woensdag 25 juli 2012

De Raad van State als hypotheek op de energiebevoorrading

Voor de aanleg van een aardgastransportpijpleiding moet Fluxys telkens, naast een stedenbouwkundige vergunning en, desgevallend, een milieuvergunning, ook een vervoersvergunning aanvragen. Wil Fluxys bij de aanleg van een bijkomend deel van haar vervoersnet gebruik kunnen maken van (open en onbebouwde) private eigendommen, dan moet ze bijkomend bij koninklijk besluit een verklaring van openbaar nut verkrijgen. Die verklaring van openbaar nut is de wettelijke titel voor de ingebruikname van private eigendommen, en bijgevolg voor het gedogen door de eigenaar van de eigendomsbeperking.

De geplande investeringen voor nieuwe vervoersinstallaties zijn opgenomen in een investeringsplan voor de volgende tien jaar, dat elk jaar opgemaakt en geactualiseerd wordt (artikel 15/1, § 5, Gaswet). Dit investeringsplan moet Fluxys overmaken aan de Algemene Directie Energie van de FOD Economie. De CREG ziet toe op dit investeringsplan (artikel 15/14, § 2, 14°, Gaswet). De investeringen worden normaal gezien mee in rekening genomen bij de goedkeuring door de CREG van de vervoerstarieven die Fluxys mag aanrekenen. Alleen “de kosten verbonden aan investeringsprojecten die onvoldoende verantwoord kunnen worden of waarvan aan de realisatie geen goedkeuring door een bevoegde overheid voorafging, zullen [door de CREG] in principe als onnodig beschouwd worden (zie de bijlage bij het Voorlopig Tariefmethodologiebesluit van de CREG van 24 november 2011). De kans lijkt bijgevolg miniem dat Fluxys, genoteerd op de Brusselse beurs, investeringen zal doen waarvan de kosten later niet kunnen doorgerekend worden in de gereguleerde tarieven.

Nu de federale regering volop lijkt in te zetten op snel inzetbare gasgestookte elektriciteitscentrales, is de uitbouw van het aardgasvervoersnet naar die centrales primordiaal. Zonder voldoende toevoer van aardgas kan een aardgasgestookte elektriciteitscentrale geen elektriciteit produceren. Behalve in uiterst uitzonderlijke omstandigheden zal een exploitant van een elektriciteitscentrale er ook steeds voor zorgen dat die elektriciteitscentrale aangesloten is op het transmissie- of distributienet voor elektriciteit. Hierdoor kan die exploitant de opgewekte elektriciteit, die niet ter plaatse zou verbruikt worden, injecteren in het elektriciteitsnet. Door de actieve rol die Elia moet spelen in de balancering van dat elektriciteitsnet kan het zelfs zijn dat een producent verplicht wordt om, op basis van zijn verplichtingen onder de CIPU-overeenkomst, elektriciteit te injecteren op dat net. Elke elektriciteitscentrale die aangesloten is op het net heeft daarom ook een functie in de uitvoering van de taken van algemeen belang die de transmissienetbeheerder Elia waarneemt.

De bouw van een grote productie-installatie voor elektriciteit is overigens afhankelijk van het voorafgaand verkrijgen van een productievergunning. De criteria voor de toekenning van de productievergunning, zoals opgenomen in het koninklijk besluit van 11 oktober 2000, maken duidelijk dat de federale regelgever de inpassing van de geplande installatie in het transmissienet en in de globale energievoorziening van het land zeer belangrijk acht. Hieruit volgt dat een productie-installatie die enkel en alleen zou gebouwd of geëxploiteerd worden voor de enkele belangen van de directe afnemer of de eigenaar en waarbij geen enkele rekening wordt gehouden met de voorzieningszekerheid, de duurzaamheid en de inpasbaarheid van die centrale op het net zeer weinig kans maakt op het verkrijgen of het behoud van een productie-vergunning.

Niet alleen in die zin getuigen de arresten van de Raad van State van 12 januari 2012 en van 13 april 2012 van een beangstigende wereldvreemdheid en een totaal onaangepast want overdreven belang dat gehecht wordt aan het motiveringsbeginsel, dat in deze arresten, in tegenstelling tot de draagwijdte van dit beginsel, herleid wordt tot een vormelijke en niet langer inhoudelijke motiveringsverplichting.

De nv Marcinelle Energie, een joint venture tussen de energieonderneming Enel en de staalgroep Duferco, werd opgericht met het oog op de bouw en de exploitatie van een gasgestookte elektriciteitscentrale op de site van Carsid (Duferco) in Marcinelle. De geproduceerde elektriciteit zou deels ter plaatse verbruikt worden, deels in de andere vestigingen van Duferco in België en deels geïnjecteerd worden in het transmissienet.

Marcinelle Energie verkreeg bij ministerieel besluit van 16 mei 2007 een productievergunning. Op 28 september 2007 verkreeg ze een 'permis unique' van de Waalse regering voor de bouw en de exploitatie van STEG-centrale van 720 MW en een WKK-centrale van 180 MW. In die vergunning wordt expliciet gesteld dat een deel van de elektriciteitsproductie bestemd is voor het verbruik op de site van Duferco en dat een deel (geraamd op 50%) zal geïnjecteerd worden in het net.

Naar de site van Marcinelle Energie was de aardgastoevoer via het bestaande vervoersnet onvoldoende. Fluxys wou daarom een bijkomende aardgaspijpleiding aanleggen. De bouw van die bijkomende pijpleiding was opgenomen in haar investeringsplan. Fluxys verkreeg voor de bouw van de pijpleiding een vervoersvergunning.

Voor de aanleg van de leiding moest Fluxys ook gebruik maken van private eigendommen. Zij dient daartoe een aanvraag in voor het verkrijgen van een verklaring van openbaar nut (op basis van artikel 10 van de Gaswet) en voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van de nieuwe pijpleiding tussen Péronnes (Binche) en Marchienne-au-Pont.

Verschillende bezwaren worden tegen deze twee aanvragen ingediend.

Uiteindelijk verkrijgt Fluxys op 15 januari 2010 bij koninklijk besluit de gevraagde verklaring van openbaar nut en bij ministerieel besluit de transportvergunning. In het koninklijk besluit wordt de verlening van de verklaring van openbaar nut als volgt gemotiveerd:

“Considérant qu'en sa qualité de gestionnaire (...) du réseau de transport (...), (...) Fluxys est investie d'une mission légale, en termes d'exploitation, d'entretien et de développement dudit réseau, en ce compris les interconnexions avec d'autres réseaux de transport, le transit, les connexions et les raccordements de nouveaux clients au réseau de transport;
Considérant que les installations de transport en projet sont à situer dans ce contexte étant donné qu'elles sont destinées à assurer l'approvisionnement en gaz naturel d'un nouveau client industriel;
Considérant que les installations de transport en projet sont jugées nécessaires en vue d'atteindre la finalité d'utilité publique dont question ci-avant, dès lors qu'elles sont destinées à alimenter en gaz naturel la nouvelle centrale électrique Marcinelle Énergie à Charleroi»;”
Op 5 juli 2010 verleende de Waalse regering de stedenbouwkundige vergunning op basis van artikel 274bis, 1°, d) CWATUPE. Artikel 274bis, 1°, d) CWATUPE bepaalt dat de Waalse regering bevoegd is om een stedenbouwkundige vergunning af te leveren voor “les actes et travaux concernant l’installation ou la modification: (...) d) de canalisations destinées au transport ou à la distribution de corps solides, liquides ou gazeux”. De Waalse regering motiveerde haar bevoegdheid als volgt:
“que cette centrale est destinée à la production d'énergie électrique à l'usage de l'ensemble de la collectivité; que la présente demande consiste dès lors en des travaux d'utilité publique en ce qu'ils sont strictement nécessaires à la mise en service de la centrale électrique”
Zowel tegen het afleveren van de verklaring van openbaar nut als van de stedenbouwkundige vergunning zijn er beroepen tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State.

In zijn arrest van 12 januari 2012 oordeelde de XVde kamer van de Raad dat uit de motivering van het koninklijk besluit van 15 januari 2010 niet kon afgeleid worden waarom de levering van aardgas aan Marcinelle Energie van algemeen belang zou zijn (“par contre elle ne permet en rien de comprendre en quoi le fait de fournir du gaz à la centrale de la société Marcinelle Énergie relèverait de l'intérêt général”).

Fluxys had ingeroepen dat het karakter van algemeen belang van haar pijpleidingen en transportnet te vinden was in de artikelen 1 en 2 van de Gaswet en niet in artikel 10. Dit artikel zou enkel slaan op de specifieke omstandigheden van het gebruik van open en onbebouwde eigendommen door Fluxys.

Volgens de Raad van State blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 12 april 1965 (in 1964!) dat enkel het vervoer van aardgas naar distributienetten van algemeen belang zou zijn. Alle andere transportactiviteiten zouden dat niet zijn. De Raad is ook niet overtuigd van het argument dat artikel 10 enkel betrekking heeft op de specifieke omstandigheden van open en onbebouwde gronden. Volgens hem heeft de verklaring van openbaar nut een algemenere draagwijdte de niet enkel kan gemotiveerd worden door het feit dat de gronden die gebruikt zullen worden open en onbebouwd zijn. De Koning had de verklaring van openbaar nut dan ook afdoende materieel moeten motiveren, wat hij niet gedaan heeft.

In de procedure over de stedenbouwkundige vergunning stelden de de verzoekende partijen, onder verwijzing naar de Bema-arresten van de Raad van State dat de bevoegdheid bepaald in artikel 127 restrictief moet geïnterpreteerd worden en dat de motivering van de Waalse regering om zich op deze bevoegdheid te baseren meer moet zijn dan de vage algemeenheid zoals die uit de verleende stedenbouwkundige vergunning blijkt opdat aangetoond kan worden dat er sprake is van het 'algemeen belang'.

Fluxys, die vrijwillig tussenkomende partij was, verwees naar de wettelijke taken die haar opgelegd waren door de Gaswet. In tegenstelling tot de situatie van de Bema-arresten beschikt zij wel over een wettelijke opdracht van openbaar nut, dient de beoogde pijpleiding wel degelijk het algemeen belang, zou het aardgas geleverd worden een aan elektriciteitsproductie-installatie en was er geen sprake van een vermenging van de belangen tussen de aanvrager (Fluxys) en de aangeslotene van de leiding (Marcinelle Energie).

De XIIIde Kamer van de Raad van State volgt niettemin het bezwaar van de verzoekende partijen. Volgens de Raad volstaat het niet dat een vergunningverlenende overheid zich baseert op de wettelijk omschreven bevoegdheid om die bevoegdheid te motiveren:
“Considérant que le seul fait que les travaux autorisés par le permis d'urbanisme attaqué soient repris à la liste de l'article 274bis précité, ne signifie pas qu'ils revêtent d'office un caractère d'utilité publique; qu'il appartient encore à l'autorité de vérifier si, concrètement et en l'espèce, les actes pour lesquels un permis est sollicité peuvent être reconnus comme ayant ce caractère;”
Volgens de Raad blijkt nergens uit waarom het leveren van aardgas aan de elektriciteitscentrale van Marcinelle Energie van algemeen belang zou zijn. Hij verwijst hiervoor naar zijn arrest van 12 januari 2012. Uit het arrest van 13 april 2012 blijkt evenwel dat Fluxys en Marcinelle Energie het absoluut niet eens waren over de volgende passage in het arrest van 12 januari 2012:
“Considérant qu'en l'espèce, il ressort du dossier, notamment de la note justificative jointe par la société Fluxys à sa demande d'adoption d'un arrêté royal de déclaration d'utilité publique, que la finalité de la pose et de l'installation de la nouvelle canalisation de transport de gaz naturel est d'alimenter une nouvelle centrale électrique exploitée par une société privée, la s.a. Marcinelle Énergie à Charleroi, en vue de répondre, pour partie, à la demande d'un groupe sidérurgique;”
Volgens Fluxys en Marcinelle Energie heeft Fluxys steeds aangegeven dat de geproduceerde elektriciteit minstens voor een belangrijk deel ook bestemd was voor de injectie in het transmissienet. In die zin klopt de parafrasering door de Raad dat de beslissing om elektriciteit te injecteren in het transmissienet enkel en arbitrair afgenomen wordt door Duferco (en dan nog bij veronderstelling alleen op de site van Marcinelle en niet op haar andere vestigingen) dan ook helemaal niet.

Hierover ondervraagd door Fluxys stelt de voorzitter van de XVde Kamer dat
“en tout état de cause, la question de savoir si l'alimentation en gaz naturel de la nouvelle centrale électrique exploitée par la société MARCINELLE ENERGIE avait pour finalité, au moment de l'adoption de l'arrêt royal attaqué du 15 janvier 2010, d'alimenter, au moins pour partie, les activités d'un groupe sidérurgique, reste secondaire par rapport au constat posé par l'arrêt n° 217.209 du déficit de motivation de cet arrêté”.
Uit deze verdediging van de Raad van State kan niet anders dan afgeleid worden dat de Raad zich van de achterliggende en volstrekt voor de hand liggende motieven dat het aanleggen van een aardgasvervoersleiding voor de aansluiting van een elektriciteitscentrale waarvoor een productievergunning is afgeleverd en die aangesloten is op het transmissienet het algemeen belang dient, bewust lijkt te zijn, minstens zou moeten zijn. Er valt op geen enkele manier in te zien waarom de Koning bij het uitvaardigen van de verklaring van openbaar nut evidente motieven, gebaseerd op een algemeen gekende kennis van het functioneren van de elektriciteitsmarkt en de doelmatigheden daarvan, hierin begrepen de noodzakelijke samenhang van de aardgasbevoorrading met de elektriciteitsproductie, nog eens expliciet en in extenso zou moeten herhalen. Het feit dat die elektriciteitsproductie (veelal) gedaan wordt door een private onderneming maakt van deze algemene kennis integraal deel uit.

Tegelijk zouden deze arresten een aanleiding kunnen zijn om de ganse vergunningenprocedure voor de aanleg van aardgasvervoersinstallaties, met inbegrip van de veiligheidsmaatregelen, te herbekijken. De vigerende regelingen dateren van midden de jaren zestig van de vorige eeuw. Door de invoeging van de liberaliseringsbepalingen vanaf 1999 is de Gaswet een vreemde mengeling geworden van oude en nieuwe bepalingen, waarbij de logica volledig zoek is. Als men die zoekgeraakte logica vervolgens voor de interpretatie op een trio energiewereldvreemde staatsraden loslaat, is het hek van de juridische dam. In tijden waarin de bouw van nieuwe, efficiënte, snel afregelbare aardgasgestookte elektriciteitscentrales een absolute noodzaak wordt, waarbij de regering alles in het werk lijkt te stellen om de rendementen daarvan te garanderen, is het schrijnend dat de transactiekosten, en dus de investeringszekerheid op losse schroeven worden gezet door een strikt formele en volstrekt overbodige invulling van het materiële motiveringsbeginsel.



Share/Bookmark

vrijdag 13 juli 2012

Grondwettelijk Hof vernietigt (Vlaams) verbod op injectietarieven

In haar arrest van 12 juli 2012 vernietigt het Grondwettelijk Hof  het Vlaams decreet van 23 december 2010 houdende wijziging van het Elektriciteitsdecreet van 17 juli 200 en het Energiedecreet van 8 mei 2009 wat betreft het vermijden van injectietarieven voor elektriciteit geproduceerd door middel van hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling. Daarbij worden de rechtsgevolgen niet gehandhaafd zoals de Vlaamse Regering had gevraagd. Het Hof is van oordeel dat de vernietiging met terugwerkende kracht geen onoverkomelijke administratieve en financiële moeilijkheden veroorzaakt.


In het KB van 2 september 2008 dat de methodologie vastlegt voor de meerjarentarieven voor de regulatoire periode 2009-2012 werd de mogelijkheid voorzien injectietarieven aan te rekenen voor het gebruik van net voor installaties (van meer dan 5 MW) die gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmtekrachtkoppeling. De Vlaamse decreetgever voerde vervolgens een nieuw artikel 4.1.22/1 in het Energiedecreet in op grond waarvan de distributienetbeheerder alle taken noodzakelijk voor de injectie van elektriciteit geproduceerd door middel van hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling kosteloos dient uit te voeren (met uitzondering van de aansluiting op het distributienet of het plaatselijk vervoersnet). De kosten ten laste van de netbeheerder worden beschouwd als kosten ten gevolge van de openbare dienstverplichtingen van de netbeheerder als netbeheerder. Sinds de inwerkingtreding van deze bepaling op 30 januari 2011 mogen de injectietarieven in Vlaanderen dus niet aangerekend worden aan de producent. Over de achtergrond en de discussie die ontstond omtrent deze regeling kon u hier en hier en hier en hier al eerder lezen.

In haar arrest van 31 mei 2011 over de wettelijke bekrachtiging van het betreffende de KB van 2 september 2008 had het Grondwettelijk Hof al geoordeeld dat de regeling betreffende de injectietarieven tot de bevoegdheid behoord van de federale overheid.

In haar arrest van 12 juli 2012 gaat het Hof nader in op de vraag of de Vlaamse regeling kon getroffen worden op grond van artikel 10 BWHI, inzake de impliciete bevoegdheden. Daarvoor dienen drie voorwaarden cumulatief vervuld te zijn: 1) de regeling moet noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bevoegdheden van het gewest, 2) ze dient zich te lenen tot een gedifferentieerde regeling, 3) de weerslag van de betrokken bepalingen mag slechts marginaal zijn op de federale bevoegdheid.

Het Hof vond het niet nodig om uit te maken of de maatregel noodzakelijk is of dat ze zich leent tot een gedifferentieerde regeling. Het Hof stelt daarentegen vast dat de weerslag van het decreet van 23 december 2010 niet louter marginaal is. Het Hof schrijft:

De keuze van de federale overheid om het aanrekenen van injectietarieven mogelijk te maken, is een beleidsmaatregel in het raam van haar bevoegdheid inzake de elektriciteitstarieven. 

(...)

Niettemin raakt het bestreden decreet het wezen zelf van de bevoegdheid van de federale overheid inzake de injectietarieven op zich, doordat het beoogt de federale tariefmaatregel te neutraliseren ten aanzien van de elektriciteit geproduceerd door middel van hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, productie die naarmate zij aan belang wint, leidt tot grotere inspanningen van de distributienetbeheerders om de aldus opgewekte op het net te injecteren, terwijl de  energietarieven een zo getrouw mogelijke weergave dienen te zijn van de werkelijke kosten.

Het staat aan de Federale Overheid om te beoordelen of het in het raam van haar bevoegdheid mogelijk is het beleid van de gewesten tot stimulering van de opwekking van milieuvriendelijke energie tegemoet te komen op het stuk van de tarieven.


Doorrekening kosten verbonden aan certificatenverplichtingen

Dit decreet bevat een bepaling dat een leverancier aan de eindgebruiker maximaal de werkelijke kosten mag doorrekenen om te voldoen aan de certificatenverplichtingen op vlak van groene stroom en WKK. De Raad van State had opgeworpen dat de decreetgever hiermee een element van het tarief vaststelt, zij hiermee de bescherming van de consument beoogt en zij hiervoor niet bevoegd is. De Raad had ook vastgesteld dat de Vlaamse decreetgever haar bevoegdheid niet grondt op de impliciete bevoegdheden. Tot slot wees ze op een wetsontwerp van de Federale Ministerraad dat een verbod bepaalt "voor de leveranciers om marges te realiseren op de groenestroomcertificaten". Aldus zou eenzelfde gedraging 2 keer gestraft worden en een schending betekenen van het beginsel ne bis in idem. In haar advies bij het federale wetsontwerp oordeelt de Raad van State dat het gaat om een bestrijding van misbruiken die erin bestaan marges te creëren op groenstroomcomponenten, en niet om maatregelen om groenestroomproductie te bevorderen waarvoor de Gewesten bevoegd zijn. De federale regelgever kan optreden op basis van haar bevoegdheid inzake bescherming van de gebruiker en tarieven.

De Vlaamse decreetgever wijzigde haar bepaling vervolgens bij amendement (waarbij de essentie van de betrokken bepaling wel overeind bleef) en motiveerde haar bevoegdheid op grond van de impliciete bevoegdheden. Ze acht haar bevoegdheid noodzakelijk omdat de federale regering nog steeds zou toelaten dat de leverancier een transactiekost zou doorrekenen aan de eindverbruiker. Het Gewest is van oordeel dat de kosten echter maximaal bij de leverancier horen te liggen. De decreetgever stelt ook dat aan de tariefstructuur niet wordt geraakt, en dat het aan de CREG blijft om de tarieven vast te stellen. In die zin zou de impact marginaal zijn.

In het licht van het arrest van Grondwettelijk Hof zijn hier wel enkele bedenkingen te maken. Ten eerste zegt het Hof, terecht, dat onder 'tarieven' dient te worden begrepen zowel de tarieven voor de levering aan de gewone consument als die voor industriële levering van elektriciteit. De voorbehouden federale bevoegdheid strekt zich dus uit tot de eindprijzen voor de consumenten. In het bereikte akkoord omtrent de zesde staatshervorming kwamen de onderhandelende partijen weliswaar overeen dat de gewesten bevoegd zijn om de prijzen te controleren in materies die onder hun bevoegdheid vallen, maar worden op vlak van energie enkel distributietarieven opgesomd. Transversale maatregelen zullen federaal blijven. Aan de federale tariefbevoegdheid op vlak van energie lijkt dus in de zesde staatshervorming niet geraakt te worden.

Ten tweede strekt de Vlaamse regelgeving tot neutralisering van een federale (ontworpen) regel, met name het neutraliseren van de mogelijkheid om een transactiekost door te rekenen. Net het punt van neutralisering werd, in geval van de injectietarieven, door het Grondwettelijk Hof beoordeeld als het in het wezen raken van de bevoegdheid van de federale overheid.

In die zin lijken de bevoegdheidsrechtelijke opmerkingen bij de Vlaamse regeling, die bepaalt welke kosten al dan niet aangerekend mogen worden, niet van de baan. Merk ook op dat de Elektriciteitswet in artikel 23ter bepaalt dat de prijzen op een objectief verantwoorde wijze in verhouding moeten staan tot de kosten. Als de transactiekost die aangerekend wordt voor de certificatenverplichting in objectieve verhouding staat tot de kost ervan, lijkt die niet zomaar van tafel geveegd te kunnen worden.

De Vlaamse en de federale regeling (die werd aangenomen in de Commissie Bedrijfsleven op 12 juli 2012) creëren onduidelijkheid welke kosten al dan niet mogen doorgerekend worden aan welke klanten afhankelijk van waar ze wonen. Volgens de staatssecretaris voor energie werd de federale regeling besproken op het Overlegcomité om mogelijke normconflicten uit de weg te gaan. Of dit afdoende is, is maar zeer de vraag. 

Netvergoeding

In de toelichting bij de wijziging van het Energiedecreet stond het voornemen dat de Vlaamse regering met de netbeheerders zou overeenkomen dat de netbeheerders in 2012 een dossier voor het bekomen van een netvergoeding zouden voorleggen aan de CREG voor PV installaties op laag- en middenspanning. Die vergoeding zou in functie zijn van de netkosten die worden gecreëerd en zou eventueel bestaande injectietarieven vervangen. 

Over de voorgenomen netvergoeding valt veel te zeggen. In het bestek van deze post past het te verwijzen naar het advies van de VREG bij het decreet waarin de VREG stelt dat een dergelijke netvergoeding strijdig zou zijn met het artikel 4.1.22/1 van het Energiedecreet dat de aantekening van injectietarieven verbiedt. Volgens de VREG zou dit artikel moeten geschrapt worden om de invoering van een netvergoeding mogelijk te maken.

De vernietiging van het betreffende artikel impliceert niet dat de netvergoeding er nu zeker zal komen. Het goedkeuren van tarieven of tariefmethodologie is een exclusieve bevoegdheid van de regulator, op dit ogenblik de CREG. Of een netvergoeding er al dan niet komt, in welk vorm, voor welke installaties en voor welke technologie, is dus een beslissing van de CREG. Dit neemt niet weg dat de politieke overheden beleidsrichtsnoeren kunnen formuleren hoe de tariefmethodologie moet vorm krijgen. Die kunnen betrekking hebben op de solidarisering van netkosten en/of de ondersteuning van hernieuwbare energie. 

Het KB van 2 september 2008 werd door artikel 12quater van de Elektriciteitswet opgeheven. De CREG kan de bestaande tarieven verlengen of eender welke overgangsmaatregel treffen die zij nodig acht. Op dit ogenblik heeft de CREG de huidige tarieven verlengd voor de jaren 2013 en 2014. Op dit ogenblik werd nog geen tariefmethodologie voor het gebruik van distributienet vastgelegd door de CREG. De CREG vecht onder andere de tarifaire bepalingen van de Elektriciteitswet aan voor het Grondwettelijk Hof. In het akkoord omtrent de zesde staatshervorming kwamen de onderhandelende partijen overeen om de tariefbevoegdheid inzake de distributienettarieven over te hevelen naar de Gewesten. Hierover zijn vandaag nog geen teksten ingediend in Kamer of Senaat.

To be continued dus.



Share/Bookmark

donderdag 5 juli 2012

Kernuitstap: nieuw relance of meer van hetzelfde op de energiemarkt


Onderstaande opinie verscheen in De Tijd van 5 juli 2012.

Kernuitstap: een nieuwe relance of meer van hetzelfde op de energiemarkt?

Het Kernkabinet heeft besloten om de kerncentrales van Doel 1 & 2 te sluiten, en Tihange 1 met 10 jaar te verlengen. De capaciteit van Tihange 1 zal ‘ter beschikking gesteld’ worden van de markt. Voortaan zullen elektriciteitscentrales niet zomaar kunnen sluiten en zal er een offerte-aanvraag uitgeschreven worden voor de bouw van een nieuwe gascentrale. De regering toont zich hiermee slagvaardig op het vlak van productiecapaciteit en bevoorradingszekerheid. Alleen, zoals altijd: the proof of the pudding is in the eating. De praktijk zal moeten uitwijzen of er echt meer spelers interesse hebben om in België te komen investeren.

Flexibiliteit
De onderliggende analyses van het Uitrustingsplan geven aan dat België het hoofd moet bieden aan een dubbele uitdaging: een capaciteitstekort in geval van piekvraag en een capaciteitsoverschot in geval van een lage vraag. In het eerste geval zijn er te weinige flexibele installaties die kunnen aangezet of opgeregeld worden om aan de piekvraag te voldoen, in het tweede geval zijn er te weinig flexibele installaties die kunnen uitgezet of afgeregeld worden. Het is de toename van hernieuwbare energie die zorgt voor een grotere noodzaak aan flexibele capaciteit: centrales die kunnen pieken op korte termijn, maar die ook gedurende een langere periode basislast kunnen produceren.

De uitstap uit kernenergie drong zich dan ook op. Een kerncentrale is quasi niet regelbaar en heeft minder en minder een plaats in een energiemix met alsmaar meer hernieuwbare energie. In dat opzicht is de beslissing kerncentrales te sluiten logisch. Het zou evenwel logischer geweest zijn om de kernuitstap onverkort uit te voeren. De verlenging van Tihange 1 is de politiek gewenste oplossing om het capaciteitstekort op korte termijn op te vangen. Maar vanuit een marktperspectief is ze minder wenselijk, zelfs al wordt de capaciteit ter beschikking gesteld. Het nucleaire aandeel wordt daardoor te beperkt afgebouwd, in verhouding met de aangroei van hernieuwbare energie. Bovendien kan ook een terbeschikkingstelling van de andere nucleaire centrales overwogen worden.

Offerte-aanvraag nieuwe gascentrale
Op dit ogenblik zitten er 6 projecten voor nieuwe gascentrales in de koelkast, omdat ze niet rendabel zijn. De redenen zijn de hogere marge op steenkoolcentrales, (door de lage elektriciteits- en hoge gasprijs en de lage CO2-prijs) en het beperkt aantal draaiuren (door het succes van hernieuwbare energie).

Om toch minstens 1 iemand te overtuigen te komen bouwen zal de regering een tender uitschrijven, wie die wint zal beroep kunnen doen op een ondersteuningsmechanisme zodat de investering rendabel wordt.

De focus op een gascentrale bij de regering is ook hier logisch: gascentrales zijn schoon, efficiënt én flexibel. Dat de regering haar nek uitsteekt om ze rendabel te maken is meer dan lovenswaardig. Alleen moet ze haar geld goed besteden. Als de regering dan toch kiest voor een offerte-aanvraag moet het haar meer opleveren dan zomaar een extra gascentrale. Ze moet ook nadenken hoe zo’n offerte-aanvraag de mededinging kan versterken, of hoe die centrale kan bijdragen aan het realiseren van de Europese klimaat- en energiedoelstellingen. De criteria in het lastenboek zijn belangrijk: zo zou het marktaandeel van de inschrijvers kunnen meetellen, of zou men kunnen kijken op welke manier zo’n centrale hernieuwbare energie mee ondersteunt.

Niet langer zomaar een centrale sluiten
Om de bevoorradingszekerheid te garanderen wil de regering niet langer dat elektriciteitsproducenten zomaar hun centrales kunnen sluiten.

In een vrijgemaakte markt is dit helemaal geen logische beslissing. Bovendien moet de impact nagegaan worden op de prijs en milieudoelstellingen. Is het wenselijk om steenkoolcentrales in bedrijf te houden? Is het wenselijk om verlieslatende centrales in bedrijf te houden en hiervoor de belastingbetaler te laten opdraaien? Elia heeft als bekommernis om meer middelen ter beschikking te hebben voor de balancering van het net. Maar waarom Elia opzadelen met oude, inefficiënte en verlieslatende centrales? Waarom er niet voor zorgen dat Elia zou kunnen beschikken bijvoorbeeld over trekkingsrechten in de pompcentrale van Coo?

Regulering
Een vrijgemaakte markt staat niet gelijk aan een gedereguleerde markt. Daarom ook dat Europa belang hecht aan sterke en onafhankelijke regulatoren. In België hebben we er maar liefst 4. De gewesten en de regionale overheden hebben hen in meerdere of mindere mate de instrumenten gegeven om de waakhond te zijn van de energiemarkt. De overheden zelf zijn ook op hun actiefst: de leveranciersprijzen werden bevroren, de tariefvrijheid van de leveranciers wordt aan banden gelegd, elektriciteitscentrales zullen niet meer zo maar toe kunnen gaan. Stilaan zou men zich gaan afvragen of en welke rol er nog weggelegd is voor de producenten en leveranciers. Als men graag meer en diverse spelers op onze markt aantrekt (of het nu gaat over levering of productie) zal de overheid ook de hand in eigen boezem moeten steken en zorgen voor een robuust en zeker regelgevend kader, zonder te vervallen in regeldrift.

Want ook al lijken de genomen beslissingen logisch, iemand komt pas zijn centen uitgeven als hij er zeker van kan zijn dat het hem ook iets oplevert. Vooral, investeerders moeten ook de zekerheid hebben dat over een paar jaar het regelgevend kader niet opnieuw gewijzigd wordt. Uit cijfers van de Europese Commissie blijkt dat de investeringen in de energiesector de komende decennia gigantisch zijn. Om investeringen in België aan te trekken is er meer nodig dan een principiële beslissing over kerncentrales. Het is daarom nog iets te vroeg om op de borst te kloppen als het gaat over de Belgische energiemarkt.



Share/Bookmark