Pagina's

Posts tonen met het label Transmissienet. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Transmissienet. Alle posts tonen

vrijdag 27 maart 2015

Kostenreflectiviteit van nettarieven voor elektriciteit en aardgas

Over het begrip 'kostenreflectiviteit' van de tarieven van de netbeheerders in elektriciteit en aardgas is al wat inkt gevloeid (hoewel), maar duidelijk waren de verschillende standpunten nooit.

In hun zeer kritische bijdrage over de Verordening 838/2010/EG schrijven Van der Kooij en Lavrijssen:

“Unfortunately there is no clear prohibition of cross-subsidization within the EU Electricity legislation. The tariffs must be set in a transparent and non-discriminatory manner. Besides, it is important that the tariffs reflect the costs. This, however, seems to entail that the network operator must provide the services as efficiently as possible and that the tariffs that it may incur can only be as high as efficient costs and a reasonable profit. This does not seem to entail the user pays-principle. This thought is strengthened by the fact that the user pays-principle is explicitly mentioned in the Gas Regulation. The technical nature of the flow of gas explains why the Gas Regulation incorporates the user-pays principle and provides for a positive transport charge for producers.

Besides the Electricity Directive and the Electricity Regulation, the guidelines of Regulation 838/2010 Part B are also relevant. They are created to ensure more harmonization within the Union and contain ranges for the annual average transmission tariffs for producers within the European Union. It would be useful to know how these ranges were created, how they must be interpreted and most importantly, if they are in line with the prohibition of non-competitive cross-subsidization. But if these guidelines prescribe that the annual average transmission charge for producers may be zero and if it would be decided by the Institutions that this does not create any problems with regard to the prohibition of anti-competitive cross-subsidization, this would entail that exempting producers on the transmission level from paying transport charges is allowed. However, the intentions and legality of the guidelines are controversial.”(A. CRESPO VAN DER KOOIJ en S. LAVRIJSSEN, “A Legal Assessment of the Producer Exemption from Transport Tariffs under EU Law”, EEELR 2013, p. 253-254)
Hannah Kruimer schreef in haar doctoraat (H. KRUIMER, The non-discrimination obligation of energy network operators, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 144-145):
“As a side note, there is the question of which costs network operators are allowed to take into account. Generally, I would argue the answer is that all costs that network users cause the network operator to incur. In this respect, I should point out that the principle of cost reflective charges has been adopted in, for example, the regulatory frameworks in Great Britain, the Netherlands and Germany, but here are different views on when tariffs are cost reflective, and hence non-discriminatory. The cost elements used by them differ, as well as who pays for the network charges. As a result, different treatment of certain network users (groups) could violate the non-discrimination obligation in one Member State but be legal in another.(…)
There are also differences between the Member States as to who pays the electricity transmission charges. For example, in Germany the electricity transmission network costs are paid by companies that take the electricity off the network (also known as load). Generators are excluded from paying network charges, except for their contribution to network balancing if they are unbalanced. This is similar to the Netherlands, where network costs are also paid by load only. On the contrary, in Great Britain, the network charges are split between generators and load.”
In zijn arrest van 25 maart 2015 (Febeliec / CREG) neemt het hof van beroep van Brussel wel een duidelijk standpunt in over dit ijkel begrip:
91. Het begrip kostenreflectiviteit of weerspiegeling van de kosten in de tarieven, kan meerdere betekenissen hebben. De vraag is in welke betekenis(sen) dit begrip juridisch normerend is, en dus bindend is voor de CREG.

92. De CREG en [verweerders] wijzen er terecht op dat het vereiste dat de tarieven die de netbeheerder aanrekent kostenreflectief moeten zijn, betrekking heeft op de verhouding tussen de hoogte van de tarieven en de door de netbeheerder gemaakte kosten. De tarieven mogen de kosten van de beheerder dekken, en de netbeheerder bovendien een billijke winstmarge verzekeren. Monopoliewinsten voor de netbeheerder moeten echter vermeden worden.

Monopoliewinsten zouden immers de nadelige gevolgen teweeg kunnen brengen die, in het algemeen, met het mededingingsrecht onbestaanbaar zijn. Meer bepaald zouden zij kruissubsidiëring van commerciële activiteiten met winsten behaald met netactiviteiten in de hand kunnen werken, en een drempel kunnenv ormen voor nieuwe toetreders tot de commerciële elektriciteitsmarkten. Monopoliewinsten kunnen ook zelf het gevolg zijn van roofprijzen of excessieve prijzen die de monopolist kan afdwingen, hetgeen eveneens in strijd is met het mededingingsrecht.

Deze historische betekenis van de reflectiviteit van de kosten ligt nog steeds ten grondslag aan Verordening 714/2009, al is een ontbundeling tot stand gebracht tussen het beheer van het net, enerzijds, in België door Elia, en de activiteiten van de andere marktspelers, anderzijds. Deze historische betekenis is de juridisch bindende betekenis van het beginsel van de kostenreflectiviteit.

93. Met het begrip kostenreflectiviteit kan ook de toewijzing van de kosten, of kostenallocatie bedoeld zijn. Eén bepaalde wijze van kostenallocatie wordt door de toepasselijke rechtsnormen echter niet opgelegd. Dit blijkt uit artikel 12, § 5, 2°, Elektriciteitswet, dat bepaalt dat het geheel van de kosten van de transmissienetbeheerder gedekt moet zijn, en uit artikel 12, § 5, 2°, Elektriciteitswet dat alleen een niet-discriminerende en een transparante toewijzing van de kosten vereist is (zie hierover verder).

Het kan dan ook niet aangenomen worden dat er een één-op-één verhouding moet bestaan tussen de kosten van het netwerk en de inkomsten uit de tarieven (zie in die zin, onder meer, de nog steeds actuele notitie van het toenmalige Directoraat-generaal Energie en Transport bij de Richtlijnen 2003/54/EG en 2003/55/EG: Rol van de regulerende autoriteiten). Onder meer wat betreft de kostenallocatie wordt de uitoefening van de CREG gekenmerkt door een marge van beleidsvrijheid (zie in dezelfde zin in het ENTSO-E (…) Overzicht van de Transmissietarieven in Europa 2013).

94. Niet alleen is een één-op-één doorrekening van kosten in tarieven niet verplicht, bovendien doet de CREG op aanneembare feitelijke gronden gelden dat de kosten die Elia oploopt voor uitvoering van haar wettelijke taken niet eenheid per eenheid toewijsbaar zijn aan de ene en de andere dienst dan wel netgebruiker. De materiële structuur van het net is van die aard (…) dat het niet mogelijk is om de kost die op een bepaald gedeelte van het net betrekking heeft tot te wijzen, aan een bepaalde netgebruiker, en de fysieke eigenschappen van elektriciteit zijn van die aard dat een bepaald gedeelte van het net niet geacht kan worden gebruikt te zijn voor de levering van een bepaalde hoeveelheid elektriciteit.
(…)

95. Daarenboven verzetten bepaalde rechtsregels zich tegen één-op-één doorrekening, hetgeen even zovele verdere aanwijzingen zijn dat de door de eiseressen voorgestane verplichting in die zin niet bestaat.

Zo stelt artikel 14(1) Verordening 714/2009 dat de tarieven voor nettoegang niet afstandsgebonden mogen zijn. In dezelfde zin bepaalt artikel 12, § 5, 8°, Elektriciteitswet dat de tarieven uniform zijn voor het grondgebied, hetgeen impliceert dat dichterbij gelegen netgebruikers ook zullen bijdragen voor verderaf gelegen netgebruikers. Dat betreft alvast geen één-op-één doorrekening.

Voorts stelt punt 3 van deel B van de Bijlage bij Verordening 838/2010 dat de jaarlijkse gemiddelde transmissietarieven ten laste van de producenten binnen een vork tussen 0 en 0,5 €/MWh moeten blijven, hetgeen een één-op-één doorrekening belet, indien deze tarieven volgens laatst vermelde berekening hoger mochten blijven. Overigens blijkt uit die wettelijke vork eveneens dat een nultarief voor het injectietarief niet onwettelijk is.

Er kan ook worden verwezen naar artikel 12, § 5, 7°, Elektriciteitswet, dat voorziet in de mogelijkheid van de zogenaamde 'benchmarking', dit is het vergelijken met vergelijkbare regelingen en praktijken, onder meer buitenlandse. Uit de mogelijkheid om met deze en andere richtsnoeren rekening te houden blijkt dat er één-op-één doorrekening zich niet opdringt.
Kostenreflectiviteit houdt dus in, zoals confrater Verhoeven het op LinkedIn stelde:
Court finally admits that, on a legal point of view, “cost reflective grid tariffs” means tariffs that are globally covering no more than the costs (and profit margin) of the system operator, and not tariffs that, for each category of grid users, are in line with the grid costs that this category individually creates. In other words, "cost reflectiveness" is a rule playing at the level of the constitution of a grid budget, and not for its allocation.

Share/Bookmark

woensdag 10 juli 2013

Grondwettelijk Hof haalt grondvest onder bevoegdheidsverdeling inzake aardgas weg

Met één zinnetje haalde het Grondwettelijk Hof gisteren de invulling van de federale bevoegdheid inzake aardgas onderuit. In zijn arrest van 9 juli 2013 stelde het Hof: "Bovendien valt de uitoefening van elke distributieactiviteit, ongeacht door welk net, onverkort onder de exclusieve bevoegdheid van de gewesten."

Aanleiding voor dit arrest was een vernietigingsberoep van de Vlaamse regering tegen de wet van 8 januari 2012 tot omzetting van het derde energiepakket. In die wet had de federale wetgever zich bevoegd geacht voor gesloten distributiesystemen voor aardgas, in de mate dat die aangesloten zijn op het vervoersnet van Fluxys.

Volgens de Vlaamse regering is elke vorm van distributie van aardgas, dus ook die via een gesloten distributiesysteem dat aangesloten is op het vervoersnet, een exclusief gewestelijke bevoegdheid.

Het Grondwettelijk Hof volgt de Vlaamse regering helemaal.

Het Hof stelt in de eerste plaats dat de bevoegdheden die met artikel 6, § 1, VII, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen een exclusieve en gehele bevoegdheidstoewijzing is. Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), BWHI maakt de gewesten dus exclusief en volledig bevoegd voor 'de openbare gasdistributie'.

Vervolgens verwijst het Hof naar de parlementaire voorbereiding bij de bijzondere wet van 8 augustus 1980 om het begrip 'openbare gasdistributie' te duiden: "de werkzaamheid die tot doel heeft gas door middel van leidingen, te leveren aan verbruikers gevestigd op het grondgebied van een bepaalde gemeente of op het grondgebied van verschillende aan elkaar palende gemeenten die met het oog op de levering van gas onderling een overeenkomst hebben gesloten" (Parl. St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/6, p. 144). Opvallend is dat het Hof de uitzondering die in de parlementaire voorbereiding gemaakt is ("met uitzondering van de gasleveringen waarvoor de houders van een vergunning of van een toelating voor gasvervoer, krachtens [de wet van 12 april 1965] toelating hebben.") niet vermeldt.

Hieruit leidt het Hof vervolgens af dat de bijzondere wetgever een onderscheid maakte tussen die netten die bestemd zijn om eindafnemers te bedienen, gasdistributie, en die netten die daar niet toe bestemd zijn, 'zonder levering', vervoer van gas.

Het Grondwettelijk Hof kan aannemen dat "het 'vervoer' van gas de levering aan bepaalde eindafnemers niet uitsluit en dat die activiteit van het vervoersnet geen distributienet maakt". Het aardgasvervoersnet is, anders dan een gesloten distributienet, niet uitdrukkelijk bestemd om eindafnemers te bedienen.

Hieruit leidt het Hof dan het dodelijke zinnetje af: "Bovendien valt de uitoefening van elke distributieactiviteit, ongeacht door welk net, onverkort onder de exclusieve bevoegdheid van de gewesten."

Dit betekent dat elke netactiviteit die erop gericht is om aardgas te beleveren aan eindafnemers, dus ook het vervoersnet van Fluxys, exclusief onder de gewestelijke bevoegdheid valt.

Het Hof sprak zich niet uit over de bevoegdheidsverdeling inzake elektriciteit. Het duidelijke onderscheid dat het Hof maakt tussen distributie (netten bestemd voor levering aan eindafnemers) en vervoer (netten die niet bestemd zijn voor levering aan eindafnemers), zou echter kunnen inhouden dat ook de 'distributie'-activiteiten van Elia onder de gewestelijke bevoegdheden vallen.





Share/Bookmark

vrijdag 9 november 2012

Grondwettelijk Hof verplicht minimumsteun ook voor grote installaties

De grote producenten van elektriciteit op basis van hernieuwbare energiebronnen kregen met het arrest nr. 2012/135 van het Grondwettelijk Hof van 30 oktober 2012 een bijkomende subsidiëring in de schoot geworpen. Het Hof besliste dat de minimumsteun die de distributienetbeheerders moeten betalen voor groenestroomcertificaten ook moet betaald worden door de transmissienetbeheerder Elia.

Stora Enso, een internationale papierproducent, bouwde in haar vestiging in Gent in 2003 een biomassainstallatie van 55 MW. In 2010 kwam er een 125 MW WKK-installatie bij. Beide installaties lijken te zijn aangesloten op het transmissienet van Elia.

Als producent van hernieuwbare energie die aangesloten is op het transmissienet van Elia, kan zij voor de groenestroomstroomcertificaten enkel maar de minimumsteun ontvangen zoals die vastgelegd is door de federale overheid (20 euro per certificaat). Op de veel gunstigere steun die de concurrenten op het distributienet kunnen krijgen (80 euro per groenestroomcertificaat), heeft Stora Enso geen recht.

Wanneer het Vlaams Parlement de ganse steunregeling voor hernieuwbare energiebronnen herzag met het decreet van 6 mei 2011, zag Stora Enso een kans om de ongelijke behandeling voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof. Met de nieuwe regeling werd de minimumprijs voor groenestroomcertificaten voor elektriciteit geproduceerd op basis van biomassa opgetrokken tot 90 euro per certificaat. De termijn om de vernietiging van de steunregeling te vragen was volgens Stora Enso nog niet verstreken (ook al bestond die regeling al sinds 2004), omdat de decreetgever in 2011 “zijn wil heeft getoond om opnieuw te legifereren”. Het Grondwettelijk Hof aanvaardde die stelling.

Het middel waarop Stora Enso haar vernietigingsberoep baseerde was eenvoudig en direct: door voor de groenestroomcertificaten die toegekend werden aan elektriciteit opgewekt in installaties die aangesloten waren op het transmissienet niet in een minimumsteunregeling te voorzien, schendt het Energiedecreet het gelijkheidsbeginsel, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

De Vlaamse overheid verweerde zich niet door te verwijzen naar de bestaande federale steunregeling. Die federale regeling bestond al voor de Vlaamse. Artikel 7, § 1, van de Elektriciteitswet machtigt de Koning om Elia te verplichten “groenestroomcertificaten afgeleverd door de federale en gewestelijke overheden aan te kopen tegen een minimumprijs”. Van die mogelijkheid heeft de Koning gebruik gemaakt met het koninklijk besluit van 16 juli 2002.

Zulk verweer zou in ieder geval weinig overtuigend geweest zijn. Enerzijds zou de Vlaamse overheid daarmee aanvaarden dat een belangrijk onderdeel van haar bevoegdheid over hernieuwbare energie ook federaal geregeld kan worden. Het behoud van de federale steunregeling werd trouwens eerder al vanuit bevoegdheidsrechtelijk perspectief in vraag gesteld. In een niet-gepubliceerde studie van 15 april 2010 , waarnaar de CREG verwijst in haar Studie van 20 mei 2010 komt de CREG tot onder meer de volgende conclusie:

“In de mate dat het Koninklijk Besluit van 16 juli 2002 een ondersteuningsmechanisme voorschrijft waarbij Elia verplicht wordt om groenestroomcertificaten aan te kopen die afgeleverd worden met toepassing van elektriciteitsdecreten en –ordonnanties, moet dit als strijdig bevonden worden met artikel 6, §1, VII, eerste lid, f), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De federale overheid is hiervoor niet bevoegd. Het ondersteuningsmechanisme zoals dit nu op federaal niveau is uitgewerkt in het koninklijk besluit van 16 juli 2002, overschrijdt dus de bevoegdheidsverdeling tussen de federale staat en de Gewesten behalve voor offshore windenergie.”
Daarnaast is de Vlaamse steunregeling er gekomen omdat het Vlaams Parlement vond dat de federale regeling niet voldeed “omdat een koninklijk besluit onvoldoende rechtszekerheid biedt als opbrengstgarantie”. Een decretale verankering zou die zekerheid wel bieden.

Het Vlaams Parlement verwees wel naar de ‘cascadering’ van de tarieven om de verschillende behandeling te verantwoorden:
“Volgens de Vlaamse Regering is de aansluiting op het distributienet dan wel op het transmissienet niet zonder gevolgen. Gelet op de cascade van de tarieven en de omstandigheid dat ook de transmissiekosten worden verrekend in de kosten voor het gebruik van het distributienet, dragen de klanten op het laagspanningsnet ongeveer 80 pct. van de kosten, terwijl de gebruikers van het transmissienet veel minder bijdragen. Om die reden zou het niet kennelijk onredelijk zijn dat de decreetgever ten aanzien van de exploitanten aangesloten op het transmissienet niet heeft voorzien in een regeling inzake de minimumwaarde van de groenestroomcertificaten en de warmtekrachtcertificaten. De minimumsteun is immers gebaseerd op de zogenaamde « onrendabele top », zijnde het steunniveau dat, rekening houdend met de andere premies en tegemoetkomingen, nodig is om de potentiële investeerder in hernieuwbare energie een redelijk rendement te bieden. De te betalen tarieven zouden een invloed hebben op de onrendabele top. Bovendien zou de verplichting voor de transmissienetbeheerder om certificaten aan te kopen, gelet op het cascadesysteem ook tot bijkomende kosten leiden voor de distributienetbeheerders. Finaal zouden die kosten worden doorgerekend aan de eindgebruiker. Tot slot zijn het vooral de industriële groenestroomproducenten die voldoende groot zijn om rechtstreeks op het transmissienet te worden aangesloten, zodat de verplichting voor de transmissienetbeheerder om hun certificaten over te nemen, een grote impact zou hebben op de transmissie- en distributietarieven.”
Het Grondwettelijk Hof was niet overtuigd:
“B.5.2. Hoewel dat systeem, in de mate waarin het een rol speelt, kan rechtvaardigen dat de minimumsteun voor hernieuwbare energie geïnjecteerd in het transmissienet lager ligt dan de minimumsteun voor hernieuwbare energie geïnjecteerd in het distributienet, kan het niet rechtvaardigen dat voor de hernieuwbare energie geïnjecteerd in het transmissienet geen enkel recht op minimumsteun bestaat.”
Het Hof vernietigde de bepalingen van het Energiedecreet die de minimumsteun regelen, in zoverre de daarin opgenomen verplichtingen niet van overeenkomstige toepassing zijn op de transmissienetbeheerder:
“B.4.4. Installaties die zijn aangesloten op het distributienet, verschillen in wezen nochtans niet van installaties die zijn aangesloten op het transmissienet. Beide installaties zijn immers gelegen in het Vlaamse Gewest, produceren hernieuwbare energie op grond van dezelfde technologieën en wekken bijgevolg energie op die even duurzaam is.”
Het Hof besliste wel om de gevolgen van de vernietiging te handhaven. De decreetgever moet een nieuwe inclusieve regeling uitwerken uiterlijk op 1 juli 2013.

De decreetgever had al een nieuwe regeling uitgewerkt met het decreet van 13 juli 2012. Een nieuwe § 2/1 van artikel 7.1.6 bepaalt:
“De [transmissie]netbeheerder (…), kent voor installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 en die aangesloten zijn op het transmissienet, een minimumsteun toe van 93 euro per overgedragen groenestroomcertificaat dat werd toegekend ter uitvoering van artikel 7.1.1, § 2. (…)”
Het spreekt voor zich dat ook die nieuwe bepaling een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt. Er valt, op basis van het arrest van het Grondwettelijk Hof, niet in te zien waarom de minimumsteun voor installaties aangesloten op het transmissienet enkel zou gelden voor de installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013.






Share/Bookmark

woensdag 8 december 2010

Publicatie Energiebesluit – Inwerkingtreding Energiedecreet

Met de publicatie in het Belgisch Staatsblad van het Energiebesluit (besluit van de Vlaamse regering van 19 november 2010) zal ook het Energiedecreet (decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid) op 1 januari 2011 (eindelijk) in werking treden.

Opvallend is wel dat er twee bepalingen van dat Energiedecreet nog niet in werking zullen treden op 1 januari, maar op een datum die later bepaald zal worden door de Vlaamse regering: titel XIV van het Energiedecreet (over de heffing op de exploitatie van een distributienet of het plaatselijke vervoernet van elektriciteit in het Vlaamse Gewest) en artikel 15.2.1, 1°, Energiedecreet.

Die laatste bepaling heft de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening op. Mocht die bepaling ook op 1 januari 2011 in werking treden, waardoor de wet van 10 maart 1925 niet langer zou gelden in het Vlaamse Gewest, zou dit een hypotheek leggen op de uitbouw van de distributienetten. Het Energiedecreet noch het Energiebesluit bevatten enige regeling over het gebruik van het openbaar domein of van private eigendommen voor de aanleg van lijnen of leidingen of voor de uitbouw van distributienetten of plaatselijke vervoersnetten. Het behoud van de wet van 10 maart 1925 laat minstens toe om het openbaar domein of (delen van) private eigendom te gebruiken zonder dat er een instemming hoeft te zijn van de beheerder van dat openbaar domein of van de eigenaar van die private eigendom.

Verrassend is dan dat met het Energiebesluit alle uitvoeringsbesluiten van de wet van 10 maart 1925 wel opgeheven worden op 1 januari 2010 (artikel 12.2.1, § 2), waaronder het koninklijk besluit van 27 augustus 1925 op de elektriciteitsvoorziening - verklaring van openbaar nut en het koninklijk besluit van 26 november 1973 betreffende de wegvergunningen.

Voor de distributienetbeheerders die intergemeentelijke samenwerkingsverbanden zijn of die gemeentelijke regies zijn, is de opheffing van die federale bepalingen nog altijd problematisch. Artikel 13 van de wet van 10 maart 1925 geeft de gemeenten en de verenigingen van gemeenten weliswaar het recht op het openbaar domein, van welke overheid die ook afhangt, te gebruiken. Artikel 14 geeft eenzelfde recht aan de gemeenten (maar niet aan de verenigingen van gemeenten) voor het gebruik van private eigendom voor het verankeren van bovengrondse lijnen aan huisgevels en voor het inkorten van bomen. Elia heeft, als distributienetbeheerder, dezelfde rechten.

Maar het bovengrondse of ondergrondse kruisen van private eigendommen door distributienetbeheerders of door Elia (voor lijnen met een spanningsniveau tot en met 70 kV) zal niet langer kunnen. Artikel 15 van de wet van 10 maart 1925 maakt die mogelijkheid afhankelijk van een verklaring van openbaar nut. Door het opheffen van het koninklijk besluit van 27 augustus 1925 is er geen procedure meer voorhanden om zulke verklaring van openbaar nut af te leveren.

Het intrekken van het koninklijk besluit van 26 november 1973 leidt er ook toe dat een private onderneming zich niet langer zou kunnen beroepen op de mogelijkheid bepaald in artikel 10, b) van de wet van 10 maart 1925 dat het afleveren van wegenisvergunningen mogelijk maakt “om een nijverheids- of landbouwbedrijf toe te laten, voor eigen gebruik, zijn onderscheiden bedrijfszetels met zijn elektrische centrale te verbinden”.

Tot slot: het Energiebesluit bevat geen enkele bepaling die het mogelijk maakt om directe lijnen of leidingen aan te leggen. Artikel 4.5.1 Energiedecreet bepaalt immers dat de Vlaamse regering de aanleg van een directe lijn en een directe leiding afhankelijk kan maken van het bekomen van een voorafgaandelijke toelating, waarvoor zij de nadere toepassingsregels, procedures en criteria nog moet vaststellen. Nochtans had de aanleg van directe lijnen en leidingen al moeten geregeld zijn sinds de omzetting van de tweede elektriciteits- en gasrichtlijnen.
Share/Bookmark

woensdag 3 november 2010

De belleman en de koster: bekendmaking van gemeentelijke regelgeving nog steeds in de schaduw van de kerktoren

Opdat de burgers ervan kennis kunnen nemen, moeten gemeentelijke reglementen bekendgemaakt worden door middel van een aanplakbrief. In het Vlaamse Gewest moet die aanplakbrief krachtens artikel 186 van het gemeentedecreet opgehangen worden op een aanplakbord aan het gemeentehuis. Niet het volledige reglement moet aangeplakt worden, wel de melding van het bestaan ervan en waar men het reglement kan inkijken.

De Raad van State stelde in zijn arrest van 10 juni 2010 dat "de bekendmaking van gemeentereglementen door ophanging van een aanplakbrief op een aanplakbord aan het gemeentehuis als archaïsch mag worden bestempeld": "Het is in het hedendaagse internettijdperk, waarin zelfs het Belgisch Staatsblad quasi-uitsluitend via de internetsite van het betrokken bestuur ter beschikking van het publiek wordt gesteld, een onvervalst anachronisme."

De kritiek van Elia dat "de wijze van bekendmaking geregeld in artikel 186 Gemeentedecreet niet aangepast is aan de noden en mogelijkheden van deze tijd" is voor de Raad echter "te beschouwen als kritiek op de opportuniteit van de wet [en dus] niet-ontvankelijk".

De vernietigingsberoepen die Elia had ingesteld tegen reglementen van de gemeente Lint, die een belasting op pylonen invoerden, waren onontvankelijk wegens laattijdig. De termijn om beroep in te stellen bij de Raad van State start op de dag van de aanplakking. Het feit dat het Vlaams gemeentedecreet bepaalt dat de aanplakking gedurende twintig dagen moet plaatsvinden, laat niet toe de aanvangsdatum voor het instellen van het vernietigingsberoep te verlaten naar de laatste dag van de aanplakkingstermijn.

In het laatste nummer van Rechtskundig Weekblad schrijft David Keyaerts van de Universiteit Antwerpen over het anachronisme van de aanplakkingsregels een interessante noot ("Bekendmaking van gemeentelijke normen: de middeleeuwen voorbij? Tijd voor een modern communicatiebeleid", RW 2010-2011, p. 423-426) bij een arrest van het Hof van Cassatie van 14 september 2009. In dit arrest verbrak het Hof een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg in Brussel. De rechtbank had geoordeeld dat een aangeplakt gemeentereglement niet aan een overtreder kon worden tegengeworpen omdat het enkel aangeplakt was en niet gepubliceerd was in het Belgisch Staatsblad. Het Hof stelde dat de aanplakkingsverplichting op zich wettelijk volstond. Een bekendmaking in het Belgisch Staatsblad is voor gemeentelijke reglementen nergens voorgeschreven.
Share/Bookmark

donderdag 18 maart 2010

Elektromagnetische stralingen bij hoogspanning

Zoals de pers vandaag uitvoerig meldt, heeft minister Vandeurzen in antwoord op een schriftelijke vraag van zijn partijgenote Taeldeman uit Eeklo gesteld dat "er statistische en andere 'aanwijzingen' [zijn] dat de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen van invloed kunnen zijn op de gezondheid van kinderen, meer bepaald op het voorkomen van leukemie". "Het wonen in de buurt van bovengrondse elektriciteitslijnen waar het magnetische veld sterker is dan circa 0,4 μT (microtesla) hangt mogelijk samen met een verhoogde kans op leukemie bij kinderen", stelt de minister verder. Volgens de minister wordt "verondersteld dat het risico op leukemie waarschijnlijk kan worden beperkt door kinderen niet dichtbij hoogspanningslijnen te laten wonen."

Het toeval wil dat Elia in het Meetjesland haar Stevin-project plant (zie hierover uitgebreid de informatie op de website van Elia). Het Stevin-project, de uitbreiding van zijn 380.000 Volt-net tussen Zomergem en Zeebrugge, is nodig om de windenergie van windparken op zee aan land te brengen en naar het binnenland te transporteren. Vreemd is echter wel dat de kabels van de windparken in de Noordzee in Oostende en niet in Zeebrugge aanlanden.

Op plan zien de mogelijke alternatieven (in oranje) er zo uit:

Een eerste deeltracé beoogt het versterken van de bestaande bovengrondse 380 kV-verbinding tussen Zomergem en Eeklo met behoud van de bestaande pylonen.

De bestaande bovengrondse verbinding is deze:
De nieuwe verbinding zou er zo uitzien:

In een tweede deeltracé zou een nieuwe bovengrondse 380 kV-verbinding tussen Eeklo en Brugge-Oost gebouwd worden.

In antwoord op een interpellatie van mevrouw Taeldeman had minister van ruimtelijke ordening Muyters over het Stevin-project en de gezondheidsrisico's eerder dit jaar gesteld:

"De door u aangehaalde gezondheidsproblematiek wordt ernstig genomen en wordt concreet voor de hoogspanningsverbinding tussen Zeebrugge en Zomergem onderzocht in het plan-MER. In de nota voor publieke consultatie wordt bijkomend aangegeven dat Elia het wetenschappelijk onderzoek over elektromagnetische velden van zeer dichtbij opvolgt en in dat kader een samenwerkingsakkoord gesloten heeft met onafhankelijke onderzoekscentra aan verschillende Belgische universiteiten, gegroepeerd binnen de Belgian BioElectro­Magnetic Group (BBEMG)."
Die Belgian BioElectroMagnetic Group (BBEMG)is een wetenschappelijk samenwerkingsverband tussen 5 onderzoeksgroepen dat als opdracht heeft (i) wetenschappelijk onderzoek uit te voeren om een beter inzicht te krijgen in de interacties tussen elektromagnetische velden en biologische activiteit en (ii) het ontwikkelen en verspreiden van wetenschappelijke kennis over de mogelijke gezondheidseffecten bij de mens.

Voor de volledigheid had minister Vandeurzen ook kunnen verwijzen naar het onderzoek door de BBEMG.
Share/Bookmark

vrijdag 18 september 2009

Hoogspanningsnet Elia

Op 7 januari 2009 vroeg het Vlaams Parlement de federale overheid hoogspanningsleidingen zoveel mogelijk ondergronds te laten aanleggen. Roel Deseyn (federaal volksvertegenwoordiger, CD&V) stelde hierover een aantal schriftelijke vragen aan minister Magnette. Hij wou graag weten (i) in welke mate nieuwe hoogspanningsleidingen ondergronds worden aangelegd en (ii) hoeveel km hoogspanningsnet in 2009-2010 er (ondergronds) (her)aangelegd zal worden. Deseyn vroeg de minister ook naar een eventueel onderzoek door de federale overheid over hoe het ondergronds brengen van hoogspanningsleidingen tot een gezondere leefomgeving kan bijdragen.

Uit het antwoord van minister Magnette blijkt het volgende:
- Op 1 januari 2009 beschikt Elia over 8.412 km hoogspanningslijnen. 33 % is ondergronds en 67 % bovengronds. In 2009 en 2010 zullen er 48,4 km hoogspanningsnet (her)aangelegd worden (83 % ondergronds en 17% bovengronds).
- Elia en de administratie streven zo veel als mogelijk naar ondergrondse hoogspanningslijnen “om landschapaantasting zo veel mogelijk te verminderen”.
Share/Bookmark

donderdag 9 oktober 2008

Toegang en aansluiting in de Europese richtlijnen

In een arrest van vandaag maakt het Hof van Justitie duidelijk dat de Europese richtlijnen enkel de de vrije toegang tot de netten garanderen. Op welk net men aangesloten kan worden, bepalen de richtlijnen niet. Het staat de lidstaten dus vrij om op basis van objectieve criteria bepaalde afnemers te verplichten aan te sluiten op een distributie- of een transmissienet.
Share/Bookmark

donderdag 17 juli 2008

De Belgische regering "verzilvert" het gouden aandeel niet

Verschillende kranten meldden dat door de politieke impasse van de laatste maanden de Belgische regering het dossier van het "gouden aandeel" in de fusiegroep GDF Suez heeft verwaarloosd. Ook wordt geïnsinueerd dat Suez van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om "en stoemelings" de gemaakte beloftes niet na te komen.

Minstens de laatste hypothese lijkt mij onterecht. Suez heeft immers nooit een gouden aandeel beloofd. Voor zover hierover informatie beschikbaar is, zou Suez enkel de wens van de Belgische overheid om een gouden aandeel te krijgen geacteerd hebben. Dat hierover een akkoord zou bestaan tussen het Elysée en de 16 kan Suez niet ten goede of ten kwade geduid worden.

In de Belgische pers wordt de volgende passage uit de prospectus van GDF Suez betwist:

"De pers had het over de creatie, ten voordele van de Belgische staat, van een specifiek aandeel (“Golden Share”) in het kapitaal van GDF SUEZ. De creatie van een specifiek aandeel in GDF SUEZ, een naamloze vennootschap naar Frans recht, ten voordele van een andere staat dan de Franse staat is juridisch echter niet mogelijk. De Belgische staat zal na de fusie echter de specifieke aandelen behouden waarover hij al beschikt in het kapitaal van bepaalde Belgische dochterondernemingen van Suez (Fluxys, Synatom) en van Distrigaz."

Als Belgische jurist kan ik niet oordelen over de juistheid van de analyse naar Frans recht. Als jurist ben ik wel van oordeel dat de Belgische staat al onrechtstreeks hetzelfde gouden aandeel heeft in de groep GDF Suez als het aandeel dat de Franse Staat zich toekende door het decreet nr. 2007-1790 van 20 december 2007. Overeenkomstig dat decreet verleent de golden share de Franse staat het recht om zich te verzetten tegen beslissingen van GDF Suez die tot doel hebben direct of indirect bepaalde aardgasactiva (transportleidingen, distributieleidingen, opslaginstallaties en LNG-installaties in Frankrijk) op welke wijze dan ook te verkopen, de exploitatie ervan over te dragen, als zekerheid of waarborg toe te wijzen of de bestemming ervan te wijzigen, als de Franse staat meent dat een dergelijke beslissing in tegenspraak is met de essentiële belangen van Frankrijk in de energiesector op het vlak van de continuïteit en de veiligheid van de energiebevoorrading.

Deze omschrijving van het gouden aandeel vertoont veel parallellen met het gouden aandeel van de Belgische staat in Fluxys en Distrigas.

Overeeenkomstig het koninklijk besluit van 16 juni 1994 verleent het bijzonder aandeel aan de Minister van Energie het recht om zich te verzetten tegen elke overdracht, zekerheidsstelling of verandering van bestemming van de strategische activa van Distrigas en Fluxys, indien de Minister van oordeel is dat deze verrichting de nationale belangen op energiegebied schaadt. Onder "strategische" activa dient verstaan te worden: de LNG-terminal in Zeebrugge, de deelneming in de Zeepipe-terminal, de meerderheidsdeelneming in Segeo en “het gasnetwerk voor binnenlands transport, met inbegrip van de aanlandings- en grensoverschrijdingspunten, de centrale commando-eenheid, de compressiestations en de opslaginstallaties”.

Het koninklijk besluit van 5 december 2000 zet de krijtlijnen uiteen voor de uitoefening van de rechten zoals opgenomen in voormeld koninklijk besluit van 16 juni 1994.

Overigens kan de Belgische staat nog steeds een regeringsvertegenwoordiger aanduiden bij een aantal ondernemingen van de groep GDF Suez / Electrabel. Artikel 173, §2, van de wet van 8 augustus 1980 houdende budgettaire voorstellen 1979-1980 bepaalt namelijk het volgende:

“De Staat wordt vertegenwoordigd door een afgevaardigde in de raad van beheer of elk bestuursorgaan waaraan de raad van beheer bevoegdheden heeft overgedragen, van de N.V. Ebes, van de N.V. Intercom, van de N.V. Unerg, van de samenwerkende vennootschap Gecoli, van de N.V. voor Coordinatie van Produktie en Transport van Elektrische Energie (C.P.T.E.) en van de "Calorieënpool".

Deze afgevaardigde beschikt over het recht om de beslissingen van de raad van beheer, van het bestuurscomité of van elk bestuursorgaan waaraan de raad van beheer bevoegdheden heeft overgedragen te schorsen, welke hij in strijd acht met het algemeen belang en in het bijzonder met het energiebeleid van de Regering. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, de modaliteiten voor de uitoefening van dit schorsingsrecht waarvan de gevolgen tot één maand beperkt zijn.”

Een koninklijk besluit dat dit artikel uitvoert is nooit uitgevaardigd…
Share/Bookmark

vrijdag 18 april 2008

Beleidsbrief van de Minister van Klimaat en Energie over elektriciteit en aardgas

De website van de Kamer van volksvertegenwoordigers publiceerde deze week de beleidsbrief van de minister van klimaat en energie.

Deze beleidsbrief is onderverdeeld in vijf grote hoofdstukken:
1. Energie;
2. Klimaatbeleid;
3. Milieubeleid;
4. Duurzame ontwikkeling; en
5. Consumentenbescherming.

In het hoofdstuk Energie vertrekt de minister van de vaststelling dat hij "in het kader van de huidige energiecontext, in het bijzonder gekenmerkt door de hoge olieprijzen, verscherpte aandacht [wenst] voor maatregelen met betrekking tot de koopkracht van de gezinnen". De minister wil komen tot "democratische prijzen en een gegarandeerde bevoorrading". Daarom "zal [hij] erop toezien dat er bijkomende maatregelen worden genomen, onder meer om de concurrentie op de energiemarkt in het belang van de consument te vergroten".

Wat de binnenlandse energiemarkt betreft is het (enige) uitgangspunt voor het beleid van de minister dus de consument, die geconfronteerd wordt met stijgende energieprijzen.

Hij wil daarom "een correcte en werkzame vrijgemaakte elektriciteits- en aardgasmarkt" bevorderen. Het is mij onduidelijk wat de draagwijdte is van een "correcte en werkzame" vrijgemaakte markt. De bewoordingen laten heel wat interpretaties open en getuigen niet onmiddellijk van veel liberaliseringsvoluntarisme. In het Frans ("Il y a lieu de promouvoir et de soutenir le fonctionnement correct du marché libéralisé de l’électricité et du gaz.") lijkt er trouwens een andere boodschap gegeven te zijn.

De minister herhaalt dat "vooral binnen het productiesegment van de energiemarkt is het nodig dat de marktaandelen van de historische spelers beter verdeeld worden ten voordele van de nieuwe elektriciteitsproducenten".

In uitvoering van het regeerakkoord bevestigt de minister dat hij ermee belast is onderhandelingen te voeren met de electriciteitsproducenten ten einde:
"a) gevolg te geven aan de studie van de CREG (F)070927-CDC-715 om de productiecapaciteit in België op peil te houden en nieuwe investeringen in productiecapaciteit aan te trekken en te ondersteunen;
b) toe te zien op de integrale uitvoering van de Pax Electrica II en de hulpmiddelen die de [Europese] Commissie oplegt om de bevoorradingszekerheid van aardgas en elektriciteit tegen aanvaardbare prijzen en met reële investeringen in het land veilig te stellen en door een
productiepark met een meer gevarieerde energiemix uit te bouwen;
c) de beschikbaarheid en de omvang van de nucleaire provisies veilig te stellen;
d) de Belgische overheidspositie in het beheer van de transportnetten te verstevigen;
e) de door de Europese Commissie voorgestelde doeltellingen inzake CO2-uitstoot en de doelstellingen inzake hernieuwbare energie te verwezenlijken;
f) ervoor zorgen dat de sector een bijdrage levert aan de overheid zodat die doelstellingen kunnen gehaald worden; de bijdrage voor 2008 is begroot op 250 mio €."

Deze "strategische doelstellingen" (ook het dichten van de begroting is nu blijkbaar al een "strategische doelstelling", TV) "zullen met name bereikt worden aan de hand van bestaande en toekomstige mechanismen (regeringscomissarissen, het normale en het bijzondere aandeelhouderschap
(golden share), …". De nota stelt ook dat: "Indien het overleg niet leidt tot het gewenste resultaat voor de begrotingscontrole 2008 zal de Regering de nodige maatregelen nemen om zich te voorzien van deze inkomsten uit de sector". Door deze passage, die volgens mij eerder thuishoort in de beleidsnota begroting dan in de beleidsnota energie, geeft de regering de indruk dat het haar voornamelijk te doen is om de begroting en niet zozeer om de werking van de energiemarkt.

De beleidsnota bevestigt ook de belangrijke rol die Belpex kan spelen. Fluxys en Fluxys LNG dienen "volledig ontvlecht te worden naar analogie met Elia". De netbeheerders zouden trouwens de opdracht krijgen de gereserveerde en niet gebruikte capaciteit op een secundaire elektriciteit- en gasmarkt vrij te geven om de liquiditeit te verhogen.

De Belgische regering schaart zich in principe achter de idee van de unbundling van de TSO's. Nochtans nuanceert de regering ook die "effectieve eigendomsontvlechting":

"Het is belangrijk dat geen enkele producent of leverancier een meerderheidsaandeel bezit in het vermogen van de netbeheerder of een dominerende positie inneemt in de schoot van zijn beheerraad. Minderheidsparticipaties zouden daarentegen mogelijk moeten zijn. Een zo groot mogelijke onafhankelijkheid ten aanzien van de historische operator is evenwel essentieel om een level playing field te bieden aan alle marktspelers."

De minister wenst ook verscheidene maatregelen te treffen met het oog op de verbetering van de bescherming van de consument:
i) het versterken van de gedragscode;
ii) éénvorming maken van de energiefacturen voor het hele land om deze meer doorzichtig en leesbaar te maken;
iii) instrumenten aanreiken om schommelingen in de energieprijzen beter te begrijpen en te controleren.

Te dien einde zal de CREG, zoals wij eerder al schrijven, een monitoringbevoegdheid krijgen. De CREG zal de mogelijkheid hebben alle samenstellende delen van de energieprijs te ontleden.
Share/Bookmark

maandag 10 december 2007

Het Belgische standpunt over unbundling

Anders dan wat sommige media vorige week berichtten, zou de Belgische regering, bij monde van minister Verwilghen, tijdens de Raad van Energieministers niet gepleit hebben tegen unbundling en voor het behoud van een participatie door producenten/leveranciers in netbeheerders.

Op antwoord van een vraag van senator Martens stelde staatssecretaris Van Quickenborne, loco minister Verwilghen, vorige week:

"België heeft altijd de effectieve ontvlechting tussen de concurrentiële en de gereguleerde activiteiten gesteund. Als de wettelijke ontvlechting niet gepaard gaat met eigendomsontvlechting, is de onafhankelijkheid en de neutraliteit van de netbeheerder niet verzekerd. Geen enkele producent of leverancier mag een meerderheidsaandeel in het vermogen van de netbeheerder bezitten of een dominante positie in de raad van bestuur innemen. Een zo groot mogelijke onafhankelijkheid ten aanzien van de historische operator is essentieel om aan alle marktspelers een level playing field te bieden.

België blijft dus voor 100% voorstander van een effectieve eigendomsontvlechting. Dat standpunt is ook duidelijk verwoord op de jongste energieraad en is sinds november 2006 het standpunt van België gebleven.

Vooral Duitsland en Frankrijk verzetten zich tegen het voorstel van de Europese Commissie tot verregaande ontvlechting. De Commissie heeft die landen dan ook gevraagd om zo snel mogelijk een alternatief voorstel te doen en te landen op de zogenaamde derde weg. Die landing blijft vooralsnog uit.

België is voorstander van een haalbaar compromis waarbij alle landen op de Europese markt overgaan tot een principiële unbundling. Daarom heeft België de optie van minderheidsparticipaties niet a priori willen uitsluiten. Dat is iets fundamenteel anders dan pleiten voor minderheidsparticipaties, zoals in de pers verscheen.

België kiest voor een ambitieuze aanpak. België wenst enkel de mogelijkheid van minderheidsparticipaties open te houden als eerste aanzet tot een effectieve eigendomsontvlechting.

Mocht Europa kiezen voor het behoud van minderheidsparticipaties als derde weg, dan wil België zich daartegen niet op voorhand radicaal verzetten. Zo zou een compromis onmogelijk worden en bestaat het risico dat het derde energiepakket geen verregaande eisen inzake unbundling kan bevatten. Als men de minderheidsparticipaties behoudt, dient men uiteraard te toetsen of ze een adequate werking van de markt mogelijk maken. Bij een negatieve marktwerking dient tot een "full ownership unbundling" te worden overgegaan.

Over dat standpunt vond voorafgaandelijk overleg plaats in de DGE. We zullen het ook verdedigen op de energieraad van eind februari 2007."

Share/Bookmark

dinsdag 5 juni 2007

Transmissienettarieven goedgekeurd

Tijdens de laatste ministerraad van Verhofstadt II op 1 juni 2007, heeft de regering het ontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de tarieven voor het elektriciteitstransmissienet goedgekeurd.

Het koninklijk besluit regelt, overeenkomstig artikel 12 e.v. van de Elektriciteitswet, zoals gewijzigd door de wet van 1 juni 2005, de procedure uitgewerkt voor de vaststelling van en de controle op het totaal inkomen, de billijke winstmarge, de algemene tariefstructuur, het saldo tussen kosten en ontvangsten, de basisprincipes en procedures voor de tarieven, de rapportering en de kostenbeheersing door de beheerder van het nationaal transmissienet.

Volgens het persbericht biedt biedt het koninklijk besluit ook meer transparantie door regels vast te leggen over een periode van meerdere jaren in plaats van per jaar. Hierover schreef De Standaard (aanmelding nodig) dat de Raad van State, afdeling wetgeving, zeer kritisch was. Volgens het artikel zou de Raad er op gewezen hebben dat een koninklijk besluit geen maatregel mag inhouden die verder gaat dat de wet. In de elektriciteitswet zou, nog volgens het artikel, de tarieftermijn expliciet zijn beperkt tot een jaar.

Het is afwachten wat de exacte inhoud is van het advies van de afdeling wetgeving. Hopelijk wordt dat dan ook gepubliceerd.
Share/Bookmark