zaterdag 13 november 2010

250 miljoen, versie 2010

Ondanks het feit dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 30 maart 2010 de door de programmawet van 28 december 2008 ingevoerde repartitiebijdrage van 250 miljoen euro ten laste van de nucleaire producenten overeind hield, gaf minister van energie Magnette in de Kamercommissie Bedrijfsleven deze week toe dat over de hoogte van de bijdrage voor het begrotingsjaar 2010 nog druk overleg gepleegd wordt tussen de partijen van de meerderheid in lopende zaken. Wel gaf hij al mee dat de taks ook dit jaar via een wet houdende diverse bepalingen zal worden geheven en op dezelfde basis als voor 2008 en 2009 worden geïnd.

Tijdens dezelfde discussie liet de minister uitschijnen dat hij, na “passé des centaines d'heures à évaluer cette rente, avec tous les opérateurs imaginables, des économistes, la CREG, la Banque nationale, les fédérations diverses comme la Febeliec et la Febeg”, echt niet veel hoger kon gaan dan de 250 miljoen. De regering verwachtte zich immers aan procedures voor het Grondwettelijk Hof. Dat Hof zou, volgens de minister, twee redenen kunnen hebben om de repartitiebijdrage te vernietigen: “D'abord, elle aurait invoqué la discrimination. Nous avons donc veillé à motiver au maximum les raisons pour lesquelles nous ne taxerions que le nucléaire. La Cour nous a donné raison. Le second motif était la proportionnalité. La Cour aurait pu dire que la taxe était trop élevée”.

De minister doet zo alsof het Grondwettelijk Hof uitvoerig de argumenten van de nucleaire producenten enerzijds en van de regering anderzijds zou onderzocht hebben om uiteindelijk tot het omstandige besluit te komen dat aan alle grondwettelijke voorwaarden om zulke repartitiebijdrage te heffen zou voldaan zijn. De minister grijpt het arrest van het Hof aan om zich politiek in te dekken, zonder echter de lijn door te willen trekken en dit jaar via wettelijke weg opnieuw 250 miljoen euro te durven vragen.

Zoals wij eerder al schreven (zie http://belgischenergierecht.blogspot.com/2010/03/hoe-marginaal-kan-een-toetsing-zijn.html), heeft het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 30 maart 2010 de repartitiebijdrage uiterst marginaal getoetst. In een bespreking van dit arrest in de Juristenkrant van deze week komt confrater Peter De Smedt tot dezelfde negatieve beoordeling van het arrest (“een ongewoon strenge invulling aan [zijn] marginaal toetsingsrecht”). Hij besluit: “De repartitiebijdragen blijken echter te dienen om het begrotingstekort mee aan te zuiveren in plaats van bij te dragen tot de realisatie van het doel dat de wetgever heeft vooropgesteld. Die doelafwending tast het gezag van het besproken arrest van het Grondwettelijk Hof aan, dat bij zijn oordeel over de grondwettigheid van de maatregel immers veelvuldig teruggrijpt naar dit wettelijk doelstellingenkader”. Ook tot dat besluit waren wij al gekomen (zie http://belgischenergierecht.blogspot.com/2010/04/waarvoor-dienden-de-250-miljoen.html).

Het debat in de Kamercommissie kan de indruk wekken dat de regering de juridische marges zo ver mogelijk afgetast heeft voordat zij besloot om in 2008 en 2009 een repartitiebijdrage te vragen van 250 miljoen en dat zij gelukkig mocht zijn dat het Grondwettelijk Hof haar daarin gevolgd is. Het arrest laat echter niet toe om tot die juridische rugdekking te besluiten. Het arrest laat ook niet toe om te stellen dat er ‘maar’ 250 miljoen euro zou kunnen gevraagd worden, laat staan dat dit bedrag in 2010 minder zou moeten zijn. Bovendien beoordeelt de wetgever de repartitiebijdrage van 250 miljoen zelf als 'gering' in de toelichting bij de programmawet van 23 december 2009. Om tot die beoordeling te komen wordt dan weer uitvoering geciteerd uit een studie van de Belgische Nationale Bank die de rente schat op 700 miljoen euro en de studie van de CREG die de stranded benefits schat op 3,921 miljard euro.

De wetgever dient dus voor 2010 een nieuwe afweging te maken op grond van de meest actuele gegevens waarover zij kan beschikken terwijl zij de grondwettelijke principes inzake fiscaliteit respecteert.
Share/Bookmark

vrijdag 12 november 2010

Garantie op minimumsteun voor groenestroomcertificaten (Vlaanderen)

Artikel 22 van het Elektriciteitsdecreet bepaalt dat per schijf van 1 MWh een producent van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen één groenestroomcertificaat krijgt toegekend. Een groenestroomcertificaat is een ‘overdraagbaar immaterieel goed’ (artikel 2, 17°, Elektriciteitsdecreet). Zulk groenestroomcertificaat kan verkocht worden aan elektriciteitsleveranciers of aan de distributienetbeheerders. De elektriciteitsleveranciers moeten jaarlijks een hoeveelheid groenestroomcertificaten inleveren in verhouding tot de door hen in het voorgaande jaar geleverde elektriciteit. Distributienetbeheerders zijn verplicht om groenestroomcertificaten die aangeboden worden door de producenten die aangesloten zijn op dat distributienet aan te kopen tegen een decretaal bepaalde minimumprijs.

De Vlaamse regering besliste vanmiddag om die minimumprijzen stapsgewijze te verlagen. Een aantal technieken (zonnepanelen of PV-installaties) zouden immers overgesubsidieerd zijn.

Voor bestaande installaties verandert er niets, stelde minister van energie Van den Bossche. Zowel de hoogte van de minimumsteun als de duur ervan blijven gelden zoals ze golden op het moment dat de producent voor het eerst aanspraak maakte op de toekenning van het groenestroomcertificaat. Die zekerheid staat met zoveel woorden ook in artikel 25ter, § 3, Elektriciteitsdecreet: “In het geval dat de steun, bedoeld in § 1, door een beslissing van de Vlaamse overheid niet langer wordt toegekend, vergoedt de Vlaamse regering voor bestaande installaties de geleden schade.”

Papier is geduldig en decreetteksten zijn niet voor de eeuwigheid bestemd. Het zou dus best kunnen dat de Vlaamse decreetgever de ganse regeling inzake minimumsteun en de garantie op schadeloosstelling vervat in artikel 25ter, § 3, Elektriciteitsdecreet ooit intrekt.

Ook dan zou de producent nog steeds een eis tot schadeloosstelling kunnen indienen (gebaseerd op de vroegere bedragen van de minimumsteun en de initiële looptijd daarvan zoals die voor de eventuele wijziging aan het Elektriciteitsdecreet ingesteld was). Hoewel de decreetgever steeds de steunmaatregelen kan intrekken of opheffen, zou het immers indruisen tegen de bepalingen van de Grondwet en van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens om ook de schadevergoedingsregeling op te heffen of onmogelijk te maken.

Zulke opheffing zou artikel 16 van de Grondwet schenden. Artikel 16 van de Grondwet beschermt het eigendomsrecht en bepaalt dat niemand zijn eigendom kan ontzegd worden dan ten algemene nutte en mits billijke en voorafgaande schadeloosstelling. Het feit dat niet de Vlaamse overheid de steunmaatregelen toekent, maar wel de distributienetbeheerders verandert hier niets aan. Het Grondwettelijk Hof heeft eerder al beslist dat artikel 16 van de Grondwet niet alleen geldt ten aanzien van de overheid, maar ook “wanneer de rechtstreeks begunstigde van de eigendomsoverdracht niet een overheid is” (in dit geval een distributienetbeheerder). Een opheffing van artikel 23ter, § 3, Elektriciteitsdecreet zou wegens schending van artikel 16 van de Grondwet kunnen vernietigd worden door het Grondwettelijk Hof.

Daarenboven beschermt artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het recht op schadeloosstelling. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beschermt dit artikel ook immateriële eigendom, met inbegrip van vorderingen tot schadeloosstelling en gelijkaardige onlichamelijke patrimoniale eigendom.

Die bescherming geldt echter enkel voor die projecten die al groenestroomcertificaten toegekend kregen op het moment dat de decreetgever tot opheffing van de minimumsteun of de garantie op schadeloosstelling zou besluiten. Voorwaarde is uiteraard wel dat de producent kan aantonen dat zijn installatie blijft produceren.

Voor meer informatie kan u ons steeds contacteren.
Share/Bookmark

woensdag 3 november 2010

De belleman en de koster: bekendmaking van gemeentelijke regelgeving nog steeds in de schaduw van de kerktoren

Opdat de burgers ervan kennis kunnen nemen, moeten gemeentelijke reglementen bekendgemaakt worden door middel van een aanplakbrief. In het Vlaamse Gewest moet die aanplakbrief krachtens artikel 186 van het gemeentedecreet opgehangen worden op een aanplakbord aan het gemeentehuis. Niet het volledige reglement moet aangeplakt worden, wel de melding van het bestaan ervan en waar men het reglement kan inkijken.

De Raad van State stelde in zijn arrest van 10 juni 2010 dat "de bekendmaking van gemeentereglementen door ophanging van een aanplakbrief op een aanplakbord aan het gemeentehuis als archaïsch mag worden bestempeld": "Het is in het hedendaagse internettijdperk, waarin zelfs het Belgisch Staatsblad quasi-uitsluitend via de internetsite van het betrokken bestuur ter beschikking van het publiek wordt gesteld, een onvervalst anachronisme."

De kritiek van Elia dat "de wijze van bekendmaking geregeld in artikel 186 Gemeentedecreet niet aangepast is aan de noden en mogelijkheden van deze tijd" is voor de Raad echter "te beschouwen als kritiek op de opportuniteit van de wet [en dus] niet-ontvankelijk".

De vernietigingsberoepen die Elia had ingesteld tegen reglementen van de gemeente Lint, die een belasting op pylonen invoerden, waren onontvankelijk wegens laattijdig. De termijn om beroep in te stellen bij de Raad van State start op de dag van de aanplakking. Het feit dat het Vlaams gemeentedecreet bepaalt dat de aanplakking gedurende twintig dagen moet plaatsvinden, laat niet toe de aanvangsdatum voor het instellen van het vernietigingsberoep te verlaten naar de laatste dag van de aanplakkingstermijn.

In het laatste nummer van Rechtskundig Weekblad schrijft David Keyaerts van de Universiteit Antwerpen over het anachronisme van de aanplakkingsregels een interessante noot ("Bekendmaking van gemeentelijke normen: de middeleeuwen voorbij? Tijd voor een modern communicatiebeleid", RW 2010-2011, p. 423-426) bij een arrest van het Hof van Cassatie van 14 september 2009. In dit arrest verbrak het Hof een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg in Brussel. De rechtbank had geoordeeld dat een aangeplakt gemeentereglement niet aan een overtreder kon worden tegengeworpen omdat het enkel aangeplakt was en niet gepubliceerd was in het Belgisch Staatsblad. Het Hof stelde dat de aanplakkingsverplichting op zich wettelijk volstond. Een bekendmaking in het Belgisch Staatsblad is voor gemeentelijke reglementen nergens voorgeschreven.
Share/Bookmark

dinsdag 2 november 2010

Recht van uitweg voor nutsaansluitingen

In 1996 aanvaardde het Hof van Cassatie dat artikel 682, § 1, Burgerlijk Wetboek toelaat dat de eigenaar onder een naburig erf leidingen mag aanleggen als dat nodig is om zijn eigen erf normaal te kunnen gebruiken. Voorwaarde is wel dat het erf ingesloten is en dat een mogelijke toegang tot de openbare weg niet kan zonder overdreven onkosten of ongemakken.

In de zaak die aanleiding gaf tot dit arrest hadden de eigenaars van het ingesloten erf theoretisch de mogelijkheid om een riool aan te leggen, "die zou vertrekken voor hun pand, onder de openbare weg zou doorlopen en op de steenweg, waaronder de collector zich bevond, zou uitkomen". De gemeente Rebecq wou echter op die manier geen aansluiting op het rioleringsstelsel voor het regenwater toestaan aan die inwoners. Een veel goedkoper alternatief was het aanleggen van een leiding door het erf van de buren. Die verzetten zich daartegen.

In het arrest van 14 oktober 2010 ging het Hof van Cassatie op de ingeslagen weg. Om het ingesloten karakter van een erf te beoordelen en om uit te maken of een recht van uitweg kan toegestaan worden, moet volgens het Hof rekening gehouden worden met "toute mise en valeur économique que permet la destination du fonds". Een recht van uitweg moet daarom toegestaan worden voor een vooralsnog ingesloten onbebouwd erf waarop stedenbouwkundig een woonhuis kan gebouwd worden. Dit recht van uitweg geldt zowel bovengronds als ondergronds omdat "les canalisations d'eau, de gaz et d'électricité qui doivent normalement desservir un bâtiment moderne enclavé peuvent être installées dans ou sur l'assiette du droit de passage à titre accessoire".
Share/Bookmark