dinsdag 13 september 2016

De 18de Kamer is dood, leve het Marktenhof

Het hof van beroep van Brussel lijkt het emeritaat van de soms verguisde maar veel vaker geprezen kamervoorzitter Blondeel, de overstap van kamervoorzitter Raes naar de advocatuur, de overplaatsing van raadsheer Bodson naar de 20ste kamer en het vertrek van raadsheer Van Ransbeeck naar het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding nog niet verteerd te hebben.

De zittingen van de 18de kamer zijn opgesplitst tussen de Nederlandstalige en Franstalige zaken. De Nederlandstalige zittingen worden voorgezeten door raadsheer en advocaat-in-bijberoep Bosmans. Hij wordt bijgestaan door plaatsvervangend raadsheer Dugardyn, die volgens de website van zijn kantoor geen specialist is in gereguleerde markten. Alle gewicht rust dus op de schouders van raadsheer Karen Piteus.

De regering is zich bewust van de problemen om van de 18de kamer opnieuw een goed geoliede gespecialiseerde kamer te maken. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 15 juli 2016 tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie schrijft zij:

“Met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden is het kader van het hof van beroep te Brussel tot tweemaal toe met drie raadsheren uitgebreid (wetten van 14 december 2004 en 25 april 2014). Maar de raadsheren die op grond van de daarop volgende vacatures zijn benoemd werden of worden uiteindelijk niet allen in de 18de kamer en voor de betrokken zaken ingezet. Als gevolg van het actuele personeelsverloop in het Hof wordt het in de nabije toekomst dan ook moeilijk, zoniet onmogelijk, de nodige gespecialiseerde omkadering te verzekeren, wat de continuïteit van de rechtsbedeling in het gedrang dreigt te brengen. Op grond daarvan moeten de vermelde kaderuitbreidingen van het hof van beroep te Brussel zoveel als mogelijk voor die zaken gereserveerd worden."
De regering ziet zich daarom genoodzaakt om een “gespecialiseerde, werkelijke sectie”, “kamers voor marktzaken” op te richten. In dit “Marktenhof” “zullen zetelen, benevens “gewone” raadsheren in het hof van beroep te Brussel en hoedanook binnen het gewone kader, een aantal raadsheren – van zodra mogelijk minstens één – die bij voorrang voor deze kamers worden gerekruteerd op grond van hun deskundigheid op het stuk van het economisch, financieel of marktrecht”. De naam “Marktenhof” is gekozen “mede om [zijn] internationale uitstraling te bevorderen”. De oprichting van een speciale sectie is volgens de regering analoog aan de verschillende onderdelen van de rechtbank van eerste aanleg (burgerlijke rechtbank, de correctionele rechtbank, de familie- en jeugdrechtbank en de strafuitvoeringsrechtbank). Volgens de regering impliceert “het oprichten van een sectie een sterkere structurele verankering die de interne organisatie zal vergemakkelijken (dienstregeling, administratieve ondersteuning, toegankelijkheid voor het publiek…)”.

De regering wil aan het Marktenhof “de meeste exclusieve bevoegdheden van het hof van beroep te Brussel” toevertrouwen, zoals algemeen vermeld in het Gerechtelijk Wetboek, maar ook in de Gaswet, de Elektriciteitswet, de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, de wet van 12 mei 2004 tot regeling van een beroepsprocedure in het kader van de bescherming tegen valsemunterij en de handhaving van de kwaliteit van de geldomloop, de wet van 9 juli 2004 houdende diverse bepalingen, de wet van 6 juli 2005 betreffende sommige juridische bepalingen inzake elektronische communicatie, de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen, het Wetboek van Economisch Recht en de Spoorcodex.

Het Marktenhof zal samengesteld zijn uit ten minste zes raadsheren, waarvan er maximum zes kunnen worden benoemd op basis van een nieuw in te voeren artikel 207, § 3, 4°, Ger.W. dat zal bepalen dat personen met ten minste vijftien jaar nuttige beroepservaring die blijk geeft van gespecialiseerde kennis van het economisch, financieel of marktrecht ook als raadsheer kunnen benoemd worden. Het Marktenhof zal steeds zetelen met drie raadsheren. Alle raadsheren moeten een functionele kennis hebben van de andere landstaal.






Share/Bookmark

maandag 12 september 2016

De gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 25 mei 2016 op de bevoegdheid van het hof van beroep van Luik inzake beslissingen van de CWaPE

Zonder mij te willen uitspreken over de gevolgen van de Zesde Staatshervorming op de bevoegdheden van de Raad van State of het hof van beroep van Brussel inzake tarifaire beslissingen van de VREG (die discussie zal binnenkort beslecht worden door de Raad van State en wij zijn in die procedure betrokken partij), past het volgens mij wel om de federale regering te corrigeren.

In haar wetsontwerp van 15 juli 2016 tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie schrijft de regering:

Anderzijds heeft het Waalse Gewest, bij artikel 12, 2°, van het decreet van 11 april 2014 “tot wijziging van het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt”, langs de omweg van een wijziging van artikel 14 van het vermelde decreet, de toepassing bevestigd, voor het Waalse Gewest, van de wet van 29 april 1999 “betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt” en de wet van 12 april 1965 “betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen” “en ce qu’elles visent les droits, les obligations et les tarifs des gestionnaires de réseau de distribution […] après l’entrée en vigueur de la loi spéciale du 6 janvier 2014 relative à la Sixième Réforme de l’État attribuant la compétence sur les tarifs de distribution de gaz et d’électricité aux régions”, maar met dien verstande dat het hof van beroep van Brussel vervangen werd door het hof van beroep van Luik.
Artikel 12, 2°, van het decreet van 11 april 2014 is inmiddels vernietigd door het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 71/2016 van 25 mei 2016, wegens de schending van de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en nietdiscriminatie, in samenhang gelezen met artikel 35, lid 4, b), ii), van de richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit, maar dat had niets te maken met de vervanging als zodanig van het hof van beroep te Brussel door het hof van beroep te Luik.
De federale regering leest het arrest van het Grondwettelijk Hof van 25 mei 2016 verkeerd. Met dit arrest heeft het Grondwettelijk Hof van 25 mei 2016 artikel 12, 2°, van het decreet van 11 april 2014 vernietigd (“§ 2. De methodologie bepaalt de nadere regels voor de integratie en controle van de niet-beheersbare kosten bestaande uit de pensioenlasten van de personeelsleden onder openbaar statuut van de beheerder van het net of van de dochteronderneming of kleindochteronderneming die een gereguleerde activiteit van distributienetbeheer hebben verricht;”).

Artikel 12, 1°, van hetzelfde decreet werd niet vernietigd. Dit artikel 12, 1°, bepaalt “§ 1. Artikel 12bis van de [Elektriciteits]wet en artikel 15/5ter van de [Gas]wet, waar zij de rechten, verplichtingen en tarieven van de distributienetbeheerders beogen, blijven toepasselijk op het Waalse Gewest na de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming die de bevoegdheid betreffende de distributietarieven voor gas en elektriciteit aan de gewesten toewijst, onder voorbehoud van de volgende wijzigingen: (…) 4° in paragraaf 14 worden de woorden "het hof van beroep te Brussel" vervangen door de woorden "het hof van beroep te Luik".”

In Wallonië is het hof van beroep van Luik dus nog steeds de beroepsinstantie tegen beslissingen van de CWaPE.




Share/Bookmark

dinsdag 30 augustus 2016

Opnieuw over het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel

Voor de tussenkomst van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering was er in het hoofdstedelijk gewest een praktijk van Sibelga dat bij kleine installaties die elektriciteit opwekken uit hernieuwbare energiebronnen een compensatie plaatsvond tussen de geproduceerde en de afgenomen elektriciteit. Die praktijk was niet vastgelegd in de Elektriciteitsordonnantie of de uitvoeringsbesluiten daarvan.

Met het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 2011 wijzigde zij haar besluit van 6 mei 2004 betreffende de promotie van groene elektriciteit en van kwaliteitswarmtekrachtkoppeling. Het ingevoegde artikel 26bis bepaalde: “De eindafnemer bij wie een installatie wordt geplaatst voor de productie van groene elektriciteit met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 5 kW, kan genieten van de compensatie tussen de hoeveelheden elektriciteit die werden afgenomen van het distributienet en de hoeveelheden die werden geïnjecteerd in dit net ter hoogte van het leveringspunt.”

De heer Lemaire installeerde in 2009 een warmtepomp en een PV-installatie met een vermogen van 12,6 kW. Sibelga plaatste een bidirectionele meter. Bij de plaatsing zou Sibelga, volgens Lemaire, bevestigd hebben dat er een compensatie zou plaatsvinden. Tijdens de jaren 2010, 2011 en 2012 werd de geproduceerde en de afgenomen elektriciteit wel degelijk gecompenseerd.

De wijziging van het besluit van 6 mei 2004 bracht Sibelga er echter toe om die compensatie stop te zetten. De installatie had immers een vermogen dat hoger is dan de grens van 5 kW die het besluit bepaalt.

Lemaire was het hiermee niet eens. Hij diende een klacht in bij de Brusselse Geschillendienst. Die oordeelde dat de tekst van het besluit van 6 maart 2004 duidelijk is. De nieuwe uitdrukkelijke bepaling geldt volgens de Geschillendienst zowel voor nieuwe installaties als voor bestaande installaties.

Van die beslissing van de Geschillendienst vraagt Lemaire daarop de vernietiging voor de Raad van State.

In zijn arrest van 26 mei 2016 oordeelt de Raad dat het vernietigingsberoep tegen de beslissing van de Geschillendienst ongegrond is.

Interessant in dit arrest is dat de Raad (opnieuw) in gaat op de vraag naar of het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel zich verzetten tegen een wijziging van bestaande voordelen inzake de steun voor hernieuwbare energiebronnen.

De Raad oordeelt:

“que, par ailleurs, les principes de sécurité juridique et de légitime confiance ne mettent pas en cause la capacité de l'autorité compétente à réglementer pour l'avenir, comme le veut la loi du changement, pour autant que l'intérêt général le justifie; qu'en l'espèce, le Gouvernement régional a pu estimer qu'il y avait lieu de prévoir un mécanisme de compensation, tout en limitant le bénéfice de ce système aux installations de dimension limitée; que, dans l'exercice de son pouvoir réglementaire, le Gouvernement n'était pas tenu d'avoir égard aux avantages que le gestionnaire du réseau de distribution avait choisi d'accorder aux installateurs ou à certains d'entre eux, sans fondement réglementaire, ni de prévoir un régime transitoire à cet égard; que le deuxième moyen n'est pas fondé;”
Met dit arrest wijkt de Raad van State dus niet af van eerdere rechtspraak van het Grondwettelijk Hof of van adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad zelf (zie http://belgischenergierecht.blogspot.be/2014/01/vertrouwensbeginsel-en.html). Een wetgever kan, om redenen van algemeen belang, een steunregeling te allen tijde wijzigen, ook wanneer die wijzigingen een impact hebben op bestaande installaties. Er bestaat geen “verworven recht” op een steunregeling.




Share/Bookmark

dinsdag 26 januari 2016

Presentatie Febeliec Energy Forum 2016

Hieronder vindt u de presentatie bij mijn voordracht vanochtend over juridische aspecten van tarieven op het Febeliec Energy Form 2016


Share/Bookmark

donderdag 7 januari 2016

"Vlaanderen niet bevoegd om impasse na PVDA-arrest Hof van Cassatie op te lossen", beweert bevoegde minister


Minister Turtelboom antwoordde gisteren in de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement op een vraag van volksvertegenwoordiger Gryffroy (N-VA) over het arrest van het Hof van Cassatie van 23 november 2015.

Gryffroy stelde zijn vraag omdat “een aantal groepen naar de rechtbank zijn gestapt en nu vragen dat het teveel aan distributienettarieven (voor een gemiddeld gezin ongeveer 72 euro zonder BTW) zou worden teruggestort. De volksvertegenwoordiger stelde terecht dat de gevolgen van het arrest moeten uitgeklaard worden. Daarenboven moet duidelijk zijn welke regulator, de CREG of de VREG, bevoegd is om nu een oplossing te vinden.

Minister Turtelboom begon en eindigde haar antwoord met de stelling dat, vermits de vraag handelt over het Hof van Cassatie en de CREG, de Vlaamse overheid niet bevoegd zou zijn.

Volgens haar had het hof van beroep van Brussel in zijn arresten van 26 juni 2012 weliswaar geoordeeld dat de tariefbeslissingen van de CREG op basis van de verkeerde rechtsgrond genomen waren, maar dat het hof tegelijk “de tariefverhogingen zelf ten gronde goed[keurde]”.

Nochtans stelde het hof:

“67, Op grond van de bovenstaande gegevens moet worden besloten dat de bestreden beslissingen niet door de CREG konden worden genomen op basis van de door. haar aangevoerde rechtsgrond en dat het aangevoerde middel de vernietiging van die beslissingen wettigt.”

Wel wou het hof de gevolgen van de vernietigde tariefbeslissingen tijdelijk handhaven “enerzijds omwille van de verstoring die de ontstentenis van die handhaving, zou veroorzaken in de relaties tussen de betrokken DNB's en hun netgebruikers zowel. vanuit het oogpunt van de evenredigheid als van de niet-discriminatie en anderzijds .wegens de aard en draagwijdte van de boven vastgestelde tekortkoming”. De wetgeving voorziet niet in de mogelijkheid voor het hof om, zoals de Raad van State dit kan, gevolgen van vernietigde beslissingen te handhaven. Het hof stelde daarom een vraag aan het Grondwettelijk Hof. Dat zag hierin in zijn arrest van 9 juli 2013 geen discriminatie.

De arresten van het Hof van Cassatie betekenen dat de arresten van het hof van beroep te Brussel van 26 juni 2012 werden bevestigd. Maar omdat “arresten in cassatie geen directe gevolgen [hebben ]” zijn er, volgens de minister, “geen consequenties voor de gezinnen en de bedrijven in Vlaanderen”.

De minister legt de bal opnieuw in het kamp van het hof van beroep te Brussel. Het is vervolgens af te wachten wat het hof van beroep beslist. De minister stelt dat “gevolgen van mogelijke vernietigingsarresten afhankelijk [zijn] van de inhoud van de arresten en van de handelingen van de bevoegde regulator na een eventuele vernietiging”. Die bevoegde regulator is volgens de minister nog steeds de CREG.

Het valt op dat de moeilijke (vaak onwerkbare) bevoegdheidsverdeling inzake energie steeds maar weer wordt gebruikt om een hete patat door te schuiven naar een ander beleidsniveau. Een open Vlaamse samenleving “gaat moedig alle uitdagingen aan en kijkt steeds reikhalzend uit naar de dag van morgen” (zie deze website). Misschien kunnen de VREG en de distributienetbeheerders snel een antwoord verzinnen op de impasse die dreigt in plaats van te verwijzen naar andere niveaus (die op hun beurt weer zullen terugverwijzen). De leveranciers en de afnemers zullen hen dankbaar zijn.




Share/Bookmark

dinsdag 24 november 2015

Tarifair kader voor gesloten distributienetten

Gesloten distributienetten zijn private elektriciteits- of aardgasnetten op een beperkte geografische locatie. De eigenaar van het gesloten distributienet gebruikt de elektriciteit of het aardgas dat via dat net verdeeld wordt in hoofdzaak zelf. Een gesloten distributienet kan ook elektriciteit of aardgas verdelen naar verschillende gebruikers die onderling technologisch of economisch eng verbonden zijn.

Gesloten distributienetten bestaan al heel lang. Veel, vooral historisch gegroeide, bedrijfsnetten zijn eigenlijk gesloten distributienetten. Het is pas na het citiworks-arrest van het Hof van Justitie dat de Europese wetgever een specifiek kader heeft bepaald voor gesloten distributienetten. In Vlaanderen is dat kader opgenomen in de artikelen 4.6.1 en volgende van het Energiedecreet.

In tegenstelling tot 'gewone' distributienetten moeten de beheerders van gesloten distributienetten hun tarieven en de voorwaarden voor het gebruik van het net niet ter goedkeuring voorleggen aan de regulator. Deze vrijstelling is onlangs door het Vlaams Parlement ook in de Vlaamse regelgeving ingevoerd.

Het Vlaams Parlement heeft vorige week met het nieuwe artikel 4.6.10 Energiedecreet (nog niet gepubliceerd) wel de krijtlijnen getrokken waarbinnen de beheerders tarieven voor de aansluiting op en het gebruik van hun gesloten distributienetten kunnen vastleggen,

Die tarieven mogen uiteraard niet-discriminerend zijn. De beheerder moet ze ook baseren op zijn kosten. Hij mag wel een redelijke winstmarge aanrekenen. Het artikel bepaalt niet wat 'redelijk' is, maar winstmarges die de 'gewone' netbeheerders mogen hanteren, en in dat kader redelijk zijn, lijken ook redelijk te kunnen zijn voor gesloten distributienetten. Iets verder staat dan weer wel dat de beheerder voor het bepalen van de winstmarges ook moet rekening houden met de 'normale' winstmarges in zijn bedrijfssector. Hij zal dus een gulden middenweg moeten zoeken tussen die normale bedrijfsmarges en de marges die 'gewone' distributienetbeheerders mogen aanrekenen. Hetzelfde geldt voor de afschrijvingstermijnen.

Tarieven moeten transparant zijn voor de gebruiker van een gesloten distributienet.

De tarieven omvatten de kosten voor aansluiting, gebruik en ondersteunende diensten, en eventueel de kosten die verband houden met de extra aansluitings- of toegangskosten op het net waarop het gesloten distributienet is aangesloten.

Tarieven voor het gebruik van een gesloten distributienet kunnen “afhankelijk zijn van de mate van socialisering of individualisering van de investeringen die eigen zijn aan de locatie, rekening
houdend met het aantal gebruikers van het gesloten distributienet”. Wat hiermee de decreetgever hiermee juist bedoelt, is niet helemaal duidelijk. Het gebruik van het woord 'individualisering' zou er op kunnen wijzen dat een beheerder van een gesloten distributienet in bepaalde omstandigheden aan een gebruiker van het gesloten distributienet afzonderlijke tarieven kan aanrekenen.

Ook al moet de VREG geen voorafgaande goedkeuring geven aan de tarieven die een beheerder van het gesloten distributienet hanteert, toch lijkt het nuttig dat zij enige duiding geeft bij die mogelijkheid van individualisering.






Share/Bookmark

maandag 15 juni 2015

Noodaggregaten, strategische reserve en stroomschaarste

Le Soir bericht vandaag dat federaal minister van energie Marghem in de zoektocht naar oplossingen voor een mogelijk stroomtekort volgende winter een aantal pistes naast de verlenging van de levensduur van Doel 1 onderzoekt: naast de bouw van een bijkomende transformator door Elia op de post-Zandvliet bekijkt de minister ook de plaatsing van noodaggregaten door gespecialiseerde firma's (Aggreko, Siemens, General Electric). Elia zou al onderzocht hebben waar die noodaggregaten kunnen geplaatst worden.

Hoe deze piste van noodaggregaten kan ingepast worden in de bestaande federale en gewestelijke wetgeving is niet helemaal duidelijk.

Elia noch een verbonden onderneming zal hiervoor kunnen instaan: artikel 9 Elektriciteitswet verbiedt hen om productie-activiteiten te ontwikkelen of lidmaatschapsrechten te bezitten in producenten. Enige uitzondering is “de productie in de Belgische regelzone binnen de grenzen van zijn vermogensbehoeften inzake ondersteunende diensten”. Een 'ondersteunende dienst' is “een dienst die nodig is voor de exploitatie van een transmissie- of distributienet”. Volgens de parlementaire voorbereiding bij de wet van 8 januari 2012 doelt men hierbij op productieactiviteiten opdat Elia “zelf zijn reserves [kan] produceren en de verliezen [kan] regelen evenals de primaire en secondaire regeling”.

De eigenaars van noodaggregaten kunnen uiteraard wel een productievergunning aanvragen. Vrijgesteld van zulke productievergunning zijn enkel nieuwe installaties met een netto ontwikkelbaar vermogen lager dan of gelijk aan 25 MW. Bijkomend zullen een milieuvergunning en een stedenbouwkundige vergunning moeten verkregen worden, behalve als de noodaggregaten voor minder dan drie maanden geplaatst zullen worden. De winterperiode in de strategische reserve loopt echter van 1 november tot 31 maart (vier maanden).

In ieder geval kunnen, in de huidige stand van de wetgeving, de noodaggregaten niet ingepast worden in die strategische reserve. Artikel 7quinquies Elektriciteitswet verplicht weliswaar de producenten van installaties die tijdelijk of definitief buiten werking zijn gesteld om deel te nemen aan die reserve, maar biedt niet de mogelijkheid, anders dan bij vraagzijdebeheer, dat producenten, al dan niet middels noodaggregaten, vrijwillig hieraan deelnemen.



Share/Bookmark

maandag 27 april 2015

Tinne bij Polspoel-Bernolet op TV Brussel

Tinne was deze zondag te gast bij Guy Polspoel op TV Brussel.



Ze sprak er over haar ervaring als politica, de advocatuur en Blixt en haar engagementen in de verschillende raden van bestuur waarin ze zetelt (VUB, KVS, Wijkgezondheidscentrum de Brug, Zwanger in Brussel en Cyclo.


Share/Bookmark

vrijdag 27 maart 2015

Kostenreflectiviteit van nettarieven voor elektriciteit en aardgas

Over het begrip 'kostenreflectiviteit' van de tarieven van de netbeheerders in elektriciteit en aardgas is al wat inkt gevloeid (hoewel), maar duidelijk waren de verschillende standpunten nooit.

In hun zeer kritische bijdrage over de Verordening 838/2010/EG schrijven Van der Kooij en Lavrijssen:

“Unfortunately there is no clear prohibition of cross-subsidization within the EU Electricity legislation. The tariffs must be set in a transparent and non-discriminatory manner. Besides, it is important that the tariffs reflect the costs. This, however, seems to entail that the network operator must provide the services as efficiently as possible and that the tariffs that it may incur can only be as high as efficient costs and a reasonable profit. This does not seem to entail the user pays-principle. This thought is strengthened by the fact that the user pays-principle is explicitly mentioned in the Gas Regulation. The technical nature of the flow of gas explains why the Gas Regulation incorporates the user-pays principle and provides for a positive transport charge for producers.

Besides the Electricity Directive and the Electricity Regulation, the guidelines of Regulation 838/2010 Part B are also relevant. They are created to ensure more harmonization within the Union and contain ranges for the annual average transmission tariffs for producers within the European Union. It would be useful to know how these ranges were created, how they must be interpreted and most importantly, if they are in line with the prohibition of non-competitive cross-subsidization. But if these guidelines prescribe that the annual average transmission charge for producers may be zero and if it would be decided by the Institutions that this does not create any problems with regard to the prohibition of anti-competitive cross-subsidization, this would entail that exempting producers on the transmission level from paying transport charges is allowed. However, the intentions and legality of the guidelines are controversial.”(A. CRESPO VAN DER KOOIJ en S. LAVRIJSSEN, “A Legal Assessment of the Producer Exemption from Transport Tariffs under EU Law”, EEELR 2013, p. 253-254)
Hannah Kruimer schreef in haar doctoraat (H. KRUIMER, The non-discrimination obligation of energy network operators, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 144-145):
“As a side note, there is the question of which costs network operators are allowed to take into account. Generally, I would argue the answer is that all costs that network users cause the network operator to incur. In this respect, I should point out that the principle of cost reflective charges has been adopted in, for example, the regulatory frameworks in Great Britain, the Netherlands and Germany, but here are different views on when tariffs are cost reflective, and hence non-discriminatory. The cost elements used by them differ, as well as who pays for the network charges. As a result, different treatment of certain network users (groups) could violate the non-discrimination obligation in one Member State but be legal in another.(…)
There are also differences between the Member States as to who pays the electricity transmission charges. For example, in Germany the electricity transmission network costs are paid by companies that take the electricity off the network (also known as load). Generators are excluded from paying network charges, except for their contribution to network balancing if they are unbalanced. This is similar to the Netherlands, where network costs are also paid by load only. On the contrary, in Great Britain, the network charges are split between generators and load.”
In zijn arrest van 25 maart 2015 (Febeliec / CREG) neemt het hof van beroep van Brussel wel een duidelijk standpunt in over dit ijkel begrip:
91. Het begrip kostenreflectiviteit of weerspiegeling van de kosten in de tarieven, kan meerdere betekenissen hebben. De vraag is in welke betekenis(sen) dit begrip juridisch normerend is, en dus bindend is voor de CREG.

92. De CREG en [verweerders] wijzen er terecht op dat het vereiste dat de tarieven die de netbeheerder aanrekent kostenreflectief moeten zijn, betrekking heeft op de verhouding tussen de hoogte van de tarieven en de door de netbeheerder gemaakte kosten. De tarieven mogen de kosten van de beheerder dekken, en de netbeheerder bovendien een billijke winstmarge verzekeren. Monopoliewinsten voor de netbeheerder moeten echter vermeden worden.

Monopoliewinsten zouden immers de nadelige gevolgen teweeg kunnen brengen die, in het algemeen, met het mededingingsrecht onbestaanbaar zijn. Meer bepaald zouden zij kruissubsidiëring van commerciële activiteiten met winsten behaald met netactiviteiten in de hand kunnen werken, en een drempel kunnenv ormen voor nieuwe toetreders tot de commerciële elektriciteitsmarkten. Monopoliewinsten kunnen ook zelf het gevolg zijn van roofprijzen of excessieve prijzen die de monopolist kan afdwingen, hetgeen eveneens in strijd is met het mededingingsrecht.

Deze historische betekenis van de reflectiviteit van de kosten ligt nog steeds ten grondslag aan Verordening 714/2009, al is een ontbundeling tot stand gebracht tussen het beheer van het net, enerzijds, in België door Elia, en de activiteiten van de andere marktspelers, anderzijds. Deze historische betekenis is de juridisch bindende betekenis van het beginsel van de kostenreflectiviteit.

93. Met het begrip kostenreflectiviteit kan ook de toewijzing van de kosten, of kostenallocatie bedoeld zijn. Eén bepaalde wijze van kostenallocatie wordt door de toepasselijke rechtsnormen echter niet opgelegd. Dit blijkt uit artikel 12, § 5, 2°, Elektriciteitswet, dat bepaalt dat het geheel van de kosten van de transmissienetbeheerder gedekt moet zijn, en uit artikel 12, § 5, 2°, Elektriciteitswet dat alleen een niet-discriminerende en een transparante toewijzing van de kosten vereist is (zie hierover verder).

Het kan dan ook niet aangenomen worden dat er een één-op-één verhouding moet bestaan tussen de kosten van het netwerk en de inkomsten uit de tarieven (zie in die zin, onder meer, de nog steeds actuele notitie van het toenmalige Directoraat-generaal Energie en Transport bij de Richtlijnen 2003/54/EG en 2003/55/EG: Rol van de regulerende autoriteiten). Onder meer wat betreft de kostenallocatie wordt de uitoefening van de CREG gekenmerkt door een marge van beleidsvrijheid (zie in dezelfde zin in het ENTSO-E (…) Overzicht van de Transmissietarieven in Europa 2013).

94. Niet alleen is een één-op-één doorrekening van kosten in tarieven niet verplicht, bovendien doet de CREG op aanneembare feitelijke gronden gelden dat de kosten die Elia oploopt voor uitvoering van haar wettelijke taken niet eenheid per eenheid toewijsbaar zijn aan de ene en de andere dienst dan wel netgebruiker. De materiële structuur van het net is van die aard (…) dat het niet mogelijk is om de kost die op een bepaald gedeelte van het net betrekking heeft tot te wijzen, aan een bepaalde netgebruiker, en de fysieke eigenschappen van elektriciteit zijn van die aard dat een bepaald gedeelte van het net niet geacht kan worden gebruikt te zijn voor de levering van een bepaalde hoeveelheid elektriciteit.
(…)

95. Daarenboven verzetten bepaalde rechtsregels zich tegen één-op-één doorrekening, hetgeen even zovele verdere aanwijzingen zijn dat de door de eiseressen voorgestane verplichting in die zin niet bestaat.

Zo stelt artikel 14(1) Verordening 714/2009 dat de tarieven voor nettoegang niet afstandsgebonden mogen zijn. In dezelfde zin bepaalt artikel 12, § 5, 8°, Elektriciteitswet dat de tarieven uniform zijn voor het grondgebied, hetgeen impliceert dat dichterbij gelegen netgebruikers ook zullen bijdragen voor verderaf gelegen netgebruikers. Dat betreft alvast geen één-op-één doorrekening.

Voorts stelt punt 3 van deel B van de Bijlage bij Verordening 838/2010 dat de jaarlijkse gemiddelde transmissietarieven ten laste van de producenten binnen een vork tussen 0 en 0,5 €/MWh moeten blijven, hetgeen een één-op-één doorrekening belet, indien deze tarieven volgens laatst vermelde berekening hoger mochten blijven. Overigens blijkt uit die wettelijke vork eveneens dat een nultarief voor het injectietarief niet onwettelijk is.

Er kan ook worden verwezen naar artikel 12, § 5, 7°, Elektriciteitswet, dat voorziet in de mogelijkheid van de zogenaamde 'benchmarking', dit is het vergelijken met vergelijkbare regelingen en praktijken, onder meer buitenlandse. Uit de mogelijkheid om met deze en andere richtsnoeren rekening te houden blijkt dat er één-op-één doorrekening zich niet opdringt.
Kostenreflectiviteit houdt dus in, zoals confrater Verhoeven het op LinkedIn stelde:
Court finally admits that, on a legal point of view, “cost reflective grid tariffs” means tariffs that are globally covering no more than the costs (and profit margin) of the system operator, and not tariffs that, for each category of grid users, are in line with the grid costs that this category individually creates. In other words, "cost reflectiveness" is a rule playing at the level of the constitution of a grid budget, and not for its allocation.

Share/Bookmark

donderdag 26 maart 2015

De CREG en de bestuurstaalwet

Om de één of andere reden slaagt de CREG er vaak niet in om belangrijke beslissingen integraal in het Nederlands en het Frans op te stellen (van het Duits is zelfs helemaal geen sprake). In het arrest van 6 februari 2013 vernietigde het hof van beroep alleen al daarom (maar ook om andere redenen) de Elia-tariefbeslissing van de CREG van 2011:

41. Het wordt niet betwist dat de CREG dient te worden beschouwd als een “centrale dienst” waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt in de zin van de vermelde taalwet.
De bestreden beslissing houdt wezenlijk in dat het totale inkomen van Elia voor de gereguleerde periode 2012-2015 wordt goedgekeurd, dat een tariefvoorstel wordt goedgekeurd (...) en dat nettarieven worden goedgekeurd.
Het gaat daarbij duidelijk niet om één van de administratieve akten die bedoeld worden in artikel 42, aangezien de CREG
gehouden is om de beslissing bekend te maken ten behoeve van het publiek, dat van de beslissing kennis moet kunnen nemen. Zulks wordt ook voorgeschreven door artikel 35 van de voorlopige methoden voor het berekenen en vastleggen van de tarifaire voorwaarden (...), die mee als rechtsgrond voor de bestreden beslissing worden vermeld, zowel als in artikel 37, 16. van de richtlijn 2009/72/EG trouwens.
Er moet dan ook worden aangenomen dat de beslissing valt onder de categorie “berichten en mededelingen” bedoeld in artikel 40, tweede lid van de vermelde regelgeving.
42. Volgens het vermelde artikel 40, tweede lid dienen berichten en mededelingen in het Nederlands en het Frans te worden gesteld. Dit kan niet anders worden begrepen dan dat er algehele overeenstemming in tekst dient voorhanden te zijn tussen de Nederlandstalige en de Franstalige versies van de betrokken akte.
Onderscheid tussen het relatieve belang van onderdelen van de betrokken akte is daarbij niet relevant.
Omvat de Nederlandstalige tekst een niet in het Nederlands vertaalde passus in het Frans, dan is de met de Franse tekst overeenstemmende versie in het Nederlands niet voorhanden.
43. Het verweer als zou van de energieregulator niet kunnen worden gevergd dat hij zijn akten geheel in de Nederlandse en de Franse taal zou stellen of dat alle documenten die van hem uitgaan en waarnaar hij verwijst zowel in het Frans als in het Nederlands worden gesteld, omdat zulks hem zou kunnen beletten de hem toevertrouwde taken op een efficiënte en snelle wijze uit te voeren zoals voorgeschreven bij artikel 37, 4. van richtlijn 2009/72/EG kan niet worden gevolgd.
Het komt de regulerende instantie integendeel toe alle maatregelen te nemen opdat hij de nationale wetgeving inzake gebruik van de talen waaraan hij is onderworpen, zou kunnen naleven zonder tekort te komen aan zijn Europese verplichting om zijn taken efficiënt en snel uit te voeren.
Er bestaat geen reden om het Hof van Justitie hierover prejudicieel te bevragen. Het lijkt niet erg waarschijnlijk dat een Europese instelling die zich in 22 talen dient uit te drukken, op voet van gelijkheid, problemen zou ontwaren in een nationale verplichting voor een regulerende instantie om zich in twee talen uit te drukken.
44. Uit de voormelde vaststellingen volgt dat de bestreden beslissing artikel 40, tweede lid van de taalwetten in bestuurszaken schendt en met toepassing van artikel 58 van dezelfde wetten dat ze nietig is.
Het middel van Electrabel is gegrond. De bestreden beslissing moet worden vernietigd.
In zijn arrest van 25 maart 2015 mocht het hof van beroep zich opnieuw uitspreken over de schending van de bestuurstaalwet door de CREG, nota bene in de nieuwe tariefbeslissing die volgde op de door het arrest van 6 november 2013 vernietigde beslissing.
Het hof was deze keer genuanceerder.
26. Zo artikel 40, tweede lid, voormeld, vereist dat de bestreden beslissing in het Nederlands en het Frans wordt gesteld, betekent dit dat de beslissing in één van deze talen de vertaling is van de beslissing in de andere taal. Dat is inderdaad de enige mogelijkheid om een gelijkluidende beslissing in beide talen te hebben. Het is immers materieel onmogelijk om de beslissingen tegelijk in twee verschillende talen te schrijven.
In de voorliggende zaak moet aangenomen worden dat de bestreden beslissing in het Frans is opgesteld, en vertaald werd in het Nederlands. Dit geldt ten minste voor die gedeelten van de bestreden beslissing waarin de gewraakte passages en vermeldingen voorkomen.
Het voorstel van Elia waarop de bestreden beslissing is gegrond, is immers in het Frans gesteld, zodat het voor de hand lag de bestreden beslissing in het Frans te redigeren. Bovendien zijn de passages uit de in het Nederlands gestelde versie van de beslissing (…) in het Frans gesteld, hetgeen erop wijst dat deze passages in het Frans zijn overgenomen uit de in het Frans opgestelde beslissing. Over dit laatste punt bestaat weliswaar geen zekerheid, omdat (…) de bestreden beslissing in het Frans niet voorgelegd wordt (…).
27. Aangezien (…) aangenomen mag worden dat de Nederlandse versie van de beslissing de vertaling is, is het de vraag aan welke vereisten die vertaling moet beantwoorden. Om een antwoord te geven op die vraag, kijkt het hof naar de vereisten die in de taalwetgeving gesteld worden aan een vertaling.
Wordt deze regel toegepast op het vereiste dat de beslissing, naast in het Frans, geheel in het Nederlands is gesteld, (…), dan betekent dit dat er, als in de Nederlandse versie van de beslissing een passage of vermelding in het Frans staat, twee mogelijkheden bestaan om de eentaligheid van de Nederlandstalige versie van de beslissing te verzekeren. De eerste mogelijkheid is de vertaling van de passage of vermelding in het Nederlands. De tweede mogelijkheid is de weergave van de zakelijke inhoud van de passage of vermelding in het Nederlands.
Nu de Nederlandstalige versie van de bestreden beslissing geen vertaling van de gewraakte passages en vermeldingen bevat, rest nog te onderzoeken of de zakelijke inhoud ervan is weergegeven, in de tekst van de beslissing die in het Nederlands is gesteld. (…)
Uiteindelijk komt het hof tot de conclusie dat van de gewraakte passages telkens de zakelijke inhoud van de onvertaalde passages weergeven.

In hetzelfde arrest weerlegt het hof de juridische spielerei van één van de tussenkomende partijen dat het verzoekschrift zelf de Gerechtstaalwet schond, omdat het daarin een van de door henzelf gewraakte passages niet vertaald had. Het hof wees die eis af. De taalspeeltijd is hiermee hopelijk voorbij.

Maar mag de CREG er aub voor zorgen dat zij al haar beslissingen steeds volledig in minstens het Frans en het Nederlands opstelt en liefst ook in het Duits en/of het Engels?





Share/Bookmark