Pagina's

donderdag 26 januari 2017

Historische elektriciteits- en aardgasleveranciers moeten in Vlaanderen slapende klanten toch niet wakker schudden

De Vlaamse regering wou in een voorontwerp van decreet de historische leveranciers (versta: Electrabel en EDF Luminus) verplichten om ten laatste op 1 juli 2018 hun historische slapende klanten te dwingen om een vrije leverancierskeuze te maken. Als die klanten niet vrijwillig een leverancier zouden kiezen, dan zouden ze hun elektriciteit en aardgas moeten afnemen van de distributienetbeheerder. Febeg, de sectorfederatie van de leveranciers, gaf echter aan dat er geen slapende klanten meer zijn. Een regeling zou dus overbodig zijn. De voorgestelde bepaling heeft het definitieve ontwerp niet gehaald.
Nochtans zijn er nog vele slapende klanten. Begin 2016 raamde Kris Peeters die zelfs op 2,4 miljoen. Waarschijnlijk hebben een groot deel daarvan ooit al wel eens een keuze gemaakt. Ze zijn dan geen historische slapende klanten. Maar echte cijfers over die historische slapers ontbreken. Het is vreemd dat de Vlaamse regering enkel luisterde naar Febeg. De federale cijfers duiden onmiddellijk ook op een bevoegdheidsrechtelijk probleem, zoals de Raad van State dat ook aanhaalde. Kan een gewest zich bezighouden met een probleem dat in essentie er een is van mededingingsrecht en consumentenbescherming. En, in het algemeen, houdt het recht van vrije leverancierskeuze ook een verplichting tot vrije leverancierskeuze in? Nergens schrijven de Europese regels dit zo voor.

Het voorgestelde artikel 15.3.5/10 Energiedecreet had de historische elektriciteits- en aardgasleveranciers moeten verplichten om er voor te zorgen dat hun historische huishoudelijke klanten tegen uiterlijk 1 juli 2018 gebruik maken van de vrije leverancierskeuze. Die zouden dat moeten doen door leveringscontract af te sluiten met een energieleverancier. Als die klanten dan nog geen leveringscontract zouden hebben, zouden de distributienetbeheerders hen beleveren.

De Raad van State, afdeling wetgeving, merkte de onduidelijkheid van de regeling op. Hoe kan een historische elektriciteits- en aardgasleverancier ervoor zorgen dat zijn historische huishoudelijke klanten tegen 1 juli 2018 effectief gebruik maken van de vrije leverancierskeuze? Volgens de Raad lijkt het louter om een inspanningsverbintenis te gaan. De historische leverancier kan een voorstel doen, maar hij kan zich niet engageren dat er andere leveranciers voorstellen doen. Volgens de Raad is het maar de vraag of de maatregel de vrije leverancierskeuze werkelijk zal bevorderen. Hij suggereert om te bepalen dat de leverancier zijn slapende klanten objectief informeert over de verschillende mogelijkheden en over het risico dat ze mogelijks elektriciteit of aardgas zullen moeten afnemen van de distributienetbeheerder.

De Vlaamse regering antwoordde op deze opmerking door te verwijzen naar de sectorfederatie Febeg. Die zou gemeld hebben “dat er de facto geen dergelijke klanten meer zijn doordat alle historische contracten werden omgezet in contracten van bepaalde duur” Febeg meende dan ook dat de voorgestelde regeling doelloos was. De Vlaamse regering heeft die dan ook uit het ontwerp gehaald.

Op 2 maart 2016 verklaarde federaal minister van economie Kris Peeters nochtans dat er 2,4 miljoen slapende contracten zijn. Ook minister Turtelboom stelde in het Vlaams Parlement dat er nog heel wat slapende klanten zijn. Uiteraard zijn die slapende contracten niet allemaal van afnemers die sinds de liberalisering nog geen contract hebben afgesloten. Een groot deel heeft misschien ooit van zijn vrije leverancierskeuze gebruik gemaakt, maar is daarna blijven zitten met dat oude contract. De Ombudsman voor Energie kaartte in april 2016 het probleem van de slapende contracten op zijn beurt aan. Het is daarom vreemd dat de Vlaamse regering zich baseert op een belangenorganisatie om te beoordelen of de voorgestelde regeling nuttig is.

Dat er wel eerder al op federaal vlak reacties waren, is bevoegdheidsrechtelijk te verklaren. De Raad van State, afdeling wetgeving, vroeg zich ook af of het Vlaamse Gewest bevoegd is om zulke regeling aan te nemen. Die heeft tot doel om de mededinging te stimuleren. Zij bevordert dus het effectief benutten van het recht van vrije leverancierskeuze. Het mededingingsrecht, het handelspraktijkenrecht en de bescherming van de consument zijn federale bevoegdheden. De Raad van State herinnerde dat de gewesten de vrije leverancierskeuze kunnen regelen op basis van hun bevoegdheden rond de distributie van elektriciteit en aardgas. De voorgestelde regeling ging volgens de Raad echter veel verder. De decreetgever zou de slapende klanten verplichten om effectief hun recht gebruik te maken. Als ze dat niet doen, zullen ze automatisch klant worden van de distributienetbeheerders tegen, zoals de Raad het stelt, “allesbehalve aantrekkelijke voorwaarden, vermits het beleveringstarief dan veelal hoog uitvalt en afsluiting dreigt”. De afdeling wetgeving wou daarom graag weten op welke bevoegdheidsrechtelijke basis de regering zich steunde om die regeling uit te werken. Als de regering zich zou baseren op de impliciete bevoegdheden (artikel 10 BWHI), moest zij aangeven in welke mate een gedifferentieerde regeling mogelijk is.

De Vlaamse regering beperkte zich tot het verwijzen naar haar (aanvaarde) uitwerking van het recht op vrije leverancierskeuze. De voorgestelde regeling “ligt in het rechtstreekse verlengde daarvan doordat het zowel de oude van voor de liberalisering daterende standaardleverancier, als diens standaardklanten dwingen om toe te treden tot de liberalisering”. Het voorontwerp zou geen maatregel rond de mededinging inhouden. Meer verantwoording gaf de regering niet.

Tot slot: de liberaliseringsrichtlijnen schrijven een recht op vrije leverancierskeuze voor. Nergens leggen de richtlijnen een plicht tot contracteren op. Eenieder mag aan de vrije markt deelnemen, maar hij is daar niet toe verplicht. Mag dat nog even in een markteconomie?




Share/Bookmark

woensdag 25 januari 2017

Laat meer directe lijnen toe, nu al!

Het Belgische Parlement liberaliseerde met de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening de jonge elektriciteitsmarkt in België. De wet maakt ook een einde aan de monopolies van de gemeenten. Elektriciteitsproducenten konden voortaan hun centrales onderling koppelen. Gemeenten konden niet langer beletten dat industriëlen twee vestigingen, gelegen aan weerszijden van een openbare weg, met elkaar zouden verbinden.
Eind 2016 fnuiken de regels opnieuw de mogelijkheid tot het exploiteren en optimaal gebruiken van decentrale productie-installaties.

Onderneming A is eigenaar van een gebouw 1 aan ene zijde van een openbare weg, de Industrielaan. Aan de gene zijde bouwt A een nieuw gebouw 2. Bij gebouw 1 wil A een WKK-installatie bouwen; bij gebouw 2 een PV-installatie. A wil de twee gebouwen en de twee installaties koppelen via een directe lijn.

Op basis van artikel 4.5.1 Energiedecreet vraagt A voor de aanleg van die directe lijn van de VREG een “voorafgaande toelating”.

De VREG weigert op 14 december 2016 om die voorafgaande toelating te geven.

Bij de beoordeling van zulke aanvraag houdt de VREG, volgens de decreetgever, rekening “met de risico's inzake inefficiëntie, de risico's inzake veiligheid, de impact op de nettarieven, de waarborg van de rechten van afnemers, de eventuele weigering van aansluiting op het net door de betrokken netbeheerder of een gebrek aan aanbod tot aansluiting of toegang op het net tegen redelijke economische of technische voorwaarden” (artikel 4.5.1, derde lid, Energiedecreet).

De VREG aanvaardt dat rechten van de afnemer gewaarborgd zijn, dat er geen impact op de nettarieven is die niet louter inherent is, en er een beheersbaar veiligheidsrisico is. Wel meent de VREG dat de aanleg en exploitatie van deze directe lijnen een risico op inefficiënte uitbouw en exploitatie van het distributienet teweegbrengen, temeer er geen weigering van een aansluiting op het net door de betrokken netbeheerder, noch een gebrek aan aanbod tot aansluiting of toegang op het net tegen redelijke economische of technische voorwaarden, voorligt.

De veiligheidsrisico’s zijn volgens de VREG te ondervangen “mits het bepalen van specifieke voorwaarden, zoals technische specificaties van het materiaal en configuratie, en afspraken met betrekking tot beheers- en exploitatietaken, zoals, bijvoorbeeld, inzake het toegangsrecht van de distributienetbeheerder tot de (kop)cabines van de producent en Afnemer”.

De VREG stelt dus vast dat de afnemer de te betalen nettarieven kan beperken, en de netbeheerder de bijdrage in zijn kosten voor het netbeheer en de ODV ziet dalen. Die situatie is niet anders door het gebruiken van een directe lijn als wanneer een afnemer zelf, zonder directe lijn, een eigen productie-installatie in gebruik neemt.

Door de aanleg van de directe lijn zal de afnemer “alle rechten die voortkomen uit een rechtstreekse toegang tot het distributienet” behouden, oordeelt de VREG. Zijn rechten als afnemer zijn dan ook gevrijwaard.

De VREG stelt vast dat de bestaande gebouwen van A aangesloten zijn op het distributienet. Ook het nieuwe gebouw is aansluitbaar op het distributienet. De distributienetbeheerder kan zowel de WKK- als de PV-installatie aansluiten op zijn net. De VREG stelt daarenboven vast dat de aanvrager beweert noch aantoont dat voorwaarden in het aanbod tot aansluiting technisch of economisch onredelijk zouden zijn.

Over de risico's inzake inefficiëntie herhaalde de VREG dat “omwille van een efficiënte uitbouw en exploitatie van het distributienet de aanleg van parallelle distributienetten vermeden moet worden en gewaarborgd moet worden dat het bestaande distributienet zo efficiënt mogelijk gebruikt wordt”.

De uitbouw en de exploitatie van de distributienetten vergen grote investeringen. Volgens de VREG wijst de tendens naar schaalvergroting (creatie van werkmaatschappijen, het opgaan van gemeentelijke regies in grotere netbeheerders) erop dat deze investeringen aanzienlijk zijn.

Gebouw A1 is aangesloten op het distributienet. Dat middenspanningsnet heeft voldoende capaciteit voor het verwachte productievermogen van de WKK-installatie. Gebouw 2 met de PV-installatie is ook aansluitbaar op het distributienet.

De DNB kan dus beide gebouwen met de onderscheiden productie-installaties apart aansluiten op het distributienet. Op elk ogenblik zijn de volledige gevraagde afname- en injectievermogens beschikbaar.

De VREG verwacht een lage afnamevraag voor gebouw B. Door het feit dat de PV-installatie op gebouw 2 zou gekoppeld zijn met gebouw 1, zal er ook weinig injectie zijn van de elektriciteit van die installatie op het distributienet. Door de beide installaties zal er hoe dan ook minder afname van het middenspanningsnet plaatsvinden. De VREG stelt echter vast dat de afnemer “op het elektriciteitsdistributienet aangesloten blijft voor het totale afname- én injectievermogen, dat gegarandeerd blijft”.

Daaruit leidt de VREG af dat “de aanleg van dit concept met directe lijnen bijgevolg het inefficiënte gebruik van het distributienet impliceert”. Dat inefficiënte gebruik wordt niet gecompenseerd door netefficiëntiewinst in termen van vrijgekomen capaciteit of vermeden netverliezen.

Volgens mij haalt de VREG hier twee elementen dooreen.

In een Industrielaan (Olen, Hoeselt, Sint-Truiden, Maldegem, Schoten, Eeklo, Aalst, Maasmechelen, Waregem, Overpelt, Torhout, Menen, ...) zal er zonder enige twijfel een distributienet zijn aangelegd. Op basis van de verkavelingsvoorschriften rond die Industrielaan, hield de netbeheerder rekening met de meest waarschijnlijke capaciteitsvraag van de activiteiten die men zou ontwikkelen. Of die voorziene capaciteit dan optimaal benut wordt, hangt af van de bezettingsgraad van die Industrielaan. Als nog niet alle kavels bebouwd zijn, zal er meer capaciteit beschikbaar zijn dan nodig. Als uiteindelijk zou blijken dat de beoogde benuttingsgraad nooit behaald wordt, kan de distributienetbeheerder zijn distributienet nooit efficiënt benutten. Zij kan moeilijk de ontwikkelaar dwingen om zelf activiteiten te ontplooien die een efficiënt van het net gebruik mogelijk maken. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de ondernemer in kwestie. Als die nu zou besluiten om het gebouw 2, met zijn weliswaar beperkte elektriciteitsverbruik, niet te bouwen, zal het distributienet ook minder efficiënt gebruikt worden dan voorzien. De ondernemer kan men echter niet dwingen om elektriciteit af te nemen. En als de ondernemer - hopelijk niet - failliet zou gaan en er geen overnemer gevonden wordt, kan de distributienetbeheerder het inefficiënte netgebruik door dat faillissement niet vermijden.

Daarnaast stelt de VREG, terecht, dat de beide gebouwen op het distributienet aangesloten blijven “voor het totale afname- én injectievermogen, dat gegarandeerd blijft”. Als de WKK-installatie in revisie gaat op een dag dat de zon niet schijnt, zal de ondernemer dus tot zijn aansluitingsvermogen elektriciteit kunnen afnemen van het distributienet. Potentieel kan het distributienet, ondanks de directe lijn, dus wel degelijk efficiënt benut worden.

Tot slot: als de ondernemer twee gronden naast elkaar zou hebben, zou de aanleg van de directe lijn niet kunnen geweigerd worden. Het argument van het inefficiënte gebruik van het distributienet is dus niet overtuigend.

Met de beoogde invoering van het capaciteitstarief wil de VREG juist dat alle netgebruikers, ongeacht hun afname of injectie, tarieven zouden betalen voor het maximale vermogen dat zij zouden hebben. Het tarief is dus niet langer afhankelijk van het (in)efficiënt (lees: voldoende) gebruik van het net, maar van het theoretische vermogen.

Deze beslissing is zelf inefficiënt. Zij houdt immers geen rekening met mogelijke toekomstige regulatoire veranderingen en al helemaal niet met voorgenomen wijzigingen. Tegelijk geeft ze, net zoals de gemeenten dat deden voor 1925, een slecht signaal voor investeringen in decentrale productie-installaties.




Share/Bookmark

woensdag 21 december 2016

Eerste aanwending van de Turteltaks

In het Belgisch Staatsblad van 15 december verscheen het besluit van de Vlaamse regering van 21 oktober 2016. Met dit besluit wil de Vlaamse regering alvast een deel van de opbrengst van de bijzondere energieheffing (“Turteltaks”) uitgeven.

Met het gewijzigde Energiebesluit maakt de Vlaamse regering eerst duidelijk dat de kosten voor de minimumsteun die de distributienetbeheerders moeten betalen voor de groenestroomcertificaten “financiële openbaredienstverplichtingen” zijn (nieuw artikel 6.4.14/2).

Voor die financiële openbaredienstverplichting krijgen de distributienetbeheerders vanaf 2016 tot 2026 een vergoeding. Maar die vergoeding dekt niet alle kosten voor die financiële ODV. Enkel de kosten verbonden aan het verlenen van minimumsteun aan particulieren vergoedt de Vlaamse overheid. Voor de uitbetaalde minimumsteun aan ondernemingen ontvangen de distributienetbeheerders vooralsnog geen vergoeding.

De vergoeding dekt “de boekhoudkundige waarde van de groenestroomcertificaten in kwestie, met een maximale waarde van 93 euro per groenestroomcertificaat”.

De distributienetbeheerders moeten eerst voor de groenestroomcertificaten die zij gebankt hebben een vergoeding vragen. Voor die groenestroomcertificaten is de vergoeding 93 euro. Voor de gebankte GSC geldt de beperking dat die afkomstig moeten zijn van particulieren blijkbaar niet.

De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale vergoeding voor alle elektriciteitsdistributienetbeheerders. Elke distributienetbeheerder afzonderlijk kan niet meer dan 15 miljoen euro per jaar ontvangen.

De kosten voor de minimumsteun voor ongeveer 51% van de groenestroomcertificaten worden hiermee vergoed. Voor de andere helft moet de Vlaamse regering nog op zoek naar een oplossing die de problemen rond staatssteun vermijdt.




Share/Bookmark

dinsdag 13 september 2016

De 18de Kamer is dood, leve het Marktenhof

Het hof van beroep van Brussel lijkt het emeritaat van de soms verguisde maar veel vaker geprezen kamervoorzitter Blondeel, de overstap van kamervoorzitter Raes naar de advocatuur, de overplaatsing van raadsheer Bodson naar de 20ste kamer en het vertrek van raadsheer Van Ransbeeck naar het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding nog niet verteerd te hebben.

De zittingen van de 18de kamer zijn opgesplitst tussen de Nederlandstalige en Franstalige zaken. De Nederlandstalige zittingen worden voorgezeten door raadsheer Bosmans. Hij wordt bijgestaan door plaatsvervangend raadsheer Dugardyn, die volgens de website van zijn kantoor geen specialist is in gereguleerde markten. Alle gewicht rust dus op de schouders van raadsheer Karen Piteus.

De regering is zich bewust van de problemen om van de 18de kamer opnieuw een goed geoliede gespecialiseerde kamer te maken. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 15 juli 2016 tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie schrijft zij:

“Met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden is het kader van het hof van beroep te Brussel tot tweemaal toe met drie raadsheren uitgebreid (wetten van 14 december 2004 en 25 april 2014). Maar de raadsheren die op grond van de daarop volgende vacatures zijn benoemd werden of worden uiteindelijk niet allen in de 18de kamer en voor de betrokken zaken ingezet. Als gevolg van het actuele personeelsverloop in het Hof wordt het in de nabije toekomst dan ook moeilijk, zoniet onmogelijk, de nodige gespecialiseerde omkadering te verzekeren, wat de continuïteit van de rechtsbedeling in het gedrang dreigt te brengen. Op grond daarvan moeten de vermelde kaderuitbreidingen van het hof van beroep te Brussel zoveel als mogelijk voor die zaken gereserveerd worden."
De regering ziet zich daarom genoodzaakt om een “gespecialiseerde, werkelijke sectie”, “kamers voor marktzaken” op te richten. In dit “Marktenhof” “zullen zetelen, benevens “gewone” raadsheren in het hof van beroep te Brussel en hoedanook binnen het gewone kader, een aantal raadsheren – van zodra mogelijk minstens één – die bij voorrang voor deze kamers worden gerekruteerd op grond van hun deskundigheid op het stuk van het economisch, financieel of marktrecht”. De naam “Marktenhof” is gekozen “mede om [zijn] internationale uitstraling te bevorderen”. De oprichting van een speciale sectie is volgens de regering analoog aan de verschillende onderdelen van de rechtbank van eerste aanleg (burgerlijke rechtbank, de correctionele rechtbank, de familie- en jeugdrechtbank en de strafuitvoeringsrechtbank). Volgens de regering impliceert “het oprichten van een sectie een sterkere structurele verankering die de interne organisatie zal vergemakkelijken (dienstregeling, administratieve ondersteuning, toegankelijkheid voor het publiek…)”.

De regering wil aan het Marktenhof “de meeste exclusieve bevoegdheden van het hof van beroep te Brussel” toevertrouwen, zoals algemeen vermeld in het Gerechtelijk Wetboek, maar ook in de Gaswet, de Elektriciteitswet, de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, de wet van 12 mei 2004 tot regeling van een beroepsprocedure in het kader van de bescherming tegen valsemunterij en de handhaving van de kwaliteit van de geldomloop, de wet van 9 juli 2004 houdende diverse bepalingen, de wet van 6 juli 2005 betreffende sommige juridische bepalingen inzake elektronische communicatie, de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen, het Wetboek van Economisch Recht en de Spoorcodex.

Het Marktenhof zal samengesteld zijn uit ten minste zes raadsheren, waarvan er maximum zes kunnen worden benoemd op basis van een nieuw in te voeren artikel 207, § 3, 4°, Ger.W. dat zal bepalen dat personen met ten minste vijftien jaar nuttige beroepservaring die blijk geeft van gespecialiseerde kennis van het economisch, financieel of marktrecht ook als raadsheer kunnen benoemd worden. Het Marktenhof zal steeds zetelen met drie raadsheren. Alle raadsheren moeten een functionele kennis hebben van de andere landstaal.






Share/Bookmark

maandag 12 september 2016

De gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 25 mei 2016 op de bevoegdheid van het hof van beroep van Luik inzake beslissingen van de CWaPE

Zonder mij te willen uitspreken over de gevolgen van de Zesde Staatshervorming op de bevoegdheden van de Raad van State of het hof van beroep van Brussel inzake tarifaire beslissingen van de VREG (die discussie zal binnenkort beslecht worden door de Raad van State en wij zijn in die procedure betrokken partij), past het volgens mij wel om de federale regering te corrigeren.

In haar wetsontwerp van 15 juli 2016 tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie schrijft de regering:

Anderzijds heeft het Waalse Gewest, bij artikel 12, 2°, van het decreet van 11 april 2014 “tot wijziging van het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt”, langs de omweg van een wijziging van artikel 14 van het vermelde decreet, de toepassing bevestigd, voor het Waalse Gewest, van de wet van 29 april 1999 “betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt” en de wet van 12 april 1965 “betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen” “en ce qu’elles visent les droits, les obligations et les tarifs des gestionnaires de réseau de distribution […] après l’entrée en vigueur de la loi spéciale du 6 janvier 2014 relative à la Sixième Réforme de l’État attribuant la compétence sur les tarifs de distribution de gaz et d’électricité aux régions”, maar met dien verstande dat het hof van beroep van Brussel vervangen werd door het hof van beroep van Luik.
Artikel 12, 2°, van het decreet van 11 april 2014 is inmiddels vernietigd door het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 71/2016 van 25 mei 2016, wegens de schending van de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en nietdiscriminatie, in samenhang gelezen met artikel 35, lid 4, b), ii), van de richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit, maar dat had niets te maken met de vervanging als zodanig van het hof van beroep te Brussel door het hof van beroep te Luik.
De federale regering leest het arrest van het Grondwettelijk Hof van 25 mei 2016 verkeerd. Met dit arrest heeft het Grondwettelijk Hof van 25 mei 2016 artikel 12, 2°, van het decreet van 11 april 2014 vernietigd (“§ 2. De methodologie bepaalt de nadere regels voor de integratie en controle van de niet-beheersbare kosten bestaande uit de pensioenlasten van de personeelsleden onder openbaar statuut van de beheerder van het net of van de dochteronderneming of kleindochteronderneming die een gereguleerde activiteit van distributienetbeheer hebben verricht;”).

Artikel 12, 1°, van hetzelfde decreet werd niet vernietigd. Dit artikel 12, 1°, bepaalt “§ 1. Artikel 12bis van de [Elektriciteits]wet en artikel 15/5ter van de [Gas]wet, waar zij de rechten, verplichtingen en tarieven van de distributienetbeheerders beogen, blijven toepasselijk op het Waalse Gewest na de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming die de bevoegdheid betreffende de distributietarieven voor gas en elektriciteit aan de gewesten toewijst, onder voorbehoud van de volgende wijzigingen: (…) 4° in paragraaf 14 worden de woorden "het hof van beroep te Brussel" vervangen door de woorden "het hof van beroep te Luik".”

In Wallonië is het hof van beroep van Luik dus nog steeds de beroepsinstantie tegen beslissingen van de CWaPE.




Share/Bookmark

dinsdag 30 augustus 2016

Opnieuw over het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel

Voor de tussenkomst van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering was er in het hoofdstedelijk gewest een praktijk van Sibelga dat bij kleine installaties die elektriciteit opwekken uit hernieuwbare energiebronnen een compensatie plaatsvond tussen de geproduceerde en de afgenomen elektriciteit. Die praktijk was niet vastgelegd in de Elektriciteitsordonnantie of de uitvoeringsbesluiten daarvan.

Met het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 2011 wijzigde zij haar besluit van 6 mei 2004 betreffende de promotie van groene elektriciteit en van kwaliteitswarmtekrachtkoppeling. Het ingevoegde artikel 26bis bepaalde: “De eindafnemer bij wie een installatie wordt geplaatst voor de productie van groene elektriciteit met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 5 kW, kan genieten van de compensatie tussen de hoeveelheden elektriciteit die werden afgenomen van het distributienet en de hoeveelheden die werden geïnjecteerd in dit net ter hoogte van het leveringspunt.”

De heer Lemaire installeerde in 2009 een warmtepomp en een PV-installatie met een vermogen van 12,6 kW. Sibelga plaatste een bidirectionele meter. Bij de plaatsing zou Sibelga, volgens Lemaire, bevestigd hebben dat er een compensatie zou plaatsvinden. Tijdens de jaren 2010, 2011 en 2012 werd de geproduceerde en de afgenomen elektriciteit wel degelijk gecompenseerd.

De wijziging van het besluit van 6 mei 2004 bracht Sibelga er echter toe om die compensatie stop te zetten. De installatie had immers een vermogen dat hoger is dan de grens van 5 kW die het besluit bepaalt.

Lemaire was het hiermee niet eens. Hij diende een klacht in bij de Brusselse Geschillendienst. Die oordeelde dat de tekst van het besluit van 6 maart 2004 duidelijk is. De nieuwe uitdrukkelijke bepaling geldt volgens de Geschillendienst zowel voor nieuwe installaties als voor bestaande installaties.

Van die beslissing van de Geschillendienst vraagt Lemaire daarop de vernietiging voor de Raad van State.

In zijn arrest van 26 mei 2016 oordeelt de Raad dat het vernietigingsberoep tegen de beslissing van de Geschillendienst ongegrond is.

Interessant in dit arrest is dat de Raad (opnieuw) in gaat op de vraag naar of het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel zich verzetten tegen een wijziging van bestaande voordelen inzake de steun voor hernieuwbare energiebronnen.

De Raad oordeelt:

“que, par ailleurs, les principes de sécurité juridique et de légitime confiance ne mettent pas en cause la capacité de l'autorité compétente à réglementer pour l'avenir, comme le veut la loi du changement, pour autant que l'intérêt général le justifie; qu'en l'espèce, le Gouvernement régional a pu estimer qu'il y avait lieu de prévoir un mécanisme de compensation, tout en limitant le bénéfice de ce système aux installations de dimension limitée; que, dans l'exercice de son pouvoir réglementaire, le Gouvernement n'était pas tenu d'avoir égard aux avantages que le gestionnaire du réseau de distribution avait choisi d'accorder aux installateurs ou à certains d'entre eux, sans fondement réglementaire, ni de prévoir un régime transitoire à cet égard; que le deuxième moyen n'est pas fondé;”
Met dit arrest wijkt de Raad van State dus niet af van eerdere rechtspraak van het Grondwettelijk Hof of van adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad zelf (zie http://belgischenergierecht.blogspot.be/2014/01/vertrouwensbeginsel-en.html). Een wetgever kan, om redenen van algemeen belang, een steunregeling te allen tijde wijzigen, ook wanneer die wijzigingen een impact hebben op bestaande installaties. Er bestaat geen “verworven recht” op een steunregeling.




Share/Bookmark

dinsdag 26 januari 2016

Presentatie Febeliec Energy Forum 2016

Hieronder vindt u de presentatie bij mijn voordracht vanochtend over juridische aspecten van tarieven op het Febeliec Energy Form 2016


Share/Bookmark

donderdag 7 januari 2016

"Vlaanderen niet bevoegd om impasse na PVDA-arrest Hof van Cassatie op te lossen", beweert bevoegde minister


Minister Turtelboom antwoordde gisteren in de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement op een vraag van volksvertegenwoordiger Gryffroy (N-VA) over het arrest van het Hof van Cassatie van 23 november 2015.

Gryffroy stelde zijn vraag omdat “een aantal groepen naar de rechtbank zijn gestapt en nu vragen dat het teveel aan distributienettarieven (voor een gemiddeld gezin ongeveer 72 euro zonder BTW) zou worden teruggestort. De volksvertegenwoordiger stelde terecht dat de gevolgen van het arrest moeten uitgeklaard worden. Daarenboven moet duidelijk zijn welke regulator, de CREG of de VREG, bevoegd is om nu een oplossing te vinden.

Minister Turtelboom begon en eindigde haar antwoord met de stelling dat, vermits de vraag handelt over het Hof van Cassatie en de CREG, de Vlaamse overheid niet bevoegd zou zijn.

Volgens haar had het hof van beroep van Brussel in zijn arresten van 26 juni 2012 weliswaar geoordeeld dat de tariefbeslissingen van de CREG op basis van de verkeerde rechtsgrond genomen waren, maar dat het hof tegelijk “de tariefverhogingen zelf ten gronde goed[keurde]”.

Nochtans stelde het hof:

“67, Op grond van de bovenstaande gegevens moet worden besloten dat de bestreden beslissingen niet door de CREG konden worden genomen op basis van de door. haar aangevoerde rechtsgrond en dat het aangevoerde middel de vernietiging van die beslissingen wettigt.”

Wel wou het hof de gevolgen van de vernietigde tariefbeslissingen tijdelijk handhaven “enerzijds omwille van de verstoring die de ontstentenis van die handhaving, zou veroorzaken in de relaties tussen de betrokken DNB's en hun netgebruikers zowel. vanuit het oogpunt van de evenredigheid als van de niet-discriminatie en anderzijds .wegens de aard en draagwijdte van de boven vastgestelde tekortkoming”. De wetgeving voorziet niet in de mogelijkheid voor het hof om, zoals de Raad van State dit kan, gevolgen van vernietigde beslissingen te handhaven. Het hof stelde daarom een vraag aan het Grondwettelijk Hof. Dat zag hierin in zijn arrest van 9 juli 2013 geen discriminatie.

De arresten van het Hof van Cassatie betekenen dat de arresten van het hof van beroep te Brussel van 26 juni 2012 werden bevestigd. Maar omdat “arresten in cassatie geen directe gevolgen [hebben ]” zijn er, volgens de minister, “geen consequenties voor de gezinnen en de bedrijven in Vlaanderen”.

De minister legt de bal opnieuw in het kamp van het hof van beroep te Brussel. Het is vervolgens af te wachten wat het hof van beroep beslist. De minister stelt dat “gevolgen van mogelijke vernietigingsarresten afhankelijk [zijn] van de inhoud van de arresten en van de handelingen van de bevoegde regulator na een eventuele vernietiging”. Die bevoegde regulator is volgens de minister nog steeds de CREG.

Het valt op dat de moeilijke (vaak onwerkbare) bevoegdheidsverdeling inzake energie steeds maar weer wordt gebruikt om een hete patat door te schuiven naar een ander beleidsniveau. Een open Vlaamse samenleving “gaat moedig alle uitdagingen aan en kijkt steeds reikhalzend uit naar de dag van morgen” (zie deze website). Misschien kunnen de VREG en de distributienetbeheerders snel een antwoord verzinnen op de impasse die dreigt in plaats van te verwijzen naar andere niveaus (die op hun beurt weer zullen terugverwijzen). De leveranciers en de afnemers zullen hen dankbaar zijn.




Share/Bookmark

dinsdag 24 november 2015

Tarifair kader voor gesloten distributienetten

Gesloten distributienetten zijn private elektriciteits- of aardgasnetten op een beperkte geografische locatie. De eigenaar van het gesloten distributienet gebruikt de elektriciteit of het aardgas dat via dat net verdeeld wordt in hoofdzaak zelf. Een gesloten distributienet kan ook elektriciteit of aardgas verdelen naar verschillende gebruikers die onderling technologisch of economisch eng verbonden zijn.

Gesloten distributienetten bestaan al heel lang. Veel, vooral historisch gegroeide, bedrijfsnetten zijn eigenlijk gesloten distributienetten. Het is pas na het citiworks-arrest van het Hof van Justitie dat de Europese wetgever een specifiek kader heeft bepaald voor gesloten distributienetten. In Vlaanderen is dat kader opgenomen in de artikelen 4.6.1 en volgende van het Energiedecreet.

In tegenstelling tot 'gewone' distributienetten moeten de beheerders van gesloten distributienetten hun tarieven en de voorwaarden voor het gebruik van het net niet ter goedkeuring voorleggen aan de regulator. Deze vrijstelling is onlangs door het Vlaams Parlement ook in de Vlaamse regelgeving ingevoerd.

Het Vlaams Parlement heeft vorige week met het nieuwe artikel 4.6.10 Energiedecreet (nog niet gepubliceerd) wel de krijtlijnen getrokken waarbinnen de beheerders tarieven voor de aansluiting op en het gebruik van hun gesloten distributienetten kunnen vastleggen,

Die tarieven mogen uiteraard niet-discriminerend zijn. De beheerder moet ze ook baseren op zijn kosten. Hij mag wel een redelijke winstmarge aanrekenen. Het artikel bepaalt niet wat 'redelijk' is, maar winstmarges die de 'gewone' netbeheerders mogen hanteren, en in dat kader redelijk zijn, lijken ook redelijk te kunnen zijn voor gesloten distributienetten. Iets verder staat dan weer wel dat de beheerder voor het bepalen van de winstmarges ook moet rekening houden met de 'normale' winstmarges in zijn bedrijfssector. Hij zal dus een gulden middenweg moeten zoeken tussen die normale bedrijfsmarges en de marges die 'gewone' distributienetbeheerders mogen aanrekenen. Hetzelfde geldt voor de afschrijvingstermijnen.

Tarieven moeten transparant zijn voor de gebruiker van een gesloten distributienet.

De tarieven omvatten de kosten voor aansluiting, gebruik en ondersteunende diensten, en eventueel de kosten die verband houden met de extra aansluitings- of toegangskosten op het net waarop het gesloten distributienet is aangesloten.

Tarieven voor het gebruik van een gesloten distributienet kunnen “afhankelijk zijn van de mate van socialisering of individualisering van de investeringen die eigen zijn aan de locatie, rekening
houdend met het aantal gebruikers van het gesloten distributienet”. Wat hiermee de decreetgever hiermee juist bedoelt, is niet helemaal duidelijk. Het gebruik van het woord 'individualisering' zou er op kunnen wijzen dat een beheerder van een gesloten distributienet in bepaalde omstandigheden aan een gebruiker van het gesloten distributienet afzonderlijke tarieven kan aanrekenen.

Ook al moet de VREG geen voorafgaande goedkeuring geven aan de tarieven die een beheerder van het gesloten distributienet hanteert, toch lijkt het nuttig dat zij enige duiding geeft bij die mogelijkheid van individualisering.






Share/Bookmark

maandag 15 juni 2015

Noodaggregaten, strategische reserve en stroomschaarste

Le Soir bericht vandaag dat federaal minister van energie Marghem in de zoektocht naar oplossingen voor een mogelijk stroomtekort volgende winter een aantal pistes naast de verlenging van de levensduur van Doel 1 onderzoekt: naast de bouw van een bijkomende transformator door Elia op de post-Zandvliet bekijkt de minister ook de plaatsing van noodaggregaten door gespecialiseerde firma's (Aggreko, Siemens, General Electric). Elia zou al onderzocht hebben waar die noodaggregaten kunnen geplaatst worden.

Hoe deze piste van noodaggregaten kan ingepast worden in de bestaande federale en gewestelijke wetgeving is niet helemaal duidelijk.

Elia noch een verbonden onderneming zal hiervoor kunnen instaan: artikel 9 Elektriciteitswet verbiedt hen om productie-activiteiten te ontwikkelen of lidmaatschapsrechten te bezitten in producenten. Enige uitzondering is “de productie in de Belgische regelzone binnen de grenzen van zijn vermogensbehoeften inzake ondersteunende diensten”. Een 'ondersteunende dienst' is “een dienst die nodig is voor de exploitatie van een transmissie- of distributienet”. Volgens de parlementaire voorbereiding bij de wet van 8 januari 2012 doelt men hierbij op productieactiviteiten opdat Elia “zelf zijn reserves [kan] produceren en de verliezen [kan] regelen evenals de primaire en secondaire regeling”.

De eigenaars van noodaggregaten kunnen uiteraard wel een productievergunning aanvragen. Vrijgesteld van zulke productievergunning zijn enkel nieuwe installaties met een netto ontwikkelbaar vermogen lager dan of gelijk aan 25 MW. Bijkomend zullen een milieuvergunning en een stedenbouwkundige vergunning moeten verkregen worden, behalve als de noodaggregaten voor minder dan drie maanden geplaatst zullen worden. De winterperiode in de strategische reserve loopt echter van 1 november tot 31 maart (vier maanden).

In ieder geval kunnen, in de huidige stand van de wetgeving, de noodaggregaten niet ingepast worden in die strategische reserve. Artikel 7quinquies Elektriciteitswet verplicht weliswaar de producenten van installaties die tijdelijk of definitief buiten werking zijn gesteld om deel te nemen aan die reserve, maar biedt niet de mogelijkheid, anders dan bij vraagzijdebeheer, dat producenten, al dan niet middels noodaggregaten, vrijwillig hieraan deelnemen.



Share/Bookmark