dinsdag 7 januari 2020

Mogen rechters een krom klimaatbeleid rechttrekken?

Op 20 december 2019 heeft de Hoge Raad een eindoordeel geveld in de Nederlandse Klimaatzaak. Deze zaak werd ingesteld door de stichting Urgenda. Eerder hadden de rechtbank van eerste aanleg (in 2015) en het hof van beroep (in 2018) de Nederlandse staat al bevolen om maatregelen te nemen om de uitstoot van broeikasgassen tegen eind 2020 met minstens 25% te verminderen t.o.v. 1990. Het verrassende vonnis van de eerste rechter inspireerde enkele landgenoten om in 2015 ook een Belgische klimaatzaak op te starten.

Het hof van beroep leidde uit de artikelen 2 (het recht op leven) en 8 EVRM (het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven), een zorgplicht af van de Staat om zijn inwoners te beschermen tegen de dreiging van de klimaatopwarming. Wat het meest opvalt in het arrest, is dat het hof de Staat op basis van die zorgplicht oplegt om tegen eind 2020 een emissiereductie van minstens 25% te realiseren, terwijl de Staat terecht opmerkte dat zij door geen enkel rechtsnorm juridisch wordt verplicht om een dergelijke reductie te behalen. De EU-lidstaten hebben zich slechts verbonden tot een emissiereductie van 20% tegen eind 2020 en in VN-verband werden geen bindende reductiedoelstellingen afgesproken tegen eind 2020. De minimale emissiereductie van 25% waarop het hof zich baseert, is afkomstig uit het vierde evaluatierapport van het IPCC (AR4) waarnaar werd verwezen op verschillende VN-klimaatconferenties.

De Staat tekende cassatieberoep aan tegen het arrest van het hof van beroep. Dit beroep bestaat uit negen onderdelen (§ 3.1 – 3.6):

  1. Onderdelen 1 en 2: Volgens de Staat kan geen bescherming worden ontleend aan de artikelen 2 en 8 EVRM en heeft het hof de beoordelingsmarge die het EHRM aan de staten toekent, miskend.
  2. Onderdeel 3: Op grond van het Nederlandse procesrecht kan een stichting zoals Urgenda de gelijksoortige belangen van andere personen als het ware "bundelen" en op basis daarvan een rechtsvordering instellen, voorzover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt (artikel 3:305a BW). De artikelen 2 en 8 EVRM zouden zich volgens de Staat niet lenen tot zo'n bundeling, omdat deze bepalingen enkel individuele rechten beschermen en niet de samenleving als geheel.
  3. Onderdeel 4 t.e.m. 8: De Staat is niet juridisch gebonden aan een reductiedoelstelling van 25% tegen eind 2020. Ze is internationaal en Europees wel gebonden aan een emissiereductie van 20% tegen eind 2020. Die 20% geldt bovendien voor de EU in zijn geheel.
  4. Onderdeel 9: Het door het hof van beroep bekrachtigde bevel van de rechtbank komt neer op een bevel tot wetgeving. De rechtspraak van de Hoge Raad laat dit volgens de Staat niet toe. Daarnaast zou het niet aan de rechter zijn om de politieke afwegingen te maken die nodig zijn voor de besluitvorming over de emissiereductie. 
De Hoge Raad heeft alle cassatieklachten verworpen. 

Het hele arrest is het lezen meer dan waard, maar het antwoord van de Hoge Raad op het vierde t.e.m. het achtste onderdeel is één van de opmerkelijkste. Volgens de Hoge Raad is Nederland verplicht om de uitstoot van broeikasgassen met minstens 25% te verminderen tegen eind 2020. Nochtans merkt de Hoge Raad op dat de door de zogenaamde “Annex I-landen” (dit zijn de geïndustrialiseerde landen, waaronder de lidstaten van de EU) als doelstelling geformuleerde reductie van 25% tot 40% van de uitstoot van broeikasgassen in 2020 ten opzichte van 1990, op zichzelf geen bindende regel of afspraak is (§ 7.1). 

Om deze redenering van de Hoge Raad te begrijpen, is zijn interpretatie van de artikelen 2 en 8 EVRM van belang (§ 5.3.1 – 5.3.3). 

Volgens de Hoge Raad beschermen de artikelen 2 en 8 EVRM niet alleen specifieke personen, maar ook de samenleving of bevolking als geheel. Dit is onder andere het geval bij milieugevaren. Alle bewoners van het gebied waarin die gevaren zich voordoen, zijn dan beschermd door de artikelen 2 en 8 EVRM. Uit deze artikelen volgt een positieve plicht voor de Staat om passende maatregelen te nemen tegen milieugevaren, ook wanneer het niet zeker is dat de risico’s zich daadwerkelijk zullen realiseren. Dit volgt uit het voorzorgsbeginsel. Nederland kan op basis van de artikelen 2 en 8 EVRM worden aangesproken om zijn uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Hoewel de klimaatopwarming een globaal probleem is, heeft ieder land daarin zijn aandeel en dient iedere staat “het zijne” te doen. De Hoge Raad merkt nog op dat wanneer het risico op schade “real and immediate” is, dat de verdragsstaten van het EVRM dan niet over een beoordelingsmarge (de zogenaamde “margin of appreciation”) beschikken. Ze kunnen wel kiezen welke maatregelen ze nemen, voor zover deze daadwerkelijk redelijk en geschikt zijn. De rechter kan de maatregelen die de Staat neemt, onderzoeken en nagaan of deze inderdaad redelijk en geschikt zijn. 

Cruciaal is de verwijzing van de Hoge Raad naar de “common ground” interpretatiemethode van het EVRM (§ 5.4.1 – 5.4.3). Volgens het EHRM mag het Hof bij zijn interpretatie van het EVRM rekening houden met elementen van internationaal recht andere dan het EVRM, de interpretatie van bevoegde organen en de praktijk van de Europese staten waaruit hun gemeenschappelijke waarden blijken. De consensus die blijkt uit gespecialiseerde internationale instrumenten en de praktijk van de Verdragsstaten, is een relevant element voor het EHRM wanneer het de verdragsbepalingen interpreteert in specifieke zaken. 

Die “common ground” methode biedt de Hoge Raad een kapstok om de verplichting tot 25% emissiereductie op te baseren. Op basis van deze methode kan de rechter concrete verplichtingen voor de Staat afleiden uit de artikelen 2 en 8 EVRM (§ 6.3 – 6.5 EVRM). 

Volgens de Hoge Raad bestaat er een grote mate van internationale consensus over de dringende noodzaak van een emissiereductie van 25 tot 40% tegen eind 2020 t.o.v. 1990 (§ 7.2.7 en 7.2.11). De 25-40% emissiereductie wordt vermeld in het vierde evaluatierapport van IPCC als doelstelling om de opwarming onder de drempel van 2°C te houden. Naar deze doelstelling en/of dit scenario werd verwezen op de opeenvolgende klimaatconferenties van Bali (2007), Cancún (2010), Durban (2011), Doha (2012), Warschau (2013) Lima (2014) en Parijs (2015) (§ 7.2.1 – 7.2.4). 

Hoewel de 25-40% doelstelling, zoals de Staat terecht opmerkt, geldt voor de Annex I-landen als geheel, gaan zowel het VN-Klimaatverdrag als het Akkoord van Parijs volgens de Hoge Raad uit van een individuele verantwoordelijkheid van staten (§ 7.3.2). Daarnaast heeft de Staat ook niet geargumenteerd waarom voor Nederland een lager percentage zou moeten gelden (§ 7.3.4). 

Het argument van de Staat dat Nederland zich slechts heeft verbonden tot een emissiereductie van 20% tegen eind 2020, veegt de Hoge Raad van tafel (§ 7.3.3):
“De Staat verwijst slechts naar die afspraken [de afspraken in EU-verband] omdat deze volgens hem de enige normen zijn die hem verplichten tot een bepaalde concrete vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Dat betoog miskent echter dat de Staat, zoals hiervoor in 5.8 en 6.3-6.5 is overwogen, ook op grond van de art. 2 en 8 EVRM tot een dergelijke vermindering kan zijn gehouden, waarbij de hiervoor in 7.2.11 genoemde consensus van belang is.”
Een ander belangrijk element in de beoordeling van de Hoge Raad is dat Nederland tot 2011 zelf uitging van een reductiedoelstelling van 30%. Na 2011 heeft de Staat zijn eigen doelstelling verlaagd naar de 20% emissiereductie die werd overeengekomen in EU-verband (§ 7.4.1 en 7.4.2). In het Belgische rechtssysteem zou men in dit geval kunnen inroepen dat de Staat de standstill-verplichting voor de bescherming van het leefmilieu uit artikel 23 Grondwet heeft geschonden (zie bv. GwH 19 juli 2018, nr. 101/2018, B.16.2). In Nederland bestaat er blijkbaar geen gelijkaardige verplichting.

De Hoge Raad beschouwt de niet-bindende engagementen die Nederland als Annex I-land is aangegaan in VN-verband, dus als evenwaardig aan de verplichtingen waartoe Nederland zich in EU-verband heeft verbonden. En dit door een beroep te doen op zeer algemeen geformuleerde mensenrechtenbepalingen.

Hoewel grotere inspanningen om de uitstoot van broeikasgassen verder terug te dringen dan 20% tegen eind 2020, kunnen worden toegejuicht, wringt de manier waarop de Hoge Raad niet-bindende engagementen heeft geïnterpreteerd. De “soft law” die de klimaatconferenties op basis van een wetenschappelijk rapport heeft opgeleverd, wordt hier wel heel erg “hard” gemaakt. Als rechters dergelijke engagementen via de omweg van het EVRM zo strikt kunnen toepassen, kan dit ertoe leiden dat toekomstige klimaatconferenties nog vagere teksten zonder concrete doelstellingen zullen opleveren. Eén en ander is natuurlijk te wijten aan het onvermogen van de politiek om een passend antwoord te bieden op de uitdagingen van de klimaatopwarming. De ambities van de nieuwe Europese Commissie om de reductiedoelstellingen aan te scherpen, bieden gelukkig hoop voor de toekomst. Wordt ongetwijfeld vervolgd…



Share/Bookmark

woensdag 11 december 2019

Decentrale verkoop van decentrale hernieuwbare energie is ook levering

Als een huishoudelijke afnemer of een KMO een overeenkomst afsluit voor de afname van elektriciteit van een hernieuwbare energie-installatie op of naast zijn gebouw, dan zullen de partijen vaak overeenkomen dat de afnemer gedurende een langere tijd verplicht is te kopen. Langetermijncontracten zijn belangrijk om de economische haalbaarheid van de investering te onderbouwen.

Terminologische slordigheid van de federale wetgever zou ertoe leiden dat de afnemer denkt dat hij van dat contract af kan geraken mits een opzeggingstermijn van één maand.

Artikel 18, § 2/4 van de Elektriciteitswet bepaalt:

§ 2/3. De huishoudelijke afnemer of de K.M.O. heeft het recht een overeenkomst, zowel van bepaalde duur als van onbepaalde duur, voor de continue levering van elektriciteit op elk ogenblik te beëindigen mits een opzegtermijn van één maand wordt nageleefd.
Elk contractueel beding dat afbreuk doet aan dit recht, is van rechtswege nietig.
De leverancier waarmee de huishoudelijke afnemer of de K.M.O. een overeenkomst tot continue levering van elektriciteit sluit, wordt verondersteld gemandateerd te zijn om het recht bedoeld in het eerste lid uit te oefenen, tenzij uitdrukkelijke, andersluidende overeenkomst.
Wanneer de huishoudelijke afnemer of de K.M.O. gebruik maakt van het recht dat hem wordt toegekend krachtens het eerste lid, mag hem hiervoor geen enkele vergoeding in rekening worden gebracht.
Een KMO is, volgens de federale Elektriciteitswet, “de eindafnemer met een jaarlijks verbruik van minder dan 50 MWh elektriciteit en minder dan 100 MWh gas voor het geheel van [zijn] toegangspunten op het transmissie-/transportnet en/of distributienet”.

Een leverancier moet niet noodzakelijk een leveringsvergunning hebben. Een leverancier is, volgens artikel 2, 15°bis, Elektriciteitswet: “Elke rechtspersoon of natuurlijke persoon die elektriciteit levert aan één of meerdere eindafnemers; de leverancier produceert of koopt de, aan de eindafnemers verkochte, elektriciteit.” Een onderneming die met een hernieuwbare energie-installatie elektriciteit produceert en die elektriciteit verkoopt aan een afnemer, levert die elektriciteit en is dus een leverancier. De levering is “de verkoop, met inbegrip van de doorverkoop van elektriciteit aan afnemers” (artikel 2, 15°quater Elektriciteitswet).

Was het de bedoeling van de wetgever om bij alle leveringscontracten (dus de levering langs het publieke distributienet door houders van een leveringsvergunning als de verkoop van elektriciteit van een lokale producent aan een lokale afnemer) een verplichte opzeggingsmogelijkheid van één maand op te leggen?

Bij de bespreking van het wetsontwerp stelde staatssecretaris Wathelet:
“Ter uitvoering van het akkoord van de Ministerraad van 12 maart 2012 voorziet het voorliggende wetsontwerp allereerst in het verbod op verbrekingsvergoedingen voor alle contracten in verband met gas- en elektriciteitslevering, mits een opzegtermijn van één maand in acht wordt genomen. In tegenstelling tot wat het voornoemde akkoord bepaalde, wordt geen enkele uitzondering toegestaan, opdat de tekst aan duidelijkheid niets te wensen overlaat.”
De laatste zin laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De tekst van de wet zelf daarentegen wel.

De wet heeft het immers over de “continue” levering van elektriciteit. Elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen is, zeker als het over wind en zon gaat, “intermittent” (niet-continu). De productie, en dus ook de levering, is afhankelijk van omstandigheden waarop niemand vat heeft: het weer. Als de zon niet schijnt of de wind niet waait, is er geen productie en dus ook geen levering. Een afnemer kan dus niet continu, wanneer hij dat zou willen, elektriciteit kopen van de producent.

Artikel 18, § 2/4 geldt volgens mij daarom niet voor overeenkomsten over de verkoop van decentraal opgewekte elektriciteit aan een afnemer in de onmiddellijke nabijheid (via een directe lijn, al dan niet op eigen site).

Meer in het algemeen zouden de wet- en decreetgevers er goed aan doen na te denken of voor elke vorm van levering dezelfde verplichtingen (bv. rapportering, facturatiebepalingen, ...) moeten gelden. Er is toch een groot verschil tussen een leverancier die elektriciteit levert via de distributienetten aan duizenden afnemers en wiens fuelmix bepaald wordt door de trading desks ergens in het buitenland en een lokale producent die aan een even lokale afnemer steeds maar weer dezelfde, maar discontinue, (hernieuwbare) elektriciteit verkoopt.




Share/Bookmark

dinsdag 3 december 2019

Vlaanderen: maak werk van een richtlijnconforme oplossing voor privédistributienetten

Het Hof van Justitie heeft het afgelopen jaar twee arresten (HvJ 28 november 2018, nr. C-262/17, Solvay Chimica en HvJ 17 oktober 2019, C-31/18, Elektrorazpredelenie Yug) uitgesproken waarin hij het citiworks-arrest (HvJ 22 mei 2008, C-439/06, citiworks) bevestigt.

Volgens het Hof mogen de lidstaten geen andere systemen voor de verdeling van elektriciteit erkennen dan transmissiesystemen of distributiesystemen in de zin van de Elektriciteitsrichtlijnen:

“Hoe dan ook dient erop te worden gewezen dat de lidstaten systemen (…) die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2009/72 vallen, niet kunnen onderbrengen in een andere categorie (…)systemen dan de categorieën die uitdrukkelijk in die richtlijn zijn vastgesteld, teneinde daaraan ontheffingen te verlenen waarin die richtlijn niet voorziet.” (HvJ 28 november 2018, rn. 48)
Advocaat-generaal Pitruzella schreef in zijn advies voor het arrest van 17 oktober 2019:
“[I]n de eerste plaats [moet] de regeling van de richtlijn op de transmissie- en distributiesystemen in hun geheel van toepassing zijn. Er mogen derhalve geen “grijze gebieden” zijn, dat wil zeggen delen van het elektriciteitsnet die als transmissie- of distributiesysteem in de zin van richtlijn 2009/72 kunnen worden aangemerkt, maar waarop de regeling van deze richtlijn niet van toepassing is. Richtlijn 2009/72 voorziet voor het onderscheid tussen transmissiesysteem en distributiesysteem niet in een “tertium genus” en veronderstelt dat het volledige elektriciteitsnet aan de bepalingen ervan is onderworpen.”
Het Hof van Justitie herhaalt dus dat elk net waarmee elektriciteit verdeeld wordt aan eindafnemers onder het toepassingsgebied van de Elektriciteitsrichtlijnen valt. Of een net nu eigendom is van een elektriciteitsonderneming of van een particulier die actief is in andere domeinen, is niet relevant.

Dat betekent ook dat er geen netten kunnen bestaan waarop de regels van de richtlijnen niet van toepassing zijn.

Hogere rechtspraak uit Oostenrijk en Frankrijk zit op dezelfde lijn als het Hof van Justitie.

In zijn arrest van 12 januari 2017 oordeelt het hof van beroep van Parijs:
"Il s’ensuit qu’à l’exception des réseaux répondant à la notion de « ligne directe » (articles 1er, point 15, et 34 de la directive 2009/72), toute personne physique ou morale qui exploite un réseau de distribution d’électricité doit être désignée en tant que gestionnaire de ce réseau. (…)
Un réseau de distribution d’électricité se définit donc à la fois par ses caractéristiques techniques – la capacité à assurer le transport de l’électricité – et par sa finalité – le transport aux fins de fourniture à des clients."
Het Verwaltungsgerichtshof van Oostenrijk oordeelt in zijn arrest van 1 oktober 2018 (vrije vertaling):
“4.5.4 (…) Aangezien de Elektriciteitswet 2005 tot doel heeft de richtlijn om te zetten, moet ervan worden uitgegaan (…) dat het net van de aanvrager, ongeacht de grootte en de omvang ervan met betrekking tot (slechts) één afgebakend gebied, een distributienet in de zin van de bepalingen van de Elektriciteitswet 2005 is, aangezien de aanvrager zijn eigen net in stand houdt in een bepaald gebied, dat voor de elektriciteitsvoorziening aan de huurders dient. Het feit dat de aanvrager met de distributie van de elektriciteit geen primair ondernemingsdoel nastreeft, maar enkel voldoet aan een bijkomende verplichting die uit de huurovereenkomsten voortvloeit, staat er evenmin aan in de weg dat de feiten als de exploitatie van een distributienet worden beschouwd.

4.5.5 Het middel dat het geen distributienetwerk kan zijn, omdat de aanvrager de elektriciteit aan de huurders verrekent en dus de "levering" verricht (...) doet niets af aan deze conclusie. De ontvlechting van het beheer van het net, en de productie en levering is bedoeld om de doelstelling van de richtlijn betreffende de elektriciteitsmarkt met betrekking tot de bevordering van de mededinging op de elektriciteitsmarkt (...) te verwezenlijken. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat een persoon die ook elektriciteit verkoopt, niet tegelijkertijd - zij het misschien illegaal - de functie van distributienetbeheerder in de zin van de bovenstaande definitie kan vervullen. In zijn arrest "citiworks AG" - zoals hierboven reeds vermeld - ziet het Europese Hof van Justitie geen reden om het onderzochte net uit te sluiten van het begrip distributienet door het feit dat de netbeheerder de klanten van elektriciteit voorziet.”
In Duitsland keuren verschillende hogere rechtbanken (zie bv. OLG Düsseldorf en OLG Frankfurt) nochtans het systeem van de Kundenanlagen expliciet goed, zonder na te (willen) gaan of die Kundenanlagen al dan niet richtlijnstrijdig zijn. Ook de Duitse rechtsleer besteedt bijzonder weinig aandacht aan de vraag naar de richtlijnstrijdigheid van dit soort van netten en neemt de richtlijnsconformiteit gemakshalve en nogal kritiekloos aan.

Een Kundenanlage (§ 3, 24a en 24b Energiewirtschaftsgesetz) is een energie-installatie van de afnemer die zich op een geografisch afgebakend gebied bevindt, die is aangesloten op een transmissie- of distributienet, die onbeduidend is voor het waarborgen van een daadwerkelijke en onvervalste mededinging bij de levering van elektriciteit en gas, en die op niet-discriminerende wijze en kosteloos ter beschikking worden gesteld van eenieder met het oog op de levering aan aangesloten eindverbruikers, ongeacht de keuze van de energieleverancier.

Volgens de Duitsers kunnen privédistributienetten, zoals Kundenanlagen, op basis van het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, perfect ingepast worden in de uitvoering van de Europese wetgeving. Ze verwijzen hierbij naar het feit dat de beheerder van een Kundenanlage geen vergoeding voor het gebruik van zijn net mag vragen: “Der Betreiber darf hier kein Netznutzungsentgelt verlangen. Die Kundenanlagen fallen demgemäß nicht in den Anwendungsbereich der Elektrizitätsbinnenmarktrichtlinie. Auch dies spricht gegen eine Übernahme der Wertungen aus der Richtlinie.“ (Praxishandbuch geschlossene Verteilernetze)

Ook in Vlaanderen kent met privédistributienetten netwerken die niet moeten voldoen aan de voorwaarden die de Europese wetgeving oplegt aan transmissie- of distributienetten. De argumentatie in Vlaanderen loopt gelijk met die van de Duitsers:
“Wat immers met bijvoorbeeld (studenten)kamers, rusthuizen of vakantiewoningen: moeten studenten in hun studentenkamer, rusthuisbewoners, en zelfs vakantiegangers op het vakantiedomein, vrij hun leverancier kunnen kiezen? Moeten de uitbaters van deze ‘netten’ hun tarieven en voorwaarden voor toegang tot hun net bekendmaken? Er kan hier geopperd worden dat de ratio legis van de vrijstellingsmogelijkheden voor gesloten distributienetten, namelijk dat het opleggen van alle netbeheerdersverplichtingen een onnodige administratieve belasting vormt gezien de bijzondere aard van de betrekking tussen de netbeheerder en de gebruikers van dit net, nog veel meer opgaat. Of zoals de Europese energieregulatoren het leken te willen omschrijven: het gaat om netten van minder belang in termen van concurrentie.”
Zoals de VREG aangeeft in haar Ontwerpmededeling van 23 oktober 2019 was de Raad van State kritisch over de voorgestelde Vlaamse regeling:
“ondanks de mogelijke en ongetwijfeld zinvolle argumenten die kunnen worden aangevoerd ter verdediging van een regeling betreffende de privédistributienetwerken, moet worden vastgesteld dat de Europese Commissie heeft geoordeeld niet te moeten voorzien in een regeling hiervoor […]. De Raad kan dan ook niet anders dan vast te stellen dat de ontworpen regeling voor privédistributienetwerken op gespannen voet staat met de richtlijnen die ertoe strekken voor de elektriciteits- en gasmarkt een alomvattende regeling uit te werken. Het eindoordeel hieromtrent komt evenwel het Hof van Justitie toe.”
Na het arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2019 kan nog heel moeilijk beargumenteerd worden dat regelingen zoals Kundenanlagen of privédistributienetten richtlijnconform zijn.

Blijkbaar zijn de lidstaten, als ze hiervoor al moeite zouden hebben gedaan, er spijtig genoeg niet in geslaagd om bij de besprekingen voorafgaand aan de Richtlijn 2019/944 uitzonderingen op het zeer verstrekkende toepassingsgebied van de richtlijnen goedgekeurd te krijgen. Nochtans zijn er voor uitzonderingen zoals Kundenanlagen of privédistributienetten zeer zinvolle argumenten, die ik volledig deel.

Bij de omzetting van de Vierde Elektriciteitsrichtlijn doet Vlaanderen er dus goed aan om een pragmatische oplossing uit te werken opdat àlle privédistributienetten inderdaad gereguleerd zouden worden zoals alle andere distributienetten. Men moet dan ook afstappen van de idee – die overigens ook nergens terug te vinden is in de richtlijnen – dat in het werkingsgebied van een distributienetbeheerder geen andere distributienetbeheerder actief kan zijn.



Share/Bookmark

dinsdag 19 november 2019

Blixt is dood, leve Blixt!

Na 9 succesvolle jaren beëindigden Tinne en ik vandaag officieel onze samenwerking binnen Blixt. Sinds 20 juni is Tinne opnieuw voltijds lid van de federale kamer van volksvertegenwoordigers. Zij is intussen terug een gerespecteerd lid van de commissie klimaat en energie en van de subcommissie nucleaire veiligheid. We vinden het volstrekt inopportuun dat er ook maar de minste schijn van belangenvermenging zou kunnen bestaan. Het vertrek van Tinne verzekert haar en onze onafhankelijkheid.

We kijken terug op een uiterst prettige en geslaagde samenwerking. We zijn Blixt van niets gestart in 2010. In de afgelopen jaren hebben we samen ons zeer gerespecteerd nichekantoor voor de energiesector uitgebouwd.

Blixt stopt niet met het vertrek van Tinne. Samen met Julie Vanhoenacker blijf ik onze klanten elke dag met veel passie en overtuiging bijstaan in het complexe doolhof van de Belgische energieregelgeving. We blijven trouw aan onze principes: Blixt zal ook in de toekomst nooit werken voor netbeheerders en regulatoren. Blixt is er nog altijd rotsvast van overtuigd dat de noodzakelijke veranderingen in ons energielandschap er voornamelijk kunnen komen door kleine en grote private initiatieven. Die initiatieven blijven we verbeten ondersteunen.

Julie en ik wensen Tinne enorm veel succes in het parlement. De politieke uitdagingen zijn groot. We zijn ervan overtuigd dat Tinne die vakkundig en doortastend mee zal aanpakken.
Share/Bookmark

dinsdag 12 november 2019

Is een lijn tussen een productie-installatie en een afnamepunt die beide gelegen zijn op hetzelfde perceel een directe lijn op eigen site?

In het Consultatiedocument van de VREG van 24 oktober 2019 met betrekking tot een nieuwe mededeling inzake gesloten distributienetten, privédistributienetten, directe lijnen en directe leidingen komen een aantal opmerkelijk voorstellen voor.

Ik licht er hier één voorstel uit.

Op pagina 29/52 schrijft de VREG:

Uit deze bewoordingen blijkt dat er enkel sprake is van een directe lijn die de eigen grenzen van de eigen site niet overschrijdt (i.e. “ligging op eigen site”) als het de beheerder van de directe lijn is die een beroep kan doen op dat statuut van ligging op eigen site. Het is de beheerder van de directe lijn die de vernoemde zakelijke rechten, vermeld in de definitie van het begrip “eigen site”, op de betrokken kadastrale percelen in handen moet hebben.

De ligging van een directe lijn of leiding al dan niet op eigen site hangt dus af van de vraag wie deze lijn of leiding beheert. De beoordeling van de situering van de directe lijn of leiding, al dan niet op eigen site, is dus persoonsgebonden.
(…)

VOORBEELD 3

Een kadastraal perceel is eigendom van A. Opstalrecht in hoofde van B voor plaatsing productie-installatie op dat perceel. Dit voorbeeld ligt in de lijn van voorbeeld 2.

Als A, eigenaar van het kadastrale perceel, een aanvraag indient voor de aanleg of beheer van een directe lijn tussen de productie-installatie en zijn afname-installatie, moet geoordeeld worden dat dit, uit hoofde van A, om een directe lijn die gesitueerd is op “eigen site” handelt.

Als echter B de aanvraag zou indienen, dan moet geoordeeld worden dat dit, uit hoofde van B, om een directe lijn handelt die de grenzen van de “eigen site” overschrijdt.




Een directe lijn is een lijn van een productie-installatie naar een afnamepunt. Een directe lijn kan gelegen zijn “op eigen site” of “niet op eigen site”. Het onderscheid tussen beide ligt hem in de overschrijding door de directe lijn van de eigen site.

Een “eigen site” is “het kadastrale perceel of de aansluitende kadastrale percelen van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon als eigenaar, erfpachter, opstalhouder of concessiehouder;”

Het moet dus gaan over:
– Eén perceel; of
– Twee of meer percelen, met dezelfde eigenaar, erfpachter, opstalhouder of concessiehouder.

Oorspronkelijk was de erfpachter uitgesloten van de omschrijving. Dat zakelijk recht is ingevoegd door het decreet van 16 november 2018. Het is datzelfde decreet dat de aanleg en het beheer van directe lijnen “niet op eigen site” vergemakkelijkt, maar ook de verplichting tot het betalen van een heffing op directe lijnen invoert.

In zijn advies had de Raad van State bij het ontwerpdecreet ervan opgemerkt dat in de opsomming van de zakelijke rechten bij de omschrijving van “eigen site” het “vruchtgebruik” ontbrak. Vruchtgebruik is “het recht om van een zaak, waarvan een ander de eigendom heeft, tijdelijk het genot te hebben, zoals de eigenaar zelf, maar met de verplichting om de zaak zelf in stand te houden”. Vruchtgebruik ontstaat onder andere na het overlijden van een echtgeno(o)t(e) ten voordele van de langstlevende echtgenoot of door een overeenkomst (de vennootschap van de eigenaar van een onroerend goed). De vruchtgebruiker is geen eigenaar van het perceel (en de opstallen daarop), maar heeft wel een (persoonlijk) zakelijk recht.
Als de langstlevende echtgenoot beslist om een PV-installatie (met een accessoir opstalrecht) te plaatsen op de woning van de gezinswoning, waarop hij een vruchtgebruik heeft, maar waarvan hij niet noodzakelijke mede-eigenaar is, dan zou de verbinding tussen de PV-installatie, die van de echtgenoot is, en de woning, die bv. van de kinderen is, geen directe lijn "op eigen site" zijn.

De Vlaamse regering antwoordde op de opmerking van de Raad van State als volgt:
“Het voorbeeld van de Raad [van State] aangaande een langstlevende echtgenoot die op het dak van de gezinswoning die zij erft een fotovoltaïsche installatie wil plaatsen klopt overigens niet. Vooreerst is een installatie op het dak van de gezinswoning geen directe lijn in de zin van artikel 4.5.1, § 2, noch wordt hier bij de grenzen van de eigen site overschreden. Er zal immers maar een overschrijding zijn wanneer het gaat om meerdere percelen zodat zelfs een situatie waarbij de panelen zijn opgesteld op de achterliggende garage en verbonden zijn met de gezinswoning nog steeds onder toepassing van artikel 4.5.1, § 1, van het Energiedecreet valt als dit één perceel is.”
Volgens de Vlaamse regering is het dus irrelevant wie de installatie bouwt en ervan eigenaar is. Een installatie op een gebouw met een verbinding naar dat gebouw (hier een “gezinswoning”, maar dus bijvoorbeeld ook naar een bedrijfsgebouw waarvan de naakte eigenaar tegelijk de hoofdaandeelhouder is van de vennootschap die een vruchtgebruik op het gebouw heeft) is een directe lijn “op eigen site”.

Uit het antwoord van de Vlaamse regering blijkt dus duidelijk dat zij meent dat de eigendom van de installatie of de directe lijn geen relevant criterium is. Relevant is of de grens van de eigen site overschreden wordt. Als de eigen site bestaat uit één perceel, dan is er binnen dat perceel uiteraard geen overschrijding van de eigen site. Als de eigen site bestaat uit meerdere percelen, die aansluitend zijn, is er weliswaar een overschrijding van de perceelsgrenzen, maar niet noodzakelijk van de eigen site.


De stelling van de VREG dat "er enkel sprake is van een directe lijn die de eigen grenzen van de eigen site niet overschrijdt (i.e. “ligging op eigen site”) als het de beheerder van de directe lijn is die een beroep kan doen op dat statuut van ligging op eigen site" klopt dus niet.


Share/Bookmark

woensdag 28 augustus 2019

Blixt begeleidt Bolt

Blixt is fier dat zij Bolt juridisch heeft kunnen bijstaan in de uitwerking van haar innovatieve concept: een energieplatform en -leverancier die ervoor zorgt dat klanten zelf kunnen kiezen van welke lokale producent zij hun groene energie afnemen





Share/Bookmark

zaterdag 18 mei 2019

Verjaring van elektriciteitsfacturen van een distributienetbeheerder

Blixt treedt niet vaak op voor particulieren. Als we dat wel doen, is het omdat we de zaak juridisch heel interessant vinden en omdat ons rechtvaardigheidsgevoel aangesproken is. Daarom verdedigden pro bono we een dame aan wie de Brusselse distributienetbeheerder Sibelga meer dan zes jaar nadat de dame verhuisd was meer dan 6 000 euro vorderde.

Sibelga meende dat de dame jarenlang onrechtmatig elektriciteit had afgenomen op een afnamepunt. Sibelga had daar zelf een nieuwe teller geplaatst maar kwam daarna de teller niet meer opmeten en stuurde ook geen facturen. Sibelga argumenteerde dat er sprake was van een “afname zonder contract” (“energieverbruik zonder overeenkomst”): er was blijkbaar energie verbruikt op een meter waarop niemand is aangesloten en/of op een meter die gesloten zou moeten zijn. Sibelga stelde dat er “een verbruik zonder aansluiting, een verbruik zonder toestemming, een verbruik op een gesloten meter” was. Volgens Sibelga kon de dame de verkorte verjaringstermijn van vijf jaar (artikel 2277 BW) niet inroepen omdat het dus ging over een “onrechtmatige afname van energie”.

De vrederechter van Anderlecht had Sibelga in een niet bijzonder goed gemotiveerd vonnis gelijk gegeven.

In beroep oordeelde de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel dat de oorspronkelijke vordering van Sibelga wel degelijk verjaard was:

“Het kan echter niet anders dan dat Sibelga op dat ogenblik wist voor wiens rekening de levering gebeurde tot 4 juni 2002. Het spreekt bijgevolg vanzelf dat het op dat ogenblik aan Sibelga toekwam om de administratieve opening te verrichten en de levering voort te zetten voor rekening van diezelfde afnemer X: dan wel Y.
Sibelga kan aan X niet verwijten dat deze administratieve opening blijkbaar niet gebeurde of dat zij haar bestanden niet aanpaste. Bijgevolg kan zij aan X evenmin verwijten dat er vanaf dat ogenblik geen facturen meer betaald werden gezien zij klaarblijkelijk geen facturen meer uitgeschreven heeft.
Gezien X omwille van de reglementaire aard van de rechtsverhouding na de plaatsing geen overeenkomst diende te sluiten met Sibelga, was haar afname na 4 juni 2002 niet onrechtmatig en heeft Sibelga de periodieke levering zonder meer voortgezet.
Bijgevolg is de vijfjarige verjaringstermijn voorzien door artikel 2277 BW voor periodieke geldschulden in deze zaak wel degelijk van toepassing.
Gezien X het appartement definitief verlaten heeft op 5 juni 2007 en vanaf dat ogenblik met zekerheid geen elektriciteit meer afnam via de bewuste meter, terwijl Sibelga pas op 31 augustus 2016 gedagvaard heeft, is deze vordering verjaard.”

Het vonnis vindt u hier.






Share/Bookmark

zondag 27 januari 2019

Federale verkiezingen 26 mei 2019

Tinne staat op 26 mei op de derde plaats van de gezamenlijke Groen-Ecolo lijst voor de federale verkiezingen. Na de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde in 2012 is het voor de Nederlandstalige Brusselaars zeer moeilijk om een eigen vertegenwoordiger te hebben in de federale kamer. De derde plaats geeft een uitzicht op een Vlaamse verkozene.

Daarom alleen al heeft Tinne mijn steun.

Engagement is voor ons kantoor heel belangrijk.

Dit engagement blijkt uit onze ambitietekst die we in 2010 opstelden: Blixt is een onafhankelijk gespecialiseerd advocatenkantoor dat enkel werkt voor de deelnemers aan de vrije elektriciteitsmarkt. Blixt steunt die vrije markt, omdat die initiatieven mogelijk om tot een duurzame energietransitie te komen.

We voeren dit engagement ook uit dankzij het vertrouwen van onze vele klanten in onze diensten. We danken jullie daarvoor gemeend. Daardoor konden we de afgelopen jaren samenwerken op afnamecontracten van offshore elektriciteit, het grootste PV-park in de Benelux, de eerste grote PV-installatie in Brussel, de netvergoeding voor PV, de injectietarieven voor elektriciteitscentrales, de juridische discussies over de scheurencentrale Tihange 2, de vele directe lijnen en gesloten distributienetten, …

Vanaf midden maart zijn we met drie advocaten. Samen met onze nieuwe ervaren collega zullen Tinne en ikzelf Blixt verder uitbouwen om excellente antwoorden te kunnen blijven bieden op de vele juridische uitdagingen van onze klanten. We blijven ons engageren voor private initiatieven om een duurzame energietransitie te bereiken.

Minstens tot aan de verkiezingen op 26 mei blijft Tinne zich gedreven inzetten voor jullie.






Share/Bookmark

vrijdag 14 december 2018

Gesloten distributiesystemen en directe lijnen – een stilzwijgende goedkeuring voor het ene en niet voor de andere

De wijzigingen aan het Energiedecreet die de afgelopen maand gepubliceerd zijn in het Belgisch Staatsblad verplichten de VREG om binnen een bepaalde termijn te beslissen over de aanvraag tot toelating voor de aanleg van een gesloten distributiesysteem (closed distribution system) of een directe lijn. Het overschrijden van die termijn leidt enkel bij de gesloten distributienetten tot een stilzwijgende toelating. De gevolgen van de overschrijden van de termijn bij directe lijnen zijn onduidelijk.

Artikel 19 van het decreet van 16 november 2018 houdende diverse bepalingen inzake energie (BS 14 december 2018) bepaalt nu dat voor aanvragen voor een toelating voor de aanleg van een nieuw gesloten distributienet die de grenzen van de eigen site overschrijdt de VREG over een beslissingstermijn van zestig dagen beschikt. Hij kan die termijn gemotiveerd verlengen tot negentig dagen. “Bij gebrek aan beslissing binnen de voormelde termijn, wordt de toelating geacht stilzwijgend te zijn verleend.” (nieuw artikel 4.6.1, § 2, eerste lid Energiedecreet).

De Raad van State merkt hierover op: “Al kan dat procedé niet geheel worden afgekeurd wanneer de stilzwijgende beslissing in het voordeel van de betrokkene is, moet toch worden opgemerkt dat aan een stilzwijgende besluitvorming een aantal nadelen zijn verbonden. Zo is een dergelijk procedé in de eerste plaats niet bevorderlijk voor de rechtszekerheid, al was het maar omdat een schriftelijke beslissing ontbreekt, wat tot bewijsproblemen aanleiding kan geven, en de stilzwijgende beslissing in beginsel niet op dezelfde wijze zal worden meegedeeld of bekendgemaakt als uitdrukkelijk genomen beslissingen, met alle gevolgen van dien voor de kenbaarheid en de aanvechtbaarheid van dergelijke stilzwijgende beslissingen. Meer bepaald houdt het procedé van de stilzwijgende beslissing hierdoor ook grotere risico‟s in voor een schending van de belangen van derden die op een impliciete, doch daarom niet minder verstrekkende wijze, in het gedrang kunnen komen. In de tweede plaats kan het procedé van de stilzwijgende beslissing in strijd komen met het algemeen belang, in zoverre een dergelijk procedé tot gevolg kan hebben dat impliciet beslissingen worden genomen zonder dat daarmee een zorgvuldige voorbereiding en afweging van alle betrokken belangen gepaard gaat. Ten slotte zijn die beslissingen uiteraard niet formeel gemotiveerd, wat de wettigheidscontrole erop kan bemoeilijken.”

Het door het decreet van 16 november2018 houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft directe lijnen en directe leidingen gewijzigde artikel 4.5.1 bepaalt gelijkaardig dat de VREG over een aanvraag tot toelating voor een directe lijn die de grenzen van de eigen site overschrijdt binnen de zestig dagen moet beslissen. De VREG kan die termijn niet gemotiveerd verlengen. De decreetgever geeft ook niet aan of en waarom het overschrijden van die termijn een stilzwijgende goedkeuring inhoudt.

Volgens de VREG is die “termijn van 60 dagen een termijn van orde” omdat er geen sanctie is bepaald: “Bijgevolg is een gemotiveerde en redelijke overschrijding van de termijn mogelijk. Dit kan het geval zijn bij complexe cases, dus een termijn van orde lijkt ons de beste optie”.

Op die opmerking van de VREG gaat het Vlaams Parlement niet in.

Opmerkelijk is dat de decreetgever aangeeft dat hij niet in een stilzwijgende goedkeuring van de termijn voor de toelating van een privé-net voorziet, omdat een privé-net een uitzonderingssituatie is. Daargelaten het feit dat de Europese wetgever sowieso niets bepaalde over privé-netten en men zich dus, zoals confrater Verhoeven eerder al deed, ernstige vragen kan stellen bij de aanvaardbaarheid van die uitzondering, is dit nog geen verantwoording waarom bij gesloten distributienetten wel en bij directe lijnen geen duidelijkheid over de termijnen bestaat.

Als men er maanden over doet om “innoverende” wetgeving te maken voor directe lijnen, was het toch geen kleine moeite om ook hier een afdoende regeling uit te werken?





Share/Bookmark

maandag 26 november 2018

Energieheffing voor directe lijnen

Met het decreet van 16 november 2018 tot wijziging van het Energiedecreet wat betreft directe lijnen en leidingen aan voert het Vlaams Parlement meteen ook een heffing op de exploitatie van een directe lijn in. Die heffing slaat op nieuwe directe lijnen, maar ook op de bestaande. Zo kunnen de directe lijnen “een maatschappelijk aanvaardbare bijdrage geven ter dekking van de kosten van het gewestelijke energiebeleid”. De heffing “heeft tot doel ongeveer equivalent te zijn aan de vermeden distributienetkosten”.

Ook bestaande directe lijnen zijn onderworpen aan de heffing. Nochtans zijn er minstens twee directe lijnen toegelaten door de VREG omdat het distributienet niet of onvoldoende aanwezig was.

In zijn beslissing BESL-2014-49 van 23december 2014 aanvaardt de VREG de verbinding van een WKK-eenheid met een afnemer omdat er “geen distributienet aanwezig is dat voldoende sterk is om zonder bijkomende netuitbreidingen of netversterkingen de Afnemer aan te sluiten”. Door de aanleg van de directe lijn moet “de voor aansluiting vereiste netuitbreiding niet gerealiseerd worden”. Bijgevolg is er voor de VREG “geen sprake van een bestaand distributienet, dat, in dat geval, zo efficiënt mogelijk gebruikt moet worden”. “Een uitsluitend voor de aansluiting van de Afnemer vereiste realisatie van een netuitbreiding kan vermeden worden.”

In zijn beslissing BESL-2017-04 van 7maart 2017 stelt de VREG vast dat “een aansluiting van de windturbine op het dichtstbijzijnde distributienet op middenspanning ontoereikend is”. “In de onmiddellijke omgeving van de voorziene inplanting van de Producent is geen distributienet aanwezig dat voldoende sterk is om zonder bijkomende netuitbreidingen of netversterkingen de Producent aan te sluiten”. Er is voor de VREG “bijgevolg geen sprake van een bestaand distributienet, dat, in dat geval, zo efficiënt mogelijk gebruikt moet worden”. Bovendien maakte de distributienetbeheerder geen melding “van soortgelijke projecten die gebaat zouden zijn door de voor de aansluiting van de windturbine vereiste netuitbreiding”.

In beide gevallen (waarin wij niet betrokken waren) kon de afnemer en/of de producent dus, ook volgens de VREG, niet anders dan een directe lijn aanleggen. Er waren hier dus geen “vermeden” distributienetkosten, eenvoudigweg omdat er geen distributienet kon gebruikt worden.







Share/Bookmark