dinsdag 14 maart 2017

Sites en kadastrale percelen bij directe lijnen: what's in a name

Voor de aanleg van een nieuwe directe lijn of leiding of een nieuw gesloten distributienet die de grenzen van de eigen “site” overschrijden, moet de initiatiefnemer een voorafgaande vergunning van de VREG verkrijgen.

Het Energiedecreet omschrijft de “eigen site” als “het kadastrale perceel of de aansluitende kadastrale percelen van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon als eigenaar, opstalhouder of concessiehouder” (artikel 1.1.3 Energiedecreet).

In zijn beslissingen over aanvragen voor nieuwe directe lijnen schrijft de VREG: “Dat immers, naast de kadastrale percelen in eigendom van de Afnemer [] ook een openbare weg betrokken is zodat een perceel betrokken is dat geen kadastraal perceel is, zodat geen sprake kan zijn van aaneensluitende kadastrale percelen.” In een voetnoot volgt dan “Openbare wegen, waterlopen, enz. zijn ongenummerde percelen. Ongenummerde percelen zijn geen kadastrale percelen, want elk kadastraal perceel draagt per definitie een kadastraal perceelnummer waarmee het kadastraal geïdentificeerd kan worden, en waarmee het opgenomen kan worden in de alfanumerieke database en waardoor er een kadastraal inkomen aan kan worden toegekend.”

Zowel bij de term “eigen site” als bij de invulling van “kadastrale percelen” kan men kanttekeningen plaatsen.

Volgens Van Dale is een “site” een woord afkomstig uit het Frans of het Engels, met als eerste betekenis een “vestigingsplaats, locatie”, verwijzend naar website. Belgische-Nederlands is de betekenis ook “archeologisch opgravingsterrein”. In het Frans betekent “site” “paysage [considéré du point de vue de l'esthétique, du pittoresque]” of “configuration du lieu, du terrain où s'élève une ville, manière dont elle est située [considérée du point de vue de son utilisation par l'homme: communications, facilités de développement]”. Andere betekenissen zijn minder relevant. In het Engels betekent “site” “an area of ground on which a town, building, or monument is constructed” of “a place where a particular event or activity is occurring or has occurred”.

“Eigen site”, in de betekenis van aaneensluitende stukken grond, is dus eigenlijk geen deftig Nederlands.

Over het Kadaster verscheen bij Intersentia in 2016 een prachtig boek onder hoofdredactie van Robert Palmans en professor Marc Boes.

In hun bijdrage over “De aanwending van het kadaster en de kadastrale informatie in het Belgische recht” schrijven professor Ruud Jansen en notaris Pieter-Jan De Decker dat “de overheid het kadaster aanwendt voor allerhande functies die niet overeenstemmen met de oorspronkelijke functie van het kadaster, noch met de opbouw en het juridisch karakter ervan”.

De auteurs schrijven:

“Het kadaster vervult in het huidige fiscale recht een voorname rol bij de belastingheffing op de inkomsten van onroerende goederen. Dit stemt overeen met zijn historische functie. Het uitgangspunt in het fiscale recht is dat de belasting op de onroerende inkomsten wordt bepaald aan de hand van het kadastrale inkomen. Het kadastrale inkomen wordt vastgesteld voor alle gebouwde en ongebouwde onroerende goederen in België, alsmede voor het materieel en de outillage die onroerend zijn van nature of door bestemming (art. 471, § 1 WIB 1992). Het openbare domein en daarmee gelijkgestelde onroerende goederen (bv. spoorwegbeddingen) zijn uitgesloten. Het kadastrale inkomen vormt de forfaitair geraamde netto-opbrengst van dergelijk onroerend goed op één jaar (art. 471, § 2 WIB 1992). Het kadastraal inkomen geeft dus aan wat de normale opbrengst (uit bv. verhuring) is van een onroerend goed op een welbepaald referentietijdstip."
De vaststelling van het kadastraal inkomen gebeurt voor ieder perceel ('kadastraal' perceel) eenzijdig door de administratie van het kadaster (art. 472, § 1 WIB 1992). Ieder kadastraal perceel is een deel van het grondgebied met eenzelfde gebruik dat aan een afzonderlijke eigenaar (of groep eigenaars) toekomt.

Op basis van de vaststelling dat “de oorspronkelijke ordening van het kadaster niet op tegensprekelijke wijze tot stand gekomen is”, schrijven de auteurs dat “de ordening van het kadaster dan ook geen ordening [is] die rechtsgevolgen kan teweegbrengen op de rechten van de verschillende grondeigenaars”: “De kadastrale omschrijving van een perceel geeft met andere woorden niet op onaantastbare wijze de grenzen en de oppervlakte van een perceel weer.”

De auteurs besluiten algemeen:
“Vandaag is het kadaster niets anders dan een gegevensbank van de federale overheid financiën waarin gegevens worden verzameld over onroerende goederen met het oog op de inning van belastingen op onroerend goed. (…) [Het andere] gebruik van het kadaster roept (…) fundamentele vragen op. De meest fundamentele vraag is of de gegevens uit het kadaster nauwkeurig genoeg zijn om deze rol aan het kadaster toe te kennen. Deze vraag moet negatief beantwoord worden. De gegevens uit het kadaster omtrent de burgerrechtelijke karakteristieken van een onroerend goed (de identiteit van de eigenaar, de perceelconfiguratie, de oppervlakte enz.) worden slechts op indirecte wijze doorgegeven aan het kadaster, zodat deze gegevensbank nimmer actueel is, en het gevaar loopt dat er foute gegevens worden ingebracht. Om die redenen moet men zeer omzichtig zijn met het gebruik van het kadaster. Het gevaar is dat men bij het nemen van beslissingen, het beslechten van geschillen en het geven van informatie niet verder zal gaan dan wat die gegevensbank aanduidt, en amper nog nagaat op welke wijze deze gegevens (al dan niet op correcte wijze) in de gegevensbank terechtgekomen zijn.”
In hun bijdrage “De waarde van kadastrale gegevens” geven Robert Palmans en Ruth Moors een gedetailleerd casuïstisch bewijs van de voorgaande stelling. Openbare wegen met kadastrale nummers, buurtwegen of straten die niet vermeld staat in het kadaster (maar er wel zijn), beken en rivieren die niet meer stromen waar ze stroomden, maar wel opgenomen zijn in het kadaster, percelen grond die volgens het kadaster niet grenzen aan een openbare weg maar aan een niet meer bestaande beekbedding, verlegde buurtwegen, … Daarenboven blijkt uit het overzicht dat het feit dat een (deel van een) perceel een kadastraal nummer heeft, geen uitsluitsel kan geven over de vraag of de percelen “aaneensluitend” zijn. Immers, het kadastraal perceel kan rijken tot het midden van een nieuw aangelegde openbare weg en onder die weg aansluiten op een ander perceel.

Enkel en alleen op basis van een actuele kaart (bv. Google Maps of Bing Maps) vaststellen dat er een (openbare) weg ligt tussen twee percelen is dan ook niet voldoende om te besluiten dat er geen sprake is van aansluitende kadastrale percelen. Anderzijds kan men ook uit het kadaster niet afleiden of twee percelen aaneensluitend zijn als die, volgens het kadaster, maar anders dan in de realiteit, doorkruist worden door een ongenummerd perceel van een opgeheven buurtweg.




Share/Bookmark

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen