dinsdag 30 oktober 2007

Groene herziening van het Waalse Elektriciteitsdecreet

Het Waalse parlement keurde op 3 oktober 2007 wijzigingen goed aan de hoofdstukken inzake hernieuwbare energie van het decreet van 12 april 2001 houdende de organisatie van de gewestelijke energiemarkt.

Met deze wijziging voert het Waalse parlement, net zoals in Vlaanderen ook een feed-in tarief in voor elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen. Distributienetbeheerders zullen verplicht zijn om groenestroomcertificaten, wanneer die hun aangeboden worden door de producent, tegen een vaste prijs aan te kopen. Deze aankoopverplichting geldt voor 15 jaren na de indienstname van de installatie. "Cette aide à la production, sous la forme d’obligation d’achat, ne s’applique que pour le producteur qui en a obtenu le bénéfice en vertu d’une décision du Gouvernement, après avis de la CWaPE sur la nécessité d’un tel mécanisme de garantie, au regard de la rentabilité du projet. "

DNB's zullen ook verplicht zijn "d’acheter, au prix du marché et dans les limites de leurs besoins propres, l’électricité verte produite par des installations établies sur leur territoire et que les producteurs d’électricité verte ne parviennent pas à vendre".

Het nieuwe decreet voert ook een systeem van garanties van oorsprong in: "Les labels de garantie d’origine sont octroyés pour l’électricité vendue par le producteur ainsi que pour l’électricité autoconsommée ou injectée sur le réseau et qui ne fait pas l’objet d’une vente." Het wijzigt verder ook de regelingen inzake groenestroomcertificaten.

De CWaPE heeft intussen ook al zijn advies over het ontwerp van uitvoeringsbesluit online gezet.
Share/Bookmark

maandag 29 oktober 2007

Klimaatrecht

Web 2.0 blijft fascineren. Daarom heb ik besloten om een aparte blog te wijden aan het Klimaatrecht.
Share/Bookmark

vrijdag 26 oktober 2007

Bevoorradingszekerheid in het deelakkoord energie

Het deelakkoord rond energie bevat ook een hoofdstukje rond bevoorradingszekerheid.

Wat aardgas betreft, opteren de onderhandelaars voor "gelijke toegangsvoorwaarden voor de concurrenten om aardgas te importeren, op te slaan en te transporteren". Met deze passage, die ook voorkwam in de Hertoginnedal-versie, insinueren de onderhandelaars dat de toegang tot het aardgasvervoersnet nu niet tegen gelijke toegangsvoorwaarden mogelijk is. Of ze voor deze stelling de boter hebben gehaald bij de beslissing van de Europese Commissie over de fusie tussen Suez en Gaz de France is onduidelijk, maar waarschijnlijk. In deze beslissing stelde de Europese Commissie onomwonden dat er een blijvende congestie bestaat op het vervoersnet van Fluxys. Deze congestie bevoordeelt enkel de historische leverancier (Distrigas).

De tarieven moeten toelaten dat er geïnvesteerd kan worden in aardgasopslagcapaciteit en in interconnecties. Daarnaast zetten de onderhandelaars "de omvorming van de hub van Zeebrugge verder om zo de positie ervan als internationale draaischijf voor de aardgasvoorziening te versterken". Het is niet helemaal duidelijk of de maximumdeelname van 25% door producenten of leveranciers in de netbeheerders ook geldt ten aanzien van bv. de beheerder van de LNG-terminal in Zeebrugge. Suez en Gaz de France hebben zeer duidelijk gemaakt dat hun aandeel in Fluxys International, die onder andere de hub van Zeebrugge en de LNG-terminal zal beheren in ieder geval een meerderheidspositie moet uitmaken.

Uit het deelakkoord kan men ook niet afleiden of de boodschap van de CREG over de nakende productiecapaciteitsproblemen doorgedrongen is. In haar persbericht van 27 september 2007 stelde de CREG zeer duidelijk dat "de markt vast en zeker [wacht] op een “definitieve” beslissing over het al dan niet vasthouden aan de uitstap uit kernenergie, tenminste voor de centrales waarvan het scharnierpunt in 2015 ligt".

Het deelakkoord stelt enkel dat de onderhandelaars "de exploitatieduur van enkele kerncentrales voor een beperkte tijd en in veilige omstandigheden" verlengt. Met deze passage wordt geen afdoend antwoord gegeven op de oproep van de CREG.
Share/Bookmark

donderdag 25 oktober 2007

Federaal deelakkoord over de energiepolitiek

De federale onderhandelaars bereikten op woensdag 24 oktober 2007 een deelakkoord over duurzame ontwikkeling ("Samen gaan voor een duurzame levenskwaliteit"). In dit deelakkoord wordt ook plaats gemaakt voor de energiepolitiek die de onderhandelaars in een mogelijke volgende federale regering willen voeren.

De onderhandelaars onderkennen de bevoegdheidsverdeling tussen de federale staat en de gewesten op het vlak van energie:

"Binnen de Belgische federale context, waar de bevoegdheden inzake energie en klimaat verdeeld zijn tussen de federale staat en de Gewesten, verbindt de federale regering zich ertoe bij te dragen tot en impulsen te geven aan het geheel van het Belgisch energie-, en klimaat-, mobiliteits- en milieubeleid."

Daarnaast willen ze:
1. Zorgen voor redelijke prijzen door een echte concurrentie op de energiemarkten te garanderen;
2. Het sociaal energiebeleid ontwikkelen;
3. Burgers en bedrijven fiscaal aanmoedigen tot zuiniger energiegebruik;
4. Burgers en bedrijven optimaal infomeren over zuiniger energiegebruik.

In het akkoord staat dat "de dominante speler de ten aanzien van de vorige regering aangegane verbintenissen minstens naleeft". De onderhandelaars doelen hierbij waarschijnlijk op de Pax Electrica I en II akkoorden die onder Verhofstadt tot stand kwamen (zie hiervoor één van mijn vorige berichten).

Net zoals in de formatienota en de "Hertoginnedal"-versie van het deelakkoord, willen de partijen dat "er meerdere bijkomende elektriciteitsproducenten op de Belgische markt aanwezig [moeten] zijn die elk de mogelijkheid hebben om een aanzienlijk marktaandeel te verwerven".

De onderhandelaars willen hiertoe komen door "de dominante speler ertoe aan[ te ]zetten (sic!) om:
"- activa om te wisselen met concurrenten in het buitenland (swaps), en/of
- een aanzienlijk deel van de capaciteit (in MW) van de afgeschreven centrales terbeschikking stellen of te koop aanbieden aan de andere spelers, onder de controle van de CREG en tegen interessante handelsvoorwaarden, en/of
- een aanzienlijk productieaandeel (in MWh) van de dominante speler onder controle van de CREG aanbieden aan andere spelers (via veiling of beurs) tegen een prijs samengesteld uit de productiekosten met inbegrip van de onderhouds- en vervangingsinvesteringen en een billijke winstmarge, en/of
- de randvoorwaarden scheppen die de andere spelers toelaten en aanmoedigen om in België bijkomende productiecapaciteit te ontwikkelen (onder andere sites en toegang tot gas- en elektriciteitsnetten)."

Verder moeten er meer volumes verhandeld worden op Belpex en moet er ook een gasbeurs komen (Gaspex).

De regering "geeft aan de CREG de nodige onafhankelijkheid om op te treden en ex ante toe te zien op een daadwerkelijke concurrentie op de productie- en leveranciersmarkt en om de prijsschommelingen door van nabij op te volgen" (onder andere door "monitoring van de tarieven"). De CREG mag ook "een langetermijnvisie" ontwikkelen.

De nieuwe regering zal projecten zoals Blue Sky steunen: "Daarnaast moedigt de regering de bedrijven aan die alleen of in consortium een productie-eenheid voor elektriciteit, wensen te bouwen."

Hoewel de Europese Commissie in haar Third Package veel verder wenst te gaan (zie hierover mijn bijdrage op Belgian Energy Law) aanvaarden de coalitiepartners dat producenten of leveranciers nog steeds maximum 25% van de aandelen van de netwerkbedrijven mogen bezitten, waarbij zij "individueel noch collectief een blokkeringsminderheid bezitten of gebruiken, bijvoorbeeld via een aandeelhoudersovereenkomst of bijzondere aandeelgebonden (stem)rechten, noch mogen zij onafhankelijke bestuurders aanwijzen". Deze passage staat nog steeds heel ver af van de ownership unbundling of ISO*-plus voorstellen van de Commissie. Het akkoord trouwens niet in op de operationele aspecten van het netbeheer.
Share/Bookmark

dinsdag 23 oktober 2007

Betrouwbaarheid van de distributienetten

In een antwoord op twee schriftelijke vragen (nr. 530 en nr. 531) van Vlaamse volksvertegenwoordiger Decaluwé, gaf minister Crevits een overzicht van de betrouwbaarheid (of, anders gesteld, van de onderbrekingen) van de distributienetten voor elektriciteit en aardgas in 2006.

Elektriciteit
- Een distributienetgebruiker had in 2006 gemiddeld 28 minuten en 22 seconden geen elektriciteit als gevolg van incidenten op het net;
- De onbeschikbaarheid als gevolg van geplande werken bedroeg in 2006 12 seconden.
- 93% van de klachten over het spanningsniveau (één klacht per 1003 netgebruikers) bleken onterecht te zijn;
- Er waren 1.066 klachten over de dienstverlening op de vermelde thema’s door de distributienetbeheerders behandeld (of één klacht per 3018 netgebruikers);
- De distributienetbeheerders (met uitzondering van Elia) vervoerden 37.031.726 MWh elektriciteit over hun distributienetten. Het gezamenlijke netverlies bedroeg 1.418.270 MWh of 3,83%;
- "Met een onbeschikbaarheid van het distributienet kleiner dan een half uur, of een beschikbaarheid van 99,996 % behoort Vlaanderen tot de top van de wereld wat betreft leveringszekerheid."

Aardgas
- Een distributienetgebruiker op het Vlaamse distributienet had in 2006 gemiddeld 6 minuten geen aardgas als gevolg van geplande werken op het net;
- De niet-geplande onbeschikbaarheid en onbeschikbaarheid als gevolg van incidenten is verwaarloosbaar klein en bedraagt gemiddeld enkele seconden.
- Er waren 815 meldingen van drukproblemen (één klacht per 2053 netgebruikers);

Een gedetailleerd overzicht van de gerapporteerde kwaliteitsindicatoren over de dienstverlening van distributienetbeheerders in 2006 (zowel naar bevoorradingszekerheid, spanningskwaliteit als geleverde diensten) kan teruggevonden worden in het rapport aardgas en het rapport elektriciteit dat door de VREG gepubliceerd werd op haar website.
Share/Bookmark

maandag 22 oktober 2007

Gratis stroom

De Standaard bracht vanochtend onder de titel “Gratis stroom is een mislukking” een bijdrage over de uitspraken van minister Crevits tijdens de Commissie voor Openbare Werken, Mobiliteit en Energie van het Vlaams Parlement van 17 oktober 2007:

De minister stelde tijdens het debat:

"Er zijn in het verleden al heel wat vragen gesteld over het invoeren van gratis stroom. (…) In het onderzoek dat is gevoerd door de VREG en door het Vlaams Energieagentschap, zijn de gevolgen onderzocht van de kosteloze levering van stroom. (…) Uit het onderzoek blijkt dat het systeem ongeveer 1 miljoen euro per jaar kost. Het werkt als een toetredingsdrempel tot de markt met een duidelijk kostenvoordeel voor de gemengde netbeheerders en voor de dominante leverancier. Het systeem bezorgt de kleine en middelgrote verbruikers een voordeel, terwijl het de niet-huishoudelijke afnemers en de gezinnen met elektrische verwarming een nadeel bezorgt. Het systeem bereikt slecht drie vierde van de doelgroep. Het brengt ook tal van klachten en kosten met zich mee."

Opvallend is dat uit het onderzoek blijkt dat


“nog altijd een op drie Vlamingen, of 32 percent, geen weet heeft van de gratis stroom. Het gaat dan vooral over jongeren, ouderen, kortgeschoolden, mensen met een laag inkomen, huurders en Oost-Vlamingen (sic!). Een op de zes Vlamingen of 18 percent heeft geen weet van de verrekening van de kost van de gratis stroom. De meeste Vlamingen denken dat die met belastinggeld wordt betaald of door de leveranciers, respectievelijk de netbeheerders. De meeste Vlamingen, 94 percent, geven te kennen dat de gratis stroom geen invloed heeft gehad op hun eigen verbruiksgedrag. Er zijn er zelfs die beweren meer te verbruiken omdat het gratis is. Tot slot geven de meeste Vlamingen, 89 percent, zelfs na verduidelijking te kennen dat de gratis stroom ook geen invloed zal hebben op hun verbruiksgedrag.”

Tot slot heeft het systeem van de gratis stroom een Mattheus-effect


"Gezinnen met een laag inkomen [verbruiken ]vaak meer energie en elektriciteit en dus meer gratis kilowattuur betalen, onder andere door in slecht geïsoleerde huizen te wonen met verouderde ketels of elektrische verwarming, zonder als huurder over de juridische, financiële en cognitieve hefbomen te beschikken. Vaak staan in die huizen ook tweedehandshuishoudtoestellen, die dan ook weer meer verbruiken. Verder blijkt uit het onderzoek dat gezinnen met een hoog inkomen vaker meer kinderen ten laste hebben en dus meer gratis kilowattuur krijgen dan ze betalen."

De minister besluit:


"Of de waarde van de kosteloos geleverde stroom opweegt tegen de stijging van het distributietarief, verschilt uiteraard van gezin tot gezin. In de regel is het zo dat gezinnen met een laag verbruik en een hoog kindertal een voordeel hebben ten opzichte van gezinnen met een hoog verbruik en een laag kindertal. Als we die parameters doortrekken en rijke gezinnen met veel kinderen die het stroomverbruik weten te beperken, vergelijken met armere gezinnen met weinig kinderen die het stroomverbruik niet kunnen beperken, is er zelfs sprake van een omgekeerde herverdeling. (…)
Het enige initiatief dat ik als minister kan nemen, is het voorstellen van een ontwerp van decreet tot wijziging of opheffing van artikel 18 van het Elektriciteitsdecreet. Ook de Vlaamse volksvertegenwoordigers kunnen dat doen door een voorstel van decreet in te dienen. Ik elk geval zal het Vlaams Parlement het laatste woord hebben. Ik herhaal nogmaals dat elke maatregel die ter zake wordt genomen op tijd en stond geëvalueerd moet worden op het beoogde doel. Dat was ook de bedoeling van de studie die nu door de VREG gebeurt en van de peiling van het Vlaams Energieagentschap. Ik kijk daar met veel belangstelling naar uit en vermoed dat ze meegenomen zullen worden bij een volgende samenkomst van de Themacommissie Energiearmoede."

Share/Bookmark

Verhoging distributienettarieven

Het persbericht van de CREG van 12 oktober 2007, "Gevoelige stijging van de nettarieven onvermijdelijk", heeft aanleiding gegeven tot debatten in de Kamer en in het Vlaams Parlement.

De hoofdreden voor de gevoelige stijging van de nettarieven is volgens de CREG dat zij, ten gevolge van een arrest van het Hof van Beroep van Brussel, niet langer over de regelgevende bevoegdheid beschikt inzake het opleggen van afschrijvingspercentages. Zij moet verder “de boekhoudkundige gegevnes als hoeksteen van de tarifering aanvaarden” en kan, voor wat betreft aardgas, “geen redelijkheidstoets meer uitvoeren voor kosten die door een bevoegde overheid zijn opgelegd”.

In de Kamercommissie voor het Bedrijfsleven werd minister Verwilghen hierover ondervraagd door de oppositie in lopende zaken.

De minister-advocaat stelde eerst en vooral dat het koninklijk besluit van 2002, dat door het hof van beroep van Brussel terzijde zou zijn geschoven, geschreven werd door zijn voorganger, Olivier Deleuze. Verder weerlegde hij de beschuldigingen dat hij aan de basis zou liggen van het kortwieken van de CREG door de wet van 2005 ("À l’époque, j’ai fait une proposition qui n’a pas été suivie. J’ignore pourquoi; je n’ai d’ailleurs pas reçu de réponse exacte mais cela ne m’étonnerait pas que les intercommunales soient intervenues à un moment donné, en invoquant de nombreux problèmes à ce sujet. Toujours est-il que nous n’avons pas pu poursuivre ce débat").

Volgens de minister is de enige oplossing voor het probleem een wetgevend initiatief:

"Selon moi, s’il faut remédier à la situation, la loi devra probablement être modifiée, d’autant plus que la cour d’appel dit qu’il est impossible de le faire par le biais d’un arrêté royal. Il faudra dès lors envisager un changement de la loi, au moyen d’une proposition de loi si c’est urgent et d’un projet de loi pour que la CREG puisse à nouveau donner son feu vert à certaines demandes tarifaires qui se répercuteront sur le consommateur final."

Ook in het Vlaams Parlement was het persbericht van de CREG aanleiding tot enige discussie.

Vlaams volksvertegenwoordiger Decaluwé vond bijvoorbeeld dat de CREG “in de afgelopen weken uit haar rol [is] gevallen” omdat ze “commentaar en suggesties bij de federale regeringsvorming [had]”. Volgens Decaluwé “is [het] niet aan de commissie om politieke uitspraken te doen”. Het probleem is volgens hem dat er “tussen de CREG en de netbeheerders al jaren een juridische strijd [woedt]”.

In haar antwoord op de vele vragen merkte minister Crevits eerst op “dat we met een moeilijk institutioneel kader worden geconfronteerd” omdat “Vlaanderen niet bevoegd is voor de energietarieven in het algemeen en voor de aardgas- en elektriciteitsdistributietarieven in het bijzonder”. Bovendien beschikt Vlaanderen volgens de minister “niet over de nodige kennis of gegevens om de feitelijkheid en de redelijkheid van de verrekening van de kosten in de tarieven te beoordelen”. De minister heeft “dus wel cijfers, maar de beoordeling is een andere zaak”.

Verder stelt zij vast dat de distributietarieven gemiddeld 15 percent vertegenwoordigen van de elektriciteitsfactuur:


“De openbaredienstverplichtingen vertegenwoordigen 13 percent van de 15 percent distributiekosten. (…) Dit betekent dit dat de openbaredienstverplichtingen gemiddeld 2 percent van de elektriciteitsfactuur vertegenwoordigen. De helft van die 2 percent gaat naar de gratis kilowattuur die afhankelijk van verbruik en gezinssamenstelling eigenlijk ook terugvloeit naar de gezinnen. Een vijfde van die 2 percent vloeit terug naar de gezinnen onder de vorm van energiebesparingspremies en scans. Iets minder dan 10 percent gaat naar de openbare verlichting. Iets minder dan 20 percent gaat naar de budgetmeters en de niet-betaalde elektriciteitsrekeningen. Als men het uitrekent op 100, gaat het over 0,4 percent.”

Minister Crevits stelde verder:


"Met betrekking tot die openbaredienstverplichtingen zelf wil ik wel opmerken dat het niet de taak is van de federale overheid of de federale regulator, maar wel die van het Vlaams Parlement en ook de Vlaamse Regering om uit te maken of en hoe sociale en ecologische maatregelen worden genomen. In een tijd van klimaatveranderingen zou een pleidooi voor het terugschroeven van energiebesparingsmaatregelen terecht op ongeloof worden onthaald. Het in twijfel trekken van het nut van of de nood aan sociale openbaredienstverleningen zou op een dag als vandaag – Werelddag van Verzet tegen Extreme Armoede – getuigen van een bizar cynisme.

Ik ben bereid om alle ernstige voorstellen om de kosten van de openbaredienstverplichtingen te beperken, in overweging te nemen. Ik ben niet bereid om de fluctuerende distributieprijzen als dekmantel te gebruiken om de openbaredienstverplichtingen die het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering hebben opgelegd, af te bouwen. Als we die openbaredienstverplichtingen willen terugschroeven, dan moeten we ons in eerste instantie afvragen waarom ze zijn ingevoerd. Wanneer dat is gebeurd op basis van ecologische of sociale parameters, dan kunnen de verplichtingen enkel worden teruggeschroefd als blijkt dat de maatregel inefficiënt is voor het ecologische of sociale doel dat deze voor ogen had."

Share/Bookmark

dinsdag 9 oktober 2007

Bijkomende isolatie en ruimtelijke ordening

Het (Vlaamse) parlementaire jaar is weer op gang geschoten. Het aantal schriftelijke vragen neemt weer toe.

Vlaamse volksvertegenwoordiger Annick Deridder stelde aan minister Van Mechelen de vraag hoe de wens van vele burgers om hun huizen bijkomend te isoleren te rijmen viel met de stedenbouwkundige regelgeving. Zo zouden er bij bouwaanvragen knelpunten gesignaleerd zijn met betrekking tot de bepleistering van gevels met een extra laag isolatie en het isoleren van buitengevels met isolatie en bekleden van de gevel met diverse gevelmaterialen (beperkingen naar pleisterwerk volgens BPA-richtlijnen (niet overal is bepleisteren van gevels toegelaten) en overschrijding van rooilijnen (zowel openbaar domein als privédomein)) of het isoleren van het dak (beperkingen naar nokhoogte en het feit dat het dak vaak niet meer even hoog is als het dak van de buur).

Zij vroeg de minister naar een algemene richtlijn.

Minister Van Mechelen antwoordde:

De energie prestatieregeling zorgt er inderdaad toe dat eigenaars hun woning wensen te isoleren. Voor bestaande woningen leidt dat vaak tot discussie, en zeker wanneer door het aanbrengen van isolatie de rooilijn of bouwzone wordt overschreden.

Zoals ik reeds heb gesteld in de commissievergadering van 14 juni 2007, waarbij deze problematiek werd besproken, is het niet eenvoudig om zomaar bijkomende vanuit Vlaams niveau bijkomende regelgeving op te stellen. U kan dit nalezen in het commissieverslag nr. 896 (2006-2007).

De stedenbouwkundige situaties verschillen van plaats tot plaats dat het quasi onmogelijk is om hieromtrent een relevante richtlijn op te stellen. Een aanpak op gemeentelijk niveau lijk hier meer aangewezen. Bijkomend maakt de rooilijnproblematiek het soms onmogelijk om te kunnen voldoen aan de isolatie reglementering, echter behoort deze materie niet tot mijn bevoegdheid.

Share/Bookmark

vrijdag 5 oktober 2007

Ontoereikende productiecapaciteit in België

De CREG zette gisteren haar ontluisterende studie van 27 september 2007 over de "Ontoereikende productiecapaciteit in België" online.

Het besluit spreekt voor zich:

"Door een gebrek aan investeringen in de productie tijdens de voorbije jaren, dreigen zich op korte termijn problemen voor te doen tijdens de komende jaren. Het is te laat opdat nieuwe beslissingen tot investeren zouden toelaten deze problemen op korte termijn op te lossen. Slechts enkele maatregelen zouden deze problemen nog te gelegener tijd kunnen verzachten. Daartoe mag men zeker het in dienst houden van de oude thermische centrales rekenen zolang er geen nieuwe productiecapaciteit beschikbaar is om ze te vervangen. Andere maatregelen dienen zeker overwogen te worden op het vlak van de netexploitatie, om de grootst mogelijke beschikbare netto invoercapaciteit te waarborgen. In dat verband zou de manier waarop ELIA de dwarsregeltransformatoren die begin 2008 geïnstalleerd worden zal beheren van doorslaggevend belang kunnen zijn.

Op langere termijn laat de in de studie voorgestelde kalender voor investeringen in het centrale park toe het risico vanaf 2012 op een aanvaardbaar peil te houden. Het in aanmerking genomen type van investeringen mag echter niet beschouwd worden als de enige mogelijke oplossing, maar veeleer als een richtsnoer dat orden van grootte van te investeren capaciteit aangeeft. Het valt immers buiten het kader van deze studie om te bepalen hoe men de noodzakelijke diversificatie van de middelen (kernenergie, gas, steenkool, hernieuwbaar, beheersing van de vraag en energie-efficiëntie) in het werk kan stellen ten einde tot het best mogelijke compromis te komen tussen de economische doelstellingen, de waarborg van een geopolitiek aanvaardbare bevoorrading in primaire energie, de doelstellingen op sociaal vlak en het nakomen van de internationale verbintenissen van België inzake leefmilieu.

De concrete verwezenlijking van de projecten voor investeringen in productiecapaciteit die op dit ogenblik in de steigers staan en het opduiken van nieuwe projecten vereist echter een stabiel klimaat op het vlak van energie- en milieubeleid. Zo wacht de markt vast en zeker op een “definitieve” beslissing over het al dan niet vasthouden aan de uitstap uit kernenergie, tenminste voor de centrales waarvan het scharnierpunt in 2015 ligt. Het wettelijk buiten dienst stellen van deze kerncentrales vereist bijkomende investeringen in productiecapaciteit om hun wegvallen te compenseren. Van de andere kant vereist het eventueel in dienst houden ervan (artikel 9) dat de exploitant van deze centrales op zeer korte termijn de nodige brandstof moet reserveren om ze in werking te houden (termijn tussen aankoop van ruwe splijtstoffen en hun plaatsing in de reactor).

Verder is het noodzakelijk een beleid op te stellen ter bevordering van de investeringen in bijkomende productiecapaciteit, indien mogelijk door andere marktspelers dan de dominante producent. Op dit gebied doet men er zeker beter aan te vermijden de marktprijzen op kunstmatige wijze te beïnvloeden. Daarentegen is het wel wenselijk om voorrang te geven aan maatregelen die de aantrekkingskracht van de Belgische markt voor mogelijke nieuwkomers vergroten. In dat verband zou het opstellen van een transparant, niet discriminerend en aantrekkelijk beleid met betrekking tot het tarief voor de aansluiting van nieuwe productie-eenheden, alsook een efficiënte toepassing van artikel 4, §4, van de elektriciteitswet, zeker het overwegen waard zijn.

Tot slot is het eveneens wenselijk om in het licht van de Belgische behoeften aan productiecapaciteit de wisselwerking na te gaan tussen de milieubeschermingsmaatregelen, waaronder de allocatieplannen voor de CO2-emissierechten, en de aantrekkingskracht van België voor potentiële investeerders in nieuwe productiecapaciteit voor elektriciteit, onder meer voor diegenen die willen investeren in eenheden die steenkool verbranden."


Share/Bookmark

woensdag 3 oktober 2007

GDF Suez en het gouden aandeel

Er bestaat nogal wat onduidelijkheid over het vermeende gouden aandeel dat de Belgische Staat zou verweren in de nieuwe fusiegroep GDF Suez.

In de Kamercommissie Bedrijfsleven van 2 oktober 2007 verklaarde minister Verwilghen:

"Ik kom tot een laatste element, dat betrekking heeft op de mechanismen. Ik wil daarover, ten eerste, zeggen dat wij binnen Distrigas en Fluxys reeds over het nodige mechanisme beschikken. Er worden twee vertegenwoordigers afgevaardigd door de regering, door de minister van Energie. Zij hebben trouwens een vetorecht en gebruiken het, als het nodig is. Daarnaast werd er door de fusiegroep aan de Belgische Staat ook een golden share toegezegd. Wij hebben ook alle stappen ondernomen om die te krijgen. Ik heb zelfs gezien dat de Fransen ondertussen ook een golden share vragen. Zij hebben dat niet echt nodig, want zij hebben een belangrijke participatie in procenten, maar klaarblijkelijk werkt het voorbeeld van België inspirerend, vermits zij ook een golden share hebben gevraagd. Dat betekent dat de Belgische Staat in de toekomst ook binnen de elektriciteitsmarkt, met name in Elia en binnen de gefuseerde groep, een aantal regeringsvertegenwoordigers zal hebben. Zij zullen van een dergelijk vetorecht kunnen gebruikmaken wanneer het gaat om het verdedigen van de strategische belangen die eigen zijn aan België."


Uit deze verklaring zou moeten blijken dat GDF Suez toegezegd heeft dat de Belgische Staat zulk gouden aandeel krijgt.

Het persbericht na de federale ministerraad van 21 september 2007 stelt het iets minder absoluut:



"De ministerraad besliste minister van Energie Marc Verwilghen op te dragen om reglementaire teksten uit te werken die de golden share van de Belgische regering in de fusiegroep SUEZ-Gaz de France vrijwaren. De minister van Energie zal ook de bevoegde instanties bij de Europese Commissie contacteren om de toestemming voor de golden share te bekomen."

Hier is er geen sprake van een toezegging, maar van het opleggen (via reglementaire teksten) van zulke golden share.

Uit het persbericht van Suez-Electrabel van 6 oktober blijkt tenslotte niets over een toezegging voor wat betreft het gouden aandeel. Het bericht bevat enkel de cryptische zin:



"De regering bevestigt het belang dat zij hecht aan het behoud van een duurzame relatie met de sector via adequate overlegmechanismen en om, van daaruit, de algemene stabiliteit te garanderen van het reglementaire kader dat van toepassing is op de Groep."

Met andere woorden: Suez en de Belgische regering kwamen enkel overeen dat er "adequate overlegmechanismen" bestaat, die behouden moeten blijven.


Share/Bookmark