dinsdag 16 oktober 2018

Gouden aandeel en Electrabel

Bij herhaling pleitte ik op deze website voor het heractiveren van het “gouden aandeel” van de Belgische staat in Electrabel.

In 1980 stemde het federale parlement in “met een vertegenwoordiging van de overheid in de belangrijkste vennootschappen die in België elektriciteit produceren”. Die regeling, vervat in artikel 173, § 2, van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, voorziet in een afgevaardigde van de Belgische staat “in de raad van beheer of elk bestuursorgaan waaraan de raad van beheer bevoegdheden heeft overgedragen, van de nv Ebes, van de nv Intercom, van de nv Unerg, van de comm.v Gecoli, van de nv CPTE en van de 'Calorieënpool'”. Die afgevaardigde beschikt “over het recht om de beslissingen van de raad van beheer, van het bestuurscomité of van elk bestuursorgaan waaraan de raad van beheer bevoegdheden heeft overgedragen te schorsen, welke hij in strijd acht met het algemeen belang en in het bijzonder met het energiebeleid van de Regering”. Artikel 173, § 2, werd uitgevoerd door het koninklijk besluit van 23 januari 1981 (niet beschikbaar online, wel hier). Dit koninklijk besluit zet zeer uitvoerig de te volgen procedures uiteen.

Ebes, Unerg en Intercom zijn op 10 juli 1990 “gefuseerd” tot Electrabel. Ebes werd Electrabel. Electrabel heeft nog steeds hetzelfde ondernemingsnummer als het oude BTW-nummer van Ebes ((0)403.170.701). Unerg bracht haar productie-, transport- en distributieactiviteiten in het maatschappelijk kapitaal van Electrabel in. Electrabel nam Intercom (en de vennootschappen Sautrac en Société d'Eupen) over.

Op basis van artikel 173, § 2, zou de Belgische overheid een vertegenwoordiger kunnen sturen naar de raad van bestuur van Electrabel, maar ook naar “elk ander bestuursorgaan waaraan de raad van bestuur bevoegdheden heeft overgedragen”.

Artikel 173, § 2, van de wet van 8 augustus 1980 en het koninklijk besluit van 23 januari 1981 gelden nog steeds, maar zijn nooit toegepast. Het CRISP schreef hier in 2000 al over: "Force est cependant de constater que les différents gouvernements qui ont eu à connaître ces dernières années des réorganisations des sociétés précitées ont, certes, évoqués l'existence de cette disposition, mais ne lui ont jusqu'à présent jamais donné corps."

Eind september rakelde ik dit nog eens op Twitter op. Een anonieme Tweep, die de sector wel goed kent, meldde mij dat “het idee van de Golden Share destijds” (ten tijde van Verhofstadt I, TV) “op tafel gelegen [heeft] maar dat zag de Europese Commissie niet zitten”. In de daaropvolgende gedachtewisseling poneerde ik “Overigens is dezelfde golden share regeling in Distrigas eertijds wel goedgekeurd door Europa.” en “Na Distrigas-arrest van Hof van Justitie zijn die (mij onbekende) argumenten van EC dus niet juist meer.”

Ik denk dat ik verkeerd was.

In het Distrigas-arrest aanvaardt het Hof van Justitie het gouden aandeel op basis van een aantal vaststellingen:

  • Het Belgische stelsels is er een “van verzet” (overweging 49). De Belgische staat kan zich alleen nadat een beslissing genomen is tegen die beslissing verzetten. Beslissingen van de organen vereisen geen voorafgaande goedkeuring. Er gelden ook strikte termijnen voor de uitoefening van dat recht van verzet.
  • Het gouden aandeel in Distrigas had volgens het Hof betrekking op een legitiem doel: het veilig stellen van de bevoorrading met energie in geval van crisis (overweging 46) of het waarborgen van een minimale bevoorrading met energie (overweging 48). De regeling moest “de daadwerkelijke beschikbaarheid verzekeren van de leidingen die de grote infrastructuren voor het binnenlands vervoer van energieproducten uitmaken, alsmede van andere infrastructuur voor het binnenlands vervoer en de opslag van gas, met inbegrip van de aanlandings- en grensoverschrijdingspunten”.

De gouden aandeel-regeling in (de rechtsopvolgens van) Ebes, Unerg en Intercom heeft met die in Distrigas gemeen dat het een controle “op verzet” is. De regeringsvertegenwoordiger kan een beslissing van een orgaan schorsen, waarna er overleg volgt tussen de onderneming en de Belgische staat binnen een strikt tijdsbestek. Beroepen tegen de beslissingen van de Belgische staat zijn nadien altijd mogelijk.

Maar anders dan bij Distrigas is de enige verantwoording van de regeling bij Electrabel “het mogelijk maken de activiteiten van deze [productie]vennootschappen beter af te stemmen op het energiebeleid van de Regering” (Parl.St. Kamer, 1979-1980, nr. 323/1, p. 43-44).

Dat is dus wel een zeer algemene doelstelling (daargelaten de vraag of er in België überhaupt een energiebeleid is).

In het Distrigas-arrest herhaalde het Hof van Justitie in overweging 45 dat “het vrije verkeer van kapitaal, als fundamenteel verdragsbeginsel, slechts kan worden beperkt door een nationale regeling die gerechtvaardigd is om dwingende redenen van algemeen belang. De regeling moet, wil zij gerechtvaardigd zijn, geschikt zijn om de verwezenlijking van het gestelde doel te waarborgen en mag niet verder gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is, teneinde aan het evenredigheidscriterium te voldoen (zie in die zin arresten van 14 december 1995, Sanz de Lera e.a., C-163/94, C-165/94 en C-250/94, Jurispr. blz. I-4821, punt 23, en arrest van 14 maart 2000, Église de scientologie, C-54/99, Jurispr. blz. I-1335, punt 18)”. Het Hof aanvaardde dat de Distrigas-regeling “het mogelijk [zou kunnen] maken om in de betrokken lidstaat, in geval van een werkelijke en ernstige bedreiging, een minimale bevoorrading met energie te waarborgen, en niet verder gaa[t] dan daarvoor noodzakelijk is” (overweging 48).

Het afstemmen van de activiteiten van de elektriciteitsproducenten op het energiebeleid van de regering lijkt mij geen doel te zijn dat de toets met het gemeenschapsrecht kan doorstaan. In zijn huidige vorm lijkt men geen uitvoering te kunnen geven aan artikel 173 van de wet van 8 augustus 1980. Mits een zeer grondige herwerking van de doeleinden, die dan in lijn moeten liggen met het Europees recht, zou dit eventueel wel kunnen.







Share/Bookmark

donderdag 26 juli 2018

Blixt betrokken bij de bouw van het grootste PV-park van de Benelux

Het afgelopen jaar hebben de Limburgse Reconversiemaatschappij LRM, de stad Lommel en Nyrstar heel hard gewerkt aan een zeer ambitieus project: de bouw en de exploitatie van het grootste zonnepanelenpark van de Benelux (99 MWp). In het najaar van 2017 hadden wij de grote eer om hieraan mee te mogen werken. We onderzochten de mogelijkheden voor de aanleg van een directe lijn, volgden de regulatoire voorwaarden op voor de toekenning van de groenestroomcertificaten en begeleidden het steering committee bij de keuze van de meest aangewezen EPC-contractor. Eind april stelde LRM Stibbe aan als transaction counsel om de financiering en de EPC contracten verder vorm te geven. Wij bleven betrokken bij het opstellen van de leveringsovereenkomst (PPA) en de overeenkomst voor de aansluiting op de installaties van Nyrstar. Daarbij werkten we nauw samen met Marthe Maselis en Cedric Degreef van Stibbe.

Wij zijn heel blij dat begin juni alle contracten ondertekend zijn. We begroeten ook de beslissing van minister Tommelein om de definitieve bandingfactor voor het project vast te leggen.

We zijn heel trots om een groot deel van het traject samen met Theo Donné (CFO, LRM), Nathalie Roosen (finance, LRM), Karel Byl (legal, LRM), Harry Denis (Nyrstar), Sven Verwimp (Nyrstar), Ronny Vanhoof en Rob Reynders(stad Lommel), en de technische adviseurs van 3E (Santiago Estrada en Habib Rahme) te hebben afgelegd. Dit project was er niet gekomen zonder de geestdriftige aansturing van Luc Driesen (projectmanager, LRM).

Wij hopen dat alle betrokken partijen (LRM, Lommel, Nyrstar, Engie Fabricom en ING) zeer goed zullen blijven samenwerken opdat er binnen een dik jaar de eerste kW groene stroom zal opgewekt kunnen worden. Wij hebben er alle vertrouwen in dat er geen advocaten meer zullen moeten tussenkomen.

Voor meer informatie over het project, zie http://www.tommelein.com/bouw-grootste-zonnepark-van-de-benelux-start-in-oktober/





Share/Bookmark

dinsdag 24 juli 2018

Stookolieketels – de bevoegdheidsverdeling als goedkoop excuus

De Vlaamse regering besliste afgelopen vrijdag dat er een verbod komt op de plaatsing van nieuwe stookolieketels vanaf 2021. Gisteren trok minister Tommelein zijn voorstel hiertoe in. Er zou enkel een verbod komen om vanaf 2021 die ketels te installeren “bij nieuwbouw en ingrijpende renovaties”.

Volgens Bart Tommelein kan Vlaanderen een "algemeen verbod" niet invoeren. Enkel de federale overheid zou hiertoe bevoegd zijn. Dit is wel een zeer onsamenhangend excuus, dat juridisch niet echt gesmeerd is.

Het is moeilijk om het juridische waarheidsgehalte van de plannen (want het zijn nog maar plannen) en de gewijzigde houding te becommentariëren. De teksten zijn niet beschikbaar. De berichtgeving in de media is inconsistent. Ging het over het totale verbod van het op de markt brengen van stookolieketels? Ging het om een beperking van het gebruik (het verbod op het gebruik), waarbij de verkoop niet rechtstreeks geraakt wordt, maar de toepassing ervan wel?

Een Vlaams verbod om stookolieketels op de markt te brengen is inderdaad een federale bevoegdheid. Enkel de federale overheid kan productnormen vaststellen (artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1° BWHI). Lavrysen schrijft in Seutin en Van Haegendoren, De bevoegdheden van de gewesten (Brugge, Die Keure, 2016, p. 52): "Blijkens de parlementaire voorbereiding dienen in een economische en monetaire unie de voorschriften waaraan producten bij het op de markt brengen vanuit milieuoogpunt moeten beantwoorden, uniform te zijn."

Een regeling over het gebruik van stookolieketels kan volgens mij perfect.

Artikel 6, § 1, VII, BWHI maakt de federale overheid bevoegd voor de “grote infrastructuren voor de stockering; het vervoer en de produktie van energie”. Dit zijn de strategische stocks van energiebronnen, bedoeld om plotse verbruikspieken op te vangen. Hiermee worden onder meer bedoeld de Liquified Natural Gas Terminal (LNG) en de grote ondergrondse stockage-infrastructuur (Loenhout, Anderlues, …), en de opslaginfrastructuur voor petroleum (zie Parl.St. Kamer 1987-88, 516/6, 144). Het betreft dus grote opslaginstallaties voor aardgas en aardolie in bulk. De opslag zou niet los kunnen worden gezien van de energiebevoorrading van het land, wat de federale bevoegdheid hierover benadrukt (zie Parl.St. Senaat 1998-99, nr. 1-1333/1, 223). Over stookolieketels bij particulieren bepalen de bevoegdheidsverdelende regels inzake energie niets. Het Vlaamse gewest is wel bevoegd voor het rationeel energieverbruik (artikel 6, § 1, VII, eerste lid, h) BWHI).

Daarnaast kan een collega-minister van Tommelein maatregelen nemen met betrekking tot het gebruik van bepaalde stoffen en producten in vaste inrichtingen en de emissies door dergelijke inrichtingen. Eerder waren er bv. al discussies over een verbod op houtverbranding in kachels.

Het Vlaamse Gewest kan dus perfect, op basis van andere bevoegdheden (bv. leefmilieu), bepaalde maatregelen nemen.

Als Vlaanderen niet bevoegd zou zijn, is het ook niet bevoegd om de installatie van stookolieketels te verbieden bij nieuwbouw en ingrijpende renovaties. Daarbij zou de kapstok van de EPB/EPC gebruikt kunnen worden (rationeel energieverbruik). Als Vlaanderen onrechtstreeks ingrijp op het gebruik van stookoliekachels via eigen bevoegdheden, kan het dat voor alle kachels. Het is alles of niets. Het is spijtig dat de pers die logische gevolgtrekking niet maakt.





Update 25 juli 2018
Share/Bookmark

Vermoedens van energiefraude zijn onaanvaardbaar

Het ontwerp van verzameldecreet energie dat de Vlaamse regering afgelopen vrijdag goedkeurde, verduidelijkt bij energiefraude het onderscheid tussen het schorsen van de uitbetaling van de minimumsteun en het intrekken (en terugvorderen) ervan.

Artikel 5.1.3 van het Energiedecreet, ingevoegd door het decreet van 24 februari 2017, bepaalt nu dat de netbeheerder “de uitbetaling van groenestroomcertificaten, warmte-krachtkoppelingscertificaten, vergoedingen en premies (…) kan opschorten, stopzetten of terugvorderen als er energiefraude wordt vastgesteld”.

De Vlaamse regering besliste om deze bepaling te verduidelijken “met betrekking tot wanneer de netbeheerder moet schorsen versus wanneer hij dient over te gaan tot definitieve stopzetting en terugvordering” (zie memorie van toelichting).

In de tekst die aan het Vlaams Parlement wordt voorgelegd luidt het nieuwe artikel 5.1.3, eerste lid Energiedecreet:

“Onverminderd (…) het koninklijk besluit van 31 mei 1933 (…), onderneemt de netbeheerder of beheerder van het transmissienet (…) voor de uitbetaling van groenestroomcertificaten, warmte-krachtkoppelingscertificaten, vergoedingen en premies (…) de volgende handelingen:
1° als een vermoeden bestaat dat er energiefraude (…) wordt de uitbetaling tijdelijk opgeschort totdat vastgesteld is of er al dan niet energiefraude is gepleegd;
2° als vaststaat dat er energiefraude (…) wordt gepleegd of is gepleegd, wordt de uitbetaling definitief stopgezet en wordt de steun teruggevorderd die onterecht is uitgekeerd.”
In de huidige versie “kan” de netbeheerder de uitbetaling van de minimumsteun opschorten, stopzetten of terugvorderen. In de voorgestelde tekst “moet” de netbeheerder de minimumsteun opschorten, stopzetten en terugvorderen.

De netbeheerder heeft dus geen beoordelingsvrijheid meer. Hij kan niet meer zelf oordelen over de wijze waarop het zijn bevoegdheid uitoefent en de meest geschikt lijkende oplossing kiezen binnen de door het decreet gestelde grenzen. Van zodra de energiefraude vermoed of vastgesteld is, moet hij handelen overeenkomstig het Energiedecreet.

Vandaag moet de netbeheerder de energiefraude “vaststellen”. Een louter vermoeden volstaat dus niet. Die vaststellingen moet hij doen overeenkomstig de bepalingen van het Energiebesluit. In de nieuwe tekst volstaat het vermoeden opdat de netbeheerder tot de opschorting moet overgaan.

Het is ook onduidelijk wanneer er, volgens de Vlaamse regering, sprake is van een “vermoeden”. In het burgerlijk en gerechtelijk recht zijn vermoedens “gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit” (artikel 1349 BW). Volgens Allemeersch, Samoy en Vandenbussche komt het bewijsmiddel van het vermoeden “eigenlijk neer op een redenering”. “Uit een bekend feit neemt de rechter met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aan dat één of meerdere andere rechtsfeiten zich hebben voorgedaan, zodat hij tot het bestaan van een rechtsgevolg kan besluiten.” Artikel 1353 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vermoedens “ernstig, nauwkeurig en overeenstemmend” moeten zijn.

In het strafrecht beslist “de rechter onaantastbaar over het bestaan van vermoedens. Het bestaan van vermoedens wordt overgelaten aan zijn oordeel en beleid: hij stelt onaantastbaar de feiten vast waarop hij zijn beslissing grondt en de gevolgtrekkingen uit die feiten worden aan zijn oordeel en beleid overgelaten. Hij mag als feitelijk vermoeden in aanmerking nemen elk hem regelmatig voorgelegd gegeven dat hij geloofwaardig acht om zijn innerlijke overtuiging te vormen over de schuld en de onschuld van de beklaagde. Hij beslist of de vermoedens die hij in aanmerking neemt een voldoende grondslag kunnen vormen voor zijn overtuiging.” (citaat volledig overgenomen van F. VAN VOLSEM, “Het bewijs in strafzaken door feitelijke vermoedens”, RABG 2017, 35-36; de verwijzingen naar de rechtspraak zijn in die bijdrage te vinden).

Hier komt echter geen rechter tussen. In zijn arrest van 2 mei 2005 oordeelde het Hof van Cassatie in een vergelijkbare situatie:
“Overwegende dat [de RSZ] (…) bevoegd is om, zelfs bij gebrek aan bijzondere bepalingen, het voordeel van de wet te ontzeggen aan degenen die de voorwaarden ervan niet vervullen en bijgevolg ambtshalve over het al dan niet bestaan van een (…) arbeidsovereenkomst te beslissen, en dat zijn beslissing krachtens zijn voorrecht van de dwingende kracht van de administratieve rechtshandeling uitvoerbaar is, niet kan worden afgeleid dat het al dan niet bestaan van een dergelijke [arbeids]overeenkomst een vermoeden oplevert dat eiser ontslaat van elke bewijsplicht;”
Vertaald naar de context van de energiefraude zou de decretale verplichting om tot de opschorting van de uitbetaling van de minimumsteun over te gaan, de distributienetbeheerder niet ontslaan van de bewijsplicht. Een louter (niet verder omschreven) vermoeden kan dus nog steeds niet volstaan om de uitbetaling op te schorten. De netbeheerder moet nog steeds vaststellingen doen. Hij moet daarbij ook de bepalingen van het Energiebesluit respecteren.

Over het onderwerp energiefraude schreven mijn hooggeachte (en -geapprecieerde) confrater Tom Bauwens (Eubelius) en Margot Vandebeek een zeer interessante bijdrage in het laatste Jaarboek Energierecht. Zoals zij er terecht op wezen moet de netbeheerder daarbij (en in ieder geval) ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur respecteren: de hoorplicht (de netbeheerder moet de betrokkene dus vooraf horen), het zorgvuldigheidsbeginsel (de netbeheerder moet de beslissing steunen op een voldoende onderzoek) en het vertrouwensbeginsel. Als hij dat niet doet, kan de betrokkene volgens die auteurs naar de Raad van State stappen.

Het invoeren van het concept vermoeden is juridisch bijzonder gevaarlijk. Op basis van de voorgestelde tekst kan de netbeheerder louter op basis van een (strafrechtelijk, burgerrechtelijk, … ?) vermoeden een netgebruiker bijzonder schaden. Als na de (verplichte) opschorting van de uitbetaling van de minimumsteun op basis van een vermoeden de netbeheerder ook een strafklacht indient (wat volgens Bauwens en Vandebeek zeer waarschijnlijk is: “Het zal alleszins interessant zijn om te zien of de decreetgever in zijn opzet slaagt en de strijd tegen de energiefraude inderdaad met succes wordt opgevoerd, alsook of de netbeheerders er in de praktijk voor zullen kiezen op het administratiefrechtelijke pad te bewandelen dan wel traditiegetrouw de bevindingen blijven overmaken aan de strafrechtelijke onderzoeksinstanties.”), dan zal le criminel tient le civil en état gelden. Tot aan een strafrechtelijke eindbeslissing zal er dan geen minimumsteun uitbetaald worden. Daarbij zijn er geen enkele decretale minimumvoorwaarden. De almacht van de netbeheerder om de netgebruiker in het door hem gewenste gareel te houden kent daardoor geen grenzen meer.

De voorgestelde wijzigingen zijn niet aanvaardbaar.





Share/Bookmark

vrijdag 5 januari 2018

Wie is er eigenlijk bevoegd voor opslag van elektriciteit? De vier "entiteiten"

Opslag en bevoegdheidsverdeling

In het Energiepact benadrukken onze vier energieministers het belang van de ontwikkeling van opslag van energie in het algemeen en van elektriciteit in het bijzonder:

“De vier entiteiten zullen erover waken om een continue ontwikkeling van nieuwe – centrale en decentrale – opslagsystemen te verzekeren, evenals de mogelijkheden van verschuiven van de pieken bij de industrie als bij de particulieren. De industriële opslagcapaciteiten zullen tegen 2030 een ordegrootte van 2 GW bereiken. De residentiële opslag, opslag in de kmo’s, elektrische voertuigen in opslagmodus of lokale tools zullen tegen 2030 een totale capaciteit van om en bij de 1,5 GW hebben. De industriële en de residentiële opslag, lokale opslagmogelijkheden en elektrische voertuigen zullen in 2030 een totale opslagcapaciteit van ongeveer 3,5 GW bereiken. Het volume van verschuiving van de vraag in eenzelfde dag, zal in totaal bijna 1,5 GWh bedragen. De snelheid waarmee deze plannen worden uitgerold, zal tussen 2020 en 2030 niet lineair zijn, maar vanaf 2025 een versnelling kennen. Tegen dan zal 30 tot 40% van de doelstelling inzake opslag en vraagbeheer bereikt zijn. Een groeiend aandeel van deze verschillende capaciteiten zal rechtstreeks bijdragen tot de bevoorradingszekerheid, in de zin dat ze enerzijds beschikbaar en anderzijds activeerbaar zijn via de markt.”
De vier entiteiten moeten dit doen binnen hun bevoegdheden.

De bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen maakt de federale overheid bevoegd voor de “grote infrastructuren voor de stockering” van energie.

In 1980 en 1988 verstond de bijzondere wetgever hieronder “de strategische stocks van energiebronnen, bedoeld om plotse verbruikspieken op te vangen”. Hiermee bedoelde hij onder meer bedoeld de LNG-terminal in Zeebrugge en de grote ondergrondse stockage-infrastructuur (Loenhout, Anderlues, …), en de opslaginfrastructuur voor petroleum. Ook spaarbekkens voor water zijn zulke opslagvormen. Het gaat dus over “grote opslaginstallaties voor aardgas en aardolie in bulk”. De opslag kan men los zien van de energiebevoorrading van het land (“de technische en economische ondeelbaarheid”. Dit verantwoordt de federale bevoegdheid.

In zijn advies bij het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt van 4 januari 2017 oordeelde de Raad van State, afdeling wetgeving, dat “opslag van elektriciteit” een federale bevoegdheid is.

Minister Marghem beweerde in de kamercommissie daarentegen: “Het wetsontwerp [kan] louter betrekking hebben op de opslaginstallaties die zijn verbonden met het net waarvoor de federale overheid bevoegd is, te weten het hoogspanningsnet, en niet het laag- en middenspanningsnet, die een gewestbevoegdheid zijn; (…). Niets verbiedt de gewesten zelf de regels in verband met opslag te definiëren, met de laag- en middenspanningsnetten als uitgangspunt.”

Geen van beiden hebben volgens mij helemaal gelijk.

De Raad van State oordeelt terecht dat enkel de federale overheid regels kan uitvaardigen voor de opslaginstallaties van elektriciteit. Die regels hebben dan betrekking, zoals bij de productie van elektriciteit, op de vergunningsvoorwaarden voor de installatie zelf. Maar, anders dan wat de Raad lijkt te stellen, kan de federale overheid dat enkel voor de “grote infrastructuren” voor opslag. Die beperking ontbreekt bij productie. Voor productie is de federale bevoegdheid dus niet afhankelijk van de grootte. Daarom bepaalt de Elektriciteitswet dat men – in principe – elke productie-installatie (dus ook één zonnepaneel) moet aanmelden bij de federale overheid. Bij opslag kan de federale overheid alleen “grote installaties” regelen. Hoe groot een opslaginstallatie moet zijn om onder de federale bevoegdheid te vallen is onduidelijk. De grootte moet wel dusdanig zijn dat die “wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven”. Eén enkele thuisbatterij draagt weinig bij aan 's lands energiebevoorrading.

De minister oordeelt daarom terecht dat niet alleen de federale overheid bevoegd is om opslaginstallaties te regelen. Ze vergist zich echter door de gewestelijke zeggenschap te koppelen aan het aansluitingsniveau van de opslaginstallatie. De vraag op welk net de opslaginstallatie is aangesloten is irrelevant om de bevoegde overheid aan te wijzen.

Naast de vraag welke overheid de bouw en de exploitatie van opslaginstallaties kan regelen, is het belangrijker om na te gaan welke overheid het gebruik van die opslag voor de uitvoering energiepolitiek kan bepalen. Daarvoor is er voor beiden verschillende aanknopingspunten. Als opslag nodig is voor het beheer van het transmissienet (en de taken van Elia), kan de federale overheid beleidsmaatregelen treffen. De gewesten kunnen hetzelfde doen in het kader van hun bevoegdheden voor hernieuwbare energie (opslag als backup van hernieuwbare productie). Kleinschalige opslagfaciliteiten, zoals batterijen of accu’s, zouden, als ze verbonden zijn aan een installatie voor hernieuwbare energie, dan onder de gewestelijke regels vallen. Ook de gewestelijke bevoegdheden over rationeel energiegebruik geven de gewesten een institutionele kapstok om opslaginstallaties, verbonden aan de distributienetten, te regelen. Zo meende de Raad van State in een vroeger advies dat de gewestelijke bevoegdheden beletten dat alleen de federale regulator CREG vraagzijdemiddelen kan aanmoedigen. De federale bevoegdheid voor de “grote infrastructuren voor stockering” is geen bevoegdheidsgrond voor een exclusief federale bevoegdheid over vraagzijdebeheer.

De onduidelijkheden over opslag zijn symptomatisch voor het Belgisch energiebeleid. De ganse bevoegdheidsverdeling over energie is totaal niet meer aangepast aan de technologische realiteit en maatschappelijke en ecologische uitdagingen. De ministers mogen vanalles afspreken in energiepacten. Zonder duidelijke bevoegdheidsbepalingen is geen eenduidige en toekomstgericht politiek mogelijk.





Share/Bookmark

dinsdag 5 september 2017

Blixt sponsort Move-to-Sport en klimt mee op de Mont Ventoux

Op zaterdag 16 september beklimmen 23 personen met MS en hun begeleiders (buddy’s en sportmedische staff) de legendarische Mont Ventoux.

Tim Vermeir is een van de "buddy's".

Hiervoor worden zij sportmedisch begeleid (hartcontroles, inspanningstesten, krachttesten en lichaamssamenstelling) door het Sportmedisch Adviescentrum Adlon (UHasselt, prof. Bert Op ‘t Eijnde) en volgden zij een intensief, individueel 6 maanden trainingsprogramma al dan niet aangevuld met voedingssupplementen (β-alanine, Aminolabs) die ook gebruikt worden in de (top)sportwereld.

MS is de meest voorkomende neurologische aandoening bij jongvolwassenen (20–40 levensjaar). Het is een chronische aandoening van het centrale zenuwstelsel met zeer uiteenlopende symptomen (motorisch, mentaal,…).

Naar schatting 10 tot 12 000 mensen in België hebben MS.

Er bestaat een wetenschappelijke evidentie bestaat voor de positieve effecten van oefentherapie en sport bij personen met MS: verhoogt de spierkracht – de fysieke conditie en de levenskwaliteit, vermindert vermoeidheid en depressie.

Move to Sport vzw promoot een “Actieve Levensstijl” voor alle personen met MS, met respect voor ieders mogelijkheden.





Share/Bookmark

maandag 28 augustus 2017

Flexibele interpretatie van de Grondwet om verregaande bevoegdheden van de CREG inzake vraagflexibiliteit te verantwoorden

Op 19 juli 2017 verscheen in het Belgisch Staatsblad de wet van 13 juli 2017 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, met het oog op de verbetering van de vraagflexibiliteit en van de opslag van elektriciteit. Die wet, die er gekomen is met dank aan de CREG, geeft de CREG verregaande bijkomende bevoegdheden. De verantwoording voor die verregaande delegatie overtuigt niet.

Voor het eerst kan de CREG in niet-tarifaire zaken tussenkomen in contractuele relaties en bepaalde prijzen opleggen. Hiertoe is het wettelijk kader bijzonder mager. Er zijn geen criteria waarmee de CREG rekening moet houden: “Indien er geen akkoord bereikt is bij de commerciële onderhandeling tussen de marktspelers past de CREG, na raadpleging van die marktspelers, de formule(s) voor de standaardprijs van de overdracht toe.” (nieuw artikel 19bis, § 4, Elektriciteitswet).

De Raad van State zag in die verregaande bevoegdheden geen problemen. Volgens de Raad houden deze regelgevende bevoegdheden “verband met de organisatie van balanceringsdiensten (artikel 37, lid 6, van richtlijn 2009/72/EG)”. Daarom gaat de Raad er van uit dat “met de ontworpen delegatie uitsluitend invulling wordt gegeven aan die richtlijnbepaling en dat ze effectief aan de regulator kan worden toegestaan”.

In de memorie van toelichting ontkent de regering dat de delegatie enkel betrekking heeft op de balanceringsdiensten. De Raad van State “vergist zich over de draagwijdte van de ontwerptekst”. De regering verantwoordt de delegatie van een reglementaire bevoegdheid, die dus verder gaat dan hetgeen het Europese recht voorschrijft, “is echter niet aanvechtbaar krachtens de grondwettelijke beginselen”. Zij verwijst hiervoor naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 130/2010 van 18 november 2010. Daarin zou het Grondwettelijk Hof overwogen hebben dat artikel 37 van de Grondwet geen belemmering vormt voor de toekenning van specifieke uitvoerende bevoegdheden aan een onafhankelijke administratieve overheid zoals de CREG omdat die bovendien onderworpen blijft zowel aan een rechtscontrole als aan een parlementaire controle. Het Hof heeft volgens de regering dus geoordeeld dat “de toekenning van bevoegdheden aan die overheid niet noodzakelijk rechtstreeks moet voortvloeien uit een Europese richtlijn”.

In de commerciële uitgave van haar doctoraal proefschrift analyseert Laura De Deyne dit arrest. Zij concludeert dat het Hof niet “het duidelijkste arrest heeft geveld”. Het is inderdaad de vraag of de wetgever uit dit arrest kan afleiden dat hij aan de regulator een verregaande delegatie kan geven wanneer die niet kadert in een Europeesrechtelijke context. Dit is hier duidelijk het geval: de delegatie gaat verder dan wat de Elektriciteitsrichtijn voorschrijft.

Nochtans is het arrest van 2010 niet te lezen zonder dat duidelijke verband met die Europese voorschriften. De oprichting van de CREG past in de context van de liberalisering van de elektriciteitsmarkt ter uitvoering van richtlijnen van de Europese Unie (overweging B.3.2). Ter uitvoering van en binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie is de wetgever bevoegd om de taken en de werking van de CREG te regelen (overweging B.7). Het gegeven dat “de personen die het voorwerp zijn van een beslissing van de CREG “niet de garantie genieten dat de beslissing wordt genomen door een administratieve overheid waarvan het bestuur rechtstreeks wordt verzekerd door de uitvoerende macht” wordt, op grond van artikel 34 van de Grondwet, verantwoord door de vereisten die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie (overweging B.8.1). De omstandigheid dat de CREG haar taken met een hoge graad van autonomie uitoefent, vloeit inderdaad voort uit de vereisten van het recht van de Europese Unie, dat ter zake gaandeweg explicieter is geworden (overweging B.8.2).

Het Grondwettelijk Hof heeft in overweging B.5 inderdaad geoordeeld dat “artikel 37 van de Grondwet [niet belet] dat de wetgever specifieke uitvoerende bevoegdheden in een welbepaalde technische aangelegenheid toevertrouwt aan een autonome administratieve overheid, die voor het overige onderworpen blijft aan zowel de rechterlijke toetsing als de parlementaire controle”. Hij koppelde die zin overigens wel onmiddellijk aan “de considerans 34 van de richtlijn 2009/72/EG [waarin] is gesteld dat de onafhankelijkheid van de energieregulator “rechterlijke toetsing en parlementair toezicht overeenkomstig het constitutionele recht van de lidstaten” niet uitsluit”. Zoals De Deyne fijntjes opmerkt is niet duidelijk wat nu juist “specifieke uitvoerende bevoegdheden in een welbepaalde technische aangelegenheid zijn”.

Het is dus niet zeker of het Grondwettelijk Hof tot dezelfde uitspraak zou komen als er geen Europese voorschriften zijn waaraan het gemakshalve de omzeiling van artikel 34 en 37 van de Grondwet kan toetsen.







Share/Bookmark

donderdag 4 mei 2017

Ondanks duidelijke stellingnames van de minister blijft de onduidelijkheid over de rolverdeling rond warmtenetten

In antwoord op een vraag van Michèle Hostekint (sp.a) probeerde minister Tommelein in de commissie energie van het Vlaams Parlement gisteren de distributienetbeheerders tot bedaren te brengen. Mevrouw Hostekint vroeg, net zoals wij dit al deden in een eerder post, of de minister meende dat "het beheer van warmtenetten geen exclusieve aangelegenheid mag zijn en dat er, naast publieke distributienetbeheerders, ook private spelers zich zouden moeten kunnen aandienen in deze warmtenetprojecten".

De minister was duidelijk:

"[Een exclusiviteit voor de distributienetbeheerders] staat haaks op de geest van het decretaal kader aangaande warmtenetten, dat zeer recent werd aangenomen. Via dit decreet is er expliciet voor gekozen om warmtenetten maximale kansen te geven en dus niet op voorhand bepaalde spelers uit te sluiten. Een exclusief gebruiksrecht is daarom volgens mij niet conform de beleidskeuzes die op Vlaams niveau zijn gemaakt."
Volgens de minister is het niet de bedoeling dat een gemeente elke andere aanvraag voor de uitbouw van een warmtenet onder haar straten, pleinen en lanen weigert, of de projectontwikkelaars dwingt om samen te werken met Eandis of Infrax. Zulke weigeringen stroken, volgens de minister, niet met het Energiedecreet. Het decreet gaat uit van een principieel gebruiksrecht. De gemeente kan voorwaarden opleggen. Maar daardoor mag hij niet één welbepaalde partij bevoordelen ten opzichte van andere marktpartijen.

Zijn partijgenoot Willem-Frederik Schiltz was wat genuanceerder: "We moeten de gemeenten de vrijheid laten om te kiezen op welke manier ze het potentieel in hun gemeente willen en kunnen ontgrendelen." Versta: als een gemeente wil samenwerken met een distributienetbeheerder en niet met private partijen, dan moet dat kunnen.

Ook zijn collega-bestuurder van Infrax, Andries Gryffroy, vond de minister "te stringent":
"Verder had ik ook begrepen dat de feitelijke uitvoering en het feitelijk beheer niet moeten gebeuren door het Warmtebedrijf Vlaanderen. Dat moet dan worden aanbesteed en dan komen de privéspelers in aanmerking voor de uitbouw en het beheer van de warmtenetten."
Versta: de gemeenten kunnen inderdaad het exclusieve gebruiksrecht op hun openbaar domein inbrengen in of overdragen aan de distributienetbeheerders. Het beheer van dat warmtenet moet men (wie is mij niet duidelijk) aanbesteden.

Het debat brengt geen duidelijkheid.








Share/Bookmark

Bevoegdheidsverdeling voor energie - Schematisch overzicht

Vandaag bericht De Tijd over 75 miljoen euro energiebijdrage die de distributienetbeheerders moeten terugstorten aan de eindafnemers. Het artikel besluit: "De netbeheerders en de energiewaakhonden slaagden er maar niet in het eens te geraken over de manier waarop het bedrag teruggestort moet worden. Dat heeft onder meer te maken met juridische vraagtekens in het het door staatshervormingen versnipperde energielandschap."

Hieronder heb ik die versnippering van de bevoegdheden van de federale overheid en de gewesten schematisch proberen voor te stellen:



Na de zesde staatshervorming
Vindplaats en referentie
Levering
Gewestelijk (aardgas)
Gewestelijk en federaal (elektriciteit)
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), BWHI
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), BWHI
Gesloten distributienetten
Gewestelijk (aardgas)
Gewestelijk en federaal (elektriciteit)
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), BWHI
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), BWHI
Distributienetbeheer
Gewestelijk
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), BWHI
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), BWHI
Plaatselijk vervoer
Gewestelijk
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), BWHI
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), BWHI
Vervoer
Federaal
Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), BWHI
Distributienettarieven
Gewestelijk
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), BWHI
Tarieven voor gesloten distributienetten
Gewestelijk
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), BWHI
Tarieven voor plaatselijk vervoersnet (Elia)
Federaal
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), BWHI
Vervoers- en Transmissienettarieven
Federaal
Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, d), BWHI
Eindprijzen
Federaal
Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, d), BWHI
Fonds ter Reductie van de Globale Energiekost
Gewestelijk
Artikel 35octies Financieringswet
Hernieuwbare energiebronnen op land
Gewestelijk
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, f), BWHI
Hernieuwbare energiebronnen offshore
Federaal
RvS 27 april 1976, nr. 17.569, Koninklijk Belgische Yachting Verbond
Rationeel energiegebruik
Gewestelijk
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, h), BWHI
Productie
Federaal
Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), BWHI
Kernenergie
Federaal
Artikel 6, §1, VII, tweede lid, b), BWHI
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, f), BWHI
Artikel 6, § 1, II, tweede lid, 2°, BWHI
Grote infrastructuren voor opslag
Federaal
Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), BWHI
Kleine infrastructuren voor opslag
Gewestelijk?

Studies
Federaal en gewestelijk
Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, a), BWHI
Artikel 6, § 4, 5°, BWHI
Internationale vertegenwoordiging
Federaal mits overleg
Artikel 23, § 1, tweede lid, 1°, Elektriciteitswet

Artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen stelt:

"§ 1. De aangelegenheden bedoeld in artikel 39 van de Grondwet zijn:
VII. Wat het energiebeleid betreft:

De gewestelijke aspecten van de energie, en in ieder geval :
a) De distributie en het plaatselijke vervoer van elektriciteit door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt, met inbegrip van de distributienettarieven voor elektriciteit, met uitzondering van de tarieven van de netten die een transmissiefunctie hebben en die uitgebaat worden door dezelfde beheerder als het transmissienet;

b) De openbare gasdistributie, met inbegrip van de nettarieven voor de openbare distributie van gas, met uitzondering van de tarieven van de netwerken die ook een aardgasvervoersfunctie hebben en die worden uitgebaat door dezelfde beheerder als het aardgasvervoersnet;
c) De aanwending van mijngas en van gas afkomstig van hoogovens;
d) De netten voor warmtevoorziening op afstand;
e) De valorisatie van steenbergen;
f) De nieuwe energiebronnen met uitzondering van deze die verband houden met de kernenergie;
g) De terugwinning van energie door de nijverheid en andere gebruikers;
h) Het rationeel energieverbruik.
 

De federale overheid is echter bevoegd voor de aangelegenheden die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven, te weten :
a) De studies over de perspectieven van energiebevoorrading;

b) De kernbrandstofcyclus;
c) De grote infrastructuren voor de stockering; het vervoer en de produktie van energie;
d) de tarieven, met inbegrip van het prijsbeleid, onverminderd de gewestelijke bevoegdheid inzake de tarieven bedoeld in het eerste lid, a) en b)."




Share/Bookmark