woensdag 11 april 2012

Tariefbevriezing in gespuide regulatoire mist

Artikel 84 van onze Grondwet bepaalt dat alleen de wet een authentieke uitlegging van de wetten kan geven. Op basis van deze bepaling kan de wetgever een interpretatieve wet aannemen, waarbij een andere wet of wetsbepaling wordt uitgelegd en verklaard. Zo een interpretatieve wet heeft terugwerkende kracht. De authentieke uitlegging van een andere wet geldt dus vanaf de inwerkingtreding van de uitgelegde wet, en niet vanaf de inwerkingtreding van de uitleggende wet.

Volgens het Grondwettelijk Hof geeft een interpretatieve wet aan de uitgelegde wetsbepaling de betekenis die de wetgever hieraan had willen geven en die de bepaling ook redelijkerwijze had kunnen hebben. Een interpretatie van een wet die anders is dan de duidelijke bewoordingen van die wet kan voor het Grondwettelijk Hof niet. Enkel onduidelijke, onzekere, controversiële, multi-interpretabele wetten kunnen door een latere wet geïnterpreteerd worden. 'Interpretatieve' wetten die aan een duidelijke wetsbepaling een andere betekenis geven, zijn geen interpretatieve wetten, maar nieuwe wetten. Die kunnen maar terugwerkende kracht hebben als er uitzonderlijke omstandigheden zijn, waarbij het algemeen belang in alle redelijkheid primeert op de individuele belangen.

Artikel 108 van de wet van 29 maart 2012 houdende diverse bepalingen I is geen onduidelijke of onzekere wetsbepaling. Het bepaalt dat de opwaartse indexering van de variabele energieprijs voor de levering van elektriciteit en van aardgas verboden is vanaf 1 april 2012 tot en met uiterlijk 31 december 2012, in zoverre deze indexering de initiële grens overschrijdt die is vastgesteld op basis van de indexeringsparameters van de leveranciers op 1 april 2012. Die bepaling is volgens ons en vele anderen heel duidelijk. Ook de CREG, de federale energieregulator, vond in de Richtlijnen van 22 maart 2012 betreffende de tijdelijke bevriezing van de indexeringen van de variable gas- en elektriciteitscontracten dat

“de tijdelijke bevriezing van de opwaartse indexeringen van variabele contracten bijgevolg van start gaat [vanaf 1 april] op basis van de indexeringsparameters zoals door de leveranciers bekendgemaakt in hun tarieffiches op 1 april 2012”.
Dit bevestigde de CREG in De Morgen op 5 april 2012: "De ultieme prijsstijgingen zijn wettelijk in orde."

De woordvoerder van de CREG negeerde in zijn communicatie rond de indexeringen door de aardgasleveranciers op 1 april dit duidelijke standpunt van het directiecomité van de CREG. In De Tijd van 6 april 2012 stelt Jacquet dat “in de richtlijnen wel degelijk staat dat het vanaf 1 april verboden is om de tarieven te indexeren”. De lezing door de operatoren zou een 'selectieve lezing zijn'. In De Standaard laat hij die dag optekenen: “De leveranciers hebben één passage uit onze richlijn toegepast en niet allemaal. De prijsverhoging die ze hebben toegepast, is volgens ons niet toegelaten.” In La Libre van dezelfde dag luidt het dan weer: “La CREG entend appliquer les dispositions voulue par le législateur.” En in L'Echo stelt hij dat de CREG “exécutera ce que l'auteur de la loi nous demandera.”

In De Morgen van 10 april gaat de CREG nog een hele stap verder. De indexering op 1 april zou onwettelijk zijn omdat de procedure niet zou gevolgd zijn. Vermits die procedure niet gevolgd zou zijn, zou iedere tarieverhoging nietig zijn. De indexering “is op niets gebaseerd en telt dus niet”.

Over welke procedure gaat het?

Artikel 15/10bis, § 5, van de Gaswet verplicht de leverancier om elke stijging van de variabele energieprijs aan de CREG mee te delen, wanneer die stijging niet het gevolg is van een overheidsingrijpen of wanneer die stijging niet het gevolg is van een indexering in de zin van de §§ 2 tot 4 van datzelfde artikel. Die §§ 2 tot 4 van artikel 15/10bis treden echter pas in werking op 1 januari 2013. Artikel 15/10bis, § 5, is in werking getreden op 1 april 2012. De regeling van artikel 15/10bis van de Gaswet is ingevoegd door de wet van 8 januari 2012. De data van inwerkingtreding zijn gewijzigd in de wet van 29 maart 2012. Het is die laatste wet, die ook het fameuze artikel 108 bevat, op basis waarvan een indexering vanaf 1 april 2012 boven de parameters op 1 april 2012 verboden is.

De procedure waarnaar de CREG verwijst in het artikel in De Morgen heeft dus betrekking op een stijging van de variabele energieprijs die niet het gevolg is van een overheidsbeslissing of van een indexering. Omdat indexeringen boven het niveau op 1 april 2012 niet meer kunnen vanaf 1 april 2012 tot en met 31 december 2012 kan die procedure hierop niet van toepassing zijn. De CREG heeft geen bevoegdheid om iets wat verboden is toch toe te laten of op haar beurt te verbieden. Een procedure is bijgevolg overbodig.

Dit blijkt ook uit de duidelijke Richtlijnen van de CREG van 22 maart 2012:
“Op 1 april 2012 treden § 1 en §§ 5 tot 7 van de vangnetregulering in werking. (...) Dit wil ook zeggen dat de leveranciers, volgens § 5, voor elke prijswijziging die niet volgt uit een zuivere indexering, ex-ante een gemotiveerde aanmelding bij de CREG moet indienen, waarna de CREG oordeelt of de motivering van de stijging gerechtvaardigd is.
Vanaf 1 april 2012 en tot en met 31 december 2012 is de opwaartse indexatie van de variabele energieprijs voor de levering van elektriciteit en aardgas verboden. De tijdelijke bevriezing van de opwaartse indexeringen van variabele contracten gaat bijgevolg van start op basis van de indexeringsparameters zoals door de leveranciers bekendgemaakt in hun tarieffiches op 1 april 2012.”
De bevoegdheid van de CREG om prijsverhogingen, die niet het gevolg zijn van overheidsbeslissingen of van indexeringen, goed te keuren is een ex ante bevoegdheid. Dit betekent dat de prijsverhoging slechts na het doorlopen van de procedure mag toegepast worden. De regels over die procedure zijn maar in werking getreden op 1 april 2012. Voorafgaand aan de inwerkingtreding bestond die procedure niet. Zij kon dus ook niet gevolgd worden en de CREG had ook nooit, voorafgaand aan 1 april, een beslissing kunnen nemen.

Overigens gelden naast het adagium 'interpretatio cessat in claris' ook bijvoorbeeld de adagia 'lex posterior derogat legi priori' (een latere wet heft een vroegere wet op) en 'lex specialis derogat legi generali' (een meer specifieke wet gaat voor op een algemene wet). De prijsbevriezing van artikel 108 van de wet van 29 maart 2012 is van een latere datum dan de wet van 8 januari 2012. Zij bevat ook een meer specieke regeling. Dit betekent, noodzakelijkerwijs, dat de prijsbevriezing vanaf 1 april 2012 tot en met 31 december 2012 boven het niveau op 1 april voorgaat op de algemene regel over prijsregulering van artikel 15/10bis, § 5, van de Gaswet.

Het komt er dus uiteindelijk op neer om te lezen wat in artikel 108 van de wet van 29 maart 2012 staat:
“Vanaf 1 april 2012 tot en met uiterlijk 31 december 2012, is de opwaartse indexering van de variabele energieprijs voor de levering van elektriciteit en van aardgas, verboden, in zoverre deze de initiële grens overschrijdt die is vastgesteld op basis van de indexeringsparameters van de leveranciers op 1 april 2012.”
De procedure waarnaar de CREG verwijst is in dit kader volstrekt irrelevant.

Artikel 15/14, § 5, van de Gaswet bepaalt dat de CREG erop toeziet "dat haar personeel en de personen belast met haar beheer: a) onafhankelijk van alle commerciële belangen handelen en b) in de uitoefening van hun opdrachten geen directe instructies vragen noch aanvaarden van gelijk welke regering of andere openbare of privé-entiteit". Die onafhankelijkheid doet geen afbreuk aan het nauw overleggen met alle overige bevoegde overheden en 'de algemene, door de regering voorgeschreven richtsnoeren'. Wat dit laatste betreft “wijkt die bepaling af van het artikel 39(4) van de Derde Gasrichtlijn, in de mate dat de 'voorgeschreven richtsnoeren' niet beperkt zijn tot 'algemene beleidsrichtlijnen', die trouwens enkel buiten het toepassingsgebied van de reguleringstaken kunnen bestaan (zie T. VANDEN BORRE, “De omzetting van de bepalingen inzake de onafhankelijke energieregulator – op weg naar Luxemburg?”, in K. DEKETELAERE en B. DELVAUX (eds.), Jaarboek Energierecht 2010, Antwerpen, Intersentia, 2011, 114)".

In haar Studie tot omzetting van de Derde Gasrichtlijn ging de CREG hierop uitvoerig in, verwijzende naar de interpretatieve nota van de Europese Commissie:
“De interpretatieve nota betreffende de rol van de regulerende instanties bepaalt in dit opzicht (p. 7, lid 4): “The new legislation also prohibits the NRA's staff and the persons responsible for its management from seeking or taking direct instructions from any government or other public or private entity. This provision aims to tackle the situation where someone working for the NRA is seeking or taking direct instructions. According to the Commission's services, this provision also implies that it is forbidden for anyone to give such instructions. An instruction in this context is any action calling for compliance and/or trying to improperly influence an NRA decision and thus includes the use of pressure of any kind on NRA's staff or on the persons responsible for its management. In the view of the Commission's services this requires Member States to provide for dissuasive civil, administrative and/or criminal sanctions in case of violation of the provisions on independence as well as for any attempts by public and private entities to give an instruction or to improperly influence an NRA decision”.”
De CREG mag dus geen instructies krijgen van de regering. Ze mag dus ook niet “exécuter ce que l'auteur de la loi lui demandera”. Zelfs als ze geen instructies zou gekregen hebben, wat niet zou verklaren waarom ze in haar communicatie haar eigen Richtlijnen manifest tegenspreekt, dan past het evenmin voor een regulator om nog meer mist te spuien.



Share/Bookmark

Geen opmerkingen:

Een reactie posten