Pagina's

woensdag 26 oktober 2011

Barbara Veranneman vervoegt Essenscia

Onze kantoorgenote Barbara Veranneman heeft de balie spijtig genoeg verlaten. Ze werkt nu definitief bij Essenscia, waar ze voordien al als 'tewerkgestelde advocate' actief was. We wensen haar veel succes en zijn ervan overtuigd dat haar uitmuntende kennis over de energie- en klimaatsector binnen de sectorfederatie van de chemische nijverheid uitstekend tot zijn recht zal komen.



Share/Bookmark

donderdag 13 oktober 2011

Steekvlampolitiek

Begin vorige week beschuldigde minister Van den Bossche een groot aantal elektriciteitsleveranciers ervan te 'liegen'. Volgens een studie van de VREG zouden ze aan hun klanten 125 euro aangerekend hebben per groenestroomcertificaat dat ze jaarlijks moeten inleveren, terwijl de werkelijke kostprijs van zo'n certificaat met 103 euro een stuk lager zou liggen. Dezelfde dag vroeg een federaal parlementslid aan minister Van Quickenborne, bevoegd voor mededinging, om een onderzoek te openen naar mogelijke prijsafspraken onder de energieleveranciers. De minister van ondernemen ging daar direct op in en gaf de mededingingsautoriteiten een onderzoeksopdracht. De daaropvolgende donderdag vielen inspecteurs van de dienst mededinging binnen bij leveranciers.

De nationale regulator CREG was er als de kippen bij om “zich solidair te tonen met de actie die vandaag gevoerd wordt door de Algemene Directie Mededinging bij de leveranciers van elektriciteit inzake een problematiek die niet alleen in Vlaanderen bestaat, maar die België in zijn geheel raakt”. De CREG zou in vijf studies de bevoegde overheden 'gewaarschuwd' en 'op de hoogte gebracht' hebben dat een aantal leveranciers de boeteprijs doorrekenen en niet de marktprijs.

Een week later publiceerde de VREG haar studie. Die is heel wat genuanceerder dat wat de dame en heren politici, met de CREG in hun kielzog, lieten uitschijnen. In de studie wordt inderdaad vastgesteld dat veel leveranciers een 'premie' of een 'marge' aanrekenen aan hun klanten. Tegelijk stelt de VREG vast dat de leveranciers “geen structurele 'marge' [kunnen] heffen op hun groene bijdrage, zonder dit ofwel te compenseren op hun zuivere energieprijs, ofwel een concurrentieel nadeel op te lopen”. Nog volgens de VREG wijst “het feit dat veel elektriciteitsleveranciers een 'premie' binnen de kost van de certificaatverplichting kunnen doorrekenen, erop dat de energiemarkt (nog) niet volledig transparant is en nog niet volledig concurrentieel werkt”. “Het gaat dus om een probleem van (gebrek aan) transparantie en van vermelding van kosten, eerder dan om een probleem van onterechte kostenaanrekening”, besluit de VREG.

Nergens in de studie van de VREG staat enige indicatie naar mogelijke mededingingsbeperkende afspraken tussen de verschillende leveranciers over de waardering die zij plakken op de verplichting tot het inleveren van groenestroomcertificaten. Overigens heeft ook de CREG nooit aangegeven dat de onderzochte praktijk juridisch laakbaar zou zijn. Indien ze anticompetitief gedrag zou hebben vastgesteld, had ze dit zeker gemeld aan de minister en de Raad voor de Mededinging en had ze voorstellen gedaan om de marktwerking te verbeteren, zelfs als ze niet territoriaal bevoegd zou zijn. Zij kwam enkel prima facie tot gelijkaardige vaststellingen als de VREG.

Uiteraard moeten politici, en de minister voor ondernemen in de eerste plaats, wantoestanden laten onderzoeken en liefst nog tijdig (laten) remediëren. Maar zulke politieke initiatieven mogen niet op basis van steekvlammetjes, zonder kennis en kunde van het dossier en van de studie van de bevoegde regulatoren, genomen worden. De snelheid waarmee de mededingsautoriteiten nu te werk moesten gaan leidt bijna overal tot ongenoegen. Een aantal klanten melden zich misnoegd bij hun leveranciers. Die leveranciers moeten veel werk steken aan de afhandeling van de inval, de communicatie daarover en het verbeteren van hun waarschijnlijk onterecht beklad imago. De regulatoren kunnen enkel machteloos toekijken dat de studies waarin zij veel werk steken voor de zoveelste keer niet gelezen worden. Alleen advocaten lijken er nog wel bij te varen.

Het komt nu aan onze mededingingsautoriteiten toe om na te gaan of er, ondanks het feit dat de VREG dit nergens vermeldt noch insinueert, mededingingsbeperkende afspraken rond de doorrekening van de groenestroomcertificaten geweest zijn. De resultaten zullen we hopelijk sneller kennen dan die van enkele andere onderzoeken die zij de afgelopen jaren gestart zijn in de energiesector. De kans dat er inbreuken waren, lijkt mij ook eerder beperkt. Men kan zich de vraag stellen of het vanuit economisch oogpunt misschien niet normaal is dat de leveranciers de boeteprijs doorrekenen als kostprijs voor de groenestroomcertificaten. De opportuniteitskost van zulk certificaat is toch juist die boeteprijs. Leveren ze te weinig certificaten in (omdat ze verkiezen om hun certificaten op de markt te verkopen), is dat toch de decretaal vastgelegde prijs die ze moeten betalen?

Zie hierover trouwens ook de gelijkaardige opmerkingen van André Jurres op zijn blog.




Share/Bookmark

dinsdag 11 oktober 2011

Het Vlinderakkoord en de nettarieven

Vandaag stelden de federale onderhandelaars het Vlinderakkoord, de afspraken voor de zesde staatshervorming, voor in de Kamer.

Zoals al veel eerder overeengekomen, wordt de bevoegdheid over de distributienettarieven overgedragen van de federale staat naar de gewesten. De federale overheid blijft eigenlijk enkel nog bevoegd voor de tarieven voor het gebruik van de installaties van Fluxys en Elia, zelfs als die installaties een spanningsniveau hebben van minder dan of gelijk aan 70 kV. Die uitzondering heeft als grote voordeel voor Elia dat ze zich maar tot één (federale) regulator moet wenden en niet tot vier.

De grote onafhankelijke expertise die binnen de schoot van de federale regulator CREG de laatste jaren was opgebouwd met betrekking tot de distributienettarieven (en de gerechtelijke procedures daarover) gaat hopelijk niet verloren door de bevoegdheidsoverdracht. Ondanks het feit dat de gewesten vanaf de inwerkingtreding van het Vlinderakkoord zeer snel een eigen decretaal tarifair kader mogen uitwerken zou het een passend signaal zijn om een deel van die expertise over te nemen. Daarmee zou men ook duidelijk maken dat een regionalisering niet betekent dat de vaststelling en de goedkeuring van de tarieven niet langer in het belang zal zijn van alle rechtstreeks betrokken marktdeelnemers, en van de eindconsument in de eerste plaats.



Share/Bookmark

maandag 10 oktober 2011

De toezichthouder moet toezicht houden, niet meer.

In zijn meest recente studie over "het financieringsmechanisme van de gratis kilowatturen in Vlaanderen" verwijst de CREG voor de verantwoording van haar studie naar artikel 23, § 2, tweede lid Elektriciteitswet. Uit dit artikel leidt de CREG het volgende af:

"Enkele van de opdrachten die de wet aan de CREG toevertrouwt, zijn "toezicht houden op de transparantie en de mededinging op de elektriciteitsmarkt" en "erop toezien dat met name technische en tarifaire toestand van de elektriciteitssector alsook de evolutie van deze sector het algemeen belang beogen en in het algemene energiebeleid kaderen." De wet verzoekt de CREG "de permanente monitoring van de elektriciteitsmarkt te verzekeren, zowel op het vlak van de marktwerking als op het vlak van de prijzen"."
Artikel 23, § 2, tweede lid Elektriciteitswet belast de CREG
"met een raadgevende taak ten behoeve van de overheid inzake de organisatie en werking van de elektriciteitsmarkt, enerzijds, en met een algemene taak van toezicht en controle op de toepassing van de betreffende wetten en reglementen, anderzijds".
Te dien einde zal de CREG o.a.
"1° gemotiveerde adviezen geven en voorstellen voorleggen in de gevallen bepaald door deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° op eigen initiatief of op verzoek van de minister of van een gewestregering onderzoeken en studies uitvoeren in verband met de elektriciteitsmarkt;
3° toezicht houden op de transparantie en de mededinging op de elektriciteitsmarkt overeenkomstig artikel 23bis;
19° er op toezien dat met name technische en tarifaire toestand van de elektriciteitssector alsook de evolutie van deze sector het algemeen belang beogen en kaderen in het algemene energiebeleid. De Commissie verzekert de permanente monitoring van de elektriciteitsmarkt, zowel op het vlak van de marktwerking als op het vlak van de prijzen. De Koning kan, op voorstel van de Commissie, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels van de permanente monitoring van de elektriciteitsmarkt nader bepalen;"
Terecht verwees de CREG niet naar artikel 23, § 2, tweede lid, 1° en 2°, Elektriciteitswet om haar studie te verantwoorden. De Vlaamse politieke keuze voor gratis elektriciteit vloeit niet voort uit de Elektriciteitswet of de uitvoeringbesluiten ervan, maar vindt haar wettelijke basis in het Energiedecreet. Dat decreet bepaalt niet dat de CREG 'gemotiveerde adviezen' kan geven of 'voorstellen' kan voorleggen. Evenmin blijkt uit de studie dat de Vlaamse regering aan de CREG gevraagd heeft om onderzoeken te doen of studies uit te voeren in verband met de Vlaamse elektriciteitsmarkt.

Artikel 23, § 2, tweede lid, 3°, Elektriciteitswet verplicht de CREG inderdaad om "toezicht te houden op de transparantie en de mededinging op de elektriciteitsmarkt overeenkomstig artikel 23bis". Artikel 23bis Elektriciteitswet is ingevoegd door de wet van 8 juni 2008. Het legt aan de CREG op om er op toe te zien dat "elk elektriciteitsbedrijf, dat elektriciteit levert aan in België gevestigde afnemers, zich onthoudt, afzonderlijk of in overleg met meerdere andere elektriciteitsbedrijven, van elk anti-competitief gedrag of oneerlijke handelspraktijken die een weerslag hebben of zouden kunnen hebben op een goed werkende elektriciteitsmarkt in België". Indien de CREG zulke gedragingen vaststelt, moet zij dit melden aan de minister van energie of aan de Raad voor de Mededinging.

Een studie over een gewestelijke keuze voor gratis elektriciteit is geen vrijgeleide voor elektriciteitsbedrijven om anti-competitief gedrag te vertonen of oneerlijke handelspraktijken erop na te houden. Het loutere naleven van de verplichting tot het verlenen van de gratis elektriciteit, door alle betrokken marktspelers, zorgt juist voor een gelijk speelveld tussen die verschillende marktactoren. Het komt dan ook vreemd over dat de CREG deze bepaling hanteert om haar studie te verantwoorden. Overigens stelt zij in haar studie ook op geen enkele manier zulke laakbare gedraging vast, noch koppelt zij hieraan enig initiatief naar de minister van energie of de Raad voor de Mededinging toe.

De enige houvast die de CREG lijkt te hebben voor deze studie is artikel 23, § 2, tweede lid, 19°, Elektriciteitswet: "er op toezien dat met name technische en tarifaire toestand van de elektriciteitssector alsook de evolutie van deze sector het algemeen belang beogen en kaderen in het algemene energiebeleid." De Elektriciteitswet bepaalt wel dat de Koning de nadere regels van de permanente monitoring nader kan bepalen. Tot op heden heeft de Koning geen uitvoeringsbesluit in die zin aangenomen. Zulk besluit is volgens ons nodig om de krijtlijnen van de toezichtsopdracht te trekken.

Van Dale geeft als derde betekenis van 'toezicht' "het waken dat een persoon of zaak zich gedraagt of bevindt, dat een handeling geschiedt, overeenkomstig een bepaalde norm". Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal moet aan die omschrijving nog toegevoegd worden "m.betr.t. een instelling of bedrijf bepaaldelijk: het er voor waken, dat daarin alles op de juiste wijze geschiedt. Hoede, zorg, controle". Een moderner woord voor 'toezicht' is 'monitoring'. In het Engels betekent 'to monitor' o.a. ook 'toezien op'.

Opdat er toezicht kan zijn, moet er een norm zijn waaraan hij die toezicht houdt waarover hij toezicht houdt kan toetsen. Kan die norm voor een energieregulator 'het algemeen belang' zijn? Of 'het algemene energiebeleid'?

Wat het 'algemeen belang' is, evolueert. Volgens Wikipedia duidt het 'algemeen belang' "op datgene dat voor het welzijn van het volk in het algemeen nuttig, gewenst of nodig is". Bij het Franse lemma 'intérêt général' staat "est une notion qui désigne la finalité des actions ou des institutions qui intéressent l'ensemble d'une population". "Sans sens précis elle désigne à la fois le lieu géométrique des intérêts des individus qui composent la nation et en même temps un intérêt propre à la collectivité qui transcende celui de ses membres." Het begrip 'algemeen belang' lijkt dusdanig politiek-filosofisch beladen dat het, indien het zelf niet omschreven is in specifieke wetgeving, moeilijk als norm kan dienen waaraan een regulator gedragingen van markpartijen kan toetsen.

Ook het concept van 'het algemene energiebeleid' is evolutief. Anders dan bij het meer filosofisch beladen concept 'algemeen belang' zou het 'algemene energiebeleid' kunnen afgeleid worden uit de politieke afspraken die een meerderheid in het parlement maakt bij het begin van of tijdens een legislatuur. Veelal zullen de krijtlijnen van het 'algemene energiebeleid' ook blijken uit de beleidsbrief van de bevoegde minister en de debatten daarover in het parlement. Dit betekent dat het 'algemene energiebeleid' afhangt van de bevoegdheid van dat parlement.

Het 'algemene energiebeleid' mag niet zo algemeen zijn dat een minister of een parlement zich uitspreekt over het beleid op een vlak waarvoor men niet bevoegd is. Als de minister of het parlement dit niet kunnen, kan men ook moeilijk aannemen dat een regulator het 'algemene energiebeleid', dat dus territoriaal of bevoegdheidsrechtelijk beperkt is, gebruikt als kapstok voor een toezicht op het het energiebeleid van een andere overheid. Anders zou dat toezicht ook bijvoorbeeld moeten kunnen slaan op het 'algemene energiebeleid' dat de Nederlandse, Franse of Duitse overheid als leidraad hebben.

Laat dit nu juist juridisch het meest problematische zijn aan de studie van de CREG. Een federale regulator, wiens werking begrenst is door een federale wetgeving, waarvan de bevoegdheidsverdelende bijzondere wet van 8 augustus 1980 de grenzen trekt, mag zich niet inlaten met politieke keuzes die een gewest maakt. Die politieke keuzes, vertaald als 'algemeen energiebeleid', van dat gewest, kunnen enkel getoetst worden door de instanties die de gewestelijke decreetgever daartoe aangeduid heeft.

Het feit dat de federale regulator waarschijnlijk meer nog dan andere regulatoren over meer dan voldoende mensen, tijd en middelen beschikt om zulke studies te maken, mag geen verantwoording voor de bevoegdheidsoverschrijding zijn.





Share/Bookmark

maandag 3 oktober 2011

Etikettering van het energieverbruik van huishoudelijke apparaten

Een van de manier om de doelstelling van 20% meer energie-efficiëntie te bereiken tegen 2020 is het verbeteren van een correcte informatie over het energieverbruik van huishoudelijke apparaten. Aan de hand van die correct uitgewerkte informatie kan de eindconsument een onderbouwde beslissing nemen voor energie-efficiënte apparaten. In dit opzicht hervormt Richtlijn 2010/30/EG betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen (zoals water, chemische stoffen, …) op de etikettering en in de standaard-productinformatie van energiegerelateerde producten Richtlijn 92/95/EEG fundamenteel. De nieuwe richtlijn is van toepassing op alle energiegerelateerde producten die tijdens hun gebruik een significant direct of indirect effect hebben op het energieverbruik en vormt een tandem met de Ecodesign-richtlijn.

Met “de verstrekking van nauwkeurige, zinnige en vergelijkbare informatie over het specifieke energieverbruik van energiegerelateerde producten” zou de consument ertoe aangezet moeten worden om te kiezen voor minder energieverbruikende producten. Hierdoor zouden ook producenten aangemoedigd kunnen worden om maatregelen te nemen om zulke producten op de markt te brengen. De Richtlijn is niet van toepassing op tweedehandsproducten, middelen voor personen- of goederenvervoer en “het plaatje waarop het vermogen is vermeld of het equivalent daarvan, dat met het oog op de veiligheid op de producten wordt aangebracht”.

De verplichtingen van de richtlijn gelden in de eerste plaats voor die producten waarvoor de Europese Commissie in een zogenaamde ‘gedelegeerde handeling’ voorwaarden voor de etikettering heeft opgenomen. Naast de op etiketten al gebruikte klassen A tot G, kan de Commissie drie bijkomende klassen aan de indeling toevoegen “indien dat gelet op de technologische vooruitgang nodig is”: A+, A++ en A+++. De indeling in klassen wordt geëvalueerd wanneer een belangrijk aandeel van de producten op de interne markt in de twee hoogste energie-efficiëntieklassen wordt ingedeeld en wanneer bijkomende besparingen mogelijk worden door de producten verder te differentiëren.

De Europese Commissie moet die gedelegeerde handelingen aannemen voor producten die intrinsiek kunnen leiden tot belangrijke besparingen van energie en andere essentiële hulpbronnen. Wanneer de Commissie een ontwerp hiertoe opstelt, moet zij rekening houden met de Ecodesign-richtlijn en een analyse uitvoeren over de gevolgen voor het milieu, eindgebruikers en fabrikanten vanuit het oogpunt van concurrentievermogen, innovatie, markttoegang, kosten en baten. Zij overlegt hierover met de belanghebbenden.

Het Europees Parlement of de Raad kunnen tegen een gedelegeerde handeling bezwaar maken binnen een (verlengbare) periode van twee maanden na datum van kennisgeving door de Europese Commissie van de handeling. In geval van bezwaar treedt de handeling niet in werking. Bij gebreke van bezwaar binnen de voorgeschreven (en eventueel verlengde) termijn, wordt de handeling gepubliceerd in het Publicatieblad.
De Europese Commissie heeft intussen de volgende de gedelegeerde handelingen aangenomen:
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2010 (televisies)
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1061/2010 (huishoudelijke wasmachines)
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1060/2010 (huishoudelijke koelapparaten)
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1059/2010 (afwasmachines)

Voor producten die gereguleerd zijn door gedelegeerde handelingen moeten de leveranciers de overeenstemmende etiketten aanbrengen, een fiche verstrekken, technische documentatie opstellen die toelaat om de gegevens op het etiket en de fiche te controleren, stavingstukken voor inspectie bijhouden, en de fiche en het etiket gratis verstrekken aan de handelaars. De handelaars moeten de etiketten goed zichtbaar en leesbaar aanbrengen en de fiche ter beschikking stellen in de productbrochure. Ook bij het uitstallen van de producten moeten de etiketten duidelijk zichtbaar zijn. Bij verkoop op afstand, waarbij “de potentiële eindgebruiker het product waarschijnlijk niet uitgestald ziet”, moeten de potentiële eindgebruikers de informatie krijgen die op het etiket voor dit product en op het fiche wordt vermeld, alvorens zij het product kopen.

De lidstaten moeten niet alleen erop toezien dat de leveranciers en handelaars hun verplichtingen nakomen. Zij moeten het systeem van etiketten en fiches aan het grote publiek toelichten middels voorlichtings- en promotiecampagnes. Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de richtlijn kan door handelaars te verplichten om producten op te nemen die aan de bepalingen voldoen, door voorafgaand de nodige preventieve maatregelen te nemen als er voldoende bewijs is dat een product mogelijk niet aan de bepalingen voldoet en het uit de handel nemen van bepaalde producten.

De lidstaten moeten ook de regels vaststellen voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn en de gedelegeerde handelingen vastgestelde nationale bepalingen, inclusief het onrechtmatige gebruik van het etiket. Die vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Met het koninklijk besluit van 13 augustus 2011 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van energiegerelateerde producten wordt de Richtlijn op federaal vlak omgezet. De wettelijke basis van het koninklijk besluit is o.a. de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming.

De Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie houdt in eerste instantie toezicht op de naleving van de etiketteringsverplichtingen. De ultieme sanctie is het verbod om het product in de handel te brengen of het uit de handel te nemen.



Share/Bookmark

woensdag 21 september 2011

Een bekrachtigingswet is een wet, geen uitvoeringsbesluit

Tecteo, de distributienetbeheerder in de provincie Luik, en de CREG hadden een verschil in visie over de rapporteringsverplichting die de distributienetbeheerder heeft ten aanzien van de federale energieregulator. Tecteo zou zulk rapport niet overgemaakt hebben, waarop de CREG, met toepassing van artikel 31 Elektriciteitswet een administratieve geldboete oplegde.

Artikel 31 Elektriciteitswet bepaalt dat de CREG “elke in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan binnen de termijn bepaald door de commissie”.

Tegen de beslissing van de CREG om een administratieve geldboete op te leggen ging Tecteo in beroep bij het Hof van Beroep van Brussel. Die stelde in zijn arrest van 11 oktober 2010 vast dat de rapporteringsverplichting eerst was opgenomen in het koninklijk besluit van 11 juli 2002 inzake de distributienettarieven. Dit koninklijk besluit is nadien bekrachtigd door de wet van 21 december 2007.

Door die bekrachtiging neemt het koninklijk besluit in de hiërarchie der normen eenzelfde rang in als een formele wet. Hieruit volgt, volgens het Hof van Beroep: “une disposition ayant force de loi formelle ne saurait constituer une norme d’exécution d’une autre disposition qui est située au même rang dans la hiérarchie des normes.”

In zijn arrest van 19 mei 2011 (Cass 19 mei 2011 C.10.0199.F/9, CREG tegen Tecteo) bevestigt het Hof van Cassatie het arrest van het Hof van Beroep van Brussel:
“Il suit de la confirmation de l’arrêté royal du 11 juillet 2002 que le législateur a donné à cet arrêté royal une valeur législative.
L’effet rétroactif au 27 juillet 2002 donné à cette confirmation a pour conséquence que cet arrêté royal doit être présumé avoir eu une valeur législative dès son origine.
Dès lors, l’arrêté royal du 11 juillet 2002, qui a valeur de loi, n’est pas un arrêté d’exécution visé à l’article 31 de la loi du 29 avril 1999.
Le moyen, qui, en chacune de ses branches, repose sur l’affirmation contraire, manque en droit.”

In het voorontwerp van wet ter omzetting van de Richtlijn 2009/72/EG zoals de regering dit in tweede lezing goedkeurde op 19 juli 2011, wordt voorgesteld om artikel 31 Elektriciteitswet als te wijzigen:
“Art. 31. Onverminderd de andere door deze wet voorziene maatregelen, kan de commissie elke (...) persoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen [van deze wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, van de uitvoeringsbesluiten ervan, de navolgende wetten betreffende de tarieven of betreffende de bijdrage bedoeld in artikel 21bis of van alle andere bepalingen waarvan zij de controle verzekert krachtens artikel 23, § 2, lid 2, 8° van deze wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt] binnen de termijn bepaald door de commissie. (...)"

Volgens ons is de voorgestelde wijziging van artikel 31, eerste lid, nog steeds onvoldoende overtreden die de CREG vaststelt in het kader van controletaken die haar door andere wetgeving is verleend, te sanctioneren. De wijziging verwijst naar de algemene taakomschrijving van de CREG om de administratieve geldboete te rechtvaardigen. De vraag kan echter gesteld worden of de controlebevoegdheid opgenomen in andere wetgeving of in bekrachtigingswetten geen autonome bevoegdheid is die niet krachtens artikel 23, § 2, lid 2, 8°, Elektriciteitswet wordt toegewezen maar wel krachtens die andere wetgeving zelf.

Het eerste lid zou daarom kunnen luiden:
“Art. 31. Onverminderd de andere door deze wet voorziene maatregelen, kan de commissie elke in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen van deze wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, van de uitvoeringsbesluiten ervan, de navolgende wetten betreffende de tarieven of betreffende de bijdrage bedoeld in artikel 21bis of van alle andere bepalingen waarvan zij de controle verzekert (…)".




Share/Bookmark

dinsdag 20 september 2011

Heeft de beslissing over de Duitse Brennelementesteuer een impact op de Belgische nucleaire repartitiebijdrage?

Gisteren besliste de 4de Senat van het Finanzgericht Hamburg om in te gaan op de vraag van E.ON om de verplichting tot indienen van de belastingsformaliteiten onder de Duitse Brennelementesteuer uit te stellen. Het Finanzgericht vond dat er voldoende juridische twijfels waren bij de (grond)wettelijkheid van die belasting.

De Duitse Kernbrennstoffsteuerwet van 8 december 2010 belast, als een verbruiksbelasting, kernbrandstof (Plutonium 239 en Plutonium 241, Uranium 233 en Uranium 235) die voor de commerciële elektriciteitsproductie gebruikt wordt. De heffing per gram kernbrandstof bedraagt 145 EUR. De heffing zou op jaarbasis 2,3 miljard EUR opbrengen.

De heffing is verschuldigd zodra een brandstofelement of een afzonderlijke reactorstaaf voor het eerst in een kernreactor ingebracht wordt en een zichzelf in stand houdende kettingreactie opgestart wordt. De belasting geldt van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2016.

Veel gelijkenissen met deze Brennelementesteuer vertoont het wetsvoorstel dat CD&V en cdH indienden in het Parlement. Het wetsvoorstel tot vaststelling van een heffing op kernbrandstof wil door middel van een heffing ervoor zorgen dat een deel van de nucleaire rente terugvloeit naar de samenleving en dat een ‘level playing field’ wordt gecreëerd door een verhoging van de productiekosten van de kernproducenten. Volgens artikel 3 van het voorstel is kernbrandstof (Plutonium 239, Plutonium 241, Uranium 233, Uranium 235, Uranium 238 en Thorium) die voor industriële elektriciteitsproductie gebruikt wordt in kernreactoren op het Belgisch grondgebied onderhevig aan een heffing bij het laden en afsluiten van een reactorvat. Het voorstel noemt die http://www.blogger.com/img/blank.gifkernbrandstofbelasting een ‘accijns’. De heffing bedraagt per gram kernbrandstof 120 EUR en zou volgens de indieners overeenkomen met een jaarlijkse opbrengst van 750 miljoen EUR. De heffing is verschuldigd zodra een brandstofelement of een afzonderlijke brandstofnaald voor het eerst in een kernreactor ingebracht wordt en een zichzelf in stand houdende kettingreactie opgestart wordt.

Dit voorstel besprak de CREG vorige week nog in haar Studie (F)110908-CDC-1079
over “de wetsvoorstellen betreffende de nucleaire heffing”
.

De reden waarom het Finanzgericht (zeer) kritisch staat tegenover de Duitse regeling heeft echter niets te maken met de aard, de bepaling of de modaliteiten van de belasting, maar wel met het Duitse grondrecht: “Das FG Hamburg äußert ernstliche Zweifel an der formellen Verfassungsmäßigkeit des Kernbrennstoffsteuergesetzes.”

De Duitse Grondwet bevat vrij strikte bepalingen over wie bevoegd is om welke belastingen te heffen. Volgens het Finanzgericht is de Kernbrennstoffsteuer geen belasting die binnen de wetgevende bevoegdheid van de bond (de federale overheid) valt. De Kernbrennstoffsteuer is volgens het Finanzgericht immers geen 'verbruiksbelasting' (Verbrauchsteuer) omdat kernbrandstof geen verbruiksgoed (laat staan een consumentengoed) is dat in het algemene marktverkeer wordt gebracht door producenten voor onmiddellijk of aanstaand verbruik door verbruikers. Ten slotte betwijfelt het Finanzgericht of de Bond een 'nieuwe' belasting mag uitvinden, die niet voorzien is in de Duitse Grondwet.

In België zijn de grondwettelijke belastingsregels veel summierder uitgewerkt. Ze bevatten in ieder geval niet de verschillende beperkingen van de Duitse grondregels. Integendeel zelfs, de federale overheid heeft de 'residuaire' bevoegdheid inzake belastingen. Op zich lijken de bezwaren van het Finanzgericht dus niet direct bruikbaar door de tegenstanders van een uraniumaccijns in ons land.
Share/Bookmark

dinsdag 30 augustus 2011

CCS doet zijn stille intrede in de federale wetgeving

CCS, Carbon Capture and Storage, of de afvang en opslag van CO2 is volgens Wikipedia "de techniek waarmee fossiele brandstoffen (bijna) klimaatneutraal kunnen worden toegepast. Door het broeikasgas CO2 dat uit de verbranding van deze koolwaterstoffen ontstaat af te vangen en op te slaan komt die CO2 niet in de atmosfeer terecht."

De Richtlijn 2009/31/EG van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide legt het Europese kader hiervoor vast.

Ook voor nieuwe productie-installaties voor elektriciteit heeft de Richtlijn gevolgen. Om de overgang naar elektriciteitsproductie met een laag koolstofgehalte te bewerkstelligen moeten er bij nieuwe investeringen in elektriciteitsproductie op basis van fossiele brandstof­fen, maatregelen worden getroffen om een aanzienlijke emissiereductie te vergemakkelijken. Daarom moeten alle stookinstallaties met een vermogen van meer dan 300 MW waarvan de oorspronkelijke bouwver­gunning, of bij gebreke daaraan de oorspronkelijke exploitatievergunning wordt verleend na 25 juni 2009, op hun locatie over voldoende ruimte voor het afvangen en comprimeren van CO2 beschikken. Die verplichting geldt enkel indien geschikte opslaglocaties beschikbaar zijn en indien transport­netwerken en modernisering van de installatie met het oog op het afvangen van CO2, technisch en economisch haalbaar zijn.

De economische haalbaarheid van vervoer en modernisering moeten volgens de Richtlijn worden beoordeeld in het licht van de geraamde kosten van vermeden CO2 voor de specifieke plaatselijke omstandigheden in het geval van modernisering en de geraamde kosten van vermeden CO2 -uitstootrechten in de Gemeenschap. De ramingen moeten worden gebaseerd op het meest recente beschik­bare bewijs; voorts moeten de technische mogelijkheden worden geëvalueerd en moet een analyse van de onzekere factoren in het beoordelingsproces worden verricht. De bevoegde autoriteit moet op basis van een door de exploi­tant opgestelde beoordeling en andere beschikbare infor­matie bepalen of aan deze voorwaarden is voldaan.

Met het koninklijk besluit van 5 augustus 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 oktober 2000 betreffende de toekenning van individuele vergunningen voor de bouw van installaties voor de productie van elektriciteit worden deze bepalingen deels omgezet.

Het voegt een nieuw criterium in voor de toekenning van productievergunningen, zoals geregeld in het koninklijk besluit van 11 oktober 2000: "de ruimte die voorzien is op de site van de installatie voor de uitrusting, opvang en compressie van de CO2, wanneer de evaluaties hiervoor positief zijn." In de aanvraag voor de productievergunning moet de aanvrager daarom een evaluatie van de volgende voorwaarden (i) de beschikbaarheid van de opslagsites die geschikt zijn voor deCO2, (ii) de technische en economische haalbaarheid van de transportnetten van CO2 en (iii) de technische en economische haalbaarheid van een aanpassing van de installatie met het oog op de opvang van CO2.

Het koninklijk besluit kwam er o.a. op advies van de CREG. Dit advies is spijtig genoeg niet beschikbaar op haar website.

Om volledige omzetting te geven aan de Richtlijnbepaling zouden de verschillende gewesten in de regelgeving inzake stedebouwkundige vergunningen een gelijkaardige regeling moeten opnemen.




Share/Bookmark

vrijdag 8 juli 2011

In Memoriam Filip Martens: de domeinconcessie voor offshore wind voorbij

In 2020 moet België 13% van het energieverbruik realiseren met hernieuwbare energiebronnen. Offshore wind zal een groot aandeel uitmaken van deze doelstelling. Op dit ogenblik is er in de Noordzee 1 zone afgebakend in de zone voor de exploitatie van offshore wind. De wetgever opteerde voor een speciale vergunning van offshore wind installaties, met name door het verlenen van domeinconcessies.

Onder andere in de formateursnota van Elio Di Rupo is er sprake van een nieuwe zone in de Noordzee voor offshore wind. Wij willen een lans breken om na te denken over de wijze van vergunnen van offshore wind. Wij denken dat de figuur van de domeinconcessie niet aangewezen is, maar dat een beroep zou kunnen gedaan worden op de aanbestedingsprocedure voorzien in de Derde Elektriciteitsrichtlijn. Dit wordt uitgewerkt in de bijdrage "De domeinconcessie voorbij: de ontwikkeling van offshore wind via een aanbestedingsprocedure".

Deze bijdrage is geschreven als een eerbetoon aan Filip Martens, CEO van C-Power, die onverwachts overleden is op 1 juli 2011. Filip kan niet anders omschreven worden dan als een pionier voor offshore wind in België. Zoals het project team van C-Power schreef heeft hij als een echter voortrekker vriend en vijand overtuigd door in 2008 de grootste windturbines op de zwaarste funderingen in diep water op 30 kilometer van de kust te realiseren. Het is voor ons steeds een eer geweest Filip te ontmoeten in vergaderingen of aan de onderhandelingstafel. Zijn heengaan heeft ons, net als zovelen, met verstomming geslagen. Zijn enthousiasme en gedrevenheid kan alleen maar als voorbeeld en ter inspiratie blijven dienen.

Deze bijdrage zakt in het niets ten op zichte van de realisaties van Filip. Elke geproduceerde kWh elektriciteit in de Belgische Noordzee zal zijn herinnering levendig houden. Rust zacht.
Share/Bookmark

dinsdag 5 juli 2011

Klimaat in de nota van formateur Di Rupo

In het voorstel van formateur Di Rupo komt ook klimaat aan bod in de twee delen van de formateursnota: zowel wat betreft de sociaal-economische voorstellen als wat betreft de overdracht van bevoegdheden.

In het hoofdstuk over de begrotingsmaatregelen wordt geschreven dat "met het oog op de implementatie van het klimaatbeleid de opbrengsten van de veiling van de CO2-quota's op billijke wijze verdeeld [worden] tussen de federale overheid en de deelstaten". De formateur doelt hier op de implementatie van het energie- en klimaatpakket van de Europese Unie en de zogenaamde 20-20-20 doelstellingen. Tegen 2020 moet België 13% hernieuwbare energie opwekken tegen 2020 en 15% CO2 verminderen. Deze doelstellingen moeten verdeeld worden tussen de federale overheid en de gewesten, net zoals dat het geval was voor de Kyoto-doelstelling. Op dit ogenblik is daar geen compromis over bereikt, het is zelfs onduidelijk of er over vergaderd wordt. Verder in de nota wordt alleen nog gesproken over een "eerlijke en objectieve verdeling van de te leveren inspanningen".

De industriële uitstoot wordt geregeld door de ETS-richtlijn. Dit is een quasi volledige Europese aangelegenheid geworden, waarbij de lidstaten de veiling organiseren en waarvan de opbrengsten naar de lidstaten terugvloeit. Het verdelen van die emissieopbrengsten zal vermoedelijk deel uitmaken van de globale lastenverdeling in het kader van de 20-20-20-doelstellingen. Het aandeel van de uitstoot van de luchtvaartsector zorgde al voor intern Belgische onenigheid toen het Vlaams Gewest, en nadien het Waals Gewest, een decreet aannamen waarbij alle luchtvaartemissies ofwel in het Vlaams Gewest ofwel in het Waals Gewest gelokaliseerd werden. Brussel en de Federale Overheid vielen uit de boot en vochten het Vlaams decreet aan bij het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof vernietigde het decreet en beval dat er een samenwerkingsakkoord moet komen om de materie te regelen. Tot op vandaag is er ook hier geen uitweg uit de impasse.

De nota van Di Rupo spreekt enkel van een billijke verdeling, en zegt niets over de toewijzing van die opbrengsten. Dit in tegenstelling tot de nucleaire rente waar expliciet wordt bepaald dat die middelen gebruikt zullen worden voor de ondersteuning van offshore wind en de energie-efficiëntie van federale gebouwen. De ETS-richtlijn bepaalt dat de lidstaten vrij zijn om te bepalen hoe de veilingopbrengsten worden gebruikt. Tegelijkertijd zegt ze ook dat de opbrengsten zouden moeten worden gebruikt voor het klimaatbeleid. Of Di Rupo een deel wil gebruiken om, bijvoorbeeld, de internationale klimaatinspanningen te financieren, dan wel om het begrotingstekort te milderen blijft een open vraag.

Wat betreft het internationale klimaatbeleid schrijft Di Rupo dat België een ambitieus standpunt zal innemen tijdens de multilaterale onderhandelingen. Daarbij wordt expliciet gezegd: "ons land schikt zich naar een reductiedoelstelling op EU-niveau van 30% van de uitstoot van broeikasgassen in 2020 en van 80 tot 95% in 2050 ten opzichte van 1990." Hiermee geeft Di Rupo gevolg aan de resolutie die op 24 maart 2011 door de Kamer werd aangenomen waar de Kamer de regering vroeg om zich duidelijk uit te spreken voor een aanscherping van de Europese klimaatambities. De Kamer vroeg ook dat de regering zich zou inzetten dat dit zich zou vertalen in het Belgisch standpunt in de toekomstige EU-milieuraden en de Europese Raad. Uit de manier van verwoorden in de formateursnota kan alvast een engagement afgeleid worden dat de Federale Regering effectief zal proberen de gewesten op dezelfde lijn te krijgen. Het Europese standpunt wordt namelijk steeds in overleg met de gewesten bepaald.

Wat betreft de overdracht van bevoegdheden komt de tekst van Di Rupo overeen met het eerdere voorstel van Vande Lanotte. De Nationale Klimaatcommissie zal versterkt worden en er wordt een klimaatresponsabliseringsmechanisme ingesteld. Dit laatste zal geconcretiseerd worden door in de nieuwe financieringswet een responsabiliseringsmechanisme "klimaat" te voorzien voor de CO2-uitstoot in die sectoren die niet vallen onder de EU-ETS. Dit gebeurt op basis van de doelstellingen van de Nationale Klimaatcommissie en gevalideerd door de interministeriële conferentie. Als bedoeld wordt wat Vande Lanotte eerder schreef dan zou de interministeriële conferentie die bevoegd is voor het klimaatbeleid concrete voorstellen doen op het vlak van bindende emissietrajecten per regio en per sector, op korte en op lange termijn en met betrekking tot de methodologie inzake berekening van de emissies. De Nationale Klimaatcommissie zou bevoegd zijn voor de controle op de resultaten en de publicatie ervan. Dit wordt echter niet op deze manier verduidelijkt in de nota van Di Rupo.

Di Rupo schuift duidelijk naar voor dat een vermindering van CO2 het concurrentievermogen van de bedrijven zal versterken en zal zorgen voor extra banen. Qua standpunt heeft het voorstel van Di Rupo het voordeel van de duidelijkheid, de 30% doelstelling wordt gesteund. De invulling van de doelstelling binnen België is vooralsnog onduidelijk. Ook hier geldt wat we voor de energievoorstellen schreven: met de uitwerking kan het nog alle kanten uit.
Share/Bookmark