zaterdag 30 november 2013

De juiste prijs van windenergie - schaduwkabinet De Tijd


In 2020 moet België 13% van haar eindenergieverbruik realiseren met hernieuwbare energiebronnen. Windenergie op zee zal een noodzakelijk deel uitmaken van onze toekomstige energiemix. Het beleid mag niet falen een adequate ondersteuning uit te werken zodat de projecten die vandaag een concessie gekregen hebben ook effectief gerealiseerd zullen worden.

Het beleidskader inzake offshore wind is geleidelijk aan, soms met vallen en opstaan, uitgetekend sinds 2000. 13 jaar later zijn alle domeinconcessies in de Noordzee toegekend en is er een capaciteit van 491 MW operationeel. De geplande 2200 MW zullen ongeveer 9% van het elektriciteitsverbruik produceren.

De gestage ontwikkeling van wind op zee maakt ook dat sinds enkele jaren het debat woedt over de kostprijs van de ondersteuning. Bij haar aantreden verklaarde de regering Di Rupo 1 het subsidiemodel te willen herzien. Met dit engagement is niets mis. Als de samenleving, in dit geval alle elektriciteitsverbruikers, gevraagd wordt een bepaalde kost te dragen, dan is het maar evident dat een politieke overheid die kost zo juist mogelijk wil inschatten. Er zijn voorbeelden genoeg van kosten waar dit ooit is mis gegaan.

Alleen blijft een beslissing wel erg lang uit, hoewel alle puzzelstukken op tafel liggen.

Zo is iedereen het erover eens dat er in het huidige systeem geen sprake is van oversubsidiëring. De CREG kwam tot die vaststelling in haar studie van juni 2013 waarin ze schreef dat de ondersteuning representatief is voor de kosten van de sector.  Eerder had het onderzoeksbureau 3E, die het Belgische systeem vergeleek met de subsidiesystemen in de ons omringende landen, vastgesteld dat de Belgische ondersteuning onder het gemiddelde ligt. 

Tegelijkertijd heeft de CREG aangegeven dat verfijningen mogelijk zijn, met name kan de ondersteuning gekoppeld worden aan de elektriciteitsprijs. Stijgt de elektriciteitsprijs, is minder ondersteuning nodig. Omgekeerd, daalt de elektriciteitsprijs, dan is meer ondersteuning nodig. Daardoor zien de verbruikers hun factuur niet onnodig stijgen wanneer de elektriciteitsprijzen stijgen, maar hebben de investeerders een zekerheid bij lage elektriciteitsprijzen.

De regering is sowieso de voorbije jaren niet doof gebleven voor de verzuchtingen van de gebruikers. Een deel van de nucleaire rente werd bestemd voor de ondersteuning van offshore en onlangs werd de toeslag voor offshore op de elektriciteitsfactuur voor grote verbruikers geplafonneerd.

Het getalm in dit dossier toont dan ook vooral aan hoezeer het op eieren lopen is in de energiesector. Wellicht zijn de uitdagingen voor beleidsmakers zelden groter geweest dan vandaag. De razendsnelle ontwikkeling van de laatste jaren heeft heel wat zekerheden doen wegvallen, met name de vanzelfsprekendheid dat er altijd en overal elektriciteit is aan een constante prijs. Maar net in tijden van onzekerheid moet een overheid ook voldoende houvast bieden door niet alleen te focussen op kosten op korte termijn, maar evenveel oog te hebben voor baten op lange termijn.

Zo blijkt uit een recente studie van IWES dat windenergie op zee een belangrijke bijdrage kan bieden aan de stabilisatie van het totale energiesysteem. Windenergie op zee kan uitgebalanceerde stroom leveren en zo systeemkwaliteit, leveringszekerheid en lage totaalkosten kan garanderen.

CEO van Elia, Jacques Vandermeiren, liet naar aanleiding van de operoep voor een energiepact voorbij 2020 optekenen dat “verschillende betrokken partijen kritisch moeten durven terugkijken, maar ook vooruitkijken, voorbij de waan van de dag.”

De waan van de dag is dat de ontwikkeling van 2200 MW op zee een inspanning zal vragen van de samenleving. De realiteit is dat we in 2020 moeten kunnen bogen op een duurzame, zekere en betaalbare energiemix. Dat noodzaakt vandaag een heldere beslissing om het steunniveau voor offshore wind te verankeren volgens de krijtlijnen zoals door de CREG al voor de zomer uitgetekend werd.

Tinne Van der Straeten is advocaat bij Blixt, een kantoor gespecialiseerd in energie- en klimaatrecht.



Share/Bookmark

woensdag 13 november 2013

Grondwettelijk Hof bevestigt tariefbevoegdheid federale overheid

In zijn arrest van 13 november 2013 bevestigt het Grondwettelijk Hof haar eerdere rechtspraak dat de federale overheid bevoegd is inzake energietarieven.

Artikel 13 van het decreet van 13 juli 2012 houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009 wat betreft de milieuvriendelijke energieproductie bepaalde een regeling inzake de maximale doorrekening van de kosten gerelateerd aan de verplichtingen inzake groene stroom en warmtekrachtkoppeling. Als de kosten expliciet vermeld worden op de factuur mag het bedrag niet hoger zijn dan het plafond dat door de VREG in het kader van haar bevoegdheden jaarlijks wordt berekend.

De Federatie van Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven hadden een vernietigingsberoep ingediend tegen deze bepalingen van het decreet van 13 juli 2012 omdat de de Elektriciteitswet in artikel 20quater eveneens de doorrekening van kosten gerelateerd aan de verplichtingen inzake groene stroom en warmtekrachtkoppeling regelt, zij het op een andere wijze.

Door de leveranciers toe te staan 'maximaal' de door hen daadwerkelijk gemaakte kosten door te rekenen aan de eindgebruiker wordt de de prijs aan de eindgebruiker beïnvloed en grijpt de decreetgever aldus in in de tariefstructuur, wat op grond van artikel 6, §1, VII, d) een bevoegdheid is voorbehouden aan de federale overheid.

Daarnaast stelt het Hof dat de aangelegenheid zich niet leent tot een gedifferentieerde regeling en dat de weerslag niet marginaal is zodat de decreetgever ook niet op grond van artikel 10 van de BWHI toegelaten is te legifereren.

Het Hof stelt vast de federale en Vlaamse regeling belangrijke verschilpunten vertoont. Daarnaast treedt de federale overheid op om misbruiken te bestrijden die erin bestaan om marges te creëren, wat volgens het Hof geen maatregel is om groenestroomproductie te bevorderen, maar een bevoegdheid is in het raam van haar bevoegdheid inzake de energietarieven.

Het vernietigde artikel voegde een artikel 7.1.15 in in het Energiedecreet. Dat artikel werd echter bij decreet van 28 juni 2013 gewijzigd zonder evenwel te raken aan de kern van het artikel. Het artikel werd voornamelijk verduidelijkt hoe de door de VREG vastgestelde plafondprijs moest vastgesteld worden, met name, dat de plafondprijs moet gehanteerd worden voor de aanrekening van de elektriciteit afgenomen gedurende de periode die aanvangt na de publicatie van het jaarlijkse rapport. Ook werd een alinea toegevoegd welke plafondprijs een nieuwe leverancier (voor wie nog geen plafondprijs gepubliceerd werd) moet toepassen, namelijk maximaal de bandingdeler.

Op zich bestaat de bestreden regeling dus nog steeds omdat ze alsnog ingevoegd werd door een later decreet waarvan de vernietiging (voor zover we konden nagaan) niet gevraagd werd voor het Grondwettelijk Hof.

Vraag is hoe de Vlaamse decreetgever zal omgaan met het vernietigingsarrest en zelf proactief de vernietigde, maar nog steeds bestaande, regeling uit het Energiedecreet zal verwijderen. Bij gebrek aan optreden van de Vlaamse decreetgever kan de ontstane 'rechtsonzekerheid' alsnog weggewerkt worden middels een nieuwe vernietigingsberoep aangezien de termijn nog niet verstreken is. Het is dan aan de verslaggevers van het Grondwettelijk Hof om te oordelen of de aard van zaak of de relatieve eenvoud van de opgeworpen problemen aanleiding zou kunnen geven om de zaak af te handelen met een arrest van onmiddellijk antwoord wat de procedure erg zou verkorten.




Share/Bookmark