Pagina's

vrijdag 8 juli 2011

In Memoriam Filip Martens: de domeinconcessie voor offshore wind voorbij

In 2020 moet België 13% van het energieverbruik realiseren met hernieuwbare energiebronnen. Offshore wind zal een groot aandeel uitmaken van deze doelstelling. Op dit ogenblik is er in de Noordzee 1 zone afgebakend in de zone voor de exploitatie van offshore wind. De wetgever opteerde voor een speciale vergunning van offshore wind installaties, met name door het verlenen van domeinconcessies.

Onder andere in de formateursnota van Elio Di Rupo is er sprake van een nieuwe zone in de Noordzee voor offshore wind. Wij willen een lans breken om na te denken over de wijze van vergunnen van offshore wind. Wij denken dat de figuur van de domeinconcessie niet aangewezen is, maar dat een beroep zou kunnen gedaan worden op de aanbestedingsprocedure voorzien in de Derde Elektriciteitsrichtlijn. Dit wordt uitgewerkt in de bijdrage "De domeinconcessie voorbij: de ontwikkeling van offshore wind via een aanbestedingsprocedure".

Deze bijdrage is geschreven als een eerbetoon aan Filip Martens, CEO van C-Power, die onverwachts overleden is op 1 juli 2011. Filip kan niet anders omschreven worden dan als een pionier voor offshore wind in België. Zoals het project team van C-Power schreef heeft hij als een echter voortrekker vriend en vijand overtuigd door in 2008 de grootste windturbines op de zwaarste funderingen in diep water op 30 kilometer van de kust te realiseren. Het is voor ons steeds een eer geweest Filip te ontmoeten in vergaderingen of aan de onderhandelingstafel. Zijn heengaan heeft ons, net als zovelen, met verstomming geslagen. Zijn enthousiasme en gedrevenheid kan alleen maar als voorbeeld en ter inspiratie blijven dienen.

Deze bijdrage zakt in het niets ten op zichte van de realisaties van Filip. Elke geproduceerde kWh elektriciteit in de Belgische Noordzee zal zijn herinnering levendig houden. Rust zacht.
Share/Bookmark

dinsdag 5 juli 2011

Klimaat in de nota van formateur Di Rupo

In het voorstel van formateur Di Rupo komt ook klimaat aan bod in de twee delen van de formateursnota: zowel wat betreft de sociaal-economische voorstellen als wat betreft de overdracht van bevoegdheden.

In het hoofdstuk over de begrotingsmaatregelen wordt geschreven dat "met het oog op de implementatie van het klimaatbeleid de opbrengsten van de veiling van de CO2-quota's op billijke wijze verdeeld [worden] tussen de federale overheid en de deelstaten". De formateur doelt hier op de implementatie van het energie- en klimaatpakket van de Europese Unie en de zogenaamde 20-20-20 doelstellingen. Tegen 2020 moet België 13% hernieuwbare energie opwekken tegen 2020 en 15% CO2 verminderen. Deze doelstellingen moeten verdeeld worden tussen de federale overheid en de gewesten, net zoals dat het geval was voor de Kyoto-doelstelling. Op dit ogenblik is daar geen compromis over bereikt, het is zelfs onduidelijk of er over vergaderd wordt. Verder in de nota wordt alleen nog gesproken over een "eerlijke en objectieve verdeling van de te leveren inspanningen".

De industriële uitstoot wordt geregeld door de ETS-richtlijn. Dit is een quasi volledige Europese aangelegenheid geworden, waarbij de lidstaten de veiling organiseren en waarvan de opbrengsten naar de lidstaten terugvloeit. Het verdelen van die emissieopbrengsten zal vermoedelijk deel uitmaken van de globale lastenverdeling in het kader van de 20-20-20-doelstellingen. Het aandeel van de uitstoot van de luchtvaartsector zorgde al voor intern Belgische onenigheid toen het Vlaams Gewest, en nadien het Waals Gewest, een decreet aannamen waarbij alle luchtvaartemissies ofwel in het Vlaams Gewest ofwel in het Waals Gewest gelokaliseerd werden. Brussel en de Federale Overheid vielen uit de boot en vochten het Vlaams decreet aan bij het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof vernietigde het decreet en beval dat er een samenwerkingsakkoord moet komen om de materie te regelen. Tot op vandaag is er ook hier geen uitweg uit de impasse.

De nota van Di Rupo spreekt enkel van een billijke verdeling, en zegt niets over de toewijzing van die opbrengsten. Dit in tegenstelling tot de nucleaire rente waar expliciet wordt bepaald dat die middelen gebruikt zullen worden voor de ondersteuning van offshore wind en de energie-efficiëntie van federale gebouwen. De ETS-richtlijn bepaalt dat de lidstaten vrij zijn om te bepalen hoe de veilingopbrengsten worden gebruikt. Tegelijkertijd zegt ze ook dat de opbrengsten zouden moeten worden gebruikt voor het klimaatbeleid. Of Di Rupo een deel wil gebruiken om, bijvoorbeeld, de internationale klimaatinspanningen te financieren, dan wel om het begrotingstekort te milderen blijft een open vraag.

Wat betreft het internationale klimaatbeleid schrijft Di Rupo dat België een ambitieus standpunt zal innemen tijdens de multilaterale onderhandelingen. Daarbij wordt expliciet gezegd: "ons land schikt zich naar een reductiedoelstelling op EU-niveau van 30% van de uitstoot van broeikasgassen in 2020 en van 80 tot 95% in 2050 ten opzichte van 1990." Hiermee geeft Di Rupo gevolg aan de resolutie die op 24 maart 2011 door de Kamer werd aangenomen waar de Kamer de regering vroeg om zich duidelijk uit te spreken voor een aanscherping van de Europese klimaatambities. De Kamer vroeg ook dat de regering zich zou inzetten dat dit zich zou vertalen in het Belgisch standpunt in de toekomstige EU-milieuraden en de Europese Raad. Uit de manier van verwoorden in de formateursnota kan alvast een engagement afgeleid worden dat de Federale Regering effectief zal proberen de gewesten op dezelfde lijn te krijgen. Het Europese standpunt wordt namelijk steeds in overleg met de gewesten bepaald.

Wat betreft de overdracht van bevoegdheden komt de tekst van Di Rupo overeen met het eerdere voorstel van Vande Lanotte. De Nationale Klimaatcommissie zal versterkt worden en er wordt een klimaatresponsabliseringsmechanisme ingesteld. Dit laatste zal geconcretiseerd worden door in de nieuwe financieringswet een responsabiliseringsmechanisme "klimaat" te voorzien voor de CO2-uitstoot in die sectoren die niet vallen onder de EU-ETS. Dit gebeurt op basis van de doelstellingen van de Nationale Klimaatcommissie en gevalideerd door de interministeriële conferentie. Als bedoeld wordt wat Vande Lanotte eerder schreef dan zou de interministeriële conferentie die bevoegd is voor het klimaatbeleid concrete voorstellen doen op het vlak van bindende emissietrajecten per regio en per sector, op korte en op lange termijn en met betrekking tot de methodologie inzake berekening van de emissies. De Nationale Klimaatcommissie zou bevoegd zijn voor de controle op de resultaten en de publicatie ervan. Dit wordt echter niet op deze manier verduidelijkt in de nota van Di Rupo.

Di Rupo schuift duidelijk naar voor dat een vermindering van CO2 het concurrentievermogen van de bedrijven zal versterken en zal zorgen voor extra banen. Qua standpunt heeft het voorstel van Di Rupo het voordeel van de duidelijkheid, de 30% doelstelling wordt gesteund. De invulling van de doelstelling binnen België is vooralsnog onduidelijk. Ook hier geldt wat we voor de energievoorstellen schreven: met de uitwerking kan het nog alle kanten uit.
Share/Bookmark

Energie in de nota van formateur Di Rupo

De formateursnota van Di Rupo bestaat uit twee delen, enerzijds voorstellen met betrekking tot de begrotingssanering, de 6de staatshervorming en de sociaal-economische hervormingen, anderzijds een meer gedetailleerde en technische uitleg over de overdracht van bevoegdheden van de federale staat naar de deelstaten en de nieuwe financieringswet.

Wat betreft het eerste deel wordt energie behandeld in het hoofdstuk "overgang van onze economie naar een duurzaam groeimodel". Een aantal zaken zijn niet nieuw, omdat ze reeds aangekondigd werden of omdat er reeds initiatieven genomen werden door de regering of het parlement. Zo komt de beheersing van de energieprijzen (als eerste punt) terug naar voor. De prijzen voor zowel particulieren als bedrijven zouden niet hoger mogen liggen dat de gemiddelde prijs in de ons omringende landen. Geen woord echter over het eerder bereikte compromis omtrent de vangnetregulering. Er wordt alleen nog gezegd dat "de federale overheid, Gewesten en de 4 regulatoren samen het geheel van alle componenten van de energiekosten analyseren en hoe deze in toom te houden". Nochtans maakt dit reeds deel uit van de bevoegdheden van de CREG en zijn er al een pak studies gepubliceerd, zowel wat betreft de prijzen voor elektriciteit als de prijzen voor gas. De studies over de prijscomponenten worden bovendien elke 6 maanden geactualiseerd. De beheersing en controle van de energieprijs wordt ook vermeld in het hoofdstuk over de koopkracht en de inflatie.

Ook niet nieuw is het voornemen om de nucleaire rente te belasten. Al heet het nu "een mechanisme om zowel concurrentie als investeringen aan te moedigen in de opwekking van elektriciteit en de nucleaire rente te heffen (sic). (...) Dit mechanisme zal tijdelijk zijn en zal verdwijnen wanneer de markt concurrentieel wordt." De formateur laat echter niet in zijn kaarten kijken hoe dit mechanisme er zou uitzien. Het is ook niet duidelijk wat de formateur bedoelt met het aanmoedigen van concurrentie en investeringen. Gaat het over het louter wegbelasten van het voordeel van de nucleaire rente, naar voorbeeld van de huidige repartitiebijdrage, eventueel gecombineerd met een uraniumaccijns? Of doelt de formateur op een omvangrijker initiatief naar model van het voorstel van de Vlaamse socialisten, met name de unieke aankoopmaatschappij? De formateur geeft geen indicatie over de hoogte van het bedrag. Door in het hoofdstuk over de voorgestelde begrotingsmaatregelen te spreken over een 'verhoging' van het bedrag, mag men ervan uitgaan dat belasting meer zal zijn dan 250 miljoen euro per jaar.

De formateur kondigt ook aan om de wetgeving inzake nucleaire aansprakelijkheid te herzien. Hierover heeft het parlement de werkzaamheden reeds aangevat en dienden CD&V-cdH, enerzijds, en PS, VLD, MR, anderzijds, voorstellen in.

Wat betreft bevoorradingszekerheid blijft de onduidelijkheid over de wet op de kernuitstap. De wet blijft, maar de er in vervatte uitstapkalender "zal worden beoordeeld in het licht van de stresstests en de studies over de bevoorradingsveiligheid in België." Met andere woorden, de kerncentrales gaan zeker toe, maar wanneer blijft een open vraag.

Er is sprake van "een uitrustingsplan met betrekking tot de productiecapaciteit (...) om de sluiting van de [kern]centrales te compenseren. Ook hier is het niet duidelijk wat bedoeld wordt. De term "uitrustingsplan" doet denken aan het vroegere nationaal uitrustingsplan en de centrale planning van de productiemiddelen. Door de liberalisering is die vervangen eerst door het indicatief programma van de productiemiddelen, daarna door de prospectieve studie, waarin, onder andere, de bevoorradingszekerheid geëvalueerd wordt, en wanneer ze in het gedrang komt, er aanbevelingen geformuleerd worden. Terugkeren naar een centrale planning is onmogelijk in een geliberaliseerde energiemarkt. Misschien doelt de formateur op de voorstellen van de CREG inzake het gebruik van een openbare aanbesteding om investeringen te realiseren? Of misschien doelt de formateur op andere technieken om capaciteit te vergoeden, met name om te zorgen voor genoeg back-up capaciteit voor hernieuwbare energie?

Verder wordt in het kader van de bevoorradingszekerheid een nieuwe zone voor windenergie in de Noordzee aangekondigd.

Voor het overige zullen consumentendiensten en de leesbaarheid van de energierekening worden verbeterd. Hier zou de formateur kunnen doelen op het aanpassen van het bestaande akkoord over de consument in de vrijgemaakte elektriciteits- gasmarkt aan de nieuwe Wet Marktpraktijken. Of misschien wil de formateur de toepasselijke wetgeving van de federale overheid en de gewesten over de verplichte vermeldingen op de factuur harmoniseren, vereenvoudigen en verduidelijken?

De staatscontrole bij het beheer van de financiële reserves voor de ontmanteling van centrales en het beheer van gebruikte splijtstof zal worden versterkt. Dit zou betekenen de bestaande conventie tussen de federale overheid, Electrabel en Synatom zou moeten heronderhandeld, afgeschaft of niet verlengd worden. Wellicht verwijst de formateur naar de rondetafel die hierover plaatsvond bij NIRAS, maar die nog geen aanleiding was voor nieuwe initiatieven.

De CREG zal versterkt worden in haar onafhankelijkheid, de controle over de regulator zal verzekerd worden door het parlement. De formateur verwijst hier naar het implementatie van het derde pakket, waar de Raad van State reeds haar advies gegeven heeft. Een tekst werd echter nog niet ingediend in het parlement. De omzettingstermijn is sinds 3 maart 2011 verstreken.

Wat betreft de overdracht van bevoegdheden kopieert de formateur grotendeels de eerdere nota van Johan Vande Lanotte. Distributietarieven zouden een gewestelijke bevoegdheid worden, behalve voor de netwerken die een transportfunctie hebben zelfs indien ze een spanning hebben gelijk of lager dan 70 kV, evenals het Fonds voor de Reductie van de Globale Energiekost. Er komt een samenwerkingsakkoord om de de samenwerking rond het nucleaire exportbeleid te vergemakkelijken.

Nieuw is dat er verduidelijkt wordt wat zeker federale bevoegdheid blijft: prospectieve studies, kernenergie, energieproductie, inclusief offshore, de grote infrastructuren voor aanvoer en opslag van energie, het energietransport, het beleid inzake de uiteindelijke energieprijs voor de gebruiker, inclusief de sociale bevoegd, de energie-efficiëntie van de federale gebouwen. Inzake de offshore was in de nota Vande Lanotte sprake van een overlegplatform met het Vlaams Gewest. Dit is weggevallen in de nota Di Rupo.

Samengevat bevat de formateursnota voor iedereen wat wils. Het blijven echter hoofdlijnen, de uitwerking kan nog alle kanten op.
Share/Bookmark

woensdag 1 juni 2011

Tarieven voor elektriciteitsdistributie zijn ongrondwettelijk

Terwijl een groot deel van de Belgische energiejuristen gisteren samenkwamen in Leuven voor de voorstelling van het Jaarboek Energierecht 2010, velde het Grondwettelijk Hof een zeer belangrijk arrest (GwH 31 mei 2011, nr. 2011/97). Door de duidelijkheid van zijn stelling, beslechtte het Hof twee discussiepunten die energiejuristen al een tijdje bezighield. De uitkomst ervan zal menigeen heel veel kopbrekens bezorgen.

In het koninklijk besluit van 2 september 2008 betreffende de regels met betrekking tot de vaststelling van en de controle op het totaal inkomen en de billijke winstmarge, de algemene tariefstructuur, het saldo tussen kosten en ontvangsten en de basisprincipes en procedures inzake het voorstel en de goedkeuring van de tarieven, van de rapportering en kostenbeheersing door de beheerders van distributienetten voor elektriciteit werd de mogelijkheid voorzien om injectietarieven op te leggen voor productie-installaties met een vermogen van meer dan 5 MW indien die injectie voor de distributienetbeheerder aanzienlijke bijkomende kosten zou veroorzaken. Dat koninklijk besluit is, samen met het koninklijk besluit van dezelfde dag inzake de meerjarentarieven voor de distributie van aardgas, door de wet van 15 december 2009 bekrachtigd. Electrawinds vroeg voor het Grondwettelijk Hof de vernietiging van die bekrachtigingswet omdat het de bevoegdheidsverdeling inzake energie zou schenden en de gewestelijke bevoegdheden inzake hernieuwbare energie ernstig zou inperken. In die procedure is ook de CREG vrijwillig tussengekomen.

Op basis van artikel 6, § 1, VII, tweede lid, d), BWHI stelt het Hof duidelijk dat "de regeling betreffende de injectietarieven tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort". Het Hof onderzoekt wel "of de regeling inzake injectietarieven, voor zover zij ook van toepassing is op producenten van hernieuwbare energie, het evenredigheidsbeginsel in acht neemt", waarbij hij de bevoegdheid van de gewesten inzake hernieuwbare energiebronnen onderzoekt (artikel 6, § 1, VII, eerste lid, f), BWHI).

Het Hof oordeelt:

"B.6.4. Uit de enkele vaststelling dat de injectietarieven van toepassing zijn op alle vormen van gedecentraliseerde opwekking van elektriciteit, en dus niet alleen op 'nieuwe energiebronnen', mag niet worden afgeleid dat het evenredigheidsbeginsel niet van toepassing zou zijn. Het is immers maar in zoverre de federale regeling betrekking heeft op de nieuwe energiebronnen, dat het evenredigheidsbeginsel in het geding is.

B.6.5. De toepasselijkheid van de injectietarieven op producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen laat voor het overige de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest onverlet om zijn bevoegdheid inzake nieuwe energiebronnen uit te oefenen."

Door het middel vervolgens niet gegrond te verklaren, bevestigt het Hof de stelling van de federale overheid en van de CREG dat het evenredigheidsbeginsel niet geschonden is. De federale overheid mag dus injectietarieven opleggen, zelfs voor installaties voor elektriciteitsproductie op basis van hernieuwbare energiebronnen.

De verzoekende partijen hadden aangevoerd dat de federale bevoegdheden inzake energie slechts zouden gelden in de mate dat die betrekking hebben op zaken die een 'nationale relevantie' zouden hebben. Het Hof gaat hier niet rechtstreeks op in, al laat het wel uitschijnen dat de verwijzing naar "de aangelegenheden die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven" in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, BWHI niet van die aard kan zijn om de gedeelde exclusieve bevoegdheden inzake energie in het voordeel van de ene of de andere overheid te doen overhellen.

Hiermee lijkt, sneller dan gedacht, een einde te komen aan de discussie tussen het Vlaamse Gewest en de federale overheid inzake de injectietarieven. De Vlaamse overtuiging dat zij productie-installaties hiervan kunnen vrijstellen is dus ongegrond. Daarenboven wordt ook de (eerder summiere) analyse die de CREG over deze problematiek maakte (zie ons vorig bericht) bevestigd. Het valt te verwachten dat het Grondwettelijk Hof, indien de CREG of een andere belanghebbende hierom zou verzoeken, het decreet van 23 december 2010 zal vernietigen.

Het Grondwettelijk Hof onderzocht vervolgens, en ambtshalve, of het door de wet bekrachtigde koninklijke besluit geen schending uitmaakt van het Europese recht.

De beide koninklijke besluiten van 2 september 2008 waren, op basis van de procedure van artikel 12nonies van de Elektriciteitswet, voorgesteld door de CREG. De Koning heeft de voorgestelde koninklijke besluiten, blijkbaar op vraag van de CREG, nadien zelf nog gewijzigd. De minister antwoordde hierover in de Kamer: "Pour être plus précis encore, je dois ajouter que les projets d'arrêté royal étaient incomplets sur certains points, voire qu'ils prévoyaient expressis verbis que le choix final devait être opéré par le ministre. La CREG demandait au ministre de faire les choix finaux. Je cite: 'à déterminer ultérieurement par le ministre'. Je sais que cela ne correspond pas à votre conception de la régulation néolibérale, madame Van der Straeten, mais c'est bien ce qui correspond au prescrit légal. Ainsi en était-il du Bêta de la 'regulated asset base' (RAB) et du facteur de productivité." Blijkbaar zijn de voorstellen van de CREG, waaraan de regering volgens de CREG zelf nog verdere invulling moest geven, nadien voorgelegd aan de distributienetbeheerders en, opnieuw, aan de CREG. Vervolgens heeft de ministerraad ze aangenomen. Geconfronteerd met de door de Koning gewijzigde voorstellen van de CREG, had de Raad van State al opgemerkt "dat het niet aan de Koning toekomt om een tariefvoorstel van de regulator te wijzigen".

Omdat het Hof van Beroep van Brussel de koninklijke besluiten op basis van artikel 159 Grondwet in 2009 onwettig achtte, en de toepassing ervan dan ook schorste, nam de regering, hierin gevolgd door de Kamer, het initiatief om die koninklijke besluiten bij wet te bekrachtigen. Dit gebeurde door de wet van 15 december 2009.

Het Grondwettelijk Hof verwijst in zijn arrest naar bepalingen uit de tweede en de derde Elektriciteitsrichtlijn, die voorschrijven dat de onafhankelijke regulator de tariefmethodologie of de tarieven vaststelt of goedkeurt. Stelt hij een tariefmethodologie vast of keurt hij die goed dan moet hij nadien ook beoordelen of de netbeheerders bij het vaststellen van de tarieven die methodologie correct toegepast hebben (zie T. VANDEN BORRE, "De omzetting van de bepalingen inzake de onafhankelijke energieregulator", in K. DEKETELAERE en B. DELVAUX (eds.), Jaarboek Energierecht 2010, Antwerpen, Intersentia, 2011, p. 123).

Ingevolge artikel 37 van de Derde Elektriciteitsrichtlijn (vergelijk met artikel 41 Derde Aardgasrichtlijn) stelt het Hof dat "het niet langer mogelijk is dat de Koning, op voorstel van de CREG, de distributietarieven vastlegt, aangezien die bevoegdheid thans exclusief aan de CREG toekomt". Daarom zijn de bekrachtigde koninklijk besluiten hiermee en met de vroegere bepalingen van de Tweede Elektriciteitsrichtlijn in strijd.

Het Hof besluit:

"B.9.6. De wetgevende bekrachtiging van een koninklijk besluit dat met het recht van de Europese Unie in strijd is, dekt dat gebrek niet. Bijgevolg schendt de bestreden bepaling, zoals de Raad van State reeds heeft opgemerkt (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2191/001, pp. 14-15), artikel 23, leden 2 en 3, van de Tweede Elektriciteitsrichtlijn, in zoverre de bekrachtiging betrekking heeft op de artikelen 9 tot 14 van het bekrachtigde koninklijk besluit."

Met de vernietiging van de bekrachtigingswet komen de belangrijkste bepalingen voor het vaststellen van de distributienettarieven voor elektriciteit te vervallen. Hetzelfde geldt, hoewel de onderliggende bepalingen niet vernietigd zijn, mutatis mutandis, voor de distributienettarieven voor aardgas. Dit betekent, op het eerste zicht, dat alle tarieven die de CREG goedkeurde op basis van de artikelen 9 tot 14 van de koninklijke besluiten van 2 september 2008 evenmin nog een rechtsbasis hebben. Extreem beschouwd zijn de distributienettarieven die de afgelopen tweeënhalf jaar via de leveranciers zijn aangerekend aan de eindafnemers dus onverschuldigd. Er bestond hiervoor nooit een rechtsbasis. Enigszins wrang is dat het ambtshalve onderzoek door het Grondwettelijk Hof er gekomen is op instigatie van de CREG, die eerder zelf aan de minister vroeg om een aantal zaken in hun initieel voorstel verder uit te werken.

Het lijkt er sterk op dat alle betrokken actoren zelfs niet meer kunnen oogsten wat ze gezaaid hebben. Door de overjuridisering van een essentiële discussie (de tarieven voor het gebruik van het distributienet voor alle eindafnemers en leveranciers) kan men door het bos de bomen niet meer zien. Dat bos zal nu dringend volledig met de grond gelijk gemaakt moeten worden.
Share/Bookmark

"De vrijheid sterft met de gloeilamp"

Mijn presentatie over energie-efficiëntie voor de studiedag rond het Jaarboek Energierecht 2010 vindt u hieronder



Share/Bookmark

vrijdag 6 mei 2011

Presentatie OVED-studienamiddag over energiewetgeving in 2010-2011

Volgende presentatie gaf ik op de OVED-studienamiddag van 5 mei 2011.


Share/Bookmark

De CREG en administratieve geldboetes

Eerder dit jaar raakte bekend dat de CREG aan Electrabel een 'boete' (een administratieve geldboete) had opgelegd van 100.000 EUR per dag dat de energiegigant niet de door de regulator gevraagde informatie zou bezorgen.

Vorige maand sprak de Raad van State zich uit over een eerdere administratieve geldboete die de CREG in 2004 had opgelegd aan de stad Waver, distributienetbeheerder in die stad. Ook de stad had nagelaten aan de CREG de gevraagde informatie te bezorgen.

In zijn arrest beoordeelt de Raad van State twee middelen die door de stad Waver waren ingeroepen als gegrond.

Het eerste middel had betrekking op het feit dat andere personen de stad Waver gehoord hadden dan de personen die de beslissing namen om de adminstratieve geldboete op te leggen.

De Raad van State verwijst naar artikel 779 Gerechtelijk Wetboek, dat stelt dat een vonnis kan enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters, die op straffe van nietigheid alle zittingen over de zaak moeten bijgewoond hebben. Het feit dat de CREG een administratieve overheid en geen rechtbank is, ontslaat haar volgens de Raad niet van het naleven van het 'fundamentele principe' dat in artikel 779 Ger.W. vertaald is. Ook bij het opleggen van administratieve geldboetes moet de persoon gehoord worden. Zulke hoorzitting is volgens de Raad van State maar effectief als het dezelfde personen zijn die op de hoorzitting aanwezig waren en die nadien de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete nemen. De vrijheid van de CREG om zelf haar inrichting te regelen en het feit dat het directiecomité van de CREG haar beslissingen collegiaal neemt, mag geen reden zijn om afbreuk te doen aan het principe verwoord in artikel 779 Ger.W.

In een tweede middel laakte de stad Waver dat de CREG een administratieve geldboete als dwangsom had opgelegd, waarvan het totaal weliswaar beperkt werd tot 3% van de jaaromzet van de stad Waver inzake distributienetbeheer. De stad meende dat de CREG weliswaar een administratieve geldboete kon opleggen, maar dat die geldboete exact berekend moest zijn en niet mocht afhangen van het feit wanneer de stad zich al dan niet zou conformeren met de beslissing van de CREG.

De Raad van State stelt duidelijk dat een administratieve geldboete een voorbije gedraging moet sanctioneren en niet een toekomstige: "qu'une sanction ne peut jamais réprimer qu'un comportement passé, et non un comportement futur, qui est nécessairement incertain". Artikel 31 van de Elektriciteitswet, dat bepaalt dat de geldboete wordt opgelegd per kalenderdag, verwijst volgens de Raad van State naar "le nombre de jours où une infraction a été commise, arrêté au jour où l'autorité qui prononce la sanction statue".

De beslissing van de CREG om aan Electrabel een administratieve geldboete, als 'dwangsom', op te leggen is aangevochten voor het hof van beroep van Brussel. De Raad van State is al enige tijd niet meer bevoegd om beslissingen van de CREG te toetsen. Die beslissing is ook niet bekend, waardoor het moeilijk is om een getrouwe parallel te trekken. De teneur van het arrest van de Raad van State is nochtans duidelijk. Electrabel zou voor hem waarschijnlijk gelijk halen. Of ook het Hof van Beroep de algemene principes die de Raad aanhaalt gaat toepassen in de energiesector is nog onbekend.
Share/Bookmark

maandag 2 mei 2011

"Les hommes politiques doivent respecter les pouvoirs de la CREG"

De tekst van het interview in de weekendeditie van L'Echo vindt u via deze link.
Share/Bookmark

woensdag 27 april 2011

Juridische 'bezwaren' tegen uraniumtaks

In de door de CREG verguisde samenvatting en analyse van de Nationale Bank 'De Belgische nucleaire schaarsterente' wijdt de bank ook een hoofdstukje aan de 'mogelijke juridische bezwaren bij een accijns [op uranium]" (p. 51/54).

Die juridische bezwaren vindt zij terug in een persbericht uit 2010 van 'het internationale advocatenbureau Clifford Chance' dat zou stellen "dat de uraniumaccijns in strijd is met de Europese Richtlijn 2003/96/EG" omdat "elektriciteit afkomstig uit kernenergie door de heffing van een accijns benadeeld (of gediscrimineerd) wordt ten opzichte van de elektriciteit afkomstig van andere energiebronnen". Daarnaast zouden de lidstaten "door Europa verplicht zijn om uniforme belastingtarieven toe te passen voor energieproducten". Bovendien "zou de richtlijn de lidstaten verbieden om energieproducten die worden ingezet voor de productie van elektriciteit, te belasten".

Begin juli 2010 berichtte Der Spiegel over het advies dat Clifford Chance over de Duitse Brennelementesteuer geschreven had. In haar persbericht van 5 juli 2010 schrijft het internationale advocatenkantoor "that the German federal government's proposed tax on nuclear fuel elements, a tax which it plans to levy on nuclear fuel rod consumption or power generated therefrom, is incompatible with EU tax law". Om haar objectiviteit in het dossier te staven, stelden onze Duitse confraters "that the legal opinion had not been prepared in accordance with client instructions: "As a leading energy law firm, we are often at the vanguard of promoting discussions on energy law and energy policy and providing our legal opinion thereon.""

Ondanks het feit dat Clifford Chance zichzelf ziet als een 'pionier' om discussies over energierecht en energiebeleid te ondersteunen, is de studie zelf niet (gemakkelijk) terug te vinden op het internet. Ook de Nationale Bank verwijst enkel naar het persbericht van het kantoor. Men zou toch wel kunnen verwachten dat zelfverklaarde opinion makers hun argumenten languit vrijgeven opdat nationale instanties hiervan kennis kunnen nemen. Men zou ook van nationale instanties kunnen verwachten dat zij de zelfverklaarde pioniersrol van advocatenkantoren in persberichten iets objectiever zouden benaderen.

De stelling van Clifford Chance werd overigens onmiddellijk betwist in de Duitse pers. Zo verwees taz.de naar een soortgelijk systeem in Zweden dat al bestaat sinds 2000: "Die von der Bundesregierung geplante Atomsteuer sei juristisch nicht zu machen, heißt es. Stimmt nicht: Schweden kassiert das Geld längst." Opvallend is ook dat de stelling van Clifford Chance niet onmiddellijk lijkt gevolgd te zijn in de Duitse rechtsleer.

Op basis van de richtlijn 2003/96/EG tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit lijkt er niets zich tegen te verzetten dat er een uraniumtaks zou komen.

Artikel 14.1 van die richtlijn verplicht de lidstaten om vrijstelling van belasting te verlenen voor "energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit en elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren". In principe zou men kunnen argumenteren dat brandstoffen voor de productie van elektriciteit moeten vrijgesteld zijn van een belasting. Anders zou de elektriciteit twee keer belast worden (input en output).

De lidstaten kunnen de brandstoffen echter "uit milieubeleidsoverwegingen aan belasting onderwerpen zonder inachtneming van de in deze richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveaus". Voorwaarde lijkt wel te zijn die brandstoffen als categorie belast worden. Men mag geen onderscheid maken door een brandstof die gebruikt wordt voor de productie van elektriciteit wel te belasten en dat niet te doen als die gebruikt wordt voor andere toepassingen. Uranium of andere splijtstoffen zullen dus in hun geheel kunnen belast worden, los van de vraag of ze al dan niet gebruikt worden voor de elektriciteitsproductie. Weliswaar moet zulke taks dan geheven worden vanuit 'milieubeleidsoverwegingen'. Dat die overwegingen gevonden kunnen worden, lijkt aannemelijk.

De Bank verwijst verder naar argumenten van Electrabel dat de heffing van een uraniumaccijns ook in strijd zou zijn met de Belgische wetgeving "omdat er reeds communautaire accijnzen worden geheven op het 'eindproduct' energie (elektriciteit, aardgas en minerale oliën)". Daarom zou "een bijkomende accijns op het 'beginproduct' uranium niet wettelijk zijn omdat een dubbele heffing niet zou toegelaten zijn".

Men kan zich afvragen of die stelling volledig juist is. Voornoemd artikel 14.1 van de richtlijn 2003/96/EG bepaalt in de laatste zin dat wanneer brandstoffen belast worden vanuit milieubeleidsoverwegingen, die belastingen "niet in aanmerking genomen
voor de inachtneming van het minimumbelastingniveau voor elektriciteit zoals vastgesteld in artikel 10". Hieruit volgt op het eerste zicht dat de richtlijn een belasting op de input, vanuit milieubeleidsoverwegingen, en een belasting op de output van elektriciteit niet voor onmogelijk houdt.

De Nationale Bank besluit dat "de voormelde mogelijkheden tot juridische problemen dienen wel nog te worden geverifieerd door fiscale en juridische specialisten. Dit was echter niet mogelijk binnen het korte tijdsbestek waarin deze nota diende te worden opgemaakt."

Het valt te betreuren dat de Bank enkel de negatieve elementen opneemt en geen moeite gedaan heeft om verder onderzoek te doen (al was het maar oppervlakkig) om enkele tegenargumenten tegen de negatieve elementen op te nemen. Dat zij daarna nog de finale beoordeling aan specialisten zou overlaten, zou het verslag vollediger gemaakt hebben.
Share/Bookmark

dinsdag 26 april 2011

Mandaatjes en centjes

In ons vorige bericht verwezen we naar de rijkgevulde gremia van de Vlaamse distributienetbeheerders. Een eerste snelle blik op de jaarverslagen van die netbeheerders leert dat de vergoedingenpot voor de bestuurders evenmin mager gevuld is.

In het boekjaar 2009 schreven de gemengde netbeheerders iets minder dan 700.000 EUR onder de rubriek 9503 (“Rechtstreekse en onrechtstreekse bezoldigingen en ten laste van de resultatenrekening toegekende pensioenen, voor zover deze vermelding niet uitsluitend of hoofdzakelijk betrekking heeft op de toestand van een enkel identificeerbaar persoon – Aan bestuurders en zaakvoerders”) in. Gaselwest keert het hoogste bedrag uit (173.735 EUR). Daarna volgen Iverlek (141.898 EUR), Iveka (101.578 EUR), Intergem (74.321 EUR), Imewo (73.169 EUR) en Imea (47.838 EUR). Eandis zelf keert voor 76.672 EUR bezoldigingen aan bestuurders uit.

Bij de zuivere netbeheerders is het minder eenvoudig om uit te zoeken hoeveel een bestuursmandaat waard is. Vast staat dat PBE met 394.817 EUR de kroon spant. PBE is ook actief in de kabeltelevisiesector. Iveg betaalt 90.654 EUR aan haar bestuurders, Infrax West (het vroegere WVEM) 105.340 EUR en Inter-energa 68.000 EUR. Interelektra, die participeert in Inter-energa, heeft daarnaast nog 166.260 EUR over voor haar bestuurders. Infrax zelf lijkt met 19.250 EUR eerder zuinig.

Als de vaststelling van de overbodigheid van al die mandaten niet betwist wordt, zou het misschien allemaal ook iets veel minder mogen kosten. Het komt er gewoon op aan om aan al die bestuurders en leden van sectorcomités te zeggen dat een lokaal gemeentelijk mandaat zich beperkt tot dat lokaal gemeentelijk mandaat en geen toegangsticket is voor een bijkomend loon.
Share/Bookmark