vrijdag 24 januari 2014

Grondwettelijk Hof vernietigt (opnieuw) bepalingen van het Energiedecreet

Op vraag van Aspiravi (vertegenwoordigd door Tom Schoors) en de ondernemingen die actief zijn in de biogassector (vertegenwoordigd door Jeroen De Coninck) heeft het Grondwettelijk Hof gisteren twee bepalingen van het Energiedecreet vernietigd.

Met de hervorming van het systeem van groenestroomcertificaten door het decreet van 13 juli 2012, wou de decreetgever
1. investeerders zekerheid bieden door voldoende steun te geven om investeringen in een technologie rendabel te maken, waardoor voor bedrijven de investeringsrisico’s beperkt worden en voor de gezinnen de terugverdientijd van een investering binnen een redelijke termijn wordt gehouden;
2. de maatschappelijke kosten zo beperkt mogelijk te houden en verstandig te spreiden, wat van groot belang is om het draagvlak voor hernieuwbare energie te vrijwaren en de energiefactuur van gezinnen en bedrijven onder controle te houden.

Het gewijzigde artikel 7.1.1 Energiedecreet maakt voor de toekenning van groenestroomcertificaten een onderscheid tussen installaties met een startdatum voor of na 1 januari 2013. Bij installaties met een startdatum voor 1 januari 2013 geldt paragraaf 1 van dit artikel; bij installaties met een startdatum na 1 januari 2013 geldt paragraaf 2 van dit artikel.

Voor installaties met een startdatum voor 1 januari 2013 worden de groenestroomcertificaten gedurende een termijn van tien jaar toegekend. Voor die installaties blijven de groenestroomcertificaten maandelijks toegekend per schijf van 1000 kWh opgewekte elektriciteit. Het resterende aantal kWh wordt overgedragen naar de volgende maand.

De termijn van tien jaar kan verlengd worden, op vraag van de certificaatgerechtigde aan het VEA,

“voor de periode die nodig is om het aantal groenestroomcertificaten te ontvangen dat overeenkomt met het aantal groenestroomcertificaten, toe te kennen volgens het aantal vollasturen dat voor de betreffende projectcategorie en overeenstemmend met het initieel geïnstalleerde nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen werd gehanteerd”. Hieraan zijn een aantal voorwaarden verbonden.

Een verlenging van de termijn van tien jaar kan ook aangevraagd worden bij het VEA voor de resterende afschrijvingstermijn van de oorspronkelijke of latere investeringen in de installatie en maximum voor twee keer vijf jaar. Die latere investeringen moeten betrekking hebben op investeringen die minstens:
a) 20 % van de oorspronkelijke investering; en
b) 100 000 euro bedraagt; en
c) uitsluitend essentiële componenten betreft met het oog op groenestroomproductie.
Volgens de memorie van toelichting komen de bijkomende investeringen voor zover die uitgaven betrekking hebben op werkzaamheden die worden gerealiseerd voor 1 januari 2013. Dit blijkt ook duidelijk uit artikel 12.3.2, § 2, eerste lid, laatste zin, Energiebesluit:
“De bijkomende investeringen komen enkel in aanmerking voor zover de uitgaven gebeurd zijn voor 1 januari 2013.”
Met het decreet van 12 juli 2013 werd de tekst van het Energiedecreet aangepast om de bedoeling van de decreetgever te verduidelijken.

Het is deze bepaling over de verlenging van de termijn van tien jaar op basis van de afschrijvingstermijn van de investeringen dat het Grondwettelijk Hof deels vernietigde in zijn arrest van 23 januari 2014.

Volgens het Grondwettelijk Hof
“roept de voorwaarde betreffende het tijdstip waarop een extra investering wordt uitgevoerd, een verschil in behandeling in het leven tussen exploitanten die extra investeringen uitvoeren, naargelang dat gebeurt binnen de reguliere steunperiode (in beginsel tien jaar na de eerste ingebruikname van de installatie), in voorkomend geval verlengd op basis van niet-gepresteerde vollasturen, dan wel buiten die periodes”.
Dit verschil in behandeling is volgens het Hof niet verantwoord:
“Ten aanzien van de met de in artikel 7.1.1, § 1, vierde lid, van het Energiedecreet bedoelde verlengingsperiode nagestreefde doelstelling om de rendabiliteit van installaties met startdatum vóór 1 januari 2013 te waarborgen, is het criterium van het ogenblik waarop een extra investering wordt uitgevoerd niet relevant, zodat het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling niet redelijk is verantwoord. Ofschoon de doelstelling om de kostenefficiëntie van het stelsel van de groenestroomcertificaten te verhogen legitiem is, kan die doelstelling niet worden aangewend om, zonder objectieve en redelijke verantwoording, verschillen in behandeling in het leven te roepen tussen exploitanten van installaties met startdatum vóór 1 januari 2013.”
Het Grondwettelijk Hof lijkt verbaasd te zijn dat de Vlaamse decreetgever de opmerkingen van de VREG over dit artikel naast zich neer heeft gelegd, zonder enige verantwoording. Het Hof geeft terloops ook een sneer richting het Vlaams Parlement:
“Noch uit de parlementaire voorbereiding - die overigens geen verslag bevat van de artikelsgewijze bespreking en stemming in de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement -, noch uit de memories van de Vlaamse Regering, kan worden afgeleid om welke redenen de decreetgever het niet opportuun heeft geacht de suggestie van de VREG te volgen.”
Het Hof geeft hiermee aan dat het vooral de voorwaarde is dat de investeringen moesten zijn gedaan voordat de termijn van tien jaar na de eerste ingebruikname van de installatie of voordat de bijkomende termijn op basis van de vollasturen verstreken zijn. Met andere woorden, ook voor zeer oude installaties moeten zeer recente investeringen, weliswaar uitgevoerd voor 1 januari 2013, aanleiding kunnen geven tot een verlenging van de steunperiode.

Het feit dat de decreetgever bepaalt heeft dat de investeringen moesten zijn uitgevoerd voor 1 januari 2013 (of 31 juli 2013, volgens het decreet van 12 juli 2013) is voor het Hof geen steen des aanstoots:
"Voor het overige is het ten aanzien van de doelstelling om de kostenefficiëntie van het stelsel van de groenestroomcertificaten te verhogen zonder afbreuk te doen aan de « aangegane engagementen », niet zonder redelijke verantwoording dat extra investeringen in rekening worden gebracht indien zij zijn uitgevoerd en in gebruik genomen vóór 1 juli 2013, terwijl dat niet het geval is voor investeringen die na die datum worden uitgevoerd en in gebruik worden genomen, vermits de exploitanten in het laatste geval op de hoogte zijn van het feit dat hun extra investeringen niet in rekening worden gebracht voor de verlenging van de steun. De decreetgever vermocht daarbij van oordeel te zijn dat dient te worden voorkomen dat de exploitanten van installaties tot opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen na de aankondiging van de nieuwe regeling maatregelen zouden nemen die de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen in het gedrang zouden kunnen brengen."
Het Hof verzet zich dus, zoals de VREG dat eerder deed in zijn advies van 20 juni 2012 tegen het feit dat recente investeringen in oude installaties, uitgevoerd voor 1 januari 2013, geen aanleiding kunnen geven tot een verlenging van de steunperiode. De VREG had hierover gesteld:
“Er zijn echter heel wat groenestroomproductie-installaties die voor 2002 in gebruik werden genomen, maar waarvoor de voorbije jaren nog belangrijke investeringen werden uitgevoerd.
Vb. een installatie voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen werd in dienst genomen in 1980. De toekenning van groenestroomcertificaten aan deze installatie wordt stopgezet vanaf de inwerkingtreding van het decreet. Dit gezien productie-installaties met een startdatum voor 1 januari 2013 enkel groenestroomcertificaten ontvangen gedurende een periode van 10 jaar na de eerste ingebruikname, en dit overeenkomstig het nieuwe artikel 7.1.1, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet. Een eenmalige verlenging van 5 jaar, zoals bedoeld in art. 7.1.1, § 1, vierde lid, zou ingaan na het verstrijken van de oorspronkelijke termijn van 10 jaar (in casu dus 1990). Indien de investering pas gebeurd zou zijn in 2008, heeft dit natuurlijk geen zin. Hiermee wordt duidelijk niet de bedoelde investeringszekerheid geboden.”
De gevolgen van het arrest zijn dan ook beperkt tot die 'oude installaties' met 'recente investeringen voor 1 januari 2013.

Het Hof vernietigt daarnaast ook de voorwaarde dat de bijkomende investering minstens 20% van de initiële investering moet bedragen:
"Gelet op het gegeven dat de decreetgever de in artikel 7.1.1, § 1, van het Energiedecreet bedoelde verlengingsperiodes precies heeft ingevoerd met het oog op het zoveel mogelijk waarborgen van de rendabiliteit van installaties met startdatum vóór 1 januari 2013, blijkt de drempel van 20 pct. ook ten aanzien van de doelstelling om de kostenefficiëntie van het stelsel te verhogen evenwel onevenredig."






Share/Bookmark

Geen opmerkingen:

Een reactie posten