigheid, bij een andere instantie zouden moeten worden aangevochten en er worden beoordeeld; dat zulks ook in tegenspraak zou zijn met de door de richtlijn beoogde doeltreffendheid van de rechtsbescherming; dat voorts zowel een wetsconforme interpretatie van de reeds genoemde wet van 17 januari 2003, als een richtlijnconforme uitlegging van de richtlijn 2002/21/EG van 7 maart 2002, er toe nopen te besluiten dat alle beroepen tegen de beslissingen die specifiek de telecommunicatie betreffen in het kader van de werking van het BIPT toevertrouwd zijn aan het Hof van Beroep te Brussel; dat overigens de wetgever zelf klaarblijkelijk alle geschillen over beslissingen met betrekking tot de telecommunicatie heeft willen toevertrouwen aan het Hof van Beroep te Brussel omdat zulks nogmaals wordt bevestigd in de wet van 6 juli 2005 betreffende sommige juridische bepalingen inzake elektronische communicatie, waarin ook de beroepen van de Ethische Commissie voor de telecommunicatie worden toegewezen aan dat Hof van Beroep; dat de Raad van State bijgevolg op het eerste gezicht niet bevoegd lijkt om zich over de ingediende vordering uit te spreken"

Share/Bookmark