woensdag 26 oktober 2011

Barbara Veranneman vervoegt Essenscia

Onze kantoorgenote Barbara Veranneman heeft de balie spijtig genoeg verlaten. Ze werkt nu definitief bij Essenscia, waar ze voordien al als 'tewerkgestelde advocate' actief was. We wensen haar veel succes en zijn ervan overtuigd dat haar uitmuntende kennis over de energie- en klimaatsector binnen de sectorfederatie van de chemische nijverheid uitstekend tot zijn recht zal komen.



Share/Bookmark

donderdag 13 oktober 2011

Steekvlampolitiek

Begin vorige week beschuldigde minister Van den Bossche een groot aantal elektriciteitsleveranciers ervan te 'liegen'. Volgens een studie van de VREG zouden ze aan hun klanten 125 euro aangerekend hebben per groenestroomcertificaat dat ze jaarlijks moeten inleveren, terwijl de werkelijke kostprijs van zo'n certificaat met 103 euro een stuk lager zou liggen. Dezelfde dag vroeg een federaal parlementslid aan minister Van Quickenborne, bevoegd voor mededinging, om een onderzoek te openen naar mogelijke prijsafspraken onder de energieleveranciers. De minister van ondernemen ging daar direct op in en gaf de mededingingsautoriteiten een onderzoeksopdracht. De daaropvolgende donderdag vielen inspecteurs van de dienst mededinging binnen bij leveranciers.

De nationale regulator CREG was er als de kippen bij om “zich solidair te tonen met de actie die vandaag gevoerd wordt door de Algemene Directie Mededinging bij de leveranciers van elektriciteit inzake een problematiek die niet alleen in Vlaanderen bestaat, maar die België in zijn geheel raakt”. De CREG zou in vijf studies de bevoegde overheden 'gewaarschuwd' en 'op de hoogte gebracht' hebben dat een aantal leveranciers de boeteprijs doorrekenen en niet de marktprijs.

Een week later publiceerde de VREG haar studie. Die is heel wat genuanceerder dat wat de dame en heren politici, met de CREG in hun kielzog, lieten uitschijnen. In de studie wordt inderdaad vastgesteld dat veel leveranciers een 'premie' of een 'marge' aanrekenen aan hun klanten. Tegelijk stelt de VREG vast dat de leveranciers “geen structurele 'marge' [kunnen] heffen op hun groene bijdrage, zonder dit ofwel te compenseren op hun zuivere energieprijs, ofwel een concurrentieel nadeel op te lopen”. Nog volgens de VREG wijst “het feit dat veel elektriciteitsleveranciers een 'premie' binnen de kost van de certificaatverplichting kunnen doorrekenen, erop dat de energiemarkt (nog) niet volledig transparant is en nog niet volledig concurrentieel werkt”. “Het gaat dus om een probleem van (gebrek aan) transparantie en van vermelding van kosten, eerder dan om een probleem van onterechte kostenaanrekening”, besluit de VREG.

Nergens in de studie van de VREG staat enige indicatie naar mogelijke mededingingsbeperkende afspraken tussen de verschillende leveranciers over de waardering die zij plakken op de verplichting tot het inleveren van groenestroomcertificaten. Overigens heeft ook de CREG nooit aangegeven dat de onderzochte praktijk juridisch laakbaar zou zijn. Indien ze anticompetitief gedrag zou hebben vastgesteld, had ze dit zeker gemeld aan de minister en de Raad voor de Mededinging en had ze voorstellen gedaan om de marktwerking te verbeteren, zelfs als ze niet territoriaal bevoegd zou zijn. Zij kwam enkel prima facie tot gelijkaardige vaststellingen als de VREG.

Uiteraard moeten politici, en de minister voor ondernemen in de eerste plaats, wantoestanden laten onderzoeken en liefst nog tijdig (laten) remediëren. Maar zulke politieke initiatieven mogen niet op basis van steekvlammetjes, zonder kennis en kunde van het dossier en van de studie van de bevoegde regulatoren, genomen worden. De snelheid waarmee de mededingsautoriteiten nu te werk moesten gaan leidt bijna overal tot ongenoegen. Een aantal klanten melden zich misnoegd bij hun leveranciers. Die leveranciers moeten veel werk steken aan de afhandeling van de inval, de communicatie daarover en het verbeteren van hun waarschijnlijk onterecht beklad imago. De regulatoren kunnen enkel machteloos toekijken dat de studies waarin zij veel werk steken voor de zoveelste keer niet gelezen worden. Alleen advocaten lijken er nog wel bij te varen.

Het komt nu aan onze mededingingsautoriteiten toe om na te gaan of er, ondanks het feit dat de VREG dit nergens vermeldt noch insinueert, mededingingsbeperkende afspraken rond de doorrekening van de groenestroomcertificaten geweest zijn. De resultaten zullen we hopelijk sneller kennen dan die van enkele andere onderzoeken die zij de afgelopen jaren gestart zijn in de energiesector. De kans dat er inbreuken waren, lijkt mij ook eerder beperkt. Men kan zich de vraag stellen of het vanuit economisch oogpunt misschien niet normaal is dat de leveranciers de boeteprijs doorrekenen als kostprijs voor de groenestroomcertificaten. De opportuniteitskost van zulk certificaat is toch juist die boeteprijs. Leveren ze te weinig certificaten in (omdat ze verkiezen om hun certificaten op de markt te verkopen), is dat toch de decretaal vastgelegde prijs die ze moeten betalen?

Zie hierover trouwens ook de gelijkaardige opmerkingen van André Jurres op zijn blog.




Share/Bookmark

dinsdag 11 oktober 2011

Het Vlinderakkoord en de nettarieven

Vandaag stelden de federale onderhandelaars het Vlinderakkoord, de afspraken voor de zesde staatshervorming, voor in de Kamer.

Zoals al veel eerder overeengekomen, wordt de bevoegdheid over de distributienettarieven overgedragen van de federale staat naar de gewesten. De federale overheid blijft eigenlijk enkel nog bevoegd voor de tarieven voor het gebruik van de installaties van Fluxys en Elia, zelfs als die installaties een spanningsniveau hebben van minder dan of gelijk aan 70 kV. Die uitzondering heeft als grote voordeel voor Elia dat ze zich maar tot één (federale) regulator moet wenden en niet tot vier.

De grote onafhankelijke expertise die binnen de schoot van de federale regulator CREG de laatste jaren was opgebouwd met betrekking tot de distributienettarieven (en de gerechtelijke procedures daarover) gaat hopelijk niet verloren door de bevoegdheidsoverdracht. Ondanks het feit dat de gewesten vanaf de inwerkingtreding van het Vlinderakkoord zeer snel een eigen decretaal tarifair kader mogen uitwerken zou het een passend signaal zijn om een deel van die expertise over te nemen. Daarmee zou men ook duidelijk maken dat een regionalisering niet betekent dat de vaststelling en de goedkeuring van de tarieven niet langer in het belang zal zijn van alle rechtstreeks betrokken marktdeelnemers, en van de eindconsument in de eerste plaats.



Share/Bookmark

maandag 10 oktober 2011

De toezichthouder moet toezicht houden, niet meer.

In zijn meest recente studie over "het financieringsmechanisme van de gratis kilowatturen in Vlaanderen" verwijst de CREG voor de verantwoording van haar studie naar artikel 23, § 2, tweede lid Elektriciteitswet. Uit dit artikel leidt de CREG het volgende af:

"Enkele van de opdrachten die de wet aan de CREG toevertrouwt, zijn "toezicht houden op de transparantie en de mededinging op de elektriciteitsmarkt" en "erop toezien dat met name technische en tarifaire toestand van de elektriciteitssector alsook de evolutie van deze sector het algemeen belang beogen en in het algemene energiebeleid kaderen." De wet verzoekt de CREG "de permanente monitoring van de elektriciteitsmarkt te verzekeren, zowel op het vlak van de marktwerking als op het vlak van de prijzen"."
Artikel 23, § 2, tweede lid Elektriciteitswet belast de CREG
"met een raadgevende taak ten behoeve van de overheid inzake de organisatie en werking van de elektriciteitsmarkt, enerzijds, en met een algemene taak van toezicht en controle op de toepassing van de betreffende wetten en reglementen, anderzijds".
Te dien einde zal de CREG o.a.
"1° gemotiveerde adviezen geven en voorstellen voorleggen in de gevallen bepaald door deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° op eigen initiatief of op verzoek van de minister of van een gewestregering onderzoeken en studies uitvoeren in verband met de elektriciteitsmarkt;
3° toezicht houden op de transparantie en de mededinging op de elektriciteitsmarkt overeenkomstig artikel 23bis;
19° er op toezien dat met name technische en tarifaire toestand van de elektriciteitssector alsook de evolutie van deze sector het algemeen belang beogen en kaderen in het algemene energiebeleid. De Commissie verzekert de permanente monitoring van de elektriciteitsmarkt, zowel op het vlak van de marktwerking als op het vlak van de prijzen. De Koning kan, op voorstel van de Commissie, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels van de permanente monitoring van de elektriciteitsmarkt nader bepalen;"
Terecht verwees de CREG niet naar artikel 23, § 2, tweede lid, 1° en 2°, Elektriciteitswet om haar studie te verantwoorden. De Vlaamse politieke keuze voor gratis elektriciteit vloeit niet voort uit de Elektriciteitswet of de uitvoeringbesluiten ervan, maar vindt haar wettelijke basis in het Energiedecreet. Dat decreet bepaalt niet dat de CREG 'gemotiveerde adviezen' kan geven of 'voorstellen' kan voorleggen. Evenmin blijkt uit de studie dat de Vlaamse regering aan de CREG gevraagd heeft om onderzoeken te doen of studies uit te voeren in verband met de Vlaamse elektriciteitsmarkt.

Artikel 23, § 2, tweede lid, 3°, Elektriciteitswet verplicht de CREG inderdaad om "toezicht te houden op de transparantie en de mededinging op de elektriciteitsmarkt overeenkomstig artikel 23bis". Artikel 23bis Elektriciteitswet is ingevoegd door de wet van 8 juni 2008. Het legt aan de CREG op om er op toe te zien dat "elk elektriciteitsbedrijf, dat elektriciteit levert aan in België gevestigde afnemers, zich onthoudt, afzonderlijk of in overleg met meerdere andere elektriciteitsbedrijven, van elk anti-competitief gedrag of oneerlijke handelspraktijken die een weerslag hebben of zouden kunnen hebben op een goed werkende elektriciteitsmarkt in België". Indien de CREG zulke gedragingen vaststelt, moet zij dit melden aan de minister van energie of aan de Raad voor de Mededinging.

Een studie over een gewestelijke keuze voor gratis elektriciteit is geen vrijgeleide voor elektriciteitsbedrijven om anti-competitief gedrag te vertonen of oneerlijke handelspraktijken erop na te houden. Het loutere naleven van de verplichting tot het verlenen van de gratis elektriciteit, door alle betrokken marktspelers, zorgt juist voor een gelijk speelveld tussen die verschillende marktactoren. Het komt dan ook vreemd over dat de CREG deze bepaling hanteert om haar studie te verantwoorden. Overigens stelt zij in haar studie ook op geen enkele manier zulke laakbare gedraging vast, noch koppelt zij hieraan enig initiatief naar de minister van energie of de Raad voor de Mededinging toe.

De enige houvast die de CREG lijkt te hebben voor deze studie is artikel 23, § 2, tweede lid, 19°, Elektriciteitswet: "er op toezien dat met name technische en tarifaire toestand van de elektriciteitssector alsook de evolutie van deze sector het algemeen belang beogen en kaderen in het algemene energiebeleid." De Elektriciteitswet bepaalt wel dat de Koning de nadere regels van de permanente monitoring nader kan bepalen. Tot op heden heeft de Koning geen uitvoeringsbesluit in die zin aangenomen. Zulk besluit is volgens ons nodig om de krijtlijnen van de toezichtsopdracht te trekken.

Van Dale geeft als derde betekenis van 'toezicht' "het waken dat een persoon of zaak zich gedraagt of bevindt, dat een handeling geschiedt, overeenkomstig een bepaalde norm". Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal moet aan die omschrijving nog toegevoegd worden "m.betr.t. een instelling of bedrijf bepaaldelijk: het er voor waken, dat daarin alles op de juiste wijze geschiedt. Hoede, zorg, controle". Een moderner woord voor 'toezicht' is 'monitoring'. In het Engels betekent 'to monitor' o.a. ook 'toezien op'.

Opdat er toezicht kan zijn, moet er een norm zijn waaraan hij die toezicht houdt waarover hij toezicht houdt kan toetsen. Kan die norm voor een energieregulator 'het algemeen belang' zijn? Of 'het algemene energiebeleid'?

Wat het 'algemeen belang' is, evolueert. Volgens Wikipedia duidt het 'algemeen belang' "op datgene dat voor het welzijn van het volk in het algemeen nuttig, gewenst of nodig is". Bij het Franse lemma 'intérêt général' staat "est une notion qui désigne la finalité des actions ou des institutions qui intéressent l'ensemble d'une population". "Sans sens précis elle désigne à la fois le lieu géométrique des intérêts des individus qui composent la nation et en même temps un intérêt propre à la collectivité qui transcende celui de ses membres." Het begrip 'algemeen belang' lijkt dusdanig politiek-filosofisch beladen dat het, indien het zelf niet omschreven is in specifieke wetgeving, moeilijk als norm kan dienen waaraan een regulator gedragingen van markpartijen kan toetsen.

Ook het concept van 'het algemene energiebeleid' is evolutief. Anders dan bij het meer filosofisch beladen concept 'algemeen belang' zou het 'algemene energiebeleid' kunnen afgeleid worden uit de politieke afspraken die een meerderheid in het parlement maakt bij het begin van of tijdens een legislatuur. Veelal zullen de krijtlijnen van het 'algemene energiebeleid' ook blijken uit de beleidsbrief van de bevoegde minister en de debatten daarover in het parlement. Dit betekent dat het 'algemene energiebeleid' afhangt van de bevoegdheid van dat parlement.

Het 'algemene energiebeleid' mag niet zo algemeen zijn dat een minister of een parlement zich uitspreekt over het beleid op een vlak waarvoor men niet bevoegd is. Als de minister of het parlement dit niet kunnen, kan men ook moeilijk aannemen dat een regulator het 'algemene energiebeleid', dat dus territoriaal of bevoegdheidsrechtelijk beperkt is, gebruikt als kapstok voor een toezicht op het het energiebeleid van een andere overheid. Anders zou dat toezicht ook bijvoorbeeld moeten kunnen slaan op het 'algemene energiebeleid' dat de Nederlandse, Franse of Duitse overheid als leidraad hebben.

Laat dit nu juist juridisch het meest problematische zijn aan de studie van de CREG. Een federale regulator, wiens werking begrenst is door een federale wetgeving, waarvan de bevoegdheidsverdelende bijzondere wet van 8 augustus 1980 de grenzen trekt, mag zich niet inlaten met politieke keuzes die een gewest maakt. Die politieke keuzes, vertaald als 'algemeen energiebeleid', van dat gewest, kunnen enkel getoetst worden door de instanties die de gewestelijke decreetgever daartoe aangeduid heeft.

Het feit dat de federale regulator waarschijnlijk meer nog dan andere regulatoren over meer dan voldoende mensen, tijd en middelen beschikt om zulke studies te maken, mag geen verantwoording voor de bevoegdheidsoverschrijding zijn.





Share/Bookmark

maandag 3 oktober 2011

Etikettering van het energieverbruik van huishoudelijke apparaten

Een van de manier om de doelstelling van 20% meer energie-efficiëntie te bereiken tegen 2020 is het verbeteren van een correcte informatie over het energieverbruik van huishoudelijke apparaten. Aan de hand van die correct uitgewerkte informatie kan de eindconsument een onderbouwde beslissing nemen voor energie-efficiënte apparaten. In dit opzicht hervormt Richtlijn 2010/30/EG betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen (zoals water, chemische stoffen, …) op de etikettering en in de standaard-productinformatie van energiegerelateerde producten Richtlijn 92/95/EEG fundamenteel. De nieuwe richtlijn is van toepassing op alle energiegerelateerde producten die tijdens hun gebruik een significant direct of indirect effect hebben op het energieverbruik en vormt een tandem met de Ecodesign-richtlijn.

Met “de verstrekking van nauwkeurige, zinnige en vergelijkbare informatie over het specifieke energieverbruik van energiegerelateerde producten” zou de consument ertoe aangezet moeten worden om te kiezen voor minder energieverbruikende producten. Hierdoor zouden ook producenten aangemoedigd kunnen worden om maatregelen te nemen om zulke producten op de markt te brengen. De Richtlijn is niet van toepassing op tweedehandsproducten, middelen voor personen- of goederenvervoer en “het plaatje waarop het vermogen is vermeld of het equivalent daarvan, dat met het oog op de veiligheid op de producten wordt aangebracht”.

De verplichtingen van de richtlijn gelden in de eerste plaats voor die producten waarvoor de Europese Commissie in een zogenaamde ‘gedelegeerde handeling’ voorwaarden voor de etikettering heeft opgenomen. Naast de op etiketten al gebruikte klassen A tot G, kan de Commissie drie bijkomende klassen aan de indeling toevoegen “indien dat gelet op de technologische vooruitgang nodig is”: A+, A++ en A+++. De indeling in klassen wordt geëvalueerd wanneer een belangrijk aandeel van de producten op de interne markt in de twee hoogste energie-efficiëntieklassen wordt ingedeeld en wanneer bijkomende besparingen mogelijk worden door de producten verder te differentiëren.

De Europese Commissie moet die gedelegeerde handelingen aannemen voor producten die intrinsiek kunnen leiden tot belangrijke besparingen van energie en andere essentiële hulpbronnen. Wanneer de Commissie een ontwerp hiertoe opstelt, moet zij rekening houden met de Ecodesign-richtlijn en een analyse uitvoeren over de gevolgen voor het milieu, eindgebruikers en fabrikanten vanuit het oogpunt van concurrentievermogen, innovatie, markttoegang, kosten en baten. Zij overlegt hierover met de belanghebbenden.

Het Europees Parlement of de Raad kunnen tegen een gedelegeerde handeling bezwaar maken binnen een (verlengbare) periode van twee maanden na datum van kennisgeving door de Europese Commissie van de handeling. In geval van bezwaar treedt de handeling niet in werking. Bij gebreke van bezwaar binnen de voorgeschreven (en eventueel verlengde) termijn, wordt de handeling gepubliceerd in het Publicatieblad.
De Europese Commissie heeft intussen de volgende de gedelegeerde handelingen aangenomen:
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2010 (televisies)
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1061/2010 (huishoudelijke wasmachines)
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1060/2010 (huishoudelijke koelapparaten)
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1059/2010 (afwasmachines)

Voor producten die gereguleerd zijn door gedelegeerde handelingen moeten de leveranciers de overeenstemmende etiketten aanbrengen, een fiche verstrekken, technische documentatie opstellen die toelaat om de gegevens op het etiket en de fiche te controleren, stavingstukken voor inspectie bijhouden, en de fiche en het etiket gratis verstrekken aan de handelaars. De handelaars moeten de etiketten goed zichtbaar en leesbaar aanbrengen en de fiche ter beschikking stellen in de productbrochure. Ook bij het uitstallen van de producten moeten de etiketten duidelijk zichtbaar zijn. Bij verkoop op afstand, waarbij “de potentiële eindgebruiker het product waarschijnlijk niet uitgestald ziet”, moeten de potentiële eindgebruikers de informatie krijgen die op het etiket voor dit product en op het fiche wordt vermeld, alvorens zij het product kopen.

De lidstaten moeten niet alleen erop toezien dat de leveranciers en handelaars hun verplichtingen nakomen. Zij moeten het systeem van etiketten en fiches aan het grote publiek toelichten middels voorlichtings- en promotiecampagnes. Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de richtlijn kan door handelaars te verplichten om producten op te nemen die aan de bepalingen voldoen, door voorafgaand de nodige preventieve maatregelen te nemen als er voldoende bewijs is dat een product mogelijk niet aan de bepalingen voldoet en het uit de handel nemen van bepaalde producten.

De lidstaten moeten ook de regels vaststellen voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn en de gedelegeerde handelingen vastgestelde nationale bepalingen, inclusief het onrechtmatige gebruik van het etiket. Die vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Met het koninklijk besluit van 13 augustus 2011 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van energiegerelateerde producten wordt de Richtlijn op federaal vlak omgezet. De wettelijke basis van het koninklijk besluit is o.a. de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming.

De Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie houdt in eerste instantie toezicht op de naleving van de etiketteringsverplichtingen. De ultieme sanctie is het verbod om het product in de handel te brengen of het uit de handel te nemen.



Share/Bookmark