woensdag 7 december 2011

Stimulerend prikje voor de wet op de onbenutte sites

In de begroting 2011 werd nul euro ontvangsten ingeschreven voor de heffing op de onbenutte sites (op basis van de wet van 8 december 2006 tot vaststelling van een heffing ter bestrijding van het niet benutten van een site voor de productie van elektriciteit door een producent). Toch lijkt ook de vorige minister van energie nog te geloven in inkomsten uit die wet. In het Belgisch Staatsblad van vandaag verscheen het "ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 18 december 2006 tot aanduiding van de ambtenaar die belast is met de uitvoering van de wet van 8 december 2006 tot vaststelling van een heffing ter bestrijding van het niet benutten van een site voor de productie van elektriciteit door een producent". Worden, op basis van dit ministerieel besluit, aangeduid als ambtenaar van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, belast met de uitvoering van de wet van 8 december 2006: de heer Claude Adams, adviseur, en de dames Marie Novak, attaché, en Nancy Mahieu, attaché.



Share/Bookmark

dinsdag 6 december 2011

Bezwaar bij de CREG tegen tarifaire beslissingen

Eind november 2011 publiceerde de CREG haar besluiten tot vaststelling van voorlopige methoden voor het berekenen en vastleggen van de tarifaire voorwaarden inzake de aansluiting op en toegang tot het transmissienet, enerzijds, en het aardgasvervoersnet, de opslaginstallaties en de LNG-installatie, anderzijds.

De CREG nam deze besluiten omdat de federale wetgever het Derde Energiepakket nog steeds niet omgezet heeft (al zou dat niet lang meer op zich laten wachten). In dit Derde Energiepakket vindt de CREG ook voldoende rechtsgrond om zelf zulk besluit te kunnen nemen, zonder federaal wettelijk kader.

In de besluiten werkt de CREG ook een eigen bezwaarregeling uit. Benadeelde partijen “die gerechtigd zijn om bezwaar te maken tegen de door de commissie goedgekeurde tarieven” kunnen bezwaar indienen bij de CREG. Zulk bezwaar heeft geen schorsende werking. Het moet “op straffe van verval” per aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs of door indiening op de zetel van de CREG ingesteld zijn binnen maximaal twee maanden na de publicatie op de website van de CREG van de beslissing. Binnen de twee maanden na ontvangst van het bezwaar, neemt de CREG hierover een beslissing.

Deze regeling is een letterlijke overname van de bepalingen uit de Derde Elektriciteits- en Gasrichtlijnen. Dit was ook het antwoord dat de CREG gaf op de opmerkingen van Elia en Gabe. De CREG stipte aan dat “het diezelfde Richtlijn [is] die de regulator (in casu de CREG) aanduidt als geschillen-beslechtingsinstantie.”

De bezwaarprocedure die de CREG uitwerkte lijkt een georganiseerd willig beroep te zijn. De procedure is 'willig'. De benadeelde partij moet immers de bezwaarprocedure niet volgen; hij mag en kan ze instellen. Het bezwaar wordt ook gericht tot hetzelfde orgaan, het directiecomité van de CREG, dat de initiële beslissing genomen heeft. Volgens Mast e.a. kan “de mogelijkheid om het bestuursorgaan dat een beslissing heeft genomen om een herziening van de initiële beslissing te verzoeken, met een algemeen rechtsbeginsel worden gelijkgesteld”. Zoals andere algemene rechtsbeginselen, geldt ook dit beginsel “zonder dat enige normatieve tekst daarin voorziet”. Hier voorziet een normatieve tekst wel in de bezwaarprocedure en zet die tekst ook de voorwaarden uiteen. In die zin is de procedure ook 'georganiseerd'.

De bezwaarprocedure is niet schorsend en niet verplicht. De beroepsprocedure die de Elektriciteits- en Gaswetten voorschrijven tegen beslissingen van de CREG zijn evenmin schorsend, maar wel verplicht. Elke belanghebbende kan een procedure zoals in kort geding inleiden bij het Hof van Beroep van Brussel binnen de dertig dagen nadat de beslissing hem betekend is, gepubliceerd is of hem ter kennis is gebracht.

Het starten van de bezwaarprocedure, waarvoor men twee maanden de tijd heeft, wijzigt niets aan de wettelijk voorgeschreven beroepsprocedure. Een voorzichtige belanghebbende zal dus eerst een beroep moeten instellen. Of het zinvol is om tegelijkertijd of nadien nog een bezwaarprocedure te starten is twijfelachtig. Het zou trouwens van weinig kiesheid getuigen om als exceptie van onontvankelijkheid op te werpen dat de verzoekende partij voor het hof van beroep niet eerst de bezwaarprocedure heeft ingesteld. Die bezwaarprocedure lijkt dan ook weinig zin te hebben. Mast e.a. werpen fijntjes op dat “het willig beroepsorgaan immers niet vlug geneigd zal zijn om op een eerder genomen beslissing terug te komen, tenzij belangrijke nieuwe gegevens worden aangedragen of manifeste fouten worden aangetoond”. Regelgeving behoort enige (economische en procedurele) zin te hebben.

Overigens blijkt uit de Richtlijnen dat niet de CREG aangeduid wordt als 'geschillen-beslechtingsinstantie', maar wel “een instantie die onafhankelijk is van de betrokken partijen en van regeringen” (artikel 37.17 Elektriciteitsrichtlijn en artikel 41.17 Gasrichtlijn).



Share/Bookmark

maandag 5 december 2011

Dakisolatie en groenestroomcertificaten

De groenestroomcertificaten voor de elektriciteit geproduceerd door PV-installaties die geplaatst zijn op woongebouwen die onvoldoende geïsoleerd zijn, komen niet in aanmerking voor de decretale minimumprijs die de distributienetbeheerder moet betalen voor zulke certificaten (zie hierover ons vorig bericht).

Vlaams volksvertegenwoordiger Marc Hendrickx stelde aan minister Van den Bossche een schriftelijke vraag over de manier waarop controleurs van de VREG of van de distributienetbeheerder kunnen nagaan of een woning voldoende geïsoleerd is. Meer in het bijzonder wou hij vernemen of de controleurs moesten of mochten overgaan tot een 'destructief onderzoek' in woningen waarvan de dakisolatie volledig verstopt was achter plafondbedekking.

Minister Van den Bossche antwoordde dat de energiedeskundige ter plaatse een visuele inspectie moet uitvoeren, maar geenszins verplicht is om een destructief onderzoek te doen. Als de energiedeskundige niet visueel kan vaststellen of er isolatie aanwezig is, dan zijn er drie mogelijkheden:
- Hij of zij beschikt over informatie met betrekking tot de geplaatste isolatie via bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld facturen;
- Hij of zij beschikt niet over bewijsstukken, maar kan aan de hand van het (ver)bouwjaar van de woning inschatten of een woning zou geïsoleerd kunnen zijn en in welke mate;
- Hij of zij krijgt van de eigenaar uitdrukkelijk toestemming om destructief onderzoek uit te voeren.



Share/Bookmark

vrijdag 2 december 2011

Energiehoofdstuk uit regeerakkoord-Di Rupo I

6. Transitie van onze economie naar een duurzaam groeimodel
De regering wil dat België zich bij de groep van de Europese pioniers aansluit bij de transitie naar nieuwe vormen van duurzame economische productie en consumptie.
Drastische vermindering van het verbruik van natuurlijke hulpbronnen en energie (vooral van fossiele brandstoffen) is niet alleen essentieel voor het behoud van het milieu, maar moet ook de concurrentiepositie van onze bedrijven versterken en banen creëren.
Onverminderd de bevoegdheden van de deelstaten zal België tijdens de internationale onderhandelingen een ambitieus standpunt innemen om een bindend wereldwijd klimaatakkoord te bereiken dat de stijging van de mondiale temperatuur tot een maximum van 2°C beperkt.
De federale regering zal met de gewesten onderhandelen om het standpunt van België tegenover de Europese en internationale instellingen te bepalen. De regering zal met kracht pleiten, zowel bij de gewesten als op internationaal vlak, voor een reductiedoelstelling op EU-niveau van 30% van de uitstoot van broeikasgassen in 2020 en van 80 tot 95% in 2050 ten opzichte van 1990.
Een snelle en objectieve verdeling van de te leveren inspanningen en van de inkomsten uit de veiling van de C02-quota wordt voorbereid in de schoot van de Nationale Klimaatcommissie.
Onverminderd de bevoegdheden van de Gewesten met betrekking tot de tweede verbintenissenperiode van Kyoto, zal België op Europees niveau pleiten voor een verbetering van het ETS systeem (European Union Emissions Trading System) om de windfall profits te vermijden.
De regering zal werkzaamheden ondersteunen om relevante indicatoren te ontwikkelen in aanvulling op het BBP. Deze nieuwe indicatoren zouden menselijke ontwikkeling in al haar aspecten beter moeten kunnen meten.
In het licht van de Conferentie Rio+20 zal de federale regering de Gewesten uitnodigen om samen een nationale strategie voor duurzame ontwikkeling uit te werken. Deze zal een langetermijnvisie omvatten, zoals de wet van 5 mei 1997 vooropstelt.
Energiebesparende investeringen zullen niet kunnen leiden tot een verhoging van het kadastraal inkomen.

6.1. De overheid als motor voor een duurzame transitie
De federale overheid zal de investeringen in energiebesparingen in federale overheidsgebouwen maximaliseren en rationaliseren en de mobiliteitsplannen voor ambtenaren optimaliseren.
Het gebruik van sociale en ecologische clausules zal verder versterkt worden bij alle overheidsopdrachten overheidsmiddelen en bij het beheer van
Voor producten die op de markt worden gebracht en waarvoor nog geen Europese normen bestaan zullen ambitieuze normen worden opgesteld in nauwe samenwerking met de betrokken sectoren en de wetenschappelijke wereld. Die producten zullen aan hoge standaarden inzake milieu-, sociale en gezondheidszorg moeten voldoen, terWijl ze voor iedereen betaalbaar blijven.
De regering zal er bij de EU voor pleiten om de etikettering van producten te uniformiseren zodat ze gestandaardiseerde informatie bevatten over hun levenscyclus, hun herstelbaarheid, hun levensduur en de sociale omstandigheden waarin ze geproduceerd werden.

6.2. Een veilige, duurzame en voor iedereen toegankelijke energie waarborgen
Het is het doel van de regering om de energieprijzen voor zowel particulieren als bedrijven niet hoger te laten liggen dan de gemiddelde prijs in de ons omringende landen om de competitiviteit van de bedrijven en de koopkracht van de burgers te vrijwaren. De federale staat zal daartoe met de Gewesten en de vier regulatoren een gecoördineerd initiatief nemen om alle componenten van de energiekosten (basisprijs, transport- en distributietarieven, diverse taksen en heffingen) te analyseren en zij zal maatregelen nemen om die in toom te houden.
Anderzijds zal de federale regering, binnen haar bevoegdheden, alles in het werk stellen om de globale energiefactuur te beperken.
Ten eerste zal de regering vragen dat de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG) onderzoekt of objectieve factoren het prijsverschil tussen België en de buurlanden rechtvaardigen. Indien het onderzoek van de CREG besluit dat het verschil niet gerechtvaardigd is, zal zij de regering een tijdelijke maximumprijs voorstellen, die de Belgische prijzen tot het gemiddelde van de prijzen in de buurlanden zal terugbrengen, en waarbij de concurrentie moet blijven spelen.
Ten tweede zal de CREG via de omzetting van het Derde Energiepakket van de EU, in haar onafhankelijkheid en rol met betrekking tot het waarborgen van de marktwerking in overeenstemming met EU-richtlijnen worden versterkt. Het parlement zal de regulator controleren. De in het wetsontwerp tot. omzetting van het Derde Energiepakket bedoelde vangnetmethode zal effectief worden Uitgevoerd. De tariefformules van de variabele contracten zullen aan de CREG medegedeeld worden, en de CREG zal elke wijziging daarvan eerst moeten goedkeuren.
Ten derde zal de regering de nucleaire rente afromen om de concurrentie en de investeringen in de opwekking van elektriciteit te stimuleren en de energieprijzen ten gunste van de gezinnen en de bedrijven onder controle te houden. De regering zal daartoe de repartitiebijdrage verlengen; het bedrag daarvan zal sterk worden verhoogd, op basis van een formule die rekening zal houden met de door de CREG vastgelegde productiekosten en de verkoopprijzen. De geïnde inkomsten zullen onder meer dienen ter ondersteuning van investeringen voor hernieuwbare energie op de Noordzee en voor de energie-efficiëntie van de federale openbare gebouwen.
De regering zal alle maatregelen tot verhoging van de concurrentie op de elektriciteitsmarkt nemen om de koopkracht van de burgers en de competitiviteit van de bedrijven te verbeteren. Daartoe, in samenhang met deze repartitiebijdrage, zal de Regering, conform de Europese regels, rechtsmiddelen onderzoeken, om een deel van de productie van de afgeschreven kerncentrales ter beschikking van de markt te stellen. Deze maatregelen zullen voorlopig zijn en verdwijnen zodra de markt concurrentieel zal geworden zijn.
Ten vierde zal de federale bijdrage herzien moeten worden om haar impact op de eind prijzen te beperken.
Ten Vijfde zal de verandering van leverancier vergemakkelijkt worden. De dienstverlening aan de consumenten, en de leesbaarheid van de gestandardiseerde energiefacturen zullen verbeterd worden.
De bevoorradingszekerheid zal worden gegarandeerd door maximale diversificatie van de bevoorradingsbronnen en door prioriteit te geven aan hernieuwbare energie (wind, waterkracht, zonnepanelen ... ) waarbij discriminerende effecten zullen vermeden worden.
De federale regering engageert zich om hernieuwbare energie te stimuleren op een kostenefficiënte wijze. Op basis van een duurzameontwikkelingseffectbeoordeling en een aanpassing van het bestaande subsidiemodel voor hernieuwbare energie in de Noordzee zal de regering een beslissing nemen over de afbakening van een nieuw gebied voor windenergie in de Noordzee. Verder zal ze verbindingen met de omliggende parken aanmoedigen.
Aan Elia zal ook gevraagd worden een stopcontact voor de windmolenparken op zee te installeren en de tussen interconnectiecapaciteit België en haar buurlanden uit te breiden op een kostenefficiënte wijze.
De regering bevestigt haar wil om de kerncentrales te sluiten, in overeenstemming met de wet van 2003.
De regering zal, onmiddellijk en ten laatste binnen de zes maanden na haar vorming, een uitrustingsplan voor nieuwe productiecapaciteit uit gediversifieerde energiebronnen uitwerken om op een geloofwaardige manier de bevoorradingzekerheid van elektriciteit van het land op korte, middellange en lange termijn te verzekeren.
In dit opzicht, in alle transparantie en met inachtneming van de concurrentieregels, zal de Regering zich verzekeren bij potentiële actoren en investeerders van een daadwerkelijke aansluiting op het net van deze nieuwe productiecapaciteit en dit binnen termijnen die verenigbaar zijn met zowel de sluiting van de kerncentrales als de te verwachten groei van het energieverbruik.
In functie van het tijdspad van aansluiting op het net van deze nieuwe capaciteit zullen de definitieve sluitingsdata van de kerncentrales door de regering worden gepreciseerd.
Dit zogenaamde uitrustingsplan zal worden gemonitord en de regering zal in voorkomend gevalofferteaanvragen uitschrijven. Om de procedures te versnellen, zullen locaties voor nieuwe eenheden in samenwerking met de Gewesten worden geselecteerd, onder andere door de beschikbaarheid van onbenutte sites te onderzoeken.
Beveiliging en veiligheid van kerninstallaties is een absolute prioriteit. Een hoog niveau van bescherming van de werknemers en de veiligheid van alle energie-infrastructuren, in het bijzonder de nucleaire, zal ook verder worden gewaarborgd.
De wetgeving inzake aansprakelijkheid voor nucleaire ongevallen zal worden herzien om de vergoedingsplafonds betaald door de exploitanten van kerninstallaties aan te passen. De staatscontrole bij het beheer van financiële reserves (Synatomfonds) - voor de ontmanteling van de kerncentrales en het beheer van gebruikt splijtstof - zal worden versterkt om de toereikendheid, de beschikbaarheid, de transparantie en een betere spreiding van de leningen te verzekeren. Dit mag geenszins tot gevolg hebben dat deze reserves in begrotingstermen onder de perimeter van de staat worden gebracht.
In het licht van de omzetting van richtlijn 2011/70/ EURATOM zal de regering een normatief kader opstellen om een veilig beheer op lange termijn van de verbruikte brandstof en het radioactief afval mogelijk te maken, en zal ze over dat laatste een principebeslissing nemen.
0&0 over kernfysische methoden in het domein van de medische toepassingen en de radioprotectie zal verder ondersteund blijven in het kader van de volksgezondheid.

Share/Bookmark

donderdag 17 november 2011

Nucleair akkoord bis: meer dan alleen geld?

Volgende vrije tribune van Tinne Van der Straeten verscheen op 16 november in de Tijd.

X

Nucleair akkoord bis: meer dan alleen geld?

Het afromen van de nucleaire rente kan onze elektriciteitsfactuur behoeden voor een extra toeslag voor hernieuwbare energie, maar dat valt af te wachten. Ook een betere marktwerking en een prijsplafond zijn evenmin vanzelfsprekend.

Een nucleaire heffing van 550 miljoen, Electrabel die een deel van zijn nucleaire capaciteit op de markt moet brengen om de concurrentie te stimuleren, de federale regulator CREG die een prijsplafond kan opleggen als de elektriciteitsprijzen hoger zijn dan in de buurlanden. Daarover werden de onderhandelaars het principieel eens.

Een nucleaire heffing van 550 miljoen zou worden ingeschreven in de begroting van 2011. Er bestaat een brede consensus dat een groot deel van dat geld zou worden gebruikt om de ondersteuning van offshore wind te financieren. Op die manier wordt de energiefactuur van mensen en gezinnen niet belast met extra toeslagen voor hernieuwbare energie. Uit de begrotingsteksten moet blijken of de onderhandelaars daarvoor inderdaad een speciaal begrotingsfonds willen instellen, dan wel of het grootste deel van de heffing naar de algemene begroting vloeit. Maar omdat de heffing jaarlijks betaald moet worden, lijkt ze terecht losgekoppeld te zijn van het debat over de levensduurverlenging van de kerncentrales.

Toch lost het afromen van de nucleaire rente het probleem van het gebrek aan marktwerking niet op. Daarom is het een goede zaak dat ook flankerende maatregelen aangekondigd worden, waardoor meerdere spelers toegang kunnen krijgen tot de nucleaire capaciteit.

PAX ELECTRICA

In de Pax Electrica I en II werden al schuchtere pogingen ondernomen om de nucleaire productiecapaciteit van Electrabel te verdelen over meerdere spelers. Zo heeft SPE Luminus een beperkt aandeel in de centrales van Doel en Tihange. Daarnaast heeft het normaliter ook een leveringsoverenkomst van lange termijn afgesproken met Electrabel, en kan het die na 10 jaar omzetten in eigendomsrechten in dezelfde centrales. EDF Belgium houdt 50 procent van Tihange 1. En E.ON heeft sinds 2009 770 megawatt aan nucleaire trekkingsrechten.

Als er gekeken wordt naar het (nucleaire) productiepark blijkt dat Electrabel het leeuwendeel van de productiecapaciteit nog steeds in handen heeft en dat er daarnaast slechts een selecte club toegang heeft tot de resterende nucleaire capaciteit. Dat de onderhandelaars beslissen dat de productiecapaciteit veel meer moet opgedeeld worden is dus nobel. Al blijft het gissen wat ze precies voor ogen hebben, en vooral hoe ze die beslissing zullen uitvoeren.

Zo is het onduidelijk hoeveel capaciteit beschikbaar zal zijn. Ten tijde van de Pax Electrica ging men uit van het idee dat andere spelers een significant marktaandeel van minstens 15% moesten kunnen verwerven. Blijft dat het uitgangspunt? Of weet men nu al hoeveel nucleaire capaciteit Electrabel “mag” houden en op hoeveel iedereen voorts een bod mag doen? Of denkt men helemaal anders, en wil men alle nucleaire elektriciteit opkopen aan een bepaalde prijs en doorverkopen met een kleine marge?

ELIA

Een andere onduidelijkheid betreft de centrales zelf. Hebben de onderhandelaars enkel de nucleaire capaciteit voor ogen, of zou de pompcentrale van Coo (eindelijk) ook in het vizier komen? Coo wordt ingezet als piekcentrale en levert op piekmomenten goedkope energie die anders geleverd zou moeten worden door duurdere centrales. Maar Coo is nog steeds 100 procent eigendom van Electrabel. Haar functie overstijgt die van een loutere productiecentrale: ze is belangrijk voor het evenwicht op het elektriciteitsnet.

Netbeheerder Elia pleitte een paar weken geleden voor de bouw van een eigen elektriciteitscentrale. Misschien is het zinvoller dat de regering ervoor zou ijveren dat Elia onder de vorm van trekkingsrechten toegang zou hebben tot de pompcentrale van Coo.

Tot slot willen de onderhandelaars dat de elektriciteitsprijzen in België niet hoger zijn dan die in de ons omringende landen. Dit vond men ook terug in het nucleair protocol van 2009 dat ondertussen in de prullenbak beland is. Die alinea, in het protocolakkoord zo verwoord dat de Belgische prijzen lager moesten zijn dan het gemiddelde van de buurlanden, kon rekenen op kritische vragen van Europa. Waarom moeten de prijzen in België zo nodig lager zijn? Terwijl het om verschillende markten gaat met verschillende productiekosten en een verschillende vraag? En ook: wat zou de impact zijn op investeringen in nieuwe elektriciteitscentrales in België ten opzichte van de buurlanden?

NETTARIEVEN

Het begrenzen van prijzen klinkt goed, maar botst evenzee, maar het botst evenzeer. Het voordeel lijkt een lagere factuur. De nadelen zijn navenant: een negatieve impact op noodzakelijke investeringen in nieuwe productiecapaciteit, een barrière voor broodnodige nieuwkomers, het risico op een hernieuwd bevoordelen van de historische speler.

Aan een goed functionerende markt is een gereguleerde eindprijs vreemd. De politieke overheden zouden beter eerst en vooral werk maken van die goed functionerende markt, en die niet hypothekeren door kortetermijnoplossingen zoals prijsregulering.

Het mag hen ook niet verhinderen te kijken naar dat andere deel van de factuur: de nettarieven, die 40 tot 50% van de eindfactuur uitmaken en waar volgens de federale regulator nog heel wat vet opzit. En natuurlijk de vele belastingen, heffingen en toeslagen waar de overheid evenzeer, of bij uitstek, vat op heeft.

Tinne Van der Straeten is advocaat bij Blixt, een kantoor gespecialiseerd in energierecht.

X



Share/Bookmark

woensdag 2 november 2011

Het akkoord om nog niet akkoord te gaan over de kernuitstaap

Naar aanleiding van het deelakkoord dat de federale onderhandelaars bereikten om de uitstap uit de kernenergie, zoals vastgelegd in de wet van 2003, te behouden maar tegelijk ook uit te stellen tot de resultaten van het nieuwe uitrustingsplan bekend zijn, mochten we hierover iets zeggen op radio (Tinne in De Ochtend) en TV (Tim op Kanaal Z).



Share/Bookmark

woensdag 26 oktober 2011

Barbara Veranneman vervoegt Essenscia

Onze kantoorgenote Barbara Veranneman heeft de balie spijtig genoeg verlaten. Ze werkt nu definitief bij Essenscia, waar ze voordien al als 'tewerkgestelde advocate' actief was. We wensen haar veel succes en zijn ervan overtuigd dat haar uitmuntende kennis over de energie- en klimaatsector binnen de sectorfederatie van de chemische nijverheid uitstekend tot zijn recht zal komen.



Share/Bookmark

donderdag 13 oktober 2011

Steekvlampolitiek

Begin vorige week beschuldigde minister Van den Bossche een groot aantal elektriciteitsleveranciers ervan te 'liegen'. Volgens een studie van de VREG zouden ze aan hun klanten 125 euro aangerekend hebben per groenestroomcertificaat dat ze jaarlijks moeten inleveren, terwijl de werkelijke kostprijs van zo'n certificaat met 103 euro een stuk lager zou liggen. Dezelfde dag vroeg een federaal parlementslid aan minister Van Quickenborne, bevoegd voor mededinging, om een onderzoek te openen naar mogelijke prijsafspraken onder de energieleveranciers. De minister van ondernemen ging daar direct op in en gaf de mededingingsautoriteiten een onderzoeksopdracht. De daaropvolgende donderdag vielen inspecteurs van de dienst mededinging binnen bij leveranciers.

De nationale regulator CREG was er als de kippen bij om “zich solidair te tonen met de actie die vandaag gevoerd wordt door de Algemene Directie Mededinging bij de leveranciers van elektriciteit inzake een problematiek die niet alleen in Vlaanderen bestaat, maar die België in zijn geheel raakt”. De CREG zou in vijf studies de bevoegde overheden 'gewaarschuwd' en 'op de hoogte gebracht' hebben dat een aantal leveranciers de boeteprijs doorrekenen en niet de marktprijs.

Een week later publiceerde de VREG haar studie. Die is heel wat genuanceerder dat wat de dame en heren politici, met de CREG in hun kielzog, lieten uitschijnen. In de studie wordt inderdaad vastgesteld dat veel leveranciers een 'premie' of een 'marge' aanrekenen aan hun klanten. Tegelijk stelt de VREG vast dat de leveranciers “geen structurele 'marge' [kunnen] heffen op hun groene bijdrage, zonder dit ofwel te compenseren op hun zuivere energieprijs, ofwel een concurrentieel nadeel op te lopen”. Nog volgens de VREG wijst “het feit dat veel elektriciteitsleveranciers een 'premie' binnen de kost van de certificaatverplichting kunnen doorrekenen, erop dat de energiemarkt (nog) niet volledig transparant is en nog niet volledig concurrentieel werkt”. “Het gaat dus om een probleem van (gebrek aan) transparantie en van vermelding van kosten, eerder dan om een probleem van onterechte kostenaanrekening”, besluit de VREG.

Nergens in de studie van de VREG staat enige indicatie naar mogelijke mededingingsbeperkende afspraken tussen de verschillende leveranciers over de waardering die zij plakken op de verplichting tot het inleveren van groenestroomcertificaten. Overigens heeft ook de CREG nooit aangegeven dat de onderzochte praktijk juridisch laakbaar zou zijn. Indien ze anticompetitief gedrag zou hebben vastgesteld, had ze dit zeker gemeld aan de minister en de Raad voor de Mededinging en had ze voorstellen gedaan om de marktwerking te verbeteren, zelfs als ze niet territoriaal bevoegd zou zijn. Zij kwam enkel prima facie tot gelijkaardige vaststellingen als de VREG.

Uiteraard moeten politici, en de minister voor ondernemen in de eerste plaats, wantoestanden laten onderzoeken en liefst nog tijdig (laten) remediëren. Maar zulke politieke initiatieven mogen niet op basis van steekvlammetjes, zonder kennis en kunde van het dossier en van de studie van de bevoegde regulatoren, genomen worden. De snelheid waarmee de mededingsautoriteiten nu te werk moesten gaan leidt bijna overal tot ongenoegen. Een aantal klanten melden zich misnoegd bij hun leveranciers. Die leveranciers moeten veel werk steken aan de afhandeling van de inval, de communicatie daarover en het verbeteren van hun waarschijnlijk onterecht beklad imago. De regulatoren kunnen enkel machteloos toekijken dat de studies waarin zij veel werk steken voor de zoveelste keer niet gelezen worden. Alleen advocaten lijken er nog wel bij te varen.

Het komt nu aan onze mededingingsautoriteiten toe om na te gaan of er, ondanks het feit dat de VREG dit nergens vermeldt noch insinueert, mededingingsbeperkende afspraken rond de doorrekening van de groenestroomcertificaten geweest zijn. De resultaten zullen we hopelijk sneller kennen dan die van enkele andere onderzoeken die zij de afgelopen jaren gestart zijn in de energiesector. De kans dat er inbreuken waren, lijkt mij ook eerder beperkt. Men kan zich de vraag stellen of het vanuit economisch oogpunt misschien niet normaal is dat de leveranciers de boeteprijs doorrekenen als kostprijs voor de groenestroomcertificaten. De opportuniteitskost van zulk certificaat is toch juist die boeteprijs. Leveren ze te weinig certificaten in (omdat ze verkiezen om hun certificaten op de markt te verkopen), is dat toch de decretaal vastgelegde prijs die ze moeten betalen?

Zie hierover trouwens ook de gelijkaardige opmerkingen van André Jurres op zijn blog.




Share/Bookmark

dinsdag 11 oktober 2011

Het Vlinderakkoord en de nettarieven

Vandaag stelden de federale onderhandelaars het Vlinderakkoord, de afspraken voor de zesde staatshervorming, voor in de Kamer.

Zoals al veel eerder overeengekomen, wordt de bevoegdheid over de distributienettarieven overgedragen van de federale staat naar de gewesten. De federale overheid blijft eigenlijk enkel nog bevoegd voor de tarieven voor het gebruik van de installaties van Fluxys en Elia, zelfs als die installaties een spanningsniveau hebben van minder dan of gelijk aan 70 kV. Die uitzondering heeft als grote voordeel voor Elia dat ze zich maar tot één (federale) regulator moet wenden en niet tot vier.

De grote onafhankelijke expertise die binnen de schoot van de federale regulator CREG de laatste jaren was opgebouwd met betrekking tot de distributienettarieven (en de gerechtelijke procedures daarover) gaat hopelijk niet verloren door de bevoegdheidsoverdracht. Ondanks het feit dat de gewesten vanaf de inwerkingtreding van het Vlinderakkoord zeer snel een eigen decretaal tarifair kader mogen uitwerken zou het een passend signaal zijn om een deel van die expertise over te nemen. Daarmee zou men ook duidelijk maken dat een regionalisering niet betekent dat de vaststelling en de goedkeuring van de tarieven niet langer in het belang zal zijn van alle rechtstreeks betrokken marktdeelnemers, en van de eindconsument in de eerste plaats.



Share/Bookmark

maandag 10 oktober 2011

De toezichthouder moet toezicht houden, niet meer.

In zijn meest recente studie over "het financieringsmechanisme van de gratis kilowatturen in Vlaanderen" verwijst de CREG voor de verantwoording van haar studie naar artikel 23, § 2, tweede lid Elektriciteitswet. Uit dit artikel leidt de CREG het volgende af:

"Enkele van de opdrachten die de wet aan de CREG toevertrouwt, zijn "toezicht houden op de transparantie en de mededinging op de elektriciteitsmarkt" en "erop toezien dat met name technische en tarifaire toestand van de elektriciteitssector alsook de evolutie van deze sector het algemeen belang beogen en in het algemene energiebeleid kaderen." De wet verzoekt de CREG "de permanente monitoring van de elektriciteitsmarkt te verzekeren, zowel op het vlak van de marktwerking als op het vlak van de prijzen"."
Artikel 23, § 2, tweede lid Elektriciteitswet belast de CREG
"met een raadgevende taak ten behoeve van de overheid inzake de organisatie en werking van de elektriciteitsmarkt, enerzijds, en met een algemene taak van toezicht en controle op de toepassing van de betreffende wetten en reglementen, anderzijds".
Te dien einde zal de CREG o.a.
"1° gemotiveerde adviezen geven en voorstellen voorleggen in de gevallen bepaald door deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° op eigen initiatief of op verzoek van de minister of van een gewestregering onderzoeken en studies uitvoeren in verband met de elektriciteitsmarkt;
3° toezicht houden op de transparantie en de mededinging op de elektriciteitsmarkt overeenkomstig artikel 23bis;
19° er op toezien dat met name technische en tarifaire toestand van de elektriciteitssector alsook de evolutie van deze sector het algemeen belang beogen en kaderen in het algemene energiebeleid. De Commissie verzekert de permanente monitoring van de elektriciteitsmarkt, zowel op het vlak van de marktwerking als op het vlak van de prijzen. De Koning kan, op voorstel van de Commissie, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels van de permanente monitoring van de elektriciteitsmarkt nader bepalen;"
Terecht verwees de CREG niet naar artikel 23, § 2, tweede lid, 1° en 2°, Elektriciteitswet om haar studie te verantwoorden. De Vlaamse politieke keuze voor gratis elektriciteit vloeit niet voort uit de Elektriciteitswet of de uitvoeringbesluiten ervan, maar vindt haar wettelijke basis in het Energiedecreet. Dat decreet bepaalt niet dat de CREG 'gemotiveerde adviezen' kan geven of 'voorstellen' kan voorleggen. Evenmin blijkt uit de studie dat de Vlaamse regering aan de CREG gevraagd heeft om onderzoeken te doen of studies uit te voeren in verband met de Vlaamse elektriciteitsmarkt.

Artikel 23, § 2, tweede lid, 3°, Elektriciteitswet verplicht de CREG inderdaad om "toezicht te houden op de transparantie en de mededinging op de elektriciteitsmarkt overeenkomstig artikel 23bis". Artikel 23bis Elektriciteitswet is ingevoegd door de wet van 8 juni 2008. Het legt aan de CREG op om er op toe te zien dat "elk elektriciteitsbedrijf, dat elektriciteit levert aan in België gevestigde afnemers, zich onthoudt, afzonderlijk of in overleg met meerdere andere elektriciteitsbedrijven, van elk anti-competitief gedrag of oneerlijke handelspraktijken die een weerslag hebben of zouden kunnen hebben op een goed werkende elektriciteitsmarkt in België". Indien de CREG zulke gedragingen vaststelt, moet zij dit melden aan de minister van energie of aan de Raad voor de Mededinging.

Een studie over een gewestelijke keuze voor gratis elektriciteit is geen vrijgeleide voor elektriciteitsbedrijven om anti-competitief gedrag te vertonen of oneerlijke handelspraktijken erop na te houden. Het loutere naleven van de verplichting tot het verlenen van de gratis elektriciteit, door alle betrokken marktspelers, zorgt juist voor een gelijk speelveld tussen die verschillende marktactoren. Het komt dan ook vreemd over dat de CREG deze bepaling hanteert om haar studie te verantwoorden. Overigens stelt zij in haar studie ook op geen enkele manier zulke laakbare gedraging vast, noch koppelt zij hieraan enig initiatief naar de minister van energie of de Raad voor de Mededinging toe.

De enige houvast die de CREG lijkt te hebben voor deze studie is artikel 23, § 2, tweede lid, 19°, Elektriciteitswet: "er op toezien dat met name technische en tarifaire toestand van de elektriciteitssector alsook de evolutie van deze sector het algemeen belang beogen en kaderen in het algemene energiebeleid." De Elektriciteitswet bepaalt wel dat de Koning de nadere regels van de permanente monitoring nader kan bepalen. Tot op heden heeft de Koning geen uitvoeringsbesluit in die zin aangenomen. Zulk besluit is volgens ons nodig om de krijtlijnen van de toezichtsopdracht te trekken.

Van Dale geeft als derde betekenis van 'toezicht' "het waken dat een persoon of zaak zich gedraagt of bevindt, dat een handeling geschiedt, overeenkomstig een bepaalde norm". Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal moet aan die omschrijving nog toegevoegd worden "m.betr.t. een instelling of bedrijf bepaaldelijk: het er voor waken, dat daarin alles op de juiste wijze geschiedt. Hoede, zorg, controle". Een moderner woord voor 'toezicht' is 'monitoring'. In het Engels betekent 'to monitor' o.a. ook 'toezien op'.

Opdat er toezicht kan zijn, moet er een norm zijn waaraan hij die toezicht houdt waarover hij toezicht houdt kan toetsen. Kan die norm voor een energieregulator 'het algemeen belang' zijn? Of 'het algemene energiebeleid'?

Wat het 'algemeen belang' is, evolueert. Volgens Wikipedia duidt het 'algemeen belang' "op datgene dat voor het welzijn van het volk in het algemeen nuttig, gewenst of nodig is". Bij het Franse lemma 'intérêt général' staat "est une notion qui désigne la finalité des actions ou des institutions qui intéressent l'ensemble d'une population". "Sans sens précis elle désigne à la fois le lieu géométrique des intérêts des individus qui composent la nation et en même temps un intérêt propre à la collectivité qui transcende celui de ses membres." Het begrip 'algemeen belang' lijkt dusdanig politiek-filosofisch beladen dat het, indien het zelf niet omschreven is in specifieke wetgeving, moeilijk als norm kan dienen waaraan een regulator gedragingen van markpartijen kan toetsen.

Ook het concept van 'het algemene energiebeleid' is evolutief. Anders dan bij het meer filosofisch beladen concept 'algemeen belang' zou het 'algemene energiebeleid' kunnen afgeleid worden uit de politieke afspraken die een meerderheid in het parlement maakt bij het begin van of tijdens een legislatuur. Veelal zullen de krijtlijnen van het 'algemene energiebeleid' ook blijken uit de beleidsbrief van de bevoegde minister en de debatten daarover in het parlement. Dit betekent dat het 'algemene energiebeleid' afhangt van de bevoegdheid van dat parlement.

Het 'algemene energiebeleid' mag niet zo algemeen zijn dat een minister of een parlement zich uitspreekt over het beleid op een vlak waarvoor men niet bevoegd is. Als de minister of het parlement dit niet kunnen, kan men ook moeilijk aannemen dat een regulator het 'algemene energiebeleid', dat dus territoriaal of bevoegdheidsrechtelijk beperkt is, gebruikt als kapstok voor een toezicht op het het energiebeleid van een andere overheid. Anders zou dat toezicht ook bijvoorbeeld moeten kunnen slaan op het 'algemene energiebeleid' dat de Nederlandse, Franse of Duitse overheid als leidraad hebben.

Laat dit nu juist juridisch het meest problematische zijn aan de studie van de CREG. Een federale regulator, wiens werking begrenst is door een federale wetgeving, waarvan de bevoegdheidsverdelende bijzondere wet van 8 augustus 1980 de grenzen trekt, mag zich niet inlaten met politieke keuzes die een gewest maakt. Die politieke keuzes, vertaald als 'algemeen energiebeleid', van dat gewest, kunnen enkel getoetst worden door de instanties die de gewestelijke decreetgever daartoe aangeduid heeft.

Het feit dat de federale regulator waarschijnlijk meer nog dan andere regulatoren over meer dan voldoende mensen, tijd en middelen beschikt om zulke studies te maken, mag geen verantwoording voor de bevoegdheidsoverschrijding zijn.





Share/Bookmark

maandag 3 oktober 2011

Etikettering van het energieverbruik van huishoudelijke apparaten

Een van de manier om de doelstelling van 20% meer energie-efficiëntie te bereiken tegen 2020 is het verbeteren van een correcte informatie over het energieverbruik van huishoudelijke apparaten. Aan de hand van die correct uitgewerkte informatie kan de eindconsument een onderbouwde beslissing nemen voor energie-efficiënte apparaten. In dit opzicht hervormt Richtlijn 2010/30/EG betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen (zoals water, chemische stoffen, …) op de etikettering en in de standaard-productinformatie van energiegerelateerde producten Richtlijn 92/95/EEG fundamenteel. De nieuwe richtlijn is van toepassing op alle energiegerelateerde producten die tijdens hun gebruik een significant direct of indirect effect hebben op het energieverbruik en vormt een tandem met de Ecodesign-richtlijn.

Met “de verstrekking van nauwkeurige, zinnige en vergelijkbare informatie over het specifieke energieverbruik van energiegerelateerde producten” zou de consument ertoe aangezet moeten worden om te kiezen voor minder energieverbruikende producten. Hierdoor zouden ook producenten aangemoedigd kunnen worden om maatregelen te nemen om zulke producten op de markt te brengen. De Richtlijn is niet van toepassing op tweedehandsproducten, middelen voor personen- of goederenvervoer en “het plaatje waarop het vermogen is vermeld of het equivalent daarvan, dat met het oog op de veiligheid op de producten wordt aangebracht”.

De verplichtingen van de richtlijn gelden in de eerste plaats voor die producten waarvoor de Europese Commissie in een zogenaamde ‘gedelegeerde handeling’ voorwaarden voor de etikettering heeft opgenomen. Naast de op etiketten al gebruikte klassen A tot G, kan de Commissie drie bijkomende klassen aan de indeling toevoegen “indien dat gelet op de technologische vooruitgang nodig is”: A+, A++ en A+++. De indeling in klassen wordt geëvalueerd wanneer een belangrijk aandeel van de producten op de interne markt in de twee hoogste energie-efficiëntieklassen wordt ingedeeld en wanneer bijkomende besparingen mogelijk worden door de producten verder te differentiëren.

De Europese Commissie moet die gedelegeerde handelingen aannemen voor producten die intrinsiek kunnen leiden tot belangrijke besparingen van energie en andere essentiële hulpbronnen. Wanneer de Commissie een ontwerp hiertoe opstelt, moet zij rekening houden met de Ecodesign-richtlijn en een analyse uitvoeren over de gevolgen voor het milieu, eindgebruikers en fabrikanten vanuit het oogpunt van concurrentievermogen, innovatie, markttoegang, kosten en baten. Zij overlegt hierover met de belanghebbenden.

Het Europees Parlement of de Raad kunnen tegen een gedelegeerde handeling bezwaar maken binnen een (verlengbare) periode van twee maanden na datum van kennisgeving door de Europese Commissie van de handeling. In geval van bezwaar treedt de handeling niet in werking. Bij gebreke van bezwaar binnen de voorgeschreven (en eventueel verlengde) termijn, wordt de handeling gepubliceerd in het Publicatieblad.
De Europese Commissie heeft intussen de volgende de gedelegeerde handelingen aangenomen:
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2010 (televisies)
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1061/2010 (huishoudelijke wasmachines)
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1060/2010 (huishoudelijke koelapparaten)
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1059/2010 (afwasmachines)

Voor producten die gereguleerd zijn door gedelegeerde handelingen moeten de leveranciers de overeenstemmende etiketten aanbrengen, een fiche verstrekken, technische documentatie opstellen die toelaat om de gegevens op het etiket en de fiche te controleren, stavingstukken voor inspectie bijhouden, en de fiche en het etiket gratis verstrekken aan de handelaars. De handelaars moeten de etiketten goed zichtbaar en leesbaar aanbrengen en de fiche ter beschikking stellen in de productbrochure. Ook bij het uitstallen van de producten moeten de etiketten duidelijk zichtbaar zijn. Bij verkoop op afstand, waarbij “de potentiële eindgebruiker het product waarschijnlijk niet uitgestald ziet”, moeten de potentiële eindgebruikers de informatie krijgen die op het etiket voor dit product en op het fiche wordt vermeld, alvorens zij het product kopen.

De lidstaten moeten niet alleen erop toezien dat de leveranciers en handelaars hun verplichtingen nakomen. Zij moeten het systeem van etiketten en fiches aan het grote publiek toelichten middels voorlichtings- en promotiecampagnes. Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de richtlijn kan door handelaars te verplichten om producten op te nemen die aan de bepalingen voldoen, door voorafgaand de nodige preventieve maatregelen te nemen als er voldoende bewijs is dat een product mogelijk niet aan de bepalingen voldoet en het uit de handel nemen van bepaalde producten.

De lidstaten moeten ook de regels vaststellen voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn en de gedelegeerde handelingen vastgestelde nationale bepalingen, inclusief het onrechtmatige gebruik van het etiket. Die vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Met het koninklijk besluit van 13 augustus 2011 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van energiegerelateerde producten wordt de Richtlijn op federaal vlak omgezet. De wettelijke basis van het koninklijk besluit is o.a. de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming.

De Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie houdt in eerste instantie toezicht op de naleving van de etiketteringsverplichtingen. De ultieme sanctie is het verbod om het product in de handel te brengen of het uit de handel te nemen.



Share/Bookmark

woensdag 21 september 2011

Een bekrachtigingswet is een wet, geen uitvoeringsbesluit

Tecteo, de distributienetbeheerder in de provincie Luik, en de CREG hadden een verschil in visie over de rapporteringsverplichting die de distributienetbeheerder heeft ten aanzien van de federale energieregulator. Tecteo zou zulk rapport niet overgemaakt hebben, waarop de CREG, met toepassing van artikel 31 Elektriciteitswet een administratieve geldboete oplegde.

Artikel 31 Elektriciteitswet bepaalt dat de CREG “elke in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan binnen de termijn bepaald door de commissie”.

Tegen de beslissing van de CREG om een administratieve geldboete op te leggen ging Tecteo in beroep bij het Hof van Beroep van Brussel. Die stelde in zijn arrest van 11 oktober 2010 vast dat de rapporteringsverplichting eerst was opgenomen in het koninklijk besluit van 11 juli 2002 inzake de distributienettarieven. Dit koninklijk besluit is nadien bekrachtigd door de wet van 21 december 2007.

Door die bekrachtiging neemt het koninklijk besluit in de hiërarchie der normen eenzelfde rang in als een formele wet. Hieruit volgt, volgens het Hof van Beroep: “une disposition ayant force de loi formelle ne saurait constituer une norme d’exécution d’une autre disposition qui est située au même rang dans la hiérarchie des normes.”

In zijn arrest van 19 mei 2011 (Cass 19 mei 2011 C.10.0199.F/9, CREG tegen Tecteo) bevestigt het Hof van Cassatie het arrest van het Hof van Beroep van Brussel:
“Il suit de la confirmation de l’arrêté royal du 11 juillet 2002 que le législateur a donné à cet arrêté royal une valeur législative.
L’effet rétroactif au 27 juillet 2002 donné à cette confirmation a pour conséquence que cet arrêté royal doit être présumé avoir eu une valeur législative dès son origine.
Dès lors, l’arrêté royal du 11 juillet 2002, qui a valeur de loi, n’est pas un arrêté d’exécution visé à l’article 31 de la loi du 29 avril 1999.
Le moyen, qui, en chacune de ses branches, repose sur l’affirmation contraire, manque en droit.”

In het voorontwerp van wet ter omzetting van de Richtlijn 2009/72/EG zoals de regering dit in tweede lezing goedkeurde op 19 juli 2011, wordt voorgesteld om artikel 31 Elektriciteitswet als te wijzigen:
“Art. 31. Onverminderd de andere door deze wet voorziene maatregelen, kan de commissie elke (...) persoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen [van deze wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, van de uitvoeringsbesluiten ervan, de navolgende wetten betreffende de tarieven of betreffende de bijdrage bedoeld in artikel 21bis of van alle andere bepalingen waarvan zij de controle verzekert krachtens artikel 23, § 2, lid 2, 8° van deze wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt] binnen de termijn bepaald door de commissie. (...)"

Volgens ons is de voorgestelde wijziging van artikel 31, eerste lid, nog steeds onvoldoende overtreden die de CREG vaststelt in het kader van controletaken die haar door andere wetgeving is verleend, te sanctioneren. De wijziging verwijst naar de algemene taakomschrijving van de CREG om de administratieve geldboete te rechtvaardigen. De vraag kan echter gesteld worden of de controlebevoegdheid opgenomen in andere wetgeving of in bekrachtigingswetten geen autonome bevoegdheid is die niet krachtens artikel 23, § 2, lid 2, 8°, Elektriciteitswet wordt toegewezen maar wel krachtens die andere wetgeving zelf.

Het eerste lid zou daarom kunnen luiden:
“Art. 31. Onverminderd de andere door deze wet voorziene maatregelen, kan de commissie elke in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen van deze wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, van de uitvoeringsbesluiten ervan, de navolgende wetten betreffende de tarieven of betreffende de bijdrage bedoeld in artikel 21bis of van alle andere bepalingen waarvan zij de controle verzekert (…)".




Share/Bookmark

dinsdag 20 september 2011

Heeft de beslissing over de Duitse Brennelementesteuer een impact op de Belgische nucleaire repartitiebijdrage?

Gisteren besliste de 4de Senat van het Finanzgericht Hamburg om in te gaan op de vraag van E.ON om de verplichting tot indienen van de belastingsformaliteiten onder de Duitse Brennelementesteuer uit te stellen. Het Finanzgericht vond dat er voldoende juridische twijfels waren bij de (grond)wettelijkheid van die belasting.

De Duitse Kernbrennstoffsteuerwet van 8 december 2010 belast, als een verbruiksbelasting, kernbrandstof (Plutonium 239 en Plutonium 241, Uranium 233 en Uranium 235) die voor de commerciële elektriciteitsproductie gebruikt wordt. De heffing per gram kernbrandstof bedraagt 145 EUR. De heffing zou op jaarbasis 2,3 miljard EUR opbrengen.

De heffing is verschuldigd zodra een brandstofelement of een afzonderlijke reactorstaaf voor het eerst in een kernreactor ingebracht wordt en een zichzelf in stand houdende kettingreactie opgestart wordt. De belasting geldt van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2016.

Veel gelijkenissen met deze Brennelementesteuer vertoont het wetsvoorstel dat CD&V en cdH indienden in het Parlement. Het wetsvoorstel tot vaststelling van een heffing op kernbrandstof wil door middel van een heffing ervoor zorgen dat een deel van de nucleaire rente terugvloeit naar de samenleving en dat een ‘level playing field’ wordt gecreëerd door een verhoging van de productiekosten van de kernproducenten. Volgens artikel 3 van het voorstel is kernbrandstof (Plutonium 239, Plutonium 241, Uranium 233, Uranium 235, Uranium 238 en Thorium) die voor industriële elektriciteitsproductie gebruikt wordt in kernreactoren op het Belgisch grondgebied onderhevig aan een heffing bij het laden en afsluiten van een reactorvat. Het voorstel noemt die http://www.blogger.com/img/blank.gifkernbrandstofbelasting een ‘accijns’. De heffing bedraagt per gram kernbrandstof 120 EUR en zou volgens de indieners overeenkomen met een jaarlijkse opbrengst van 750 miljoen EUR. De heffing is verschuldigd zodra een brandstofelement of een afzonderlijke brandstofnaald voor het eerst in een kernreactor ingebracht wordt en een zichzelf in stand houdende kettingreactie opgestart wordt.

Dit voorstel besprak de CREG vorige week nog in haar Studie (F)110908-CDC-1079
over “de wetsvoorstellen betreffende de nucleaire heffing”
.

De reden waarom het Finanzgericht (zeer) kritisch staat tegenover de Duitse regeling heeft echter niets te maken met de aard, de bepaling of de modaliteiten van de belasting, maar wel met het Duitse grondrecht: “Das FG Hamburg äußert ernstliche Zweifel an der formellen Verfassungsmäßigkeit des Kernbrennstoffsteuergesetzes.”

De Duitse Grondwet bevat vrij strikte bepalingen over wie bevoegd is om welke belastingen te heffen. Volgens het Finanzgericht is de Kernbrennstoffsteuer geen belasting die binnen de wetgevende bevoegdheid van de bond (de federale overheid) valt. De Kernbrennstoffsteuer is volgens het Finanzgericht immers geen 'verbruiksbelasting' (Verbrauchsteuer) omdat kernbrandstof geen verbruiksgoed (laat staan een consumentengoed) is dat in het algemene marktverkeer wordt gebracht door producenten voor onmiddellijk of aanstaand verbruik door verbruikers. Ten slotte betwijfelt het Finanzgericht of de Bond een 'nieuwe' belasting mag uitvinden, die niet voorzien is in de Duitse Grondwet.

In België zijn de grondwettelijke belastingsregels veel summierder uitgewerkt. Ze bevatten in ieder geval niet de verschillende beperkingen van de Duitse grondregels. Integendeel zelfs, de federale overheid heeft de 'residuaire' bevoegdheid inzake belastingen. Op zich lijken de bezwaren van het Finanzgericht dus niet direct bruikbaar door de tegenstanders van een uraniumaccijns in ons land.
Share/Bookmark

dinsdag 30 augustus 2011

CCS doet zijn stille intrede in de federale wetgeving

CCS, Carbon Capture and Storage, of de afvang en opslag van CO2 is volgens Wikipedia "de techniek waarmee fossiele brandstoffen (bijna) klimaatneutraal kunnen worden toegepast. Door het broeikasgas CO2 dat uit de verbranding van deze koolwaterstoffen ontstaat af te vangen en op te slaan komt die CO2 niet in de atmosfeer terecht."

De Richtlijn 2009/31/EG van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide legt het Europese kader hiervoor vast.

Ook voor nieuwe productie-installaties voor elektriciteit heeft de Richtlijn gevolgen. Om de overgang naar elektriciteitsproductie met een laag koolstofgehalte te bewerkstelligen moeten er bij nieuwe investeringen in elektriciteitsproductie op basis van fossiele brandstof­fen, maatregelen worden getroffen om een aanzienlijke emissiereductie te vergemakkelijken. Daarom moeten alle stookinstallaties met een vermogen van meer dan 300 MW waarvan de oorspronkelijke bouwver­gunning, of bij gebreke daaraan de oorspronkelijke exploitatievergunning wordt verleend na 25 juni 2009, op hun locatie over voldoende ruimte voor het afvangen en comprimeren van CO2 beschikken. Die verplichting geldt enkel indien geschikte opslaglocaties beschikbaar zijn en indien transport­netwerken en modernisering van de installatie met het oog op het afvangen van CO2, technisch en economisch haalbaar zijn.

De economische haalbaarheid van vervoer en modernisering moeten volgens de Richtlijn worden beoordeeld in het licht van de geraamde kosten van vermeden CO2 voor de specifieke plaatselijke omstandigheden in het geval van modernisering en de geraamde kosten van vermeden CO2 -uitstootrechten in de Gemeenschap. De ramingen moeten worden gebaseerd op het meest recente beschik­bare bewijs; voorts moeten de technische mogelijkheden worden geëvalueerd en moet een analyse van de onzekere factoren in het beoordelingsproces worden verricht. De bevoegde autoriteit moet op basis van een door de exploi­tant opgestelde beoordeling en andere beschikbare infor­matie bepalen of aan deze voorwaarden is voldaan.

Met het koninklijk besluit van 5 augustus 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 oktober 2000 betreffende de toekenning van individuele vergunningen voor de bouw van installaties voor de productie van elektriciteit worden deze bepalingen deels omgezet.

Het voegt een nieuw criterium in voor de toekenning van productievergunningen, zoals geregeld in het koninklijk besluit van 11 oktober 2000: "de ruimte die voorzien is op de site van de installatie voor de uitrusting, opvang en compressie van de CO2, wanneer de evaluaties hiervoor positief zijn." In de aanvraag voor de productievergunning moet de aanvrager daarom een evaluatie van de volgende voorwaarden (i) de beschikbaarheid van de opslagsites die geschikt zijn voor deCO2, (ii) de technische en economische haalbaarheid van de transportnetten van CO2 en (iii) de technische en economische haalbaarheid van een aanpassing van de installatie met het oog op de opvang van CO2.

Het koninklijk besluit kwam er o.a. op advies van de CREG. Dit advies is spijtig genoeg niet beschikbaar op haar website.

Om volledige omzetting te geven aan de Richtlijnbepaling zouden de verschillende gewesten in de regelgeving inzake stedebouwkundige vergunningen een gelijkaardige regeling moeten opnemen.




Share/Bookmark

vrijdag 8 juli 2011

In Memoriam Filip Martens: de domeinconcessie voor offshore wind voorbij

In 2020 moet België 13% van het energieverbruik realiseren met hernieuwbare energiebronnen. Offshore wind zal een groot aandeel uitmaken van deze doelstelling. Op dit ogenblik is er in de Noordzee 1 zone afgebakend in de zone voor de exploitatie van offshore wind. De wetgever opteerde voor een speciale vergunning van offshore wind installaties, met name door het verlenen van domeinconcessies.

Onder andere in de formateursnota van Elio Di Rupo is er sprake van een nieuwe zone in de Noordzee voor offshore wind. Wij willen een lans breken om na te denken over de wijze van vergunnen van offshore wind. Wij denken dat de figuur van de domeinconcessie niet aangewezen is, maar dat een beroep zou kunnen gedaan worden op de aanbestedingsprocedure voorzien in de Derde Elektriciteitsrichtlijn. Dit wordt uitgewerkt in de bijdrage "De domeinconcessie voorbij: de ontwikkeling van offshore wind via een aanbestedingsprocedure".

Deze bijdrage is geschreven als een eerbetoon aan Filip Martens, CEO van C-Power, die onverwachts overleden is op 1 juli 2011. Filip kan niet anders omschreven worden dan als een pionier voor offshore wind in België. Zoals het project team van C-Power schreef heeft hij als een echter voortrekker vriend en vijand overtuigd door in 2008 de grootste windturbines op de zwaarste funderingen in diep water op 30 kilometer van de kust te realiseren. Het is voor ons steeds een eer geweest Filip te ontmoeten in vergaderingen of aan de onderhandelingstafel. Zijn heengaan heeft ons, net als zovelen, met verstomming geslagen. Zijn enthousiasme en gedrevenheid kan alleen maar als voorbeeld en ter inspiratie blijven dienen.

Deze bijdrage zakt in het niets ten op zichte van de realisaties van Filip. Elke geproduceerde kWh elektriciteit in de Belgische Noordzee zal zijn herinnering levendig houden. Rust zacht.
Share/Bookmark

dinsdag 5 juli 2011

Klimaat in de nota van formateur Di Rupo

In het voorstel van formateur Di Rupo komt ook klimaat aan bod in de twee delen van de formateursnota: zowel wat betreft de sociaal-economische voorstellen als wat betreft de overdracht van bevoegdheden.

In het hoofdstuk over de begrotingsmaatregelen wordt geschreven dat "met het oog op de implementatie van het klimaatbeleid de opbrengsten van de veiling van de CO2-quota's op billijke wijze verdeeld [worden] tussen de federale overheid en de deelstaten". De formateur doelt hier op de implementatie van het energie- en klimaatpakket van de Europese Unie en de zogenaamde 20-20-20 doelstellingen. Tegen 2020 moet België 13% hernieuwbare energie opwekken tegen 2020 en 15% CO2 verminderen. Deze doelstellingen moeten verdeeld worden tussen de federale overheid en de gewesten, net zoals dat het geval was voor de Kyoto-doelstelling. Op dit ogenblik is daar geen compromis over bereikt, het is zelfs onduidelijk of er over vergaderd wordt. Verder in de nota wordt alleen nog gesproken over een "eerlijke en objectieve verdeling van de te leveren inspanningen".

De industriële uitstoot wordt geregeld door de ETS-richtlijn. Dit is een quasi volledige Europese aangelegenheid geworden, waarbij de lidstaten de veiling organiseren en waarvan de opbrengsten naar de lidstaten terugvloeit. Het verdelen van die emissieopbrengsten zal vermoedelijk deel uitmaken van de globale lastenverdeling in het kader van de 20-20-20-doelstellingen. Het aandeel van de uitstoot van de luchtvaartsector zorgde al voor intern Belgische onenigheid toen het Vlaams Gewest, en nadien het Waals Gewest, een decreet aannamen waarbij alle luchtvaartemissies ofwel in het Vlaams Gewest ofwel in het Waals Gewest gelokaliseerd werden. Brussel en de Federale Overheid vielen uit de boot en vochten het Vlaams decreet aan bij het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof vernietigde het decreet en beval dat er een samenwerkingsakkoord moet komen om de materie te regelen. Tot op vandaag is er ook hier geen uitweg uit de impasse.

De nota van Di Rupo spreekt enkel van een billijke verdeling, en zegt niets over de toewijzing van die opbrengsten. Dit in tegenstelling tot de nucleaire rente waar expliciet wordt bepaald dat die middelen gebruikt zullen worden voor de ondersteuning van offshore wind en de energie-efficiëntie van federale gebouwen. De ETS-richtlijn bepaalt dat de lidstaten vrij zijn om te bepalen hoe de veilingopbrengsten worden gebruikt. Tegelijkertijd zegt ze ook dat de opbrengsten zouden moeten worden gebruikt voor het klimaatbeleid. Of Di Rupo een deel wil gebruiken om, bijvoorbeeld, de internationale klimaatinspanningen te financieren, dan wel om het begrotingstekort te milderen blijft een open vraag.

Wat betreft het internationale klimaatbeleid schrijft Di Rupo dat België een ambitieus standpunt zal innemen tijdens de multilaterale onderhandelingen. Daarbij wordt expliciet gezegd: "ons land schikt zich naar een reductiedoelstelling op EU-niveau van 30% van de uitstoot van broeikasgassen in 2020 en van 80 tot 95% in 2050 ten opzichte van 1990." Hiermee geeft Di Rupo gevolg aan de resolutie die op 24 maart 2011 door de Kamer werd aangenomen waar de Kamer de regering vroeg om zich duidelijk uit te spreken voor een aanscherping van de Europese klimaatambities. De Kamer vroeg ook dat de regering zich zou inzetten dat dit zich zou vertalen in het Belgisch standpunt in de toekomstige EU-milieuraden en de Europese Raad. Uit de manier van verwoorden in de formateursnota kan alvast een engagement afgeleid worden dat de Federale Regering effectief zal proberen de gewesten op dezelfde lijn te krijgen. Het Europese standpunt wordt namelijk steeds in overleg met de gewesten bepaald.

Wat betreft de overdracht van bevoegdheden komt de tekst van Di Rupo overeen met het eerdere voorstel van Vande Lanotte. De Nationale Klimaatcommissie zal versterkt worden en er wordt een klimaatresponsabliseringsmechanisme ingesteld. Dit laatste zal geconcretiseerd worden door in de nieuwe financieringswet een responsabiliseringsmechanisme "klimaat" te voorzien voor de CO2-uitstoot in die sectoren die niet vallen onder de EU-ETS. Dit gebeurt op basis van de doelstellingen van de Nationale Klimaatcommissie en gevalideerd door de interministeriële conferentie. Als bedoeld wordt wat Vande Lanotte eerder schreef dan zou de interministeriële conferentie die bevoegd is voor het klimaatbeleid concrete voorstellen doen op het vlak van bindende emissietrajecten per regio en per sector, op korte en op lange termijn en met betrekking tot de methodologie inzake berekening van de emissies. De Nationale Klimaatcommissie zou bevoegd zijn voor de controle op de resultaten en de publicatie ervan. Dit wordt echter niet op deze manier verduidelijkt in de nota van Di Rupo.

Di Rupo schuift duidelijk naar voor dat een vermindering van CO2 het concurrentievermogen van de bedrijven zal versterken en zal zorgen voor extra banen. Qua standpunt heeft het voorstel van Di Rupo het voordeel van de duidelijkheid, de 30% doelstelling wordt gesteund. De invulling van de doelstelling binnen België is vooralsnog onduidelijk. Ook hier geldt wat we voor de energievoorstellen schreven: met de uitwerking kan het nog alle kanten uit.
Share/Bookmark

Energie in de nota van formateur Di Rupo

De formateursnota van Di Rupo bestaat uit twee delen, enerzijds voorstellen met betrekking tot de begrotingssanering, de 6de staatshervorming en de sociaal-economische hervormingen, anderzijds een meer gedetailleerde en technische uitleg over de overdracht van bevoegdheden van de federale staat naar de deelstaten en de nieuwe financieringswet.

Wat betreft het eerste deel wordt energie behandeld in het hoofdstuk "overgang van onze economie naar een duurzaam groeimodel". Een aantal zaken zijn niet nieuw, omdat ze reeds aangekondigd werden of omdat er reeds initiatieven genomen werden door de regering of het parlement. Zo komt de beheersing van de energieprijzen (als eerste punt) terug naar voor. De prijzen voor zowel particulieren als bedrijven zouden niet hoger mogen liggen dat de gemiddelde prijs in de ons omringende landen. Geen woord echter over het eerder bereikte compromis omtrent de vangnetregulering. Er wordt alleen nog gezegd dat "de federale overheid, Gewesten en de 4 regulatoren samen het geheel van alle componenten van de energiekosten analyseren en hoe deze in toom te houden". Nochtans maakt dit reeds deel uit van de bevoegdheden van de CREG en zijn er al een pak studies gepubliceerd, zowel wat betreft de prijzen voor elektriciteit als de prijzen voor gas. De studies over de prijscomponenten worden bovendien elke 6 maanden geactualiseerd. De beheersing en controle van de energieprijs wordt ook vermeld in het hoofdstuk over de koopkracht en de inflatie.

Ook niet nieuw is het voornemen om de nucleaire rente te belasten. Al heet het nu "een mechanisme om zowel concurrentie als investeringen aan te moedigen in de opwekking van elektriciteit en de nucleaire rente te heffen (sic). (...) Dit mechanisme zal tijdelijk zijn en zal verdwijnen wanneer de markt concurrentieel wordt." De formateur laat echter niet in zijn kaarten kijken hoe dit mechanisme er zou uitzien. Het is ook niet duidelijk wat de formateur bedoelt met het aanmoedigen van concurrentie en investeringen. Gaat het over het louter wegbelasten van het voordeel van de nucleaire rente, naar voorbeeld van de huidige repartitiebijdrage, eventueel gecombineerd met een uraniumaccijns? Of doelt de formateur op een omvangrijker initiatief naar model van het voorstel van de Vlaamse socialisten, met name de unieke aankoopmaatschappij? De formateur geeft geen indicatie over de hoogte van het bedrag. Door in het hoofdstuk over de voorgestelde begrotingsmaatregelen te spreken over een 'verhoging' van het bedrag, mag men ervan uitgaan dat belasting meer zal zijn dan 250 miljoen euro per jaar.

De formateur kondigt ook aan om de wetgeving inzake nucleaire aansprakelijkheid te herzien. Hierover heeft het parlement de werkzaamheden reeds aangevat en dienden CD&V-cdH, enerzijds, en PS, VLD, MR, anderzijds, voorstellen in.

Wat betreft bevoorradingszekerheid blijft de onduidelijkheid over de wet op de kernuitstap. De wet blijft, maar de er in vervatte uitstapkalender "zal worden beoordeeld in het licht van de stresstests en de studies over de bevoorradingsveiligheid in België." Met andere woorden, de kerncentrales gaan zeker toe, maar wanneer blijft een open vraag.

Er is sprake van "een uitrustingsplan met betrekking tot de productiecapaciteit (...) om de sluiting van de [kern]centrales te compenseren. Ook hier is het niet duidelijk wat bedoeld wordt. De term "uitrustingsplan" doet denken aan het vroegere nationaal uitrustingsplan en de centrale planning van de productiemiddelen. Door de liberalisering is die vervangen eerst door het indicatief programma van de productiemiddelen, daarna door de prospectieve studie, waarin, onder andere, de bevoorradingszekerheid geëvalueerd wordt, en wanneer ze in het gedrang komt, er aanbevelingen geformuleerd worden. Terugkeren naar een centrale planning is onmogelijk in een geliberaliseerde energiemarkt. Misschien doelt de formateur op de voorstellen van de CREG inzake het gebruik van een openbare aanbesteding om investeringen te realiseren? Of misschien doelt de formateur op andere technieken om capaciteit te vergoeden, met name om te zorgen voor genoeg back-up capaciteit voor hernieuwbare energie?

Verder wordt in het kader van de bevoorradingszekerheid een nieuwe zone voor windenergie in de Noordzee aangekondigd.

Voor het overige zullen consumentendiensten en de leesbaarheid van de energierekening worden verbeterd. Hier zou de formateur kunnen doelen op het aanpassen van het bestaande akkoord over de consument in de vrijgemaakte elektriciteits- gasmarkt aan de nieuwe Wet Marktpraktijken. Of misschien wil de formateur de toepasselijke wetgeving van de federale overheid en de gewesten over de verplichte vermeldingen op de factuur harmoniseren, vereenvoudigen en verduidelijken?

De staatscontrole bij het beheer van de financiële reserves voor de ontmanteling van centrales en het beheer van gebruikte splijtstof zal worden versterkt. Dit zou betekenen de bestaande conventie tussen de federale overheid, Electrabel en Synatom zou moeten heronderhandeld, afgeschaft of niet verlengd worden. Wellicht verwijst de formateur naar de rondetafel die hierover plaatsvond bij NIRAS, maar die nog geen aanleiding was voor nieuwe initiatieven.

De CREG zal versterkt worden in haar onafhankelijkheid, de controle over de regulator zal verzekerd worden door het parlement. De formateur verwijst hier naar het implementatie van het derde pakket, waar de Raad van State reeds haar advies gegeven heeft. Een tekst werd echter nog niet ingediend in het parlement. De omzettingstermijn is sinds 3 maart 2011 verstreken.

Wat betreft de overdracht van bevoegdheden kopieert de formateur grotendeels de eerdere nota van Johan Vande Lanotte. Distributietarieven zouden een gewestelijke bevoegdheid worden, behalve voor de netwerken die een transportfunctie hebben zelfs indien ze een spanning hebben gelijk of lager dan 70 kV, evenals het Fonds voor de Reductie van de Globale Energiekost. Er komt een samenwerkingsakkoord om de de samenwerking rond het nucleaire exportbeleid te vergemakkelijken.

Nieuw is dat er verduidelijkt wordt wat zeker federale bevoegdheid blijft: prospectieve studies, kernenergie, energieproductie, inclusief offshore, de grote infrastructuren voor aanvoer en opslag van energie, het energietransport, het beleid inzake de uiteindelijke energieprijs voor de gebruiker, inclusief de sociale bevoegd, de energie-efficiëntie van de federale gebouwen. Inzake de offshore was in de nota Vande Lanotte sprake van een overlegplatform met het Vlaams Gewest. Dit is weggevallen in de nota Di Rupo.

Samengevat bevat de formateursnota voor iedereen wat wils. Het blijven echter hoofdlijnen, de uitwerking kan nog alle kanten op.
Share/Bookmark

woensdag 1 juni 2011

Tarieven voor elektriciteitsdistributie zijn ongrondwettelijk

Terwijl een groot deel van de Belgische energiejuristen gisteren samenkwamen in Leuven voor de voorstelling van het Jaarboek Energierecht 2010, velde het Grondwettelijk Hof een zeer belangrijk arrest (GwH 31 mei 2011, nr. 2011/97). Door de duidelijkheid van zijn stelling, beslechtte het Hof twee discussiepunten die energiejuristen al een tijdje bezighield. De uitkomst ervan zal menigeen heel veel kopbrekens bezorgen.

In het koninklijk besluit van 2 september 2008 betreffende de regels met betrekking tot de vaststelling van en de controle op het totaal inkomen en de billijke winstmarge, de algemene tariefstructuur, het saldo tussen kosten en ontvangsten en de basisprincipes en procedures inzake het voorstel en de goedkeuring van de tarieven, van de rapportering en kostenbeheersing door de beheerders van distributienetten voor elektriciteit werd de mogelijkheid voorzien om injectietarieven op te leggen voor productie-installaties met een vermogen van meer dan 5 MW indien die injectie voor de distributienetbeheerder aanzienlijke bijkomende kosten zou veroorzaken. Dat koninklijk besluit is, samen met het koninklijk besluit van dezelfde dag inzake de meerjarentarieven voor de distributie van aardgas, door de wet van 15 december 2009 bekrachtigd. Electrawinds vroeg voor het Grondwettelijk Hof de vernietiging van die bekrachtigingswet omdat het de bevoegdheidsverdeling inzake energie zou schenden en de gewestelijke bevoegdheden inzake hernieuwbare energie ernstig zou inperken. In die procedure is ook de CREG vrijwillig tussengekomen.

Op basis van artikel 6, § 1, VII, tweede lid, d), BWHI stelt het Hof duidelijk dat "de regeling betreffende de injectietarieven tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort". Het Hof onderzoekt wel "of de regeling inzake injectietarieven, voor zover zij ook van toepassing is op producenten van hernieuwbare energie, het evenredigheidsbeginsel in acht neemt", waarbij hij de bevoegdheid van de gewesten inzake hernieuwbare energiebronnen onderzoekt (artikel 6, § 1, VII, eerste lid, f), BWHI).

Het Hof oordeelt:

"B.6.4. Uit de enkele vaststelling dat de injectietarieven van toepassing zijn op alle vormen van gedecentraliseerde opwekking van elektriciteit, en dus niet alleen op 'nieuwe energiebronnen', mag niet worden afgeleid dat het evenredigheidsbeginsel niet van toepassing zou zijn. Het is immers maar in zoverre de federale regeling betrekking heeft op de nieuwe energiebronnen, dat het evenredigheidsbeginsel in het geding is.

B.6.5. De toepasselijkheid van de injectietarieven op producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen laat voor het overige de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest onverlet om zijn bevoegdheid inzake nieuwe energiebronnen uit te oefenen."

Door het middel vervolgens niet gegrond te verklaren, bevestigt het Hof de stelling van de federale overheid en van de CREG dat het evenredigheidsbeginsel niet geschonden is. De federale overheid mag dus injectietarieven opleggen, zelfs voor installaties voor elektriciteitsproductie op basis van hernieuwbare energiebronnen.

De verzoekende partijen hadden aangevoerd dat de federale bevoegdheden inzake energie slechts zouden gelden in de mate dat die betrekking hebben op zaken die een 'nationale relevantie' zouden hebben. Het Hof gaat hier niet rechtstreeks op in, al laat het wel uitschijnen dat de verwijzing naar "de aangelegenheden die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven" in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, BWHI niet van die aard kan zijn om de gedeelde exclusieve bevoegdheden inzake energie in het voordeel van de ene of de andere overheid te doen overhellen.

Hiermee lijkt, sneller dan gedacht, een einde te komen aan de discussie tussen het Vlaamse Gewest en de federale overheid inzake de injectietarieven. De Vlaamse overtuiging dat zij productie-installaties hiervan kunnen vrijstellen is dus ongegrond. Daarenboven wordt ook de (eerder summiere) analyse die de CREG over deze problematiek maakte (zie ons vorig bericht) bevestigd. Het valt te verwachten dat het Grondwettelijk Hof, indien de CREG of een andere belanghebbende hierom zou verzoeken, het decreet van 23 december 2010 zal vernietigen.

Het Grondwettelijk Hof onderzocht vervolgens, en ambtshalve, of het door de wet bekrachtigde koninklijke besluit geen schending uitmaakt van het Europese recht.

De beide koninklijke besluiten van 2 september 2008 waren, op basis van de procedure van artikel 12nonies van de Elektriciteitswet, voorgesteld door de CREG. De Koning heeft de voorgestelde koninklijke besluiten, blijkbaar op vraag van de CREG, nadien zelf nog gewijzigd. De minister antwoordde hierover in de Kamer: "Pour être plus précis encore, je dois ajouter que les projets d'arrêté royal étaient incomplets sur certains points, voire qu'ils prévoyaient expressis verbis que le choix final devait être opéré par le ministre. La CREG demandait au ministre de faire les choix finaux. Je cite: 'à déterminer ultérieurement par le ministre'. Je sais que cela ne correspond pas à votre conception de la régulation néolibérale, madame Van der Straeten, mais c'est bien ce qui correspond au prescrit légal. Ainsi en était-il du Bêta de la 'regulated asset base' (RAB) et du facteur de productivité." Blijkbaar zijn de voorstellen van de CREG, waaraan de regering volgens de CREG zelf nog verdere invulling moest geven, nadien voorgelegd aan de distributienetbeheerders en, opnieuw, aan de CREG. Vervolgens heeft de ministerraad ze aangenomen. Geconfronteerd met de door de Koning gewijzigde voorstellen van de CREG, had de Raad van State al opgemerkt "dat het niet aan de Koning toekomt om een tariefvoorstel van de regulator te wijzigen".

Omdat het Hof van Beroep van Brussel de koninklijke besluiten op basis van artikel 159 Grondwet in 2009 onwettig achtte, en de toepassing ervan dan ook schorste, nam de regering, hierin gevolgd door de Kamer, het initiatief om die koninklijke besluiten bij wet te bekrachtigen. Dit gebeurde door de wet van 15 december 2009.

Het Grondwettelijk Hof verwijst in zijn arrest naar bepalingen uit de tweede en de derde Elektriciteitsrichtlijn, die voorschrijven dat de onafhankelijke regulator de tariefmethodologie of de tarieven vaststelt of goedkeurt. Stelt hij een tariefmethodologie vast of keurt hij die goed dan moet hij nadien ook beoordelen of de netbeheerders bij het vaststellen van de tarieven die methodologie correct toegepast hebben (zie T. VANDEN BORRE, "De omzetting van de bepalingen inzake de onafhankelijke energieregulator", in K. DEKETELAERE en B. DELVAUX (eds.), Jaarboek Energierecht 2010, Antwerpen, Intersentia, 2011, p. 123).

Ingevolge artikel 37 van de Derde Elektriciteitsrichtlijn (vergelijk met artikel 41 Derde Aardgasrichtlijn) stelt het Hof dat "het niet langer mogelijk is dat de Koning, op voorstel van de CREG, de distributietarieven vastlegt, aangezien die bevoegdheid thans exclusief aan de CREG toekomt". Daarom zijn de bekrachtigde koninklijk besluiten hiermee en met de vroegere bepalingen van de Tweede Elektriciteitsrichtlijn in strijd.

Het Hof besluit:

"B.9.6. De wetgevende bekrachtiging van een koninklijk besluit dat met het recht van de Europese Unie in strijd is, dekt dat gebrek niet. Bijgevolg schendt de bestreden bepaling, zoals de Raad van State reeds heeft opgemerkt (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2191/001, pp. 14-15), artikel 23, leden 2 en 3, van de Tweede Elektriciteitsrichtlijn, in zoverre de bekrachtiging betrekking heeft op de artikelen 9 tot 14 van het bekrachtigde koninklijk besluit."

Met de vernietiging van de bekrachtigingswet komen de belangrijkste bepalingen voor het vaststellen van de distributienettarieven voor elektriciteit te vervallen. Hetzelfde geldt, hoewel de onderliggende bepalingen niet vernietigd zijn, mutatis mutandis, voor de distributienettarieven voor aardgas. Dit betekent, op het eerste zicht, dat alle tarieven die de CREG goedkeurde op basis van de artikelen 9 tot 14 van de koninklijke besluiten van 2 september 2008 evenmin nog een rechtsbasis hebben. Extreem beschouwd zijn de distributienettarieven die de afgelopen tweeënhalf jaar via de leveranciers zijn aangerekend aan de eindafnemers dus onverschuldigd. Er bestond hiervoor nooit een rechtsbasis. Enigszins wrang is dat het ambtshalve onderzoek door het Grondwettelijk Hof er gekomen is op instigatie van de CREG, die eerder zelf aan de minister vroeg om een aantal zaken in hun initieel voorstel verder uit te werken.

Het lijkt er sterk op dat alle betrokken actoren zelfs niet meer kunnen oogsten wat ze gezaaid hebben. Door de overjuridisering van een essentiële discussie (de tarieven voor het gebruik van het distributienet voor alle eindafnemers en leveranciers) kan men door het bos de bomen niet meer zien. Dat bos zal nu dringend volledig met de grond gelijk gemaakt moeten worden.
Share/Bookmark

"De vrijheid sterft met de gloeilamp"

Mijn presentatie over energie-efficiëntie voor de studiedag rond het Jaarboek Energierecht 2010 vindt u hieronder



Share/Bookmark

vrijdag 6 mei 2011

Presentatie OVED-studienamiddag over energiewetgeving in 2010-2011

Volgende presentatie gaf ik op de OVED-studienamiddag van 5 mei 2011.


Share/Bookmark

De CREG en administratieve geldboetes

Eerder dit jaar raakte bekend dat de CREG aan Electrabel een 'boete' (een administratieve geldboete) had opgelegd van 100.000 EUR per dag dat de energiegigant niet de door de regulator gevraagde informatie zou bezorgen.

Vorige maand sprak de Raad van State zich uit over een eerdere administratieve geldboete die de CREG in 2004 had opgelegd aan de stad Waver, distributienetbeheerder in die stad. Ook de stad had nagelaten aan de CREG de gevraagde informatie te bezorgen.

In zijn arrest beoordeelt de Raad van State twee middelen die door de stad Waver waren ingeroepen als gegrond.

Het eerste middel had betrekking op het feit dat andere personen de stad Waver gehoord hadden dan de personen die de beslissing namen om de adminstratieve geldboete op te leggen.

De Raad van State verwijst naar artikel 779 Gerechtelijk Wetboek, dat stelt dat een vonnis kan enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters, die op straffe van nietigheid alle zittingen over de zaak moeten bijgewoond hebben. Het feit dat de CREG een administratieve overheid en geen rechtbank is, ontslaat haar volgens de Raad niet van het naleven van het 'fundamentele principe' dat in artikel 779 Ger.W. vertaald is. Ook bij het opleggen van administratieve geldboetes moet de persoon gehoord worden. Zulke hoorzitting is volgens de Raad van State maar effectief als het dezelfde personen zijn die op de hoorzitting aanwezig waren en die nadien de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete nemen. De vrijheid van de CREG om zelf haar inrichting te regelen en het feit dat het directiecomité van de CREG haar beslissingen collegiaal neemt, mag geen reden zijn om afbreuk te doen aan het principe verwoord in artikel 779 Ger.W.

In een tweede middel laakte de stad Waver dat de CREG een administratieve geldboete als dwangsom had opgelegd, waarvan het totaal weliswaar beperkt werd tot 3% van de jaaromzet van de stad Waver inzake distributienetbeheer. De stad meende dat de CREG weliswaar een administratieve geldboete kon opleggen, maar dat die geldboete exact berekend moest zijn en niet mocht afhangen van het feit wanneer de stad zich al dan niet zou conformeren met de beslissing van de CREG.

De Raad van State stelt duidelijk dat een administratieve geldboete een voorbije gedraging moet sanctioneren en niet een toekomstige: "qu'une sanction ne peut jamais réprimer qu'un comportement passé, et non un comportement futur, qui est nécessairement incertain". Artikel 31 van de Elektriciteitswet, dat bepaalt dat de geldboete wordt opgelegd per kalenderdag, verwijst volgens de Raad van State naar "le nombre de jours où une infraction a été commise, arrêté au jour où l'autorité qui prononce la sanction statue".

De beslissing van de CREG om aan Electrabel een administratieve geldboete, als 'dwangsom', op te leggen is aangevochten voor het hof van beroep van Brussel. De Raad van State is al enige tijd niet meer bevoegd om beslissingen van de CREG te toetsen. Die beslissing is ook niet bekend, waardoor het moeilijk is om een getrouwe parallel te trekken. De teneur van het arrest van de Raad van State is nochtans duidelijk. Electrabel zou voor hem waarschijnlijk gelijk halen. Of ook het Hof van Beroep de algemene principes die de Raad aanhaalt gaat toepassen in de energiesector is nog onbekend.
Share/Bookmark

maandag 2 mei 2011

"Les hommes politiques doivent respecter les pouvoirs de la CREG"

De tekst van het interview in de weekendeditie van L'Echo vindt u via deze link.
Share/Bookmark

woensdag 27 april 2011

Juridische 'bezwaren' tegen uraniumtaks

In de door de CREG verguisde samenvatting en analyse van de Nationale Bank 'De Belgische nucleaire schaarsterente' wijdt de bank ook een hoofdstukje aan de 'mogelijke juridische bezwaren bij een accijns [op uranium]" (p. 51/54).

Die juridische bezwaren vindt zij terug in een persbericht uit 2010 van 'het internationale advocatenbureau Clifford Chance' dat zou stellen "dat de uraniumaccijns in strijd is met de Europese Richtlijn 2003/96/EG" omdat "elektriciteit afkomstig uit kernenergie door de heffing van een accijns benadeeld (of gediscrimineerd) wordt ten opzichte van de elektriciteit afkomstig van andere energiebronnen". Daarnaast zouden de lidstaten "door Europa verplicht zijn om uniforme belastingtarieven toe te passen voor energieproducten". Bovendien "zou de richtlijn de lidstaten verbieden om energieproducten die worden ingezet voor de productie van elektriciteit, te belasten".

Begin juli 2010 berichtte Der Spiegel over het advies dat Clifford Chance over de Duitse Brennelementesteuer geschreven had. In haar persbericht van 5 juli 2010 schrijft het internationale advocatenkantoor "that the German federal government's proposed tax on nuclear fuel elements, a tax which it plans to levy on nuclear fuel rod consumption or power generated therefrom, is incompatible with EU tax law". Om haar objectiviteit in het dossier te staven, stelden onze Duitse confraters "that the legal opinion had not been prepared in accordance with client instructions: "As a leading energy law firm, we are often at the vanguard of promoting discussions on energy law and energy policy and providing our legal opinion thereon.""

Ondanks het feit dat Clifford Chance zichzelf ziet als een 'pionier' om discussies over energierecht en energiebeleid te ondersteunen, is de studie zelf niet (gemakkelijk) terug te vinden op het internet. Ook de Nationale Bank verwijst enkel naar het persbericht van het kantoor. Men zou toch wel kunnen verwachten dat zelfverklaarde opinion makers hun argumenten languit vrijgeven opdat nationale instanties hiervan kennis kunnen nemen. Men zou ook van nationale instanties kunnen verwachten dat zij de zelfverklaarde pioniersrol van advocatenkantoren in persberichten iets objectiever zouden benaderen.

De stelling van Clifford Chance werd overigens onmiddellijk betwist in de Duitse pers. Zo verwees taz.de naar een soortgelijk systeem in Zweden dat al bestaat sinds 2000: "Die von der Bundesregierung geplante Atomsteuer sei juristisch nicht zu machen, heißt es. Stimmt nicht: Schweden kassiert das Geld längst." Opvallend is ook dat de stelling van Clifford Chance niet onmiddellijk lijkt gevolgd te zijn in de Duitse rechtsleer.

Op basis van de richtlijn 2003/96/EG tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit lijkt er niets zich tegen te verzetten dat er een uraniumtaks zou komen.

Artikel 14.1 van die richtlijn verplicht de lidstaten om vrijstelling van belasting te verlenen voor "energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit en elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren". In principe zou men kunnen argumenteren dat brandstoffen voor de productie van elektriciteit moeten vrijgesteld zijn van een belasting. Anders zou de elektriciteit twee keer belast worden (input en output).

De lidstaten kunnen de brandstoffen echter "uit milieubeleidsoverwegingen aan belasting onderwerpen zonder inachtneming van de in deze richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveaus". Voorwaarde lijkt wel te zijn die brandstoffen als categorie belast worden. Men mag geen onderscheid maken door een brandstof die gebruikt wordt voor de productie van elektriciteit wel te belasten en dat niet te doen als die gebruikt wordt voor andere toepassingen. Uranium of andere splijtstoffen zullen dus in hun geheel kunnen belast worden, los van de vraag of ze al dan niet gebruikt worden voor de elektriciteitsproductie. Weliswaar moet zulke taks dan geheven worden vanuit 'milieubeleidsoverwegingen'. Dat die overwegingen gevonden kunnen worden, lijkt aannemelijk.

De Bank verwijst verder naar argumenten van Electrabel dat de heffing van een uraniumaccijns ook in strijd zou zijn met de Belgische wetgeving "omdat er reeds communautaire accijnzen worden geheven op het 'eindproduct' energie (elektriciteit, aardgas en minerale oliën)". Daarom zou "een bijkomende accijns op het 'beginproduct' uranium niet wettelijk zijn omdat een dubbele heffing niet zou toegelaten zijn".

Men kan zich afvragen of die stelling volledig juist is. Voornoemd artikel 14.1 van de richtlijn 2003/96/EG bepaalt in de laatste zin dat wanneer brandstoffen belast worden vanuit milieubeleidsoverwegingen, die belastingen "niet in aanmerking genomen
voor de inachtneming van het minimumbelastingniveau voor elektriciteit zoals vastgesteld in artikel 10". Hieruit volgt op het eerste zicht dat de richtlijn een belasting op de input, vanuit milieubeleidsoverwegingen, en een belasting op de output van elektriciteit niet voor onmogelijk houdt.

De Nationale Bank besluit dat "de voormelde mogelijkheden tot juridische problemen dienen wel nog te worden geverifieerd door fiscale en juridische specialisten. Dit was echter niet mogelijk binnen het korte tijdsbestek waarin deze nota diende te worden opgemaakt."

Het valt te betreuren dat de Bank enkel de negatieve elementen opneemt en geen moeite gedaan heeft om verder onderzoek te doen (al was het maar oppervlakkig) om enkele tegenargumenten tegen de negatieve elementen op te nemen. Dat zij daarna nog de finale beoordeling aan specialisten zou overlaten, zou het verslag vollediger gemaakt hebben.
Share/Bookmark

dinsdag 26 april 2011

Mandaatjes en centjes

In ons vorige bericht verwezen we naar de rijkgevulde gremia van de Vlaamse distributienetbeheerders. Een eerste snelle blik op de jaarverslagen van die netbeheerders leert dat de vergoedingenpot voor de bestuurders evenmin mager gevuld is.

In het boekjaar 2009 schreven de gemengde netbeheerders iets minder dan 700.000 EUR onder de rubriek 9503 (“Rechtstreekse en onrechtstreekse bezoldigingen en ten laste van de resultatenrekening toegekende pensioenen, voor zover deze vermelding niet uitsluitend of hoofdzakelijk betrekking heeft op de toestand van een enkel identificeerbaar persoon – Aan bestuurders en zaakvoerders”) in. Gaselwest keert het hoogste bedrag uit (173.735 EUR). Daarna volgen Iverlek (141.898 EUR), Iveka (101.578 EUR), Intergem (74.321 EUR), Imewo (73.169 EUR) en Imea (47.838 EUR). Eandis zelf keert voor 76.672 EUR bezoldigingen aan bestuurders uit.

Bij de zuivere netbeheerders is het minder eenvoudig om uit te zoeken hoeveel een bestuursmandaat waard is. Vast staat dat PBE met 394.817 EUR de kroon spant. PBE is ook actief in de kabeltelevisiesector. Iveg betaalt 90.654 EUR aan haar bestuurders, Infrax West (het vroegere WVEM) 105.340 EUR en Inter-energa 68.000 EUR. Interelektra, die participeert in Inter-energa, heeft daarnaast nog 166.260 EUR over voor haar bestuurders. Infrax zelf lijkt met 19.250 EUR eerder zuinig.

Als de vaststelling van de overbodigheid van al die mandaten niet betwist wordt, zou het misschien allemaal ook iets veel minder mogen kosten. Het komt er gewoon op aan om aan al die bestuurders en leden van sectorcomités te zeggen dat een lokaal gemeentelijk mandaat zich beperkt tot dat lokaal gemeentelijk mandaat en geen toegangsticket is voor een bijkomend loon.
Share/Bookmark

vrijdag 22 april 2011

"De zitpenningenmachines voor lokale politici"

Op donderdag 21 april 2011 verschenen in De Morgen twee opiniebijdragen die beiden de rol van de gemeenten in het Vlaams-Belgische energielandschap in vraag stelden. In zijn bijdrage “Dit is geen klus voor de Nationale Bank” stelt Ivan Van de Cloot, hoofdeconoom van de denktank Itinera Institute: “Als je de historiek kent van de energie-intercommunales als zitpenningenmachines voor lokale politici, dan is de ontwrichting van onze energiemarkt al snel minder raadselachtig.” Louis Tobback, burgemeester van Leuven, laat in zijn wekelijkse column optekenen: “In alle ernst: de gemeenten moeten uit Eandis. (…) Waarom moet dat grote Vlaamse energienet aangestuurd worden door de 300 gemeenten? Om de mandaten? Ik ga er niet flauw over doen: die mandaatjes helpen na de gemeenteraadsverkiezingen bij het vormen van meerderheden. Met als gevolg dat de gemeenten vandaag in zeven intercommunales zetelen, met cbva Eandis erboven, en dat heb je nog Intermixt daartussen en financieringsvehikels, samengevat: een onoverzichtelijk kluwen. En om vervolgens wat te doen?”

Of de gemeenten hun historische rol in het energielandschap moeten opgeven is een politieke kwestie. Tobback heeft gelijk dat zijn stelling waarschijnlijk niet breed gedragen is in zijn partij (of in een aantal andere partijen). De gemeenten zijn immers alom tegenwoordig, niet alleen als grootste aandeelhouders van de distributienetbeheerders, maar ook als hoofdaandeelhouder van Fluxys en Elia. Daarnaast participeren zij via andere vennootschappen ook in de productie van hernieuwbare energie. De website www.gemeentelijkeparticipaties.be geeft hiervan een zeer mooi overzicht. Een rode draad in die verschillende participaties kan zijn dat de lokale mandatarissen die hun gemeente als aandeelhouder vertegenwoordigen onvoldoende voeling hebben met de energiesector. Nochtans zijn er een aantal energieke zwaargewichten in elke politieke partij die wel invloed lijken uit te oefenen als bestuurder in die verschillende energieondernemingen (Steve Stevaert, Johan Vande Lanotte, Daniel Termont, Geert Versnick, Francis Vermeiren, Jos Ansoms, …). Maar de enkele vaststelling dat aandeelhouders onvoldoende op de hoogte zijn van de activiteiten van de ondernemingen waarin zij participeren mag er niet toe leiden dat die aandeelhouders hun participaties moeten opgeven. De tegenovergestelde stelling zou betekenen dat vele genoteerde ondernemingen hun aandeelhouderssamenstelling drastisch zouden gewijzigd zien.

Vanuit het perspectief van de gemeenten kan men zich wel de vraag stellen of het behouden van al die verschillende distributienetbeheerders als aparte beheerder 'onder' of 'boven' de werkmaatschappijen Eandis en Infrax nog enige toegevoegde waarde heeft. Juridisch lijken er weinig argumenten te bestaan om het kluwen aan structuren te behouden.

In principe moeten de distributienetbeheerders (Imewo, Intergem, Gaselwest, Iverlek, Imea, Iveka, Intermosane, Sibelgas, PBE, Infrax West, IVEG en Inter-energa) het distributienet voor elektriciteit en aardgas op het grondgebied waarvoor zij aangewezen zijn aanleggen, onderhouden en uitbaten (artikel 4.1.6 Energiedecreet). Daarnaast vervullen zij ook nog een groot aantal openbare (maatschappelijke, sociale of ecologische) dienstverplichtingen (artikel 4.1.20 en volgende Energiedecreet).

Het Energiedecreet laat echter toe dat de distributienetbeheerders aan de VREG kunnen vragen om voor de exploitatie van het distributienet en de uitvoering van openbaredienstverplichtingen een beroep te doen op een werkmaatschappij (artikel 4.1.5 Energiedecreet). In het Vlaams Parlement (Parl. St. Vl. Parl. 2006-2007, nr. 1164/4, p. 6) erkende men dat met het concept van deze werkmaatschappijen door de schaalvergroting de kostenefficiëntie en de effectiviteit van de openbare dienstverplichtingen verhoogd wordt. Daardoor is er ook meer uniformiteit en continuïteit mogelijk in de REG-actieplannen voor het ganse werkingsgebied van de werkmaatschappijen. Ook de communicatie over die premies kan zo verbeterd worden. Deze evolutie heeft volgens de Vlaamse decreetgever dus “als voordeel de professionalisering van de sector, de uniformisering van procedures en werkwijzen en de reductie van de kosten verbonden aan het netbeheer” (Parl. St. Vl. Parl., 2008-2009, nr. 2165/1, p. 40).

Die werkmaatschappijen kunnen dus alle (strategische) taken van de distributienetbeheerders op zich nemen. Daarbij moet het bestuursorgaan van de werkmaatschappij dat bevoegd is voor de voorbereiding van de beslissingen over de voor het netbeheer strategische en vertrouwelijke aangelegenheden volledig samengesteld zijn uit bestuurders die voorgedragen zijn door de gemeenten-aandeelhouders van de distributienetbeheerders. De raad van bestuur van een werkmaatschappij moet voor 70% samengesteld zijn uit onafhankelijke bestuurders. Dit zijn de bestuurders die geen vermogensbelangen hebben in toeleveranciers aan de netbeheerder, niet verwant zijn met de dagelijkse leiders van de netbeheerder, geen functies uitoefenen bij leveranciers, producenten of tussenpersonen of een dominerende aandeelhouder daarvan noch directe of indirecte relatie onderhoudt met die personen.

Een onafhankelijke bestuurder kan dus wel een gemeentelijke mandataris zijn. Uit de feiten blijkt trouwens dat de onafhankelijke bestuurders van Eandis, die ook lid zijn van het 'uitvoerend comité', die de strategische en vertrouwelijke beslissingen voorbereidt, allemaal vertegenwoordigers zijn van de gemeenten-aandeelhouders. Geert Versnick (voorzitter) is OCMW-voorzitter en schepen in Gent. Luc Dehaene (1ste ondervoorzitter) is burgemeester van Ieper. Cathy Plasman (2de ondervoorzitter) is gemeenteraadslid in Gent. Jos Ansoms (burgemeester Wuustwezel), Piet Buyse (burgemeester Dendermonde), Ann Coolsaet (gemeenteraadslid Antwerpen), Bart Martens (gemeenteraadslid Antwerpen en Vlaams volksvertegenwoordiger sp.a), Patrick Mensalt (OCMW-voorzitter Grimbergen), Mike Nachtegael (gemeenteraadslid Sint-Niklaas), Dirk Otte (provincieraadslid Oost-Vlaanderen en gemeenteraadslid Zingem), Filip Thienpont (burgemeester Merelbeke), Johan Timmermans (gemeenteraadslid Mechelen), Louis Tobback (burgemeester Leuven), Daniël Vanpoucke (burgemeester Meulebeke), Dirk Vansina (schepen Leuven) en Tom Vervoort (schepen Geel) zijn de leden.

Daarnaast lijken de distributienetbeheerders ook geen eigen personeel meer te hebben. Alle taken worden uitgevoerd door personeel van Eandis of Infrax.

Ondanks de zeer beperkte rol die de distributienetbeheerders dus nog zelf uitoefenen, houden ze er wel een heel uitgebreid bestuurdersarsenaal aan over. De distributienetbeheerders die samenwerken in Eandis hebben samen bijna 300 bestuurders: Gaselwest heeft 24 gemeentelijke bestuurders, 2 provinciale bestuurders, 6 bestuurders van Electrabel; Imea heeft 17 gemeentelijke bestuurders, 1 lid met raadgevende stem, 4 bestuurders van Electrabel; Imewo heeft 30 gemeentelijke bestuurders, 3 leden met raadgevende stem, 7 bestuurders van Electrabel; Intergem heeft 31 gemeentelijke bestuurders, 2 leden met raadgevende stem, 1 vertegenwoordiger van de provincie, 6 bestuurders van Electrabel; Sibelgas heeft 10 gemeentelijke bestuurders, 3 bestuurders van Electrabel; Iveka heeft 46 gemeentelijke bestuurders, 2 leden met raadgevende stem, 3 vertegenwoordigers van de provincie, 8 bestuurders van Electrabel; Iverlek heeft 54 gemeentelijke bestuurders, 3 leden met raadgevende stem, 10 bestuurders van Electrabel. De meeste bestuurders van Electrabel zijn bestuurders in verschillende distributienetbeheerders.

Binnen die distributienetbeheerders zijn er, naast de bestuurders, ook een hele waslijst van bezoldigde leden van sector- of lokale comités. Wat die comités juridisch moeten of kunnen doen, is niet zo duidelijk. In het beste geval vormen ze een lokale terugkoppeling tussen de burgers (gemeenten) en de raad van bestuur van Eandis via de raden van bestuur van de distributienetbeheerders.

Gaselwest heeft negen sectorcomités met alles samen 123 leden: Deinze (13), Ieper (16), Kust (20), Kortrijk (18), Menen (12), Oudenaarde-Ronse (15), Roeselare (14), Tielt (13) en Waregem (12). Imea heeft geen sectorcomités. Imewo telt drie regionale adviescomités met 67 leden: Oost (35), West (23) en Centrum (9). Binnen Intergem zijn er 6 regionale adviescomités met 57 leden: Aalst (9), Beveren (7), Dendermonde (10), Geraardsbergen (9), Ninove (10) en Sint-Niklaas (12). Iveka heeft vier regionale adviescomités met 40 leden: Kempen Noord (13), Kempen Zuid (11), Nete Noord (14) en Nete Zuid (12). Iverlek heeft 178 leden die zetelen in 10 regiocomités: Regio A (32), Regio D (29), Regio Aarschot (16), Regio Haacht (16), Regio Halle-Merchtem (18), Regio Heist-op-den-Berg (13), Regio Leuven (17), Regio Mechelen (13), Regio Tienen 9 en Regio Willebroek (15). Voor Sibelga, een gewestgrensoverschrijdende netbeheerder, is de rekening moeilijker te maken.

Binnen de Eandis-koepel ontvangen dus ruwweg 700 lokale mandatarissen (waarbij sommige personen lid zijn van meerdere gremia en dus dubbel geteld worden) zitpenningen voor vergaderingen van raden van bestuur en comités zonder dat juridisch echt duidelijk of verantwoord is waarvoor zij samenkomen.

Voor de Infrax-koepel zijn geen duidelijke gegevens beschikbaar, maar geschat kan worden dat zij aan ongeveer 150 bestuurders presentiegelden betalen. Aan de hand van de mandatenlijst kan men wel afleiden dat ook de zuivere distributienetbeheerders gul zijn met bestuursmandaten. Zo telt PBE, naast een aantal leden van sectorcomités, om en bij de 40 bestuurders, Inter-energa rond de 60 bestuurders, Interelectra bijna 70 bestuurders en Iveg een dertigtal.

De stelling van Tobback was vooral politiek. Juridisch kan men de kanttekening plaatsen dat men alles in het werk gesteld heeft om tot een consolidatie te kunnen komen, maar dat de onderliggende structuren hierbij nog niet aangepast zijn. Waarbij zich dan de vraag stelt of het behoud van juridische beheersstructuren zonder inhoud nog hoeft.
Share/Bookmark