woensdag 15 maart 2017

Alle gasvervoerinstallaties zijn van openbaar nut, ook degene die enkel het privaat belang dienen

De Gaswet, de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, is, zoals uit het opschrift zelf blijkt, niet enkel van toepassing op het vervoer van aardgas. Pijpleidingen die gebruikt worden voor het vervoer andere (gasachtige) producten kunnen ook onder het toepassingsgebied vallen.

Hoewel de wet oorspronkelijk bedoeld was voor het vervoer van aardgas, voorzag de wetgever in artikel 2, laatste lid, in de mogelijkheid voor de Koning om het toepassingsgebied van (sommige bepalingen van) de wet uit te breiden tot andere producten dan aardgas.

De Koning heeft hiervan verschillende keren gebruik gemaakt.

In verschillende arresten bekritiseerde de Raad van State de rechten die ondernemingen verkregen die producten via pijpleidingen vervoeren en de gelijkschakeling van deze ondernemingen met aardgasvervoernetten. Tegelijk was de Raad van State zeer kritisch over bepaalde verklaringen van openbaar nut die aan Fluxys verleend waren.

We schreven hierover al vroeger en hoopten dat “deze arresten een aanleiding zouden kunnen zijn om de ganse vergunningenprocedure voor de aanleg van aardgasvervoersinstallaties, met inbegrip van de veiligheidsmaatregelen, te herbekijken”:

De wetgever heeft intussen gereageerd.

Met de wet van 8 mei 2014 voegde hij een artikel 8/7 in de Gaswet in. Hiermee kwalificeert hij alle vervoerinstallaties en alle werken uitgevoerd voor de aanleg en de uitbating van deze installaties op onweerlegbare wijze van openbaar nut. Het artikel luidt: “Onder voorbehoud van artikel 4 worden alle vervoerinstallaties, ongeacht de begunstigde ervan, en alle werken uitgevoerd voor de aanleg en de uitbating van deze installaties, op onweerlegbare wijze geacht van openbaar nut te zijn.” Artikel 4 Gaswet somt de toekenningsvoorwaarden voor een vervoersvergunning op.

Opvallend is dat het automatische vermoeden van openbaar nut geldt voor alle vervoerinstallaties. Het vermoeden geldt dus ook voor directe leidingen of voor installaties voor het vervoer van andere gasachtige producten dan aardgas. Artikel 8/7 staat weliswaar onder afdeling 2 (‘Certificering en aanwijzingsprocedure van de beheerders’) van hoofdstuk III (‘Bepalingen betreffende de vervoersvergunningen en de beheerders’) maar is tekstueel niet beperkt tot Fluxys. Immers, het artikel koppelt het onweerlegbare vermoeden aan ‘alle vervoersinstallaties’. Volgens de definitie (artikel 1, 8°) zijn ‘vervoersinstallaties’ “alle leidingen, met inbegrip van de directe leidingen en de upstream-installaties, en alle opslagmiddelen, LNG- installaties, gebouwen, machines en accessoire inrichtingen die bestemd zijn of gebruikt worden voor een van de in artikel 2, § 1, vermelde doeleinden”. Door de verschillende initiatieven die de Koning op basis van artikel 2, § 3, genomen heeft, vallen hieronder dus ook andere installaties dan die van Fluxys.

Hoewel we uitvoerig pleitten voor de evidentie van het openbaar nutskarakter van investeringen van Fluxys, staan we toch wat afkerig tegenover een evident openbaar nutskarakter van installaties van ondernemingen die geen wettelijk monopolie hebben. Recent verklaarde de koning nog verschillende installaties van private ondernemingen van openbaar nut: koninklijk besluit van 28 april 2016 (Air Liquide) en koninklijk besluit van 6 december 2015 (Air Liquide)

De wetgever vond wel dat de versterking van het vermoeden van openbaar nut van de vervoerinstallaties aan een zekere controle moet worden onderworpen. Daarom zal de Koning de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel bepalen. Dit staat ook in het tweede lid van artikel 8/7 Gaswet: “De Koning bepaalt de nadere regels van het eerste lid van dit artikel.”

De Raad van State, afdeling wetgeving, merkte hierbij op:

“De vraag is echter wat de reikwijdte is van de delegatie die aan de Koning wordt gegeven in het ontworpen artikel 8/7, tweede lid, van de Gaswet. Volgens de memorie van toelichting is het de bedoeling om “[d]e versterking van het vermoeden van openbaar nut van de vervoerinstallaties” aan een zekere controle te onderwerpen. Vermits de Koning “de modaliteiten en het toepassingsgebied van het eerste lid” kan bepalen, krijgt hij daarmee een te onbepaalde bevoegdheid, tot zelfs de mogelijkheid het principe van het onweerlegbaar vermoeden uit te hollen. De delegatie zou dan ook meer omlijnd moeten worden.”

De wetgever is hierop niet ingegaan. Het artikel gaf ook geen aanleiding tot enige discussie in de bevoegde kamercommissie.

In het koninklijk besluit van 1 december 2016 bepaalt de Koning in een nieuw hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 11 maart 1966 dat het vermoeden van openbaar nut bedoeld in artikel 8/7 van de Gaswet van 12 april 1965 van toepassing is op:
“1° de vervoersinstallaties die het voorwerp hebben uitgemaakt van een vervoersvergunning, die vrijgesteld zijn van een dergelijke vergunning, of die het voorwerp hebben uitgemaakt van een melding, overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van de wet;
2° de werken uitgevoerd voor de aanleg en de uitbating van de installaties bedoeld in 1°.”

Het ontgaat mij wat de "controlerende rol" van de Koning is. Hij parafraseert immers enkel artikel 8/7 Gaswet en maakt daarenboven één en andere nog onduidelijker door te suggereren dat er vervoersinstallaties kunnen zijn die zelfs niet vergunningsplicht zouden zijn.

Waarom de wetgever en de Koning geen onderscheid maken tussen de vervoersinstallaties van Fluxys, die evident een openbaar nut hebben, en van andere private ondernemingen, die evident geen onmiddellijk openbaar nut hebben, is niet duidelijk.





Share/Bookmark

dinsdag 14 maart 2017

Meldingsverplichting voor installateurs zonnepanelen

Het Vlaams Parlement nam op 15 februari 2017 het ontwerp van decreet tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft het voorkomen, detecteren, vaststellen en bestraffen van energiefraude aan.

Eén van de nieuwe verplichtingen is opgenomen in het in te voegen artikel 4.1.18/2. Voor de veilige en betrouwbare werking van het net moeten installateurs maandelijks aan elke netbeheerder een lijst overmaken met hernieuwbare energie-installaties voor elektriciteitsproductie die zij in het gebied van die DNB installeerden.

Volgens de memorie van toelichting stelt men in de praktijk vast dat “voornamelijk kleinere decentrale, energieopwekkingsinstallaties worden aangesloten op het elektriciteitsnet zonder dat de netbeheerder daarvan op de hoogte is”. Dit heeft volgens de Vlaamse regering potentieel consequenties voor de stabiliteit en capaciteit van dat net. Het houdt ook een gevaar in voor de veiligheid van de personeelsleden van de netbeheerders wanneer zij werken moeten uitvoeren aan een net zonder dat ze weten dat er op bepaalde plaatsen stroom wordt geïnjecteerd.

Daarom wil de Vlaamse regering “ook dat de installateurs van die hernieuwbare energiesystemen een rol op zich nemen”. De installateurs moeten “hun klanten sensibiliseren en wijzen op hun verplichtingen”. Ze krijgen ook een eigen verplichting opgelegd “om dit, onafhankelijk van de producent, aan de netbeheerder te melden”. Tijdens de bespreking in de bevoegde commissie voegde minister Tommelein daar nog aan toe dat men door deze verplichting ook een ontwijking van het prosumententarief wil vermijden. Ook zou de verplichting nodig zijn voor de rapportage van de hernieuwbare energiedoelstellingen van het Vlaamse Gewest aan Europa.

Er bestaat al een (misschien theoretische) federale verplichting voor de producent, de eigenaar van de installatie, om de bouw van een installatie waarmee elektriciteit opgewekt wordt te melden aan de CREG (artikel 4 Elektriciteitswet en artikel 2, § 2, KB 11 oktober 2000).

Men kan zich de vraag stellen in welke mate het Vlaams Gewest deze verplichting bevoegdheidsrechtelijk kan opleggen. De decreetgever verwijst niet naar een basis in de BWHI. Weliswaar zijn de gewesten bevoegd voor de bevordering van hernieuwbare energiebronnen, maar dat maakt hen nog niet bevoegd om de productie van elektriciteit te regelen. Het installeren van eender welke productie-installatie is een louter federale bevoegdheid. De meldingsplicht van die installatie ook. De verwijzing naar de rapporteringsverplichtingen van België (niet van het Vlaams Gewest) aan Europa verandert aan deze vaststelling niet zo veel.

Als de nieuwe verplichting bevoegdheidsrechtelijk stand kan houden, dan kan het VEA de installateurs die niet de nodige meldingen doen bestraffen met een administratieve geldboete van 150 tot 20000 euro (nieuw in te voegen artikel 13.4.11, § 1, Energiedecreet).




Share/Bookmark

Sites en kadastrale percelen bij directe lijnen: what's in a name

Voor de aanleg van een nieuwe directe lijn of leiding of een nieuw gesloten distributienet die de grenzen van de eigen “site” overschrijden, moet de initiatiefnemer een voorafgaande vergunning van de VREG verkrijgen.

Het Energiedecreet omschrijft de “eigen site” als “het kadastrale perceel of de aansluitende kadastrale percelen van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon als eigenaar, opstalhouder of concessiehouder” (artikel 1.1.3 Energiedecreet).

In zijn beslissingen over aanvragen voor nieuwe directe lijnen schrijft de VREG: “Dat immers, naast de kadastrale percelen in eigendom van de Afnemer [] ook een openbare weg betrokken is zodat een perceel betrokken is dat geen kadastraal perceel is, zodat geen sprake kan zijn van aaneensluitende kadastrale percelen.” In een voetnoot volgt dan “Openbare wegen, waterlopen, enz. zijn ongenummerde percelen. Ongenummerde percelen zijn geen kadastrale percelen, want elk kadastraal perceel draagt per definitie een kadastraal perceelnummer waarmee het kadastraal geïdentificeerd kan worden, en waarmee het opgenomen kan worden in de alfanumerieke database en waardoor er een kadastraal inkomen aan kan worden toegekend.”

Zowel bij de term “eigen site” als bij de invulling van “kadastrale percelen” kan men kanttekeningen plaatsen.

Volgens Van Dale is een “site” een woord afkomstig uit het Frans of het Engels, met als eerste betekenis een “vestigingsplaats, locatie”, verwijzend naar website. Belgische-Nederlands is de betekenis ook “archeologisch opgravingsterrein”. In het Frans betekent “site” “paysage [considéré du point de vue de l'esthétique, du pittoresque]” of “configuration du lieu, du terrain où s'élève une ville, manière dont elle est située [considérée du point de vue de son utilisation par l'homme: communications, facilités de développement]”. Andere betekenissen zijn minder relevant. In het Engels betekent “site” “an area of ground on which a town, building, or monument is constructed” of “a place where a particular event or activity is occurring or has occurred”.

“Eigen site”, in de betekenis van aaneensluitende stukken grond, is dus eigenlijk geen deftig Nederlands.

Over het Kadaster verscheen bij Intersentia in 2016 een prachtig boek onder hoofdredactie van Robert Palmans en professor Marc Boes.

In hun bijdrage over “De aanwending van het kadaster en de kadastrale informatie in het Belgische recht” schrijven professor Ruud Jansen en notaris Pieter-Jan De Decker dat “de overheid het kadaster aanwendt voor allerhande functies die niet overeenstemmen met de oorspronkelijke functie van het kadaster, noch met de opbouw en het juridisch karakter ervan”.

De auteurs schrijven:

“Het kadaster vervult in het huidige fiscale recht een voorname rol bij de belastingheffing op de inkomsten van onroerende goederen. Dit stemt overeen met zijn historische functie. Het uitgangspunt in het fiscale recht is dat de belasting op de onroerende inkomsten wordt bepaald aan de hand van het kadastrale inkomen. Het kadastrale inkomen wordt vastgesteld voor alle gebouwde en ongebouwde onroerende goederen in België, alsmede voor het materieel en de outillage die onroerend zijn van nature of door bestemming (art. 471, § 1 WIB 1992). Het openbare domein en daarmee gelijkgestelde onroerende goederen (bv. spoorwegbeddingen) zijn uitgesloten. Het kadastrale inkomen vormt de forfaitair geraamde netto-opbrengst van dergelijk onroerend goed op één jaar (art. 471, § 2 WIB 1992). Het kadastraal inkomen geeft dus aan wat de normale opbrengst (uit bv. verhuring) is van een onroerend goed op een welbepaald referentietijdstip."
De vaststelling van het kadastraal inkomen gebeurt voor ieder perceel ('kadastraal' perceel) eenzijdig door de administratie van het kadaster (art. 472, § 1 WIB 1992). Ieder kadastraal perceel is een deel van het grondgebied met eenzelfde gebruik dat aan een afzonderlijke eigenaar (of groep eigenaars) toekomt.

Op basis van de vaststelling dat “de oorspronkelijke ordening van het kadaster niet op tegensprekelijke wijze tot stand gekomen is”, schrijven de auteurs dat “de ordening van het kadaster dan ook geen ordening [is] die rechtsgevolgen kan teweegbrengen op de rechten van de verschillende grondeigenaars”: “De kadastrale omschrijving van een perceel geeft met andere woorden niet op onaantastbare wijze de grenzen en de oppervlakte van een perceel weer.”

De auteurs besluiten algemeen:
“Vandaag is het kadaster niets anders dan een gegevensbank van de federale overheid financiën waarin gegevens worden verzameld over onroerende goederen met het oog op de inning van belastingen op onroerend goed. (…) [Het andere] gebruik van het kadaster roept (…) fundamentele vragen op. De meest fundamentele vraag is of de gegevens uit het kadaster nauwkeurig genoeg zijn om deze rol aan het kadaster toe te kennen. Deze vraag moet negatief beantwoord worden. De gegevens uit het kadaster omtrent de burgerrechtelijke karakteristieken van een onroerend goed (de identiteit van de eigenaar, de perceelconfiguratie, de oppervlakte enz.) worden slechts op indirecte wijze doorgegeven aan het kadaster, zodat deze gegevensbank nimmer actueel is, en het gevaar loopt dat er foute gegevens worden ingebracht. Om die redenen moet men zeer omzichtig zijn met het gebruik van het kadaster. Het gevaar is dat men bij het nemen van beslissingen, het beslechten van geschillen en het geven van informatie niet verder zal gaan dan wat die gegevensbank aanduidt, en amper nog nagaat op welke wijze deze gegevens (al dan niet op correcte wijze) in de gegevensbank terechtgekomen zijn.”
In hun bijdrage “De waarde van kadastrale gegevens” geven Robert Palmans en Ruth Moors een gedetailleerd casuïstisch bewijs van de voorgaande stelling. Openbare wegen met kadastrale nummers, buurtwegen of straten die niet vermeld staat in het kadaster (maar er wel zijn), beken en rivieren die niet meer stromen waar ze stroomden, maar wel opgenomen zijn in het kadaster, percelen grond die volgens het kadaster niet grenzen aan een openbare weg maar aan een niet meer bestaande beekbedding, verlegde buurtwegen, … Daarenboven blijkt uit het overzicht dat het feit dat een (deel van een) perceel een kadastraal nummer heeft, geen uitsluitsel kan geven over de vraag of de percelen “aaneensluitend” zijn. Immers, het kadastraal perceel kan rijken tot het midden van een nieuw aangelegde openbare weg en onder die weg aansluiten op een ander perceel.

Enkel en alleen op basis van een actuele kaart (bv. Google Maps of Bing Maps) vaststellen dat er een (openbare) weg ligt tussen twee percelen is dan ook niet voldoende om te besluiten dat er geen sprake is van aansluitende kadastrale percelen. Anderzijds kan men ook uit het kadaster niet afleiden of twee percelen aaneensluitend zijn als die, volgens het kadaster, maar anders dan in de realiteit, doorkruist worden door een ongenummerd perceel van een opgeheven buurtweg.




Share/Bookmark

vrijdag 10 maart 2017

Verwarring over verjaring van energiefacturen voltooid verleden tijd?

De federale regering stelt in het wetsontwerp van 16 januari 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie een uniforme regeling voor de verjaring van energiefacturen voor. Als de Kamer het wetsontwerp aanneemt, zullen energiefacturen verjaren vijf jaar na de datum van de factuur.

Ik besprak de verjaringsproblematiek al in mijn bijdrage in het Jaarboek Energierecht 2014.

Op basis van artikel 2277 BW verjaren vorderingen voor “al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen” door verloop van vijf jaren.

Deze verkorte verjaringstermijn wil schuldenaren beschermen tegen de opeenstapeling van periodieke schulden en schuldeisers aanzetten tot zorgvuldigheid. Volgens preliberaliseringsrechtsleer en -rechtspraak kon deze vijfjarige termijn nooit van toepassing zijn op schulden ten aanzien van elektriciteits- en gasintercommunales. Het Grondwettelijk Hof sprak zich in 2005 en 2007 anders uit. Het Hof van Cassatie volgde uiteindelijk het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 25 januari 2010.

Na de arresten van het Grondwettelijk Hof aanvaardde men dus dat periodieke schulden voor water, elektriciteit, aardgas of telecommunicatie verjaren na verloop van vijf jaren (artikel 2277 BW). Die schulden zijn periodiek terugkerende schulden, die hun oorsprong vinden in eenzelfde rechtsgrond (bv. telefoonabonnement of leveringsovereenkomst voor elektriciteit of aardgas).

Dit algemene begrip was gebaseerd op een selectieve lezing van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 2007. In dit arrest besliste het Hof dat dat de verkorte verjaringstermijn van artikel 2272, lid 2, BW niet van toepassing is voor leveringen van diensten, zoals telecommunicatiediensten, “omdat in de regel van de overeenkomst voor dergelijke leveringen een geschrift wordt opgesteld”. Door in deze passage vooral te willen lezen dat artikel 2272 BW niet geldt voor leveringen van diensten omdat hiervoor in de regel een geschrift bestaat, meenden velen dat bij elektriciteit en aardgas, waar men ook een onderliggende leveringsovereenkomst heeft, het artikel eveneens niet van toepassing is.

De korte, kwijtende eenjarige verjaringstermijn van artikel 2272, lid 2, BW steunt op een vermoeden van contante betaling van kleine schuldvorderingen die in principe niet schriftelijk worden afgehandeld. Dit herhaalde ook het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 20 juni 2007: “De korte verjaringstermijn is gebaseerd op een vermoeden van betaling en wordt gemotiveerd door het feit dat van het ontstaan en de kwijting van dergelijke schulden doorgaans geen geschrift wordt opgesteld.” De toepassing van artikel 2272 ev. als betalingsvermoedens staat en valt dus met het wegblijven van geschreven sporen (mede) van de schuldenaar, zowel van het ontstaan als van het tenietgaan der geldschuld.

Als de schuldenaar de schuld erkent in een geschreven stuk geldt de éénjarige verjaringstermijn niet. Een afbetalingsplan, een brief, een verklaring,... zijn stukken die de verkorte verjaring vermijden. Een mondelinge of stilzwijgende erkenning vanwege de schuldenaar volstaat niet.

In zijn arrest van 8 januari 2015 besliste het Hof van Cassatie dat een middel dat steunt op de veronderstelling dat een vordering door een elektriciteitsleverancier op een consument voor de periodieke levering van elektriciteit maar kan verjaren bij toepassing van artikel 2277 BW, omdat die levering gebaseerd is op een leveringsovereenkomst en omdat er facturen worden opgesteld, ‘faalt in rechte’:

“Le moyen, qui soutient que l'action du fournisseur d'énergie contre le consommateur en paiement de fournitures périodiques d'électricité est toujours régie par l'article 2277 du Code civil, parce que, en règle générale, une preuve écrite est établie du contrat relatif à ces fournitures et que des factures sont adressées par le fournisseur au consommateur, manque en droit.”

Het arrest van 8 januari 2015 stelde volgens mij dat het feit dat er een leveringsovereenkomst is niet voldoende is voor de uitsluiting van de verkorte verjaringstermijn noch voor de toepassing van artikel 2274, lid 2, BW. Genuanceerder interpreteerde ik het arrest dat het feit dat er een leveringscontract of facturen voorhanden zijn er nog niet automatisch toe leidt dat enkel artikel 2277 BW van toepassing is.

Het arrest leidde tot heel wat controverse in de rechtsleer. Ook de rechtspraak reageerde verdeeld. De meeste commentatoren riepen wel op om de wetgeving te verduidelijken en de archaïsche bepalingen te actualiseren.

De regering doet dit met dit wetsontwerp. Met dit ontwerp wil de regering reageren op het feit dat er “vanuit een bepaalde hoek evenwel gepleit wordt voor de toepassing van de eenjarige verjaringstermijn van artikel 2272, tweede zinsdeel, van het Burgerlijk Wetboek op de vorderingen tot betaling van facturen voor levering van energie aan huishoudelijke klanten”. De lezing in die “bepaalde hoek” doet “niet alleen onduidelijkheid, maar tevens een aantal praktische problemen, eigen aan deze sector [ontstaan]”. Het arrest leidt tot “problemen”. Het probleem ligt hem dus niet in de achterhaalde wetgeving, maar in de interpretatie van een problematisch arrest door een aantal zonderlingen.

In de commentaar bij het voorgestelde artikel is de regering genuanceerder en objectiever.

Het wetsontwerp beoogt de invoering van een tweede lid bij artikel 2277 BW: “Schuldvorderingen wegens levering van goederen en diensten via distributienetten voor water, gas of elektriciteit of de levering van elektronische communicatiediensten, omroeptransmissie- en omroepdiensten via elektronisch communicatienetwerken verjaren na verloop van vijf jaren.”

Volgens de memorie van toelichting start de verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de vervaldatum van de factuur. De regering verwijst hiervoor naar artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek.







Share/Bookmark

donderdag 23 februari 2017

Mogelijkheden tot uitbouw van warmtenetten voorbehouden aan distributienetbeheerders

Het Vlaamse Parlement keurde gisteren unaniem het ontwerp van decreet houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de invoering van een regulerend kader voor warmte- of koudenetten goed.

In de memorie van toelichting en bij de bespreking in de bevoegde commissie benadrukte minister Tommelein dat dit decreet alleen maar een maatschappelijk draagvlak creëert, particuliere afnemers beschermt en van ad hoc projectmatige warmte- of koudenetten faciliteert. In een volgende fase zou er een globaal regulatoir kader komen voor (geconnecteerde) warmte- of koudenetten met verschillende warmtebronnen.

Op dit moment is het voor de Vlaamse decreetgever (en de geraadpleegde “stakeholders”) “niet aangewezen om de aanleg van warmte- of koudenetten toe te wijzen aan bepaalde marktspelers”. Tussen de stakeholders was er blijkbaar onenigheid over de rolverdeling bij warmtenetten.

Daarom wijst de decreetgever “geen marktrollen toe aan bepaalde gepriviligieerde marktpartijen”. Er is dus geen aanduiding van netbeheerders of leveringsvergunning en er is geen verplichte unbundling. De netbeheerder, leverancier en producent kan dezelfde of een aanverwante marktpartij zijn.

Het Energiedecreet zal in artikel 4/1.1.13, § 1, de warmte- of koudenetbeheerder het recht geven om “het openbaar domein te gebruiken voor de aanleg en het onderhoud van leidingen boven of onder het openbaar domein en de bijbehorende uitrustingen als hij over een voorafgaande domeintoelating van de domeinbeheerder beschikt”. De domeinbeheerder kan daarbij de voorwaarden laten gelden die hij nuttig acht.

Een aantal jaren geleden hebben de Vlaamse gemeenten ingestemd met een statutenwijziging van de distributienetbeheerders. Het statutair doel van de distributienetbeheerders werd uitgebreid met de activiteit inzake warmtenetten.

Die uitbreiding van het statutair doel is niet zonder belang. Immers, de gemeenten zijn in dezelfde statuten overeengekomen om in het maatschappelijk kapitaal van de distributienetbeheerders het exclusieve gebruiksrecht op het gemeentelijk openbaar domein voor de statutaire activiteiten van de DNB in te brengen. Dus de gemeente spreekt met de andere aandeelhouders af dat op het grondgebied van die gemeenten enkel de distributienetbeheerder activiteiten mag uitoefenen waarvoor die opgericht is. Nu het doel van de distributienetbeheerders ook “de activiteiten inzake warmtenetten” omvat, zal de gemeente elke andere aanvraag voor de uitbouw van een warmtenet onder haar straten, pleinen en lanen moeten weigeren.

Het nieuwe decreet is dus enkel maar goed voor warmtenetten op private eigendommen. Als de initiatiefnemer het gemeentelijke openbaar domein wil gebruiken, zal hij botsen tegen het statutaire monopolie van de distributienetbeheerder.

Het is onduidelijk of de Vlaamse parlementsleden gisteren die denkoefening gemaakt hebben. Misschien wisten ze wel dat hun decreet eigenlijk neerkomt op een bestendiging van de rol van de distributienetbeheerders. In een week waarin de minister uitroept dat er dringend een kerntakendebat moet komen, is het wrang dat men impliciet het monopolie nog vergroot.








Share/Bookmark

Energie en de gemeentelijke financiële belangen

Er is de laatste dagen al heel wat gezegd en geschreven over de rol van de gemeenten in de energiedistributie. Dat debat is niet nieuw. In 1905 verklaarde Maurice Lemonnier in de Kamer van Volksvertegenwoordigers:

"M. Lemonnier. - L'honorable ministre des finances disait tantôt : Je ferai l'histoire de vos régies. Je crois que le moment n'est pas propice à la discussion de cette grande question. Mais je suis prêt, quand vous le désirez, à discuter avec vous, monsieur le ministre, l'administration des régies de la ville de Bruxelles. Elles ne redoutent pas vos critiques, j'ai sous les yeux des documents indiquant les résultats financiers des services de l'eau, du gaz, de l'électricité de la capitale; les résultats en sont magnifiques, splendides.
Pour la régie du gaz, je constate qu'amortissement financier déduit, tout le capital engagé étant amorti, il reste un capital, entré dans les caisses de la ville de 11.010.157 francs. Et tout le service d'éclairage de la ville et des bâtiments communaux n'est pas compté, ce service étant une charge de la régie qui ne compte pas· de recette de ce chef.
Si je prends le service le plus jeune, celui de l'électricité, - notre usine a commencé en 1904 et l'on a dû naturellement faire école, - je trouve que, à la fin de 1904, les sommes qui peuvent être affectées aux amortissements industriels et aux bénéfices nets s'élèvent à 4,798,703 fr. 24 c.
Quant au service des eaux, il rapporte un intérêt net de 6,9 du capital engagé. Notez que la ville a pour préoccupation première, non pas de retirer des bénéfices de ses services, comme le ferait un particulier, mais d'assurer l'hygiène et la sécurité de ses habitants, elle cherche à répandre la lumière et l'eau partout avant de songer à en retirer un profit.
D'autre part, si la ville tout en se préoccupant de l'hygiène de ses habitants, réalise des bénéfices, qui les récolte, messieurs?
Tout le monde, la masse des contribuables. Si l'exploitation de ces régies était aux mains des particuliers, où ces millions seraient-ils passés?
Dans le coffre de quelques particuliers qui auraient obtenu ces entreprises.
Je ne suis pas de ceux qui croient qu'il est désirable de charger l'Etat ou les villes de nombreuses régies, mais j'estime qu'il est préférable que certains grands services d'eau, de gaz, d'électricité restent aux mains des communes par le plus grand bien de leurs contribuables.
H. Bertrand. - Sans les régies vous devriez charger les contribuables de 3 millions d'impôts nouveaux.
M. Lemonnier. - Evidemment et c'est précisément pourquoi je suis êmu en constatant que l'Etat va chercher à ruiner notre régie d'électricité. J'ai ici le budget de la ville de Bruxelles pour 1900, j'y relève que sur notre grand budget de près de 53 millions, dont 30 millions à l'ordinaire, nous ne comptons, en recettes, que 4.401.000 francs d'impôts; tandis que l'excédent des recettes sur nos dépenses pour nos régies, eau, gaz et électricité est de 4.425.700 francs. Les trois régies nous rapportent donc plus que nos impôts; si on les supprimait, nous devrions doubler les impôts à Bruxelles, Les maisons qui sont actuellement frappées de 200 ou 300 francs de contributions le seraient donc de 400 ou 600 francs. Que diraient nos contribuables s'ils constataient que le gouverntment par ses
agissements, pour favoriser un groupe financier, ruine nos régies et nous expose un jour à doubler nos impôts !
Peut-être devrait-on alors établir l'impôt sur le revenu, mais je pense que cet impôt ne peut pas être établi par une commune seule, il doit l'être par l'Etat.
Dans ces circonstances, vous comprenez, messieurs, l'émotion qui s'empare de la ville de Bruxelles. A, son détriment, elle voit accorder une concession à un groupe financier, qui aura la préoccupation légitime, je le comprends, de faire fructifier ses capitaux, en s'efforçant de faire aux régies de la ville une concurrence désastreuse. A un moment donne, si nos régies sont atteintes, le budget de la ville sera en déficit au détriment de nos concitoyens, à l'avantage de quelques particuliers.
Quand la ville peut, sans troubler ses finances, réduire le prix de vente du gaz, de l'eau, de l'électricité, elle le fait spontanément : c'est ainsi que, cette année, nous avons diminué de 5 francs le prix de vente de l'eau.
Si le conseil communal me suit, j'espère que nous pourrons, cette année encore, réduire à 20 ou 25 centimes le prix du kilowatt-heure pour force motrice et nous réduirons également le prix du kilowatt-heure pour l'éclairage."



Share/Bookmark

maandag 6 februari 2017

Regionale bestuurscomités zijn zelfs geen praatbarakken, ze zijn totaal overbodig

De drie min of meer interessantste kranten (De Morgen, De Standaard en De Tijd) berichtten vorige week over de intercommunales, hun mandaten en hun beheerstructuren. In De Tijd stond de volgende passage die mijn aandacht trok: “In de regionale beheerscomités worden lokale investeringen besproken, bijvoorbeeld als een nieuwe verkaveling moet worden aangelegd.” Piet Buysse, voorzitter van Eandis, beweerde dat de regionale bestuurscomités “echt belangrijke zaken op gemeentelijk niveau bespreken, zoals waar straten en fietspaden worden opengebroken voor het leggen van kabels en leidingen of hoe openbare verlichting efficiënter kan”. Koen Kennis, ondervoorzitter, vindt de regionale bestuurscomités “geen praatbarakken”. Er geldt “een democratisch beslissingsrecht”.

Met het decreet van 1 juni 2012 maakte de Vlaamse decreetgever de oprichting van regionale bestuurscomités binnen de distributienetbeheerders mogelijk. Een distributienetbeheerder kan een regionaal bestuurscomité installeren als “(i) de geografische spreiding dit verantwoordt, (ii) er geen directiecomité of regionale adviescomités worden opgericht en (iii) dit netto leidt tot een vermindering van het totale aantal bestuursleden in de verschillende organen van het intergemeentelijk samenwerkingsverband”.

De indieners verantwoordden de oprichting van de regionale bestuurscomités als volgt: “Op die manier kunnen de verschillende deelnemers aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband ondanks een forse vermindering van het aantal bestuursmandaten toch nog beslissingsbevoegdheid behouden voor zaken die van belang zijn voor het specifiek werkingsgebied van het intergemeentelijk samenwerkingsverband binnen de eigen gemeente.” Bepaalde bevoegdheden die tot dan bij de raad van bestuur lagen, kunnen statutair toevertrouwd worden aan de regionale bestuurscomités. Zij kunnen geen personeelsbeslissingen nemen.

De regionale bestuurscomités zijn organen van het intergemeentelijk samenwerkingsverband en staan dus onder het algemene toezicht van de Vlaamse regering.

Op 8 februari 2013 keurde de Vlaamse regering het besluit tot wijziging van het besluit van 4 juni 2004 “houdende vaststelling van de grenzen en de toekenningsvoorwaarden van het presentiegeld en de andere vergoedingen die in het kader van de bestuurlijke werking van een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging kunnen worden toegekend” goed. Het nieuwe artikel 4 bepaalt dat aan de leden de statutair bepaalde regionale bestuurscomités kan, per effectief bijgewoonde zitting, hetzelfde presentiegeld worden toegekend als aan de leden van de raad van bestuur. De voorzitters van de RBCs kunnen een dubbel presentiegeld ontvangen. De presentiegelden mogen niet hoger zijn “dan het hoogste bedrag dat in het Vlaamse Gewest aan gemeenteraadsleden wordt toegekend voor het bijwonen van de gemeenteraden”. Vanaf 1 juli 2016 is dat 205,04 euro per (effectief bijgewoonde) vergadering.

De gecoördineerde statuten van de Vlaamse distributienetbeheerders zijn niet publiek raadpleegbaar. Men kan dus niet nagaan hoe de bevoegdheidsverdeling tussen de raad van bestuur en de regionale bestuurscomités concreet geregeld is. Evenmin zijn de documenten beschikbaar op basis waarvan zou moeten blijken dat de verschillende regionale bestuurscomités verantwoord zijn omwille van de regionale spreiding.

Uit de activiteitenverslagen van de Eandis-DNB's van 2013 blijkt dat elke gemeente vertegenwoordigd is in de nieuwe regionale bestuurscomités. Die zouden bevoegd zijn “voor zaken met een direct lokaal belang en binding, zoals de lokale werken, openbare verlichting, rationeel energiegebruik en samenwerking met het OCMW”.

Niet langer de raad van bestuur, maar het regionale bestuurscomité geeft volgens dat jaarverslag zijn goedkeuring voor uit te voeren werken. Deze goedkeuring houdt echter niet veel in. Het is immers de raad van bestuur die de begroting goedkeurt voor het volgende jaar. Die begroting “bevat wel de nominatief gekende als de niet-nominatief gekende werken”. De goedkeuring van de werken ‘klaar voor uitvoering’, zowel nominatief als niet-nominatief gekend, gebeurt dan door de regionale bestuurscomités. Een regionaal bestuurscomité kan niet anders dan de voorgekauwde beslissingen goedkeuren. “Nominatie en niet-nominatief gekende werken” moeten immers opgenomen zijn in het investeringsplan dat de distributienetbeheerder ter goedkeuring voorlegt aan de VREG. Die investeringsplannen maakt de werkmaatschappij op voor de verschillende distributienetbeheerder. Die investeringsplannen hebben ook een impact op de goed te keuren tarieven, die de werkmaatschapppijen ook weer namens de distributienetbeheerders ter goedkeuring aan de VREG voorleggen. In tegenstelling tot wat Piet Buysse zegt, bespreken de regionale bestuurscomités, behalve pour le besoin de la cause, dus geen “belangrijke zaken op gemeentelijk niveau, zoals waar straten of pleinen worden opengebroken”. De coördinatie van werken op het openbaar domein regelen de gemeenten vaak zelf al in een gemeentelijk reglement. Of ze baseren zich op de Code voor Infrastructuur- en Nutswerken die de VVSG in 2001 publiceerde en in 2016 actualiseerde.

Wat de openbare verlichting betreft, geeft Eandis op haar website zelf aan dat “mandatarissen en gemeentelijke medewerkers de beleidsmakers en drijvende kracht [zijn] achter een kwaliteitsvolle en duurzame openbare verlichting.” Het zijn dus niet de regionale bestuurscomités die zich hierover moeten buigen.

Alleen de Eandis-koepel publiceert alle verslagen van de vergaderingen van de regionale bestuurscomités. Uit die verslagen blijkt dat de gemeentelijke vertegenwoordigers vooral kennis nemen van informatie die de werkmaatschappij met hen wil delen.

Wat vertellen ons de verslagen van het Regionaal Bestuurscomité Iverlek Zenne (Asse, Liedekerke, Sint-Pieters-Leeuw, Roosdaal, Beersel, Sint-Genesius-Rode, Opwijk, Dilbeek, Ternat, Lennik, Merchtem, Linkebeek, Halle, Londerzeel en Drogenbos) van 2016:

Op de vergadering van 25 januari 2016 keurde het RBC Iverlek Zenne een aantal lokale werken goed. Het RBC nam kennis van “de tariefmethodologieen bevoegdheid RBC’s tot aan invoering eenvormig distributienettarief”, van de Stand van zaken op 31 december 2015 m.b.t. claims wat betreft de langdurige onderbrekingen, de laattijdige aansluitingen en de laattijdige heraansluitingen, van de werkwijze vernieuwde meteropneming, van het huidig systeem van budgetmeters en toekomstige evolutie naar slim prepayment en van de medewerking van Eandis aan het Autosalon 2016.

Op de vergadering van 2 maart 2016 keurde het RBC Iverlek Zenne een aantal lokale werken goed. Het nam kennis van “de imagocampagne aardgas die als doel heeft aardgas te promoten als een brandstof die kan bijdragen tot een CO2-arme wereld”, van de evaluatie van het pilootproject rond de clustering van de klantenkantoren in Kortrijk-Deinze en Lier-Heist-op-den-Berg (fase 1) en de implementatie clustering klantenkantoren Halle / Geraardsbergen (fase 2), van de stand van zaken van de uitgevoerde investeringswerken per 31.12.2015 t.o.v. de begroting 2015 voor het werkingsgebied Iverlek, van de rapportering rond de energieleveringen en de decentrale productie op 31 december 2015.

Op de vergadering van 29 april 2016 keurde het RBC Iverlek Zenne een aantal lokale werken goed. Het nam kennis van de nieuwe webtool voor werfcommunicatie ‘Werken van Eandis’.

Op de vergadering van 22 juni 2016 keurde het RBC Iverlek Zenne een aantal lokale werken goed. Het RBC nam kennis van “de behandelde punten op de Raad van Bestuur Eandis Assets van 1 juni 2016 (“met inbegrip van de genomen beslissing inzake de toetreding van een private partner”), van de resultaten van de distributienettarieven 2015, van de stand van zaken rond autonome verlichting, van de wetgeving rond werfsignalisatie en -afbakening en de implementatie daarvan, van de samenwerkingsprotocol tussen het Vlaams Energiebedrijf en Eandis, de doelstellingen Clean Power for Transport, de REG-rapportering 2015 en de klachtenanalyse Eandis 2015.

Op de vergadering van 14 september 2016 keurde het RBC Iverlek Zenne een aantal lokale werken, de financiële rapportering per 30 juni 2016, de interimdividenden, de deelbegroting 2017 en de principes van de RBC-zittingen goed. Het RBC nam kennis van tariefmethodologie 2017 en de opvolging van het budget 2016, de gemeentelijke retributies 2017, de oprichting van een gemeenschappelijk bedrijf Eandis-Infrax en de zesmaandelijkse rapportering van de klachten en de aansprakelijkheid van de netbeheerders. Tenslotte keurde het RBC ook “de Nacht van de Duisternis” goed.

Op de vergadering van 3 oktober 2016 nam het RBC Iverlek Zenne kennis van de nieuwe onlinetool ‘www.eandis.be/geenstroom’. Er werd ook toelichting gegeven over het dossier van de fusie van de 7 distributienetbeheerders en over de besprekingen en beslissingen die genomen werden op de extra vergadering van de Raad van Bestuur van IMEA en de extra zitting van de Raad van Bestuur van Gaselwest-Zuid.

Op de vergadering van 19 oktober 2016 keurde het RBC Iverlek Zenne een aantal lokale werken goed. Het RBC nam kennis van “de behandelde punten op de Raad van Bestuur Eandis Assets van 21 september 2016 en van 3 oktober 2016”, van het tariefvoorstel 2017 voor de periodieke en niet-periodieke tarieven en van het toegelaten inkomen, van de rapportering van de energieleveringen per einde juni 2016 en van de rapportering van de decentrale productie per einde juni 2016.

Op de vergadering van 7 december 2016 keurde het RBC Iverlek Zenne een aantal lokale werken goed. Het RBC nam kennis van het nieuwe webportaal voor klanten met zonnepanelen en van de vooruitblik premies 2017.

Het RBC Iverlek Zenne nam tijdens zijn acht vergaderingen in 2015 dus vooral veel kennis van zaken waaraan hij toch niets meer kon of mocht veranderen. Een RBC is waarschijnlijk geen praatbarak. Als je alleen maar kan kennis nemen, heeft het praten over die onderwerpen toch geen enkele zin. Maar een RBC heeft ook niets te maken met het uitoefenen van een democratisch beslissingsrecht. Over alle onderwerpen valt er gewoon niets meer te beslissen, tenzij het pro forma is.

Een RBC is dus een veredeld kanaal van informatiedoorstroming. Dat kanaal kost; voor Iverlek Zenne, zonder de voorbereidingskosten ervan te kunnen becijferen en als alle vijftien leden acht keer aanwezig waren 26245,12 euro aan presentiegelden (1640.32 (dubbel presentiegeld voorzitter) en 24604,8 (presentiegelden leden)). Voor zijn vergoeding mag de voorzitter de voorbereide agenda aflezen en zijn handtekening en foto zetten onder het voorwoord in het jaarverslag van het RBC. Dat voorwoord is netjes hetzelfde voor alle RBCs van de Eandis-koepel. Kwestie van autonoom te zijn en een toegevoegde waarde te hebben.

Infrax publiceert geen enkele informatie.





Share/Bookmark

donderdag 26 januari 2017

Historische elektriciteits- en aardgasleveranciers moeten in Vlaanderen slapende klanten toch niet wakker schudden

De Vlaamse regering wou in een voorontwerp van decreet de historische leveranciers (versta: Electrabel en EDF Luminus) verplichten om ten laatste op 1 juli 2018 hun historische slapende klanten te dwingen om een vrije leverancierskeuze te maken. Als die klanten niet vrijwillig een leverancier zouden kiezen, dan zouden ze hun elektriciteit en aardgas moeten afnemen van de distributienetbeheerder. Febeg, de sectorfederatie van de leveranciers, gaf echter aan dat er geen slapende klanten meer zijn. Een regeling zou dus overbodig zijn. De voorgestelde bepaling heeft het definitieve ontwerp niet gehaald.
Nochtans zijn er nog vele slapende klanten. Begin 2016 raamde Kris Peeters die zelfs op 2,4 miljoen. Waarschijnlijk hebben een groot deel daarvan ooit al wel eens een keuze gemaakt. Ze zijn dan geen historische slapende klanten. Maar echte cijfers over die historische slapers ontbreken. Het is vreemd dat de Vlaamse regering enkel luisterde naar Febeg. De federale cijfers duiden onmiddellijk ook op een bevoegdheidsrechtelijk probleem, zoals de Raad van State dat ook aanhaalde. Kan een gewest zich bezighouden met een probleem dat in essentie er een is van mededingingsrecht en consumentenbescherming. En, in het algemeen, houdt het recht van vrije leverancierskeuze ook een verplichting tot vrije leverancierskeuze in? Nergens schrijven de Europese regels dit zo voor.

Het voorgestelde artikel 15.3.5/10 Energiedecreet had de historische elektriciteits- en aardgasleveranciers moeten verplichten om er voor te zorgen dat hun historische huishoudelijke klanten tegen uiterlijk 1 juli 2018 gebruik maken van de vrije leverancierskeuze. Die zouden dat moeten doen door leveringscontract af te sluiten met een energieleverancier. Als die klanten dan nog geen leveringscontract zouden hebben, zouden de distributienetbeheerders hen beleveren.

De Raad van State, afdeling wetgeving, merkte de onduidelijkheid van de regeling op. Hoe kan een historische elektriciteits- en aardgasleverancier ervoor zorgen dat zijn historische huishoudelijke klanten tegen 1 juli 2018 effectief gebruik maken van de vrije leverancierskeuze? Volgens de Raad lijkt het louter om een inspanningsverbintenis te gaan. De historische leverancier kan een voorstel doen, maar hij kan zich niet engageren dat er andere leveranciers voorstellen doen. Volgens de Raad is het maar de vraag of de maatregel de vrije leverancierskeuze werkelijk zal bevorderen. Hij suggereert om te bepalen dat de leverancier zijn slapende klanten objectief informeert over de verschillende mogelijkheden en over het risico dat ze mogelijks elektriciteit of aardgas zullen moeten afnemen van de distributienetbeheerder.

De Vlaamse regering antwoordde op deze opmerking door te verwijzen naar de sectorfederatie Febeg. Die zou gemeld hebben “dat er de facto geen dergelijke klanten meer zijn doordat alle historische contracten werden omgezet in contracten van bepaalde duur” Febeg meende dan ook dat de voorgestelde regeling doelloos was. De Vlaamse regering heeft die dan ook uit het ontwerp gehaald.

Op 2 maart 2016 verklaarde federaal minister van economie Kris Peeters nochtans dat er 2,4 miljoen slapende contracten zijn. Ook minister Turtelboom stelde in het Vlaams Parlement dat er nog heel wat slapende klanten zijn. Uiteraard zijn die slapende contracten niet allemaal van afnemers die sinds de liberalisering nog geen contract hebben afgesloten. Een groot deel heeft misschien ooit van zijn vrije leverancierskeuze gebruik gemaakt, maar is daarna blijven zitten met dat oude contract. De Ombudsman voor Energie kaartte in april 2016 het probleem van de slapende contracten op zijn beurt aan. Het is daarom vreemd dat de Vlaamse regering zich baseert op een belangenorganisatie om te beoordelen of de voorgestelde regeling nuttig is.

Dat er wel eerder al op federaal vlak reacties waren, is bevoegdheidsrechtelijk te verklaren. De Raad van State, afdeling wetgeving, vroeg zich ook af of het Vlaamse Gewest bevoegd is om zulke regeling aan te nemen. Die heeft tot doel om de mededinging te stimuleren. Zij bevordert dus het effectief benutten van het recht van vrije leverancierskeuze. Het mededingingsrecht, het handelspraktijkenrecht en de bescherming van de consument zijn federale bevoegdheden. De Raad van State herinnerde dat de gewesten de vrije leverancierskeuze kunnen regelen op basis van hun bevoegdheden rond de distributie van elektriciteit en aardgas. De voorgestelde regeling ging volgens de Raad echter veel verder. De decreetgever zou de slapende klanten verplichten om effectief hun recht gebruik te maken. Als ze dat niet doen, zullen ze automatisch klant worden van de distributienetbeheerders tegen, zoals de Raad het stelt, “allesbehalve aantrekkelijke voorwaarden, vermits het beleveringstarief dan veelal hoog uitvalt en afsluiting dreigt”. De afdeling wetgeving wou daarom graag weten op welke bevoegdheidsrechtelijke basis de regering zich steunde om die regeling uit te werken. Als de regering zich zou baseren op de impliciete bevoegdheden (artikel 10 BWHI), moest zij aangeven in welke mate een gedifferentieerde regeling mogelijk is.

De Vlaamse regering beperkte zich tot het verwijzen naar haar (aanvaarde) uitwerking van het recht op vrije leverancierskeuze. De voorgestelde regeling “ligt in het rechtstreekse verlengde daarvan doordat het zowel de oude van voor de liberalisering daterende standaardleverancier, als diens standaardklanten dwingen om toe te treden tot de liberalisering”. Het voorontwerp zou geen maatregel rond de mededinging inhouden. Meer verantwoording gaf de regering niet.

Tot slot: de liberaliseringsrichtlijnen schrijven een recht op vrije leverancierskeuze voor. Nergens leggen de richtlijnen een plicht tot contracteren op. Eenieder mag aan de vrije markt deelnemen, maar hij is daar niet toe verplicht. Mag dat nog even in een markteconomie?




Share/Bookmark

woensdag 25 januari 2017

Laat meer directe lijnen toe, nu al!

Joseph Roth schreef in het begin van de vorige eeuw het magistrale boek “Radedtskymars”. Hij beschrijft daarin het geslacht von Trotta en tegelijk de ondergang van de keizerlijke Oostenrijk-Hongaarse dubbelmonarchie. Wanneer het duidelijk wordt dat het verval onafwendbaar is, spreekt graaf Chojnicki de gevleugelde woorden “Durch Nitroglyzerin und Elektrizität werden wir zugrunde gehn!” uit.

Rond dezelfde periode nam het Belgische Parlement de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening aan. Die wet liberaliseerde de jonge elektriciteitsmarkt in België. De wet maakt ook een einde aan de monopolies van de gemeenten. Elektriciteitsproducenten konden voortaan hun centrales onderling koppelen. Gemeenten konden niet langer beletten dat industriëlen twee vestigingen, gelegen aan weerszijden van een openbare weg, met elkaar zouden verbinden.

Eind 2016 fnuiken de regels opnieuw de mogelijkheid tot het exploiteren en optimaal gebruiken van decentrale productie-installaties.

Onderneming A is eigenaar van een gebouw 1 aan ene zijde van een openbare weg, de Industrielaan. Aan de gene zijde bouwt A een nieuw gebouw 2. Bij gebouw 1 wil A een WKK-installatie bouwen; bij gebouw 2 een PV-installatie. A wil de twee gebouwen en de twee installaties koppelen via een directe lijn.

Op basis van artikel 4.5.1 Energiedecreet vraagt A voor de aanleg van die directe lijn van de VREG een “voorafgaande toelating”.

De VREG weigert op 14 december 2016 om die voorafgaande toelating te geven.

Bij de beoordeling van zulke aanvraag houdt de VREG, volgens de decreetgever, rekening “met de risico's inzake inefficiëntie, de risico's inzake veiligheid, de impact op de nettarieven, de waarborg van de rechten van afnemers, de eventuele weigering van aansluiting op het net door de betrokken netbeheerder of een gebrek aan aanbod tot aansluiting of toegang op het net tegen redelijke economische of technische voorwaarden” (artikel 4.5.1, derde lid, Energiedecreet).

De VREG aanvaardt dat rechten van de afnemer gewaarborgd zijn, dat er geen impact op de nettarieven is die niet louter inherent is, en er een beheersbaar veiligheidsrisico is. Wel meent de VREG dat de aanleg en exploitatie van deze directe lijnen een risico op inefficiënte uitbouw en exploitatie van het distributienet teweegbrengen, temeer er geen weigering van een aansluiting op het net door de betrokken netbeheerder, noch een gebrek aan aanbod tot aansluiting of toegang op het net tegen redelijke economische of technische voorwaarden, voorligt.

De veiligheidsrisico’s zijn volgens de VREG te ondervangen “mits het bepalen van specifieke voorwaarden, zoals technische specificaties van het materiaal en configuratie, en afspraken met betrekking tot beheers- en exploitatietaken, zoals, bijvoorbeeld, inzake het toegangsrecht van de distributienetbeheerder tot de (kop)cabines van de producent en Afnemer”.

De VREG stelt dus vast dat de afnemer de te betalen nettarieven kan beperken, en de netbeheerder de bijdrage in zijn kosten voor het netbeheer en de ODV ziet dalen. Die situatie is niet anders door het gebruiken van een directe lijn als wanneer een afnemer zelf, zonder directe lijn, een eigen productie-installatie in gebruik neemt.

Door de aanleg van de directe lijn zal de afnemer “alle rechten die voortkomen uit een rechtstreekse toegang tot het distributienet” behouden, oordeelt de VREG. Zijn rechten als afnemer zijn dan ook gevrijwaard.

De VREG stelt vast dat de bestaande gebouwen van A aangesloten zijn op het distributienet. Ook het nieuwe gebouw is aansluitbaar op het distributienet. De distributienetbeheerder kan zowel de WKK- als de PV-installatie aansluiten op zijn net. De VREG stelt daarenboven vast dat de aanvrager beweert noch aantoont dat voorwaarden in het aanbod tot aansluiting technisch of economisch onredelijk zouden zijn.

Over de risico's inzake inefficiëntie herhaalde de VREG dat “omwille van een efficiënte uitbouw en exploitatie van het distributienet de aanleg van parallelle distributienetten vermeden moet worden en gewaarborgd moet worden dat het bestaande distributienet zo efficiënt mogelijk gebruikt wordt”.

De uitbouw en de exploitatie van de distributienetten vergen grote investeringen. Volgens de VREG wijst de tendens naar schaalvergroting (creatie van werkmaatschappijen, het opgaan van gemeentelijke regies in grotere netbeheerders) erop dat deze investeringen aanzienlijk zijn.

Gebouw A1 is aangesloten op het distributienet. Dat middenspanningsnet heeft voldoende capaciteit voor het verwachte productievermogen van de WKK-installatie. Gebouw 2 met de PV-installatie is ook aansluitbaar op het distributienet.

De DNB kan dus beide gebouwen met de onderscheiden productie-installaties apart aansluiten op het distributienet. Op elk ogenblik zijn de volledige gevraagde afname- en injectievermogens beschikbaar.

De VREG verwacht een lage afnamevraag voor gebouw B. Door het feit dat de PV-installatie op gebouw 2 zou gekoppeld zijn met gebouw 1, zal er ook weinig injectie zijn van de elektriciteit van die installatie op het distributienet. Door de beide installaties zal er hoe dan ook minder afname van het middenspanningsnet plaatsvinden. De VREG stelt echter vast dat de afnemer “op het elektriciteitsdistributienet aangesloten blijft voor het totale afname- én injectievermogen, dat gegarandeerd blijft”.

Daaruit leidt de VREG af dat “de aanleg van dit concept met directe lijnen bijgevolg het inefficiënte gebruik van het distributienet impliceert”. Dat inefficiënte gebruik wordt niet gecompenseerd door netefficiëntiewinst in termen van vrijgekomen capaciteit of vermeden netverliezen.

Volgens mij haalt de VREG hier twee elementen dooreen.

In een Industrielaan (Olen, Hoeselt, Sint-Truiden, Maldegem, Schoten, Eeklo, Aalst, Maasmechelen, Waregem, Overpelt, Torhout, Menen, ...) zal er zonder enige twijfel een distributienet zijn aangelegd. Op basis van de verkavelingsvoorschriften rond die Industrielaan, hield de netbeheerder rekening met de meest waarschijnlijke capaciteitsvraag van de activiteiten die men zou ontwikkelen. Of die voorziene capaciteit dan optimaal benut wordt, hangt af van de bezettingsgraad van die Industrielaan. Als nog niet alle kavels bebouwd zijn, zal er meer capaciteit beschikbaar zijn dan nodig. Als uiteindelijk zou blijken dat de beoogde benuttingsgraad nooit behaald wordt, kan de distributienetbeheerder zijn distributienet nooit efficiënt benutten. Zij kan moeilijk de ontwikkelaar dwingen om zelf activiteiten te ontplooien die een efficiënt van het net gebruik mogelijk maken. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de ondernemer in kwestie. Als die nu zou besluiten om het gebouw 2, met zijn weliswaar beperkte elektriciteitsverbruik, niet te bouwen, zal het distributienet ook minder efficiënt gebruikt worden dan voorzien. De ondernemer kan men echter niet dwingen om elektriciteit af te nemen. En als de ondernemer - hopelijk niet - failliet zou gaan en er geen overnemer gevonden wordt, kan de distributienetbeheerder het inefficiënte netgebruik door dat faillissement niet vermijden.

Daarnaast stelt de VREG, terecht, dat de beide gebouwen op het distributienet aangesloten blijven “voor het totale afname- én injectievermogen, dat gegarandeerd blijft”. Als de WKK-installatie in revisie gaat op een dag dat de zon niet schijnt, zal de ondernemer dus tot zijn aansluitingsvermogen elektriciteit kunnen afnemen van het distributienet. Potentieel kan het distributienet, ondanks de directe lijn, dus wel degelijk efficiënt benut worden.

Tot slot: als de ondernemer twee gronden naast elkaar zou hebben, zou de aanleg van de directe lijn niet kunnen geweigerd worden. Het argument van het inefficiënte gebruik van het distributienet is dus niet overtuigend.

Met de beoogde invoering van het capaciteitstarief wil de VREG juist dat alle netgebruikers, ongeacht hun afname of injectie, tarieven zouden betalen voor het maximale vermogen dat zij zouden hebben. Het tarief is dus niet langer afhankelijk van het (in)efficiënt (lees: voldoende) gebruik van het net, maar van het theoretische vermogen.

Deze beslissing is zelf inefficiënt. Zij houdt immers geen rekening met mogelijke toekomstige regulatoire veranderingen en al helemaal niet met voorgenomen wijzigingen. Tegelijk geeft ze, net zoals de gemeenten dat deden voor 1925, een slecht signaal voor investeringen in decentrale productie-installaties.




Share/Bookmark

woensdag 21 december 2016

Eerste aanwending van de Turteltaks

In het Belgisch Staatsblad van 15 december verscheen het besluit van de Vlaamse regering van 21 oktober 2016. Met dit besluit wil de Vlaamse regering alvast een deel van de opbrengst van de bijzondere energieheffing (“Turteltaks”) uitgeven.

Met het gewijzigde Energiebesluit maakt de Vlaamse regering eerst duidelijk dat de kosten voor de minimumsteun die de distributienetbeheerders moeten betalen voor de groenestroomcertificaten “financiële openbaredienstverplichtingen” zijn (nieuw artikel 6.4.14/2).

Voor die financiële openbaredienstverplichting krijgen de distributienetbeheerders vanaf 2016 tot 2026 een vergoeding. Maar die vergoeding dekt niet alle kosten voor die financiële ODV. Enkel de kosten verbonden aan het verlenen van minimumsteun aan particulieren vergoedt de Vlaamse overheid. Voor de uitbetaalde minimumsteun aan ondernemingen ontvangen de distributienetbeheerders vooralsnog geen vergoeding.

De vergoeding dekt “de boekhoudkundige waarde van de groenestroomcertificaten in kwestie, met een maximale waarde van 93 euro per groenestroomcertificaat”.

De distributienetbeheerders moeten eerst voor de groenestroomcertificaten die zij gebankt hebben een vergoeding vragen. Voor die groenestroomcertificaten is de vergoeding 93 euro. Voor de gebankte GSC geldt de beperking dat die afkomstig moeten zijn van particulieren blijkbaar niet.

De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale vergoeding voor alle elektriciteitsdistributienetbeheerders. Elke distributienetbeheerder afzonderlijk kan niet meer dan 15 miljoen euro per jaar ontvangen.

De kosten voor de minimumsteun voor ongeveer 51% van de groenestroomcertificaten worden hiermee vergoed. Voor de andere helft moet de Vlaamse regering nog op zoek naar een oplossing die de problemen rond staatssteun vermijdt.




Share/Bookmark