donderdag 4 mei 2017

Ondanks duidelijke stellingnames van de minister blijft de onduidelijkheid over de rolverdeling rond warmtenetten

In antwoord op een vraag van Michèle Hostekint (sp.a) probeerde minister Tommelein in de commissie energie van het Vlaams Parlement gisteren de distributienetbeheerders tot bedaren te brengen. Mevrouw Hostekint vroeg, net zoals wij dit al deden in een eerder post, of de minister meende dat "het beheer van warmtenetten geen exclusieve aangelegenheid mag zijn en dat er, naast publieke distributienetbeheerders, ook private spelers zich zouden moeten kunnen aandienen in deze warmtenetprojecten".

De minister was duidelijk:

"[Een exclusiviteit voor de distributienetbeheerders] staat haaks op de geest van het decretaal kader aangaande warmtenetten, dat zeer recent werd aangenomen. Via dit decreet is er expliciet voor gekozen om warmtenetten maximale kansen te geven en dus niet op voorhand bepaalde spelers uit te sluiten. Een exclusief gebruiksrecht is daarom volgens mij niet conform de beleidskeuzes die op Vlaams niveau zijn gemaakt."
Volgens de minister is het niet de bedoeling dat een gemeente elke andere aanvraag voor de uitbouw van een warmtenet onder haar straten, pleinen en lanen weigert, of de projectontwikkelaars dwingt om samen te werken met Eandis of Infrax. Zulke weigeringen stroken, volgens de minister, niet met het Energiedecreet. Het decreet gaat uit van een principieel gebruiksrecht. De gemeente kan voorwaarden opleggen. Maar daardoor mag hij niet één welbepaalde partij bevoordelen ten opzichte van andere marktpartijen.

Zijn partijgenoot Willem-Frederik Schiltz was wat genuanceerder: "We moeten de gemeenten de vrijheid laten om te kiezen op welke manier ze het potentieel in hun gemeente willen en kunnen ontgrendelen." Versta: als een gemeente wil samenwerken met een distributienetbeheerder en niet met private partijen, dan moet dat kunnen.

Ook zijn collega-bestuurder van Infrax, Andries Gryffroy, vond de minister "te stringent":
"Verder had ik ook begrepen dat de feitelijke uitvoering en het feitelijk beheer niet moeten gebeuren door het Warmtebedrijf Vlaanderen. Dat moet dan worden aanbesteed en dan komen de privéspelers in aanmerking voor de uitbouw en het beheer van de warmtenetten."
Versta: de gemeenten kunnen inderdaad het exclusieve gebruiksrecht op hun openbaar domein inbrengen in of overdragen aan de distributienetbeheerders. Het beheer van dat warmtenet moet men (wie is mij niet duidelijk) aanbesteden.

Het debat brengt geen duidelijkheid.








Share/Bookmark

Bevoegdheidsverdeling voor energie - Schematisch overzicht

Vandaag bericht De Tijd over 75 miljoen euro energiebijdrage die de distributienetbeheerders moeten terugstorten aan de eindafnemers. Het artikel besluit: "De netbeheerders en de energiewaakhonden slaagden er maar niet in het eens te geraken over de manier waarop het bedrag teruggestort moet worden. Dat heeft onder meer te maken met juridische vraagtekens in het het door staatshervormingen versnipperde energielandschap."

Hieronder heb ik die versnippering van de bevoegdheden van de federale overheid en de gewesten schematisch proberen voor te stellen:



Na de zesde staatshervorming
Vindplaats en referentie
Levering
Gewestelijk (aardgas)
Gewestelijk en federaal (elektriciteit)
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), BWHI
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), BWHI
Gesloten distributienetten
Gewestelijk (aardgas)
Gewestelijk en federaal (elektriciteit)
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), BWHI
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), BWHI
Distributienetbeheer
Gewestelijk
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), BWHI
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), BWHI
Plaatselijk vervoer
Gewestelijk
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), BWHI
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, b), BWHI
Vervoer
Federaal
Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), BWHI
Distributienettarieven
Gewestelijk
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), BWHI
Tarieven voor gesloten distributienetten
Gewestelijk
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), BWHI
Tarieven voor plaatselijk vervoersnet (Elia)
Federaal
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), BWHI
Vervoers- en Transmissienettarieven
Federaal
Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, d), BWHI
Eindprijzen
Federaal
Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, d), BWHI
Fonds ter Reductie van de Globale Energiekost
Gewestelijk
Artikel 35octies Financieringswet
Hernieuwbare energiebronnen op land
Gewestelijk
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, f), BWHI
Hernieuwbare energiebronnen offshore
Federaal
RvS 27 april 1976, nr. 17.569, Koninklijk Belgische Yachting Verbond
Rationeel energiegebruik
Gewestelijk
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, h), BWHI
Productie
Federaal
Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), BWHI
Kernenergie
Federaal
Artikel 6, §1, VII, tweede lid, b), BWHI
Artikel 6, § 1, VII, eerste lid, f), BWHI
Artikel 6, § 1, II, tweede lid, 2°, BWHI
Grote infrastructuren voor opslag
Federaal
Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), BWHI
Kleine infrastructuren voor opslag
Gewestelijk?

Studies
Federaal en gewestelijk
Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, a), BWHI
Artikel 6, § 4, 5°, BWHI
Internationale vertegenwoordiging
Federaal mits overleg
Artikel 23, § 1, tweede lid, 1°, Elektriciteitswet

Artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen stelt:

"§ 1. De aangelegenheden bedoeld in artikel 39 van de Grondwet zijn:
VII. Wat het energiebeleid betreft:

De gewestelijke aspecten van de energie, en in ieder geval :
a) De distributie en het plaatselijke vervoer van elektriciteit door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt, met inbegrip van de distributienettarieven voor elektriciteit, met uitzondering van de tarieven van de netten die een transmissiefunctie hebben en die uitgebaat worden door dezelfde beheerder als het transmissienet;

b) De openbare gasdistributie, met inbegrip van de nettarieven voor de openbare distributie van gas, met uitzondering van de tarieven van de netwerken die ook een aardgasvervoersfunctie hebben en die worden uitgebaat door dezelfde beheerder als het aardgasvervoersnet;
c) De aanwending van mijngas en van gas afkomstig van hoogovens;
d) De netten voor warmtevoorziening op afstand;
e) De valorisatie van steenbergen;
f) De nieuwe energiebronnen met uitzondering van deze die verband houden met de kernenergie;
g) De terugwinning van energie door de nijverheid en andere gebruikers;
h) Het rationeel energieverbruik.
 

De federale overheid is echter bevoegd voor de aangelegenheden die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven, te weten :
a) De studies over de perspectieven van energiebevoorrading;

b) De kernbrandstofcyclus;
c) De grote infrastructuren voor de stockering; het vervoer en de produktie van energie;
d) de tarieven, met inbegrip van het prijsbeleid, onverminderd de gewestelijke bevoegdheid inzake de tarieven bedoeld in het eerste lid, a) en b)."




Share/Bookmark

woensdag 26 april 2017

In te trekken voorstel om de domeinconcessies voor offshore wind in te trekken

Staatssecretaris Philippe De Backer gaat verder op het elan dat zijn partij in Vlaanderen heeft ingezet. Alle grootschalige projecten voor hernieuwbare energiebronnen moeten op de schop. Hij wil de drie laatste domeinconcessies voor offshore wind intrekken. In de pers verklaarde de staatssecretaris over die projecten: "Een win-for-life voor de eigenaars, en een pay-for-life voor de consument en de staat". Volgens De Backer is het “juridisch perfect mogelijk de bestaande concessies te verbreken”.

Laat mij dat zeer ernstig betwijfelen.

De overheid kan een domeinconcessie voor offshore wind enkel intrekken “ingeval de voorgeschreven verplichtingen en voorwaarden niet zijn nageleefd”. Dit bepaalt artikel 22, lid 1, van het koninklijk besluit van 20 december 2000 duidelijk.

De verplichtingen van de concessionaris staan in artikel 14:

  • Wijzigingen aan de statuten en controlewijzigingen meedelen
  • Wijzigingen van de financiële en technische elementen van de aanvraag meedelen
  • Start van de exploitatiefase binnen de drie jaar na het verlenen van de concessie of van de laatste nuttige vergunning
  • Het niet-stilleggen van de exploitatie gedurende meer dan een jaar
  • Veiligheidsmaatregelen nemen tijdens de bouw en de exploitatie
  • Permanent monitoring- en controlesysteem uitbouwen
  • Het mariene milieu beschermen
  • Voldoende signalisatie- en lichtbakens plaatsen
  • Zo intensief mogelijk gebruik maken van het toegekende domein
  • Bouw volgens de laatste stand der techniek en regelgeving
  • Voldoende dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid
  • Het hebben van een belastingplichtige zetel in België
  • Alle gevraagde informatie meedelen

Enkel wanneer de concessiehouder die verplichtingen niet zou naleven, zou de staatssecretaris de domeinconcessie kunnen intrekken.

Overigens is het niet omdat de wetgever verkeerdelijk het concept “domeinconcessie” gebruikt, dat de precariteit van de “normale” domeinconcessie van toepassing is. We hebben eerder geschreven dat de federale overheid helemaal geen “domeinconcessie” in de klassieke zin van het woord kan toekennen.





Share/Bookmark

vrijdag 31 maart 2017

De Raad van State herhaalt: een aanpassing van een steunregime is geen schending van het eigendomsrecht

In twee arresten herhaalde de Raad van State wat hij en het Grondwettelijk Hof voordien al verschillende keren stelden: een aanpassing van het steunregime voor hernieuwbare energiebronnen is geen schending van het eigendomsrecht noch van het vertrouwensbeginsel:

Considérant qu’il est vrai que l’origine du problème se situe dans une mauvaise évaluation, lors du lancement du système des certificats verts, du succès que celui-ci rencontrerait; que l’arrêté attaqué tend à remédier, au moins partiellement, aux effets jugés indésirables du point de vue de l’intérêt général, de la mise en circulation d’un nombre excessif de certificats verts; (...)
Considérant que le souci, affiché au préambule de l’arrêté attaqué, d’assurer un équilibre entre les intérêts des propriétaires de panneaux photovoltaïques et ceux de la généralité des consommateurs a pu justifier l’entorse qui a été portée au principe de la sécurité juridique et à la légitime confiance des administrés, particulièrement alors que des mesures d’accompagnement ont été prises pour en limiter les effets les plus graves; (...)
Considérant, sur la deuxième branche, que l’arrêté attaqué a déçu l’espoir que la législation antérieure a fait naître dans le chef de petits producteurs, que le facteur «k» applicable à leurs unités de productions resterait inchangé pendant 15 ans; que ce délai était toutefois fixé par un règlement, et qu’aucune règle n’interdit qu’un règlement soit modifié pour l’avenir; que la section de législation du Conseil d’État a d’ailleurs observé qu’il n’était pas interdit au Gouvernement de revenir sur la confiance légitime créée en la permanence du facteur «k» pour une installation, permanence qu’il avait consacrée par l’adoption d’une règle se référant au facteur «k» applicable lors de l’installation, s’il peut démontrer que l’intérêt général le commande;
Considérant qu’aucun droit acquis ne peut naître d’une réglementation qui est toujours susceptible d’être modifiée pour l’avenir; que la règle patere legem quam ipse fecisti ne concerne que le respect, par une autorité dotée d’un pouvoir réglementaire, de ses propres règlements dans les décisions individuelles qu’elle prend, mais n’interdit pas à cette autorité de modifier ses règlements; que l’argument tiré de ce que l’arrêté attaqué a été provoqué par une mauvaise évaluation des effets qu’allait produire une mesure antérieure, est dépourvu de pertinence car il aboutirait à interdire à une autorité de rectifier les erreurs qu’elle commet; qu’en cette branche, le moyen n’est pas fondé; (...)
Considérant, sur la quatrième branche que les arrêtés attaqués s’analysent en la modification non-rétroactive d’un mécanisme de subventionnement de la production d’électricité à partir de sources d’énergie renouvelables; qu’ils se bornent à réduire pour l’avenir les bénéfices ou avantages espérés découlant de la mise en service de ces installations; qu’ils ne constituent pas une atteinte au droit de propriété des petits producteurs d’électricité au moyen d’installations photovoltaïques;
que l’ingérence dans les espérances, fussent-elles légitimes, des propriétaires de panneaux photovoltaïques, adéquatement motivée – comme il résulte de l’examen de la première branche – ne constitue une violation ni de l’article 16 de la Constitution, ni de l’article 1er du Protocole additionnel à la Convention de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales; qu’en cette branche, le moyen n’est pas fondé;
Zie hierover ook onze vroegere berichten:
"Vertrouwensbeginsel en groenestroomcertificaten"
"Opnieuw over het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel"
"Groenestroomcertificaten en eigendomsbescherming"








Share/Bookmark

woensdag 15 maart 2017

Alle gasvervoerinstallaties zijn van openbaar nut, ook degene die enkel het privaat belang dienen

De Gaswet, de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, is, zoals uit het opschrift zelf blijkt, niet enkel van toepassing op het vervoer van aardgas. Pijpleidingen die gebruikt worden voor het vervoer andere (gasachtige) producten kunnen ook onder het toepassingsgebied vallen.

Hoewel de wet oorspronkelijk bedoeld was voor het vervoer van aardgas, voorzag de wetgever in artikel 2, laatste lid, in de mogelijkheid voor de Koning om het toepassingsgebied van (sommige bepalingen van) de wet uit te breiden tot andere producten dan aardgas.

De Koning heeft hiervan verschillende keren gebruik gemaakt.

In verschillende arresten bekritiseerde de Raad van State de rechten die ondernemingen verkregen die producten via pijpleidingen vervoeren en de gelijkschakeling van deze ondernemingen met aardgasvervoernetten. Tegelijk was de Raad van State zeer kritisch over bepaalde verklaringen van openbaar nut die aan Fluxys verleend waren.

We schreven hierover al vroeger en hoopten dat “deze arresten een aanleiding zouden kunnen zijn om de ganse vergunningenprocedure voor de aanleg van aardgasvervoersinstallaties, met inbegrip van de veiligheidsmaatregelen, te herbekijken”:

De wetgever heeft intussen gereageerd.

Met de wet van 8 mei 2014 voegde hij een artikel 8/7 in de Gaswet in. Hiermee kwalificeert hij alle vervoerinstallaties en alle werken uitgevoerd voor de aanleg en de uitbating van deze installaties op onweerlegbare wijze van openbaar nut. Het artikel luidt: “Onder voorbehoud van artikel 4 worden alle vervoerinstallaties, ongeacht de begunstigde ervan, en alle werken uitgevoerd voor de aanleg en de uitbating van deze installaties, op onweerlegbare wijze geacht van openbaar nut te zijn.” Artikel 4 Gaswet somt de toekenningsvoorwaarden voor een vervoersvergunning op.

Opvallend is dat het automatische vermoeden van openbaar nut geldt voor alle vervoerinstallaties. Het vermoeden geldt dus ook voor directe leidingen of voor installaties voor het vervoer van andere gasachtige producten dan aardgas. Artikel 8/7 staat weliswaar onder afdeling 2 (‘Certificering en aanwijzingsprocedure van de beheerders’) van hoofdstuk III (‘Bepalingen betreffende de vervoersvergunningen en de beheerders’) maar is tekstueel niet beperkt tot Fluxys. Immers, het artikel koppelt het onweerlegbare vermoeden aan ‘alle vervoersinstallaties’. Volgens de definitie (artikel 1, 8°) zijn ‘vervoersinstallaties’ “alle leidingen, met inbegrip van de directe leidingen en de upstream-installaties, en alle opslagmiddelen, LNG- installaties, gebouwen, machines en accessoire inrichtingen die bestemd zijn of gebruikt worden voor een van de in artikel 2, § 1, vermelde doeleinden”. Door de verschillende initiatieven die de Koning op basis van artikel 2, § 3, genomen heeft, vallen hieronder dus ook andere installaties dan die van Fluxys.

Hoewel we uitvoerig pleitten voor de evidentie van het openbaar nutskarakter van investeringen van Fluxys, staan we toch wat afkerig tegenover een evident openbaar nutskarakter van installaties van ondernemingen die geen wettelijk monopolie hebben. Recent verklaarde de koning nog verschillende installaties van private ondernemingen van openbaar nut: koninklijk besluit van 28 april 2016 (Air Liquide) en koninklijk besluit van 6 december 2015 (Air Liquide)

De wetgever vond wel dat de versterking van het vermoeden van openbaar nut van de vervoerinstallaties aan een zekere controle moet worden onderworpen. Daarom zal de Koning de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel bepalen. Dit staat ook in het tweede lid van artikel 8/7 Gaswet: “De Koning bepaalt de nadere regels van het eerste lid van dit artikel.”

De Raad van State, afdeling wetgeving, merkte hierbij op:

“De vraag is echter wat de reikwijdte is van de delegatie die aan de Koning wordt gegeven in het ontworpen artikel 8/7, tweede lid, van de Gaswet. Volgens de memorie van toelichting is het de bedoeling om “[d]e versterking van het vermoeden van openbaar nut van de vervoerinstallaties” aan een zekere controle te onderwerpen. Vermits de Koning “de modaliteiten en het toepassingsgebied van het eerste lid” kan bepalen, krijgt hij daarmee een te onbepaalde bevoegdheid, tot zelfs de mogelijkheid het principe van het onweerlegbaar vermoeden uit te hollen. De delegatie zou dan ook meer omlijnd moeten worden.”

De wetgever is hierop niet ingegaan. Het artikel gaf ook geen aanleiding tot enige discussie in de bevoegde kamercommissie.

In het koninklijk besluit van 1 december 2016 bepaalt de Koning in een nieuw hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 11 maart 1966 dat het vermoeden van openbaar nut bedoeld in artikel 8/7 van de Gaswet van 12 april 1965 van toepassing is op:
“1° de vervoersinstallaties die het voorwerp hebben uitgemaakt van een vervoersvergunning, die vrijgesteld zijn van een dergelijke vergunning, of die het voorwerp hebben uitgemaakt van een melding, overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van de wet;
2° de werken uitgevoerd voor de aanleg en de uitbating van de installaties bedoeld in 1°.”

Het ontgaat mij wat de "controlerende rol" van de Koning is. Hij parafraseert immers enkel artikel 8/7 Gaswet.

Waarom de wetgever en de Koning geen onderscheid maken tussen de vervoersinstallaties van Fluxys, die evident een openbaar nut hebben, en van andere private ondernemingen, die evident geen onmiddellijk openbaar nut hebben, is niet duidelijk.





Share/Bookmark

dinsdag 14 maart 2017

Meldingsverplichting voor installateurs zonnepanelen

Het Vlaams Parlement nam op 15 februari 2017 het ontwerp van decreet tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft het voorkomen, detecteren, vaststellen en bestraffen van energiefraude aan.

Eén van de nieuwe verplichtingen is opgenomen in het in te voegen artikel 4.1.18/2. Voor de veilige en betrouwbare werking van het net moeten installateurs maandelijks aan elke netbeheerder een lijst overmaken met hernieuwbare energie-installaties voor elektriciteitsproductie die zij in het gebied van die DNB installeerden.

Volgens de memorie van toelichting stelt men in de praktijk vast dat “voornamelijk kleinere decentrale, energieopwekkingsinstallaties worden aangesloten op het elektriciteitsnet zonder dat de netbeheerder daarvan op de hoogte is”. Dit heeft volgens de Vlaamse regering potentieel consequenties voor de stabiliteit en capaciteit van dat net. Het houdt ook een gevaar in voor de veiligheid van de personeelsleden van de netbeheerders wanneer zij werken moeten uitvoeren aan een net zonder dat ze weten dat er op bepaalde plaatsen stroom wordt geïnjecteerd.

Daarom wil de Vlaamse regering “ook dat de installateurs van die hernieuwbare energiesystemen een rol op zich nemen”. De installateurs moeten “hun klanten sensibiliseren en wijzen op hun verplichtingen”. Ze krijgen ook een eigen verplichting opgelegd “om dit, onafhankelijk van de producent, aan de netbeheerder te melden”. Tijdens de bespreking in de bevoegde commissie voegde minister Tommelein daar nog aan toe dat men door deze verplichting ook een ontwijking van het prosumententarief wil vermijden. Ook zou de verplichting nodig zijn voor de rapportage van de hernieuwbare energiedoelstellingen van het Vlaamse Gewest aan Europa.

Er bestaat al een (misschien theoretische) federale verplichting voor de producent, de eigenaar van de installatie, om de bouw van een installatie waarmee elektriciteit opgewekt wordt te melden aan de CREG (artikel 4 Elektriciteitswet en artikel 2, § 2, KB 11 oktober 2000).

Men kan zich de vraag stellen in welke mate het Vlaams Gewest deze verplichting bevoegdheidsrechtelijk kan opleggen. De decreetgever verwijst niet naar een basis in de BWHI. Weliswaar zijn de gewesten bevoegd voor de bevordering van hernieuwbare energiebronnen, maar dat maakt hen nog niet bevoegd om de productie van elektriciteit te regelen. Het installeren van eender welke productie-installatie is een louter federale bevoegdheid. De meldingsplicht van die installatie ook. De verwijzing naar de rapporteringsverplichtingen van België (niet van het Vlaams Gewest) aan Europa verandert aan deze vaststelling niet zo veel.

Als de nieuwe verplichting bevoegdheidsrechtelijk stand kan houden, dan kan het VEA de installateurs die niet de nodige meldingen doen bestraffen met een administratieve geldboete van 150 tot 20000 euro (nieuw in te voegen artikel 13.4.11, § 1, Energiedecreet).




Share/Bookmark

Sites en kadastrale percelen bij directe lijnen: what's in a name

Voor de aanleg van een nieuwe directe lijn of leiding of een nieuw gesloten distributienet die de grenzen van de eigen “site” overschrijden, moet de initiatiefnemer een voorafgaande vergunning van de VREG verkrijgen.

Het Energiedecreet omschrijft de “eigen site” als “het kadastrale perceel of de aansluitende kadastrale percelen van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon als eigenaar, opstalhouder of concessiehouder” (artikel 1.1.3 Energiedecreet).

In zijn beslissingen over aanvragen voor nieuwe directe lijnen schrijft de VREG: “Dat immers, naast de kadastrale percelen in eigendom van de Afnemer [] ook een openbare weg betrokken is zodat een perceel betrokken is dat geen kadastraal perceel is, zodat geen sprake kan zijn van aaneensluitende kadastrale percelen.” In een voetnoot volgt dan “Openbare wegen, waterlopen, enz. zijn ongenummerde percelen. Ongenummerde percelen zijn geen kadastrale percelen, want elk kadastraal perceel draagt per definitie een kadastraal perceelnummer waarmee het kadastraal geïdentificeerd kan worden, en waarmee het opgenomen kan worden in de alfanumerieke database en waardoor er een kadastraal inkomen aan kan worden toegekend.”

Zowel bij de term “eigen site” als bij de invulling van “kadastrale percelen” kan men kanttekeningen plaatsen.

Volgens Van Dale is een “site” een woord afkomstig uit het Frans of het Engels, met als eerste betekenis een “vestigingsplaats, locatie”, verwijzend naar website. Belgische-Nederlands is de betekenis ook “archeologisch opgravingsterrein”. In het Frans betekent “site” “paysage [considéré du point de vue de l'esthétique, du pittoresque]” of “configuration du lieu, du terrain où s'élève une ville, manière dont elle est située [considérée du point de vue de son utilisation par l'homme: communications, facilités de développement]”. Andere betekenissen zijn minder relevant. In het Engels betekent “site” “an area of ground on which a town, building, or monument is constructed” of “a place where a particular event or activity is occurring or has occurred”.

“Eigen site”, in de betekenis van aaneensluitende stukken grond, is dus eigenlijk geen deftig Nederlands.

Over het Kadaster verscheen bij Intersentia in 2016 een prachtig boek onder hoofdredactie van Robert Palmans en professor Marc Boes.

In hun bijdrage over “De aanwending van het kadaster en de kadastrale informatie in het Belgische recht” schrijven professor Ruud Jansen en notaris Pieter-Jan De Decker dat “de overheid het kadaster aanwendt voor allerhande functies die niet overeenstemmen met de oorspronkelijke functie van het kadaster, noch met de opbouw en het juridisch karakter ervan”.

De auteurs schrijven:

“Het kadaster vervult in het huidige fiscale recht een voorname rol bij de belastingheffing op de inkomsten van onroerende goederen. Dit stemt overeen met zijn historische functie. Het uitgangspunt in het fiscale recht is dat de belasting op de onroerende inkomsten wordt bepaald aan de hand van het kadastrale inkomen. Het kadastrale inkomen wordt vastgesteld voor alle gebouwde en ongebouwde onroerende goederen in België, alsmede voor het materieel en de outillage die onroerend zijn van nature of door bestemming (art. 471, § 1 WIB 1992). Het openbare domein en daarmee gelijkgestelde onroerende goederen (bv. spoorwegbeddingen) zijn uitgesloten. Het kadastrale inkomen vormt de forfaitair geraamde netto-opbrengst van dergelijk onroerend goed op één jaar (art. 471, § 2 WIB 1992). Het kadastraal inkomen geeft dus aan wat de normale opbrengst (uit bv. verhuring) is van een onroerend goed op een welbepaald referentietijdstip."
De vaststelling van het kadastraal inkomen gebeurt voor ieder perceel ('kadastraal' perceel) eenzijdig door de administratie van het kadaster (art. 472, § 1 WIB 1992). Ieder kadastraal perceel is een deel van het grondgebied met eenzelfde gebruik dat aan een afzonderlijke eigenaar (of groep eigenaars) toekomt.

Op basis van de vaststelling dat “de oorspronkelijke ordening van het kadaster niet op tegensprekelijke wijze tot stand gekomen is”, schrijven de auteurs dat “de ordening van het kadaster dan ook geen ordening [is] die rechtsgevolgen kan teweegbrengen op de rechten van de verschillende grondeigenaars”: “De kadastrale omschrijving van een perceel geeft met andere woorden niet op onaantastbare wijze de grenzen en de oppervlakte van een perceel weer.”

De auteurs besluiten algemeen:
“Vandaag is het kadaster niets anders dan een gegevensbank van de federale overheid financiën waarin gegevens worden verzameld over onroerende goederen met het oog op de inning van belastingen op onroerend goed. (…) [Het andere] gebruik van het kadaster roept (…) fundamentele vragen op. De meest fundamentele vraag is of de gegevens uit het kadaster nauwkeurig genoeg zijn om deze rol aan het kadaster toe te kennen. Deze vraag moet negatief beantwoord worden. De gegevens uit het kadaster omtrent de burgerrechtelijke karakteristieken van een onroerend goed (de identiteit van de eigenaar, de perceelconfiguratie, de oppervlakte enz.) worden slechts op indirecte wijze doorgegeven aan het kadaster, zodat deze gegevensbank nimmer actueel is, en het gevaar loopt dat er foute gegevens worden ingebracht. Om die redenen moet men zeer omzichtig zijn met het gebruik van het kadaster. Het gevaar is dat men bij het nemen van beslissingen, het beslechten van geschillen en het geven van informatie niet verder zal gaan dan wat die gegevensbank aanduidt, en amper nog nagaat op welke wijze deze gegevens (al dan niet op correcte wijze) in de gegevensbank terechtgekomen zijn.”
In hun bijdrage “De waarde van kadastrale gegevens” geven Robert Palmans en Ruth Moors een gedetailleerd casuïstisch bewijs van de voorgaande stelling. Openbare wegen met kadastrale nummers, buurtwegen of straten die niet vermeld staat in het kadaster (maar er wel zijn), beken en rivieren die niet meer stromen waar ze stroomden, maar wel opgenomen zijn in het kadaster, percelen grond die volgens het kadaster niet grenzen aan een openbare weg maar aan een niet meer bestaande beekbedding, verlegde buurtwegen, … Daarenboven blijkt uit het overzicht dat het feit dat een (deel van een) perceel een kadastraal nummer heeft, geen uitsluitsel kan geven over de vraag of de percelen “aaneensluitend” zijn. Immers, het kadastraal perceel kan rijken tot het midden van een nieuw aangelegde openbare weg en onder die weg aansluiten op een ander perceel.

Enkel en alleen op basis van een actuele kaart (bv. Google Maps of Bing Maps) vaststellen dat er een (openbare) weg ligt tussen twee percelen is dan ook niet voldoende om te besluiten dat er geen sprake is van aansluitende kadastrale percelen. Anderzijds kan men ook uit het kadaster niet afleiden of twee percelen aaneensluitend zijn als die, volgens het kadaster, maar anders dan in de realiteit, doorkruist worden door een ongenummerd perceel van een opgeheven buurtweg.




Share/Bookmark

vrijdag 10 maart 2017

Verwarring over verjaring van energiefacturen voltooid verleden tijd?

De federale regering stelt in het wetsontwerp van 16 januari 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie een uniforme regeling voor de verjaring van energiefacturen voor. Als de Kamer het wetsontwerp aanneemt, zullen energiefacturen verjaren vijf jaar na de datum van de factuur.

Ik besprak de verjaringsproblematiek al in mijn bijdrage in het Jaarboek Energierecht 2014.

Op basis van artikel 2277 BW verjaren vorderingen voor “al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen” door verloop van vijf jaren.

Deze verkorte verjaringstermijn wil schuldenaren beschermen tegen de opeenstapeling van periodieke schulden en schuldeisers aanzetten tot zorgvuldigheid. Volgens preliberaliseringsrechtsleer en -rechtspraak kon deze vijfjarige termijn nooit van toepassing zijn op schulden ten aanzien van elektriciteits- en gasintercommunales. Het Grondwettelijk Hof sprak zich in 2005 en 2007 anders uit. Het Hof van Cassatie volgde uiteindelijk het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 25 januari 2010.

Na de arresten van het Grondwettelijk Hof aanvaardde men dus dat periodieke schulden voor water, elektriciteit, aardgas of telecommunicatie verjaren na verloop van vijf jaren (artikel 2277 BW). Die schulden zijn periodiek terugkerende schulden, die hun oorsprong vinden in eenzelfde rechtsgrond (bv. telefoonabonnement of leveringsovereenkomst voor elektriciteit of aardgas).

Dit algemene begrip was gebaseerd op een selectieve lezing van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 2007. In dit arrest besliste het Hof dat dat de verkorte verjaringstermijn van artikel 2272, lid 2, BW niet van toepassing is voor leveringen van diensten, zoals telecommunicatiediensten, “omdat in de regel van de overeenkomst voor dergelijke leveringen een geschrift wordt opgesteld”. Door in deze passage vooral te willen lezen dat artikel 2272 BW niet geldt voor leveringen van diensten omdat hiervoor in de regel een geschrift bestaat, meenden velen dat bij elektriciteit en aardgas, waar men ook een onderliggende leveringsovereenkomst heeft, het artikel eveneens niet van toepassing is.

De korte, kwijtende eenjarige verjaringstermijn van artikel 2272, lid 2, BW steunt op een vermoeden van contante betaling van kleine schuldvorderingen die in principe niet schriftelijk worden afgehandeld. Dit herhaalde ook het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 20 juni 2007: “De korte verjaringstermijn is gebaseerd op een vermoeden van betaling en wordt gemotiveerd door het feit dat van het ontstaan en de kwijting van dergelijke schulden doorgaans geen geschrift wordt opgesteld.” De toepassing van artikel 2272 ev. als betalingsvermoedens staat en valt dus met het wegblijven van geschreven sporen (mede) van de schuldenaar, zowel van het ontstaan als van het tenietgaan der geldschuld.

Als de schuldenaar de schuld erkent in een geschreven stuk geldt de éénjarige verjaringstermijn niet. Een afbetalingsplan, een brief, een verklaring,... zijn stukken die de verkorte verjaring vermijden. Een mondelinge of stilzwijgende erkenning vanwege de schuldenaar volstaat niet.

In zijn arrest van 8 januari 2015 besliste het Hof van Cassatie dat een middel dat steunt op de veronderstelling dat een vordering door een elektriciteitsleverancier op een consument voor de periodieke levering van elektriciteit maar kan verjaren bij toepassing van artikel 2277 BW, omdat die levering gebaseerd is op een leveringsovereenkomst en omdat er facturen worden opgesteld, ‘faalt in rechte’:

“Le moyen, qui soutient que l'action du fournisseur d'énergie contre le consommateur en paiement de fournitures périodiques d'électricité est toujours régie par l'article 2277 du Code civil, parce que, en règle générale, une preuve écrite est établie du contrat relatif à ces fournitures et que des factures sont adressées par le fournisseur au consommateur, manque en droit.”

Het arrest van 8 januari 2015 stelde volgens mij dat het feit dat er een leveringsovereenkomst is niet voldoende is voor de uitsluiting van de verkorte verjaringstermijn noch voor de toepassing van artikel 2274, lid 2, BW. Genuanceerder interpreteerde ik het arrest dat het feit dat er een leveringscontract of facturen voorhanden zijn er nog niet automatisch toe leidt dat enkel artikel 2277 BW van toepassing is.

Het arrest leidde tot heel wat controverse in de rechtsleer. Ook de rechtspraak reageerde verdeeld. De meeste commentatoren riepen wel op om de wetgeving te verduidelijken en de archaïsche bepalingen te actualiseren.

De regering doet dit met dit wetsontwerp. Met dit ontwerp wil de regering reageren op het feit dat er “vanuit een bepaalde hoek evenwel gepleit wordt voor de toepassing van de eenjarige verjaringstermijn van artikel 2272, tweede zinsdeel, van het Burgerlijk Wetboek op de vorderingen tot betaling van facturen voor levering van energie aan huishoudelijke klanten”. De lezing in die “bepaalde hoek” doet “niet alleen onduidelijkheid, maar tevens een aantal praktische problemen, eigen aan deze sector [ontstaan]”. Het arrest leidt tot “problemen”. Het probleem ligt hem dus niet in de achterhaalde wetgeving, maar in de interpretatie van een problematisch arrest door een aantal zonderlingen.

In de commentaar bij het voorgestelde artikel is de regering genuanceerder en objectiever.

Het wetsontwerp beoogt de invoering van een tweede lid bij artikel 2277 BW: “Schuldvorderingen wegens levering van goederen en diensten via distributienetten voor water, gas of elektriciteit of de levering van elektronische communicatiediensten, omroeptransmissie- en omroepdiensten via elektronisch communicatienetwerken verjaren na verloop van vijf jaren.”

Volgens de memorie van toelichting start de verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de vervaldatum van de factuur. De regering verwijst hiervoor naar artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek.







Share/Bookmark