Pagina's

donderdag 24 januari 2013

Energie-efficiëntie en het "rebound effect"

"The rebound effect is overplayed", titelt een bijdrage in Nature van vandaag. Volgens onderzoekers van Yale zou het rebound effect van maatregelen op het vlak van energie-efficiëntie wel degelijk bestaan, maar de impact ervan zou veel kleiner zijn dan eerder gedacht.

Energie-efficiëntie lijkt tot paradoxale gevolgen te kunnen leiden. Niet noodzakelijk zou een grotere energie-efficiëntie voor een algemeen lager energieverbruik zorgen. Efficiënter gebruik van energie leidt normaal gezien tot lagere energiekosten (er is immers minder energie nodig voor hetzelfde gebruik) en dus tot een grotere financiële armslag voor de verbruiker. Die financiële meevaller zal hij minstens deels aanwenden om meer energie te verbruiken, ofwel door zijn gedrag aan te passen aan de lagere kostprijs ofwel om bijkomende toepassingen te gebruiken die op hun beurt energie verbruiken.

Die paradox (in het Engels 'rebound effect') kan tot drie mogelijke situaties leiden:
– De energiebesparing is groter dan verwacht (met een negatief rebound effect). Dit kan bijvoorbeeld wanneer de overheid het gebruik van duurdere maar energie-efficiëntere technologieën verplicht maakt.
– De effectieve energiebesparing is minder dan de verwachte energiebesparing (een rebound effect tussen 0 en 100%).
– De effectieve energiebesparing is negatief (rebound van meer dan 100%), de 'Jevons'-paradox, naar de 19de eeuwse Britse econoom Stanley Jevons in zijn boek 'The Coal Question'.

In het artikel dat Nature vandaag publiceert, erkennen de auteurs dat er een reboud-effect is door een grotere energie-efficiëntie. Tot een echte Jevons-paradox zou meer energie-efficiënte echter niet leiden. Volgens de auteurs zou het rebound effect slechts tussen de 5 en de 30% van de energiebesparing door energie-efficiëntie tenietdoen, waardoor de maatregelen in ieder geval nog in grote mate leiden tot energiebesparing.

Volgens de auteurs manifesteert het rebound effect zich op vier vlakken.

Een 'direct' effect is er als een daling van de kostprijs om een energiedienst te gebruiken leidt tot een stijging van de vraag naar energie. Zo zouden verschillende studies aangetoond hebben dat bestuurders van zuinige wagens na verloop van tijd meer rijden (of minstens tot 30% minder energie besparen dan ze in vergelijking met hun historische rijprofiel en de zuiniger wagens zouden kunnen besparen.

Een 'indirect' rebound effect ontstaat volgens de auteurs omdat consumenten het geld dat ze uitspaarden door het energie-efficiëntie zullen besteden aan andere, nieuwe producten, die gemaakt moeten worden met (meer) energie. Maar volgens de auteurs houdt men dan enkel rekening met de directe winst (een zuinige wagen zorgt voor minder aankoop van benzine en het gespaarde geld wordt uitgegeven aan een nieuw product), en niet met de meerkost die normaal gezien gepaard gaat om energie-efficiënt te zijn (een zuinige wagen kost waarschijnlijk iets meer dan een minder zuinige wagen, waardoor het verschil in winst veel kleiner is en er minder marge is om het geld aan iets anders uit te geven).

Een derde effect is er macro-economisch prijseffect. Wanneer de Amerikaanse autobestuurders massaal in energie-efficiënte wagens zouden rondrijden, daalt de vraag naar benzine, waardoor ook de prijs van benzine wereldwijd zou kunnen dalen. Dat zou inwoners van andere landen ertoe kunnen aanzetten om juist meer te rijden, omdat het hen minder kost per kilometer.

Het vierde effect is het macro-economisch groeieffect. Energie-efficiënte toepassingen in één sector kunnen het verbruik in een andere sector verhogen. Zo zou een toenemend gebruik van zeer lichte maar sterke materialen in de autosector ook een effect kunnen hebben op het materiaalgebruik in de luchtvaartsector, waardoor er betere vliegtuigen kunnen komen en meer luchtvaart.

De auteurs geven toe dat de laatste twee effecten moeilijk berekenbaar zijn, maar toch botsen tegen economische basiswetmatigheden. Als de prijs van benzine zou dalen omdat alle Amerikanen in zuinige auto's zouden rondrijden, zouden de olieproducenten minder geneigd zijn om dezelfde hoeveelheid olie boven te halen. Daardoor zou het aanbod dalen, en de prijs opnieuw stijgen. Daarenboven zouden de ene effecten een invloed kunnen hebben op de andere.

De auteurs besluiten:

“In sum, rebound effects are small and are therefore no excuse for inaction. People may drive fuel-efficient cars more and they may buy other goods, but on balance more-efficient cars will save energy."

Deze bijdrage is de eerste in een reeks over energie-efficiëntie.



Share/Bookmark

dinsdag 22 januari 2013

Vragen bij de afschaffing van de federale steunregeling voor groenestroomcertificaten

In het Belgisch Staatsblad van 16 januari verscheen het koninklijk besluit van 21 december 2012 waarin de minimumprijs die Elia moet betalen voor groenestroomcertificaten voor elektriciteit opgewekt uit grondig gewijzigd wordt. Het koninklijk besluit wijzigt het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen.

Wettelijke basis

Artikel 7, § 1, van de Elektriciteitswet machtigt de Koning om bij een besluit, vastgesteld in de ministerraad en op voorstel van de CREG, Elia te verplichten “om groenestroomcertificaten afgeleverd door de federale en gewestelijke overheden aan te kopen tegen een minimumprijs en te verkopen, teneinde de afzet op de markt te verzekeren, tegen een minimumprijs, van een minimumvolume elektriciteit geproduceerd met aanwending van hernieuwbare energiebronnen”. Van die mogelijkheid heeft de Koning gebruik gemaakt met het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen.

Artikel 14 van dit besluit bepaalt dat de netbeheerder verplicht is, in het kader van zijn taak van openbare dienstverlening, om van de groenestroomproducent die daarom verzoekt, de groenestroomcertificaten aan te kopen (of zij nu van federale of gewestelijke oorsprong zijn), tegen de volgende minimumprijzen, functie van de gebruikte technologie:

  • Off-shore windenergie: 107 euro (eerste 216 MW van een installatie) of 90 euro (daarboven)
  • On-shore windenergie: 50 euro
  • Waterkracht: 50 euro
  • Zonne-energie: 150 euro
  • Andere (waaronder biomassa): 20 euro
De aankoopverplichting geldt voor een periode van tien jaar vanaf de inwerkingstelling van de installatie, behalve voor off-shore windenergie, waar de periode twintig jaar is. Voor off-shore windenergie moet de netbeheerder met de domeinconcessiehouder een overeenkomst sluiten over die aankoopregeling. Die overeenkomst moet voorgelegd worden aan de CREG. Voor de andere productietechnologieën is er geen bepaling over de mogelijkheid om zulke overeenkomst af te sluiten. Niets lijkt de netbeheerder te beletten om uit eigen beweging een dergelijke overeenkomst met een producent van andere dan offshore windenergie af te sluiten. In een aantal gevallen zullen externe financiers dit als een vereiste voor de financiering opleggen.

Nergens blijkt op welke basis de Koning de bedragen van de minimumprijs berekend of vastgesteld heeft. Zelfs tien jaar na datum konden, voor wat betreft offshore wind, “zowel de Minister van Klimaat en Energie als de exploitanten van de offshore parken hierop niet antwoorden”.

Bevoegdheidsproblemen aan de oorzaak van de nieuwe regeling

Het behoud van de federale steunregeling wordt vanuit bevoegdheidsrechtelijk perspectief in vraag gesteld.

In een niet-gepubliceerde studie van 15 april 2010, waarnaar de CREG verwijst in haar Studie van 20 mei 2010 komt de CREG tot onder meer de volgende conclusie: “In de mate dat het Koninklijk Besluit van 16 juli 2002 een ondersteuningsmechanisme voorschrijft waarbij de Elia verplicht wordt om groenestroomcertificaten aan te kopen die afgeleverd worden met toepassing van elektriciteitsdecreten en –ordonnanties, moet dit als strijdig bevonden worden met artikel 6, §1, VII, eerste lid, f), van de [BWHI]. De federale overheid is hiervoor niet bevoegd. Het ondersteuningsmechanisme zoals dit nu op federaal niveau is uitgewerkt in het koninklijk besluit van 16 juli 2002, overschrijdt dus de bevoegdheidsverdeling tussen de federale staat en de Gewesten behalve voor offshore windenergie.”

In zijn advies bij het voorstel van decreet tot wijziging van het Energiedecreet stelde de Raad van State, afdeling wetgeving, dat “de in dat voorstel vervatte regeling inzake groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten ingepast kon worden in de gewestelijke bevoegdheid inzake "de nieuwe energiebronnen met uitzondering van deze die verband houden met de kernenergie", bedoeld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, f), [BWHI]'.” Voor het totstandkomen van het koninklijk besluit van 2002 had de Raad van State, zo blijkt uit het advies bij het koninklijk besluit van 21 december 2012, al gesteld: “[H]et ontwerp verplicht [Elia] ertoe groenestroomcertificaten aan te kopen van de producent die hierom verzoekt tegen een bepaalde minimumprijs. (…) In zoverre artikel 18 betrekking heeft op prijzen en tarieven, kan het rechtsgrond vinden in artikel 7 van de [Elektriciteitswet], gelezen in samenhang met artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 3°, en VII, tweede lid, d), BWHI. Artikel 18 houdt evenwel meer in dan loutere prijs- of tariefmaatregelen, met name in zoverre aan [Elia] de verplichting wordt opgelegd groenestroomcertificaten aan te kopen (...). Die bepalingen kaderen in de gewestelijke bevoegdheid inzake nieuwe energiebronnen en kunnen derhalve geen rechtsgrond vinden in artikel 7, eerste lid, [Elektriciteitswet]. ”

Gevolg van de goedkeuring van het Vlaamse decreet van 13 juli 2012

Op 13 juli 2012 keurde het Vlaams Parlement een grondige wijziging van het Energiedecreet goed. Die wijziging hield onder andere in dat de minimumprijs die de distributienetbeheerders moeten betalen voor de groenestroomcertificaten die de producenten van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen aanbieden. Die wijziging leidde ertoe dat de decretaal bepaalde minimumprijs voor elektriciteit van productie-installaties op basis van zonne-energie minder zou zijn dan de federale minimumprijs die Elia moet aanbieden onder het koninklijk besluit van 16 juli 2002.

Eind juli 2012 liet staatssecretaris Wathelet weten dat hij zou laten bekijken hoe de bestaande federale steunregeling zou kunnen hervormd worden om de discrepantie tussen de Vlaamse en federale minimumprijs weg te werken. Die oefening resulteerde uiteindelijk in het koninklijk besluit van 21 december 2012.

Behoud van de regeling voor offshore activiteiten

Artikel 7 van de Elektriciteitswet bepaalt dat de Koning, op voorstel van de CREG, een systeem voor de toekenning van groenestroomcertificaten kan uitwerken. Dat systeem van groenestroomcertificaten geldt voor de productie van elektriciteit waarvoor een domeinconcessie overeenkomstig artikel 6 van de Elektriciteitswet moet worden toegekend. De Koning kan Elia hierbij verplichten “om groenestroomcertificaten afgeleverd door de federale en gewestelijke overheden aan te kopen tegen een minimumprijs en te verkopen, teneinde de afzet op de markt te verzekeren, tegen een minimumprijs, van een minimumvolume elektriciteit geproduceerd met aanwending van hernieuwbare energiebronnen”. De wet van 8 januari 2012 voegde hier nog aan toe, specifiek voor windenergie, dat de aankoopverplichting van Elia, tegen de door de Koning opgelegde minimumprijs, maar geldt voor de hoeveelheid elektriciteit die rechtstreeks op het transmissienet wordt geïnjecteerd.

Aan de minimumprijs die Elia moet betalen voor de groenestroomcertificaten afkomstig van de offshore windenergie wordt niet geraakt. Die minimumprijs blijft dus 107 euro per certificaat voor de eerste 216 MW en 90 euro voor alle andere certificaten. De steun voor andere vormen van offshore elektriciteitsproductie blijft behouden op 20 euro per groenestroomcertificaat.

Afschaffing van de federale steun voor onshore windenergie, biomassa, waterkracht en alle andere vormen van elektriciteitsproductie (behalve wat zonne-energie betreft)

Behalve voor wat zonne-energie betreft is vanaf 1 augustus 2012 alle federale steun aan binnenlandse elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen afgeschaft.

De retroactiviteit van de afschaffing verantwoordde de regering door te verwijzen naar de inwerkingtreding van het decreet van 13 juli 2012 op 1 augustus 2012, wat “een onmiddellijke stijging van de transmissietarieven tot gevolg [kan] hebben”, terwijl het “in het algemeen belang [is] om zulke stijging van het transmissietarief te vermijden.” Daarnaast wordt de retroactiviteit verantwoord “ter wille van de rechtszekerheid, en aangezien de bevoegdheid van steun aan hernieuwbare energiebronnen ten volle werd uitgeoefend door een federale entiteit, moet de federale Staat noodzakelijk haar koninklijk besluit van 16 juli 2002 in overeenstemming brengen met de [BWHI] en dit uiterlijk op de datum van inwerkingtreding van het Vlaamse decreet van 13 juli 2012 teneinde ieder overlapping tussen de mechanismen te vermijden”.

Het Vlaamse systeem van minimumprijzen bestond nochtans al sinds 2004. De te vermijden 'overlapping' heeft dus meer dan acht jaren geduurd. De regering maakt in haar verslag aan de Koning niet duidelijk waarom zij moest wachten tot een verlaging in 2012 van de Vlaamse minimumprijs onder het niveau van de federale minimumprijs om het koninklijk besluit “ter wille van de rechtszekerheid (…) in overeenstemming te brengen met de BWHI”.

De Raad van State, afdeling wetgeving, die omdat hij bij hoogdringendheid een advies moest geven, enkel kon ingaan op de bevoegdheidsrechtelijke vragen die het ontwerp stelt, had, vanuit dat bevoegdheidsrechtelijke oogpunt, geen probleem met de retro-actieve bepalingen:
“In de mate dat de ontworpen regeling betrekking heeft op groenestroomcertificaten voor zonne-energie en voor andere hernieuwbare energiebronnen dan off-shore installaties die elektriciteit produceren uit wind, water of stromen, zou het afzien van de terugwerkende kracht ten voordele van een inwerkingtreding op een tijdstip in de toekomst evenwel tot gevolg hebben dat een regeling waarvoor de Raad van State destijds heeft besloten tot de onbevoegdheid van de federale overheid, langer zou moeten gelden. Hiertegen rijzen dezelfde bevoegdheidsbezwaren die de Raad van State destijds heeft geformuleerd en die hiervóór in herinnering werden gebracht.”
Wel voegde de Raad er nog fijntjes aan toe:
“Indien zou blijken dat het verlenen van terugwerkende kracht aan de (…) opheffing van de aankoopverplichting voor groenestroomcertificaten voor de genoemde hernieuwbare energiebronnen de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de federale overheid in het gedrang zou brengen, staat het aan de (…) groenestroomproducenten [vrij] om de overheid hierop aan te spreken. Alleszins komt het niet toe aan de Raad van State, afdeling Wetgeving, om hieromtrent een standpunt in te nemen, aangezien zij zich te dezen enkel kan uitspreken over de verenigbaarheid van de ontworpen regeling met de bevoegdheidverdelende regels en met het beginsel van niet-retroactiviteit van rechtsregels.”

Gedeeltelijke behoud van de minimumprijsregeling voor PV installaties 'in gebruik genomen' voor 1 augustus 2012

Sinds 2006 heeft Elia jaarlijks voor ongeveer 160.000 € Vlaamse groenestroomcertificaten aangekocht die hoofdzakelijk afkomstig waren van fotovoltaïsche installaties die vóór 2006 in werking werden genomen. In het Waals Gewest werd minstens één grote installatie die van het federale steunsysteem geniet in gebruik genomen eind 2011. Daarom wenste de regering voor die installaties die in gebruik zijn genomen vóór 1 augustus 2012 de bestaande regeling te behouden.

De regering stelt hierover in haar verslag aan de Koning: “Zulke uitzondering niet voorzien zou enerzijds het beginsel van rechtmatige verwachtingen van de gebruikers en anderzijds hun eigendomsrecht schenden aangezien het een aankoopgarantie aan een gegarandeerde prijs betreft waarop iedere producent recht kan hebben. Het (…) koninklijk besluit [doet dus geen] afbreuk (…) aan de verworven rechten en de rechtmatige verwachtingen van de producenten die zonne-energie in gebruik hebben genomen vóór 1 augustus 2012, en die genoten hebben en nog steeds genieten gedurende een periode van tien jaar vanaf de ingebruikname van een tarief van 150 € /MWh voor de overname van hun groenestroomcertificaten.”

Opvallend is dat het voorontwerp van koninklijk besluit dat ter advies aan de Raad van State, afdeling wetgeving, voorgelegd werd, het behoud van de minimumprijs voor zonne-energie beperkte tot installaties die in gebruik genomen waren voor 1 januari 2006. Dit blijkt uit de door de Raad van State geciteerde aanhef van het ontwerpbesluit: “Gelet op het feit dat voorliggend koninklijk besluit genomen wordt zonder afbreuk te doen aan de verworven rechten van producenten die zonne-energie (…) in gebruik namen voor 1 januari 2006 en die genoten hebben en nog steeds genieten, voor een periode van 10 jaar vanaf de ingebruikname - periode die ten laatste op 31 december 2015 eindigt - van het tarief van 150 € /MWh bij de aankoop van (…) groenestroomcertificaten.”

De gemachtigde ambtenaar verklaarde volgens de Raad van State verder nog dat “de uitzondering voor 2006 geïnspireerd is door het feit dat geen Vlaamse regeling bestaat/bestond voor ondersteuning voor installaties van voor 2006”. Tussen 2002 en 2006 “richtten de pioniers die toen zonnepanelen plaatsten in Vlaanderen zich tot Elia, waar zij volgens het KB van 2002 recht hadden op tien jaar aankoop aan 150 EUR”. Voor die pioniers zou Elia jaarlijks ongeveer 160.000 EUR aan minimumsteun betalen, waar volgens de gemachtigde ambtenaar neerkomt op “een 1050-tal certificaten per jaar, een 200 à 300 kleine producenten dus”. Hierbij zouden geen Waalse producenten zijn omdat “de Waalse regeling al langer bestond, maar was op dat moment voordeliger was dan de federale”.

(Hoe de jaarlijkse kosten voor Elia tussen september 2012 en december 2012 kunnen dalen van 160.000 euro naar 110.000 euro, terwijl het aantal begunstigden uitgebreid wordt met de producenten die tussen 2006 en juli 2012 hun installatie in gebruik genomen hebben, is mij een raadsel. Mais, passons, ...)

Volgens de Raad van State, afdeling wetgeving, kunnen “de 'verworven rechten' – of veeleer legitieme verwachtingen – waaraan wordt gerefereerd, evenwel niet worden ingeroepen als verantwoording voor het handhaven van een regeling waarvoor de federale overheid onbevoegd is”. De Raad vindt daarom dat de minimumsteunregeling moet worden “opgeheven, veeleer dan te worden hernomen in een gewijzigde, in de tijd beperkte versie”. Hij merkte ook op dat “indien zou blijken dat een dergelijke algemene opheffing van de aankoopverplichting voor groenestroomcertificaten voor zonne-energie de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de federale overheid in het gedrang zou brengen, het aan de betrokken categorie van producenten van zonne-energie staat om de overheid hierop aan te spreken”.

Hoogdringendheid van het advies van de afdeling wetgeving – wijzigingen na het advies van de afdeling wetgeving

Het voorontwerp van besluit werd op 13 september 2012 overgemaakt aan de Raad van State, afdeling wetgeving, voor een spoedbehandeling binnen een termijn van vijf werkdagen. Op 18 september 2012 gaf de Raad zijn advies. Pas op 21 december 2012 ondertekende de Koning het koninklijk besluit, dat dan uiteindelijk op 16 januari in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd werd.

Men kan zich de vraag stellen of de Koning wel drie maanden kon wachten na de ontvangst van het advies van de Raad van State om het koninklijk besluit aan te nemen. Daarenboven is het verrassend dat men nadien nog meer dan drie weken wachtte met de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad. Eerder heeft de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, al een koninklijk besluit vernietigd omdat, ook in een geval van spoedeisendheid, de Koning een maand (!) wachtte om het koninklijk besluit aan te nemen en veertien (!) dagen om het daarop te publiceren in het Belgisch Staatsblad (zie RvS 16 september 2009, nr. 196.106, vzw Coördinatie van Brusselse instellingen voor welzijnswerk en gezondheidszorg; en in het algemeen A. WIRTGEN, Middelen en het ambtshalve aanvoeren van middelen in het bijzonder, Brugge, Die Keure, 2004, p. 115).

Daarenboven is de tekst van het voorontwerp van besluit gewijzigd in de uiteindelijke versie van het koninklijk besluit. In het voorontwerp werd de uitzondering voor zonne-energie beperkt tot de installaties die voor 1 januari 2006 in gebruik waren genomen; in de uiteindelijke tekst is die uitzondering aanzienlijk verruimd tot alle installaties die voor 1 augustus 2012 in gebruik zijn genomen.

Nochtans mogen na het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State aan een voorontwerp van koninklijk besluit geen wijzigingen meer worden doorgevoerd zonder opnieuw een advies te vragen aan de Raad van State. De enige uitzondering op die verplichting zijn wijzigingen die een gevolg zijn van het eerste advies van de Raad.

Het niet-naleven van de verplichting tot het inwinnen van een advies van de Raad van State schendt de openbare orde. Die schending kan de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak eventueel zelfs ambtshalve inroepen.

In dit geval conflicteert de schending van de raadplegingsverplichting (en de mogelijke nietigheid van het koninklijk besluit van 21 december 2012) wel met de evidente vaststelling dat de federale minimumsteunregeling bevoegdheidsrechtelijk problematisch was en blijft.

In ieder geval moet het koninklijk besluit nog bij wet worden bekrachtigd voor 31 juli 2013 (twaalf maanden na de inwerkingtreding, artikel 7, § 1, derde lid, Elektriciteitswet). Misschien moet de federale wetgever hier wel dringend werk van maken en even dringend de bekrachtigingswet laten publiceren in het Belgisch Staatsblad.





Share/Bookmark

maandag 21 januari 2013

Welke regulator moet de eindprijzen voor huishoudelijke afnemers vergelijken?

Vorige week publiceerde de CREG een “Overzicht en evolutie van de elektriciteits- en aardgasprijzen voor residentiële klanten en KMO's”. Uit dit overzicht blijkt dat het product Flexonline 1 jaar van Electrabel Customer Solutions op dit ogenblik het meest voordelige tarief zou zijn voor huishoudelijke afnemers (gezin met vier leden, gemiddeld verbruik 3500 kWh per jaar). Dit resultaat verraste, zo meldt De Standaard vandaag, de regionale regulatoren VREG en CwaPE. Het resultaat verschilt immers van de resultaten die een afnemer kan halen uit de gewestelijke prijsvergelijkingsmodules. Een oorzaak zou kunnen zijn, zo meent de gedelegeerd bestuurder van de VREG, dat de CREG enkel de commodity-prijs vergelijkt, terwijl de regionale regulatoren de volledige prijs (met inbegrip van nettarieven, toeslagen en heffingen) vergelijken.

De regionale regulatoren publiceren al jarenlang prijsvergelijkingen en hebben de afgelopen jaren ook een performante prijsvergelijkingsmodule uitgebouwd en op hun website gepubliceerd. De CREG heeft zich nooit echt ingelaten met periodieke prijsvergelijkingen. Op de website van de CREG staat trouwens enkel een doorverwijzing naar de verschillend prijsvergelijkingsmodules (van de VREG en de CWaPE, maar bijvoorbeeld ook van Test Aankoop en Aanbieders.be).

Waarom de CREG zich nu plots ook op de prijsvergelijkingen voor huishoudelijke eindafnemers stort, is niet duidelijk.

In de Elektriciteitswet heeft de wetgever aan de CREG bepaalde opdrachten op het vlak van de eindprijzen gegeven.

De CREG geeft een advies aan de minister voor economie met het oog op het opstellen van maximumprijzen voor eindafnemers (artikel 20, § 2, Elektriciteitswet). Zij moet een gegevensbank opstellen om de variabele energieprijzen op te volgen (artikel 20bis, § 1, Elektriciteitswet). Zij moet ook nagaan of de aanpassing van die variabele elektriciteitsprijzen, die de leveranciers vier keer per jaar kunnen doorvoeren, in overeenstemming is met de parameters die hiertoe opgesteld zijn (artikel 20bis, § 3, Elektriciteitswet). In het algemeen moet de federale regulator toezien op de naleving van de indexeringsparameters door de leveranciers. Hij moet ook beoordelen of andere stijgingen van de variabele elektriciteitsprijzen, die een gevolg zijn van andere omstandigheden dan de indexering, aanvaardbaar zijn (artikel 20bis, § 5, Elektriciteitswet). De CREG beoordeelt ook of de leveranciers de kostprijs van de groenestroomcertificaten op de wettelijk voorziene manier hebben doorgerekend (artikel 20quater Elektriciteitswet).

Op basis van artikel 23, § 2, Elektriciteitswet moet de CREG verder ook “de objectief verantwoorde verhouding beoordelen tussen de prijzen en de kosten van een bedrijf”, “erop toezien dat de tarifering voor de levering van elektriciteit gericht is op het algemeen belang en zich in het globale energiebeleid integreert en, in voorkomend geval, de maximumprijzen controleren die toepasselijk zijn op eindafnemers” en “er op toezien dat de met name technische en tarifaire toestand van de elektriciteitssector alsook de evolutie van deze sector het algemeen belang beogen en kaderen in het algemene energiebeleid”, waarbij de Commissie “de permanente monitoring van de elektriciteitsmarkt [verzekert], zowel op het vlak van de marktwerking als op het vlak van de prijzen”. Voor die monitoringactiviteit zouden de nadere regels uitgewerkt worden in een koninklijk besluit, op voorstel van de CREG. Tot op heden lijkt zulk koninklijk besluit nog niet aangenomen. Toch heeft de CREG al een groot aantal monitoringactiviteiten uitgevoerd (zie http://www.creg.be/nl/monitoringe.html en http://www.creg.be/nl/monitoringg.html).

Op het vlak van de eindprijzen voor energieverbruikers heeft de VREG een duidelijk toegewezen taak van opvolging van de elektriciteits- en gasprijzen van huishoudelijke afnemers (artikel 3.1.3, 1°, c), Energiedecreet). Zij moet ook “de afnemers van elektriciteit en aardgas [informeren] over de prijzen en voorwaarden die de leveranciers hanteren, met inbegrip van het aanbieden of laten aanbieden van een objectieve vergelijking van die prijzen en voorwaarden” (artikel 3.1.3, 4°, b), Energiedecreet). Het Waalse Energiedecreet legt de Waalse energieregulator CWaPE geen vergelijkbare specifieke verplichtingen op. Ook in de Brusselse wetgeving vindt men geen zo duidelijke opdracht aan Brugel als in Vlaanderen aan de VREG gegeven is.

Bevoegdheidsrechtelijk is moeilijk uit te maken of de monitoring van de geliberaliseerde eindprijzen voor de levering van elektriciteit en aardgas aan huishoudelijke afnemers (en de publicatie van die monitoring) een federale dan wel een gewestelijke bevoegdheid is. Uit artikel 6, § 1, VII, van de BWHI blijkt, enerzijds, dat de gewesten bevoegd zijn voor alle aspecten van de levering van elektriciteit via distributienetten. Dit zou dan de gewestelijke bevoegdheidsbasis kunnen zijn voor die prijsmonitoring en -vergelijking. Anderzijds blijft de federale overheid bevoegd voor het prijsbeleid in het algemeen (artikel 6, § 1, VI, BWHI) en 'de tarieven' voor elektriciteit en aardgas in het bijzonder (artikel 6, § 1, VII, BWHI). Wat onder die 'tarieven' begrepen moet worden is niet geheel duidelijk. In zijn arrest van 12 juli 2012 haalt het Grondwettelijk Hof de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 (die de BWHI wijzigde), waarin gesteld werd dat onder tarieven dienen te worden begrepen zowel de tarieven voor levering aan de gewone consument als die voor industriële levering van gas en elektriciteit, aan om evident te besluiten dat “de tarieven die door de distributienetbeheerders aan de producenten van elektriciteit kunnen worden aangerekend, tot de bevoegdheid van de federale overheid [behoren]” (zie GwH 12 juli 2012, nr. 2012/89).

Het lijkt aangewezen om bij de volgende staatshervorming meer duidelijkheid te verschaffen over de bevoegdheden over de eindprijzen van de huishoudelijke afnemers. Als ervoor geopteerd wordt om gewestelijke regulatoren bevoegd te maken voor de tarieven van de distributienetbeheerders, lijkt het ook evident om die regulatoren exclusief bevoegd te maken voor het toezicht op de volledige prijs die een afnemer, aangesloten op het distributienet, betaalt voor zijn of haar elektriciteit of aardgas. Als hij dan consequent is, zal de federale wetgever in de Elektriciteits- en Gaswetten moeten inschrijven dat de CREG, hoe algemeen men zijn taken ook omschrijft, enkel maar bevoegd is in de mate dat de federale overheid bevoegd zou zijn.

In ieder geval is het niet houdbaar om verschillende regulatoren bevoegd te laten over dezelfde problematiek. Die bevoegdheidsrechtelijke onduidelijkheid en de ambiguïteit van de resultaten en berichtgeving daarover helpen de consument niet verder.


Share/Bookmark

zondag 20 januari 2013

Indexeringsparameters voor variabele elektriciteits- en aardgasprijzen

In het Belgisch Staatsblad van 15 januari 2013 verschenen koninklijke besluiten met de toegelaten indexeringsparameters die een leverancier van elektriciteit of aardgas toelaten om de variabele contracten vier keer per jaar te indexeren.

Voor aardgas geldt:
1° De indexeringsparameters veranderen alleen in functie van de evolutie van de werkelijke bevoorradingskosten (dus niet personeelskosten, afschrijvingen of exploitatiekosten) van de leverancier;
2° Uit de omschrijving van de parameters ('hun naam') moet duidelijk zijn op basis van welke elementen deze parameters zijn berekend;
3° De parameters worden uitsluitend berekend op basis van beursnoteringen van de Centraal West-Europese gasmarkt;
4° Als de leverancier aan de CREG kan aantonen dat zijn werkelijke bevoorrading bestaat uit gas waarvan de indexatie tenminste gedeeltelijk gebeurt op basis van de aardolie-index, bepaalt de indexeringsformule een maximaal percentage dat vermenigvuldigd wordt met de beursnoteringen op de Europese aardoliemarkt. Dit maximaal percentage bedraagt 50 % voor het jaar 2013, 35 % voor het jaar 2014 en 0 % vanaf het jaar 2015. De leverancier moet het deel van de variabele gasprijs dat nog olie-geïndexeerd is duidelijk en afzonderlijk aangeven op de contractoffertes en op de jaarlijkse factuur en/of de regularisatiefactuur;
5° De parameters moeten zich baseren op transparante, objectieve en door de CREG controleerbare gegevens of noteringen, die worden gepubliceerd door beurzen of erkende noteringsorganismen.

Voor elektriciteit geldt:
1° De parameters mogen alleen veranderen in functie van de evolutie van de werkelijke bevoorradingskosten van de leverancier. De leverancier kan dus niet de evolutie van de personeelskosten, de afschrijvingen of de exploitatiekosten meerekenen;
2° Uit de omschrijving van de parameters ('hun naam') moet duidelijk zijn op basis van welke elementen deze parameters zijn berekend;
3° De parameters worden uitsluitend berekend op basis van beursnoteringen van de Centraal West-Europese elektriciteitsmarkt;
4° De parameters moeten zich baseren op transparante, objectieve en door de CREG controleerbare gegevens of noteringen, die worden gepubliceerd door beurzen of erkende noteringsorganismen.


Zie:
- Koninklijk besluit van 21 december 2012 ter bepaling van de exhaustieve lijst van toegelaten criteria voor de indexering van de gasprijzen door de leveranciers
- Koninklijk besluit van 21 december 2012 ter bepaling van de exhaustieve lijst van toegelaten criteria voor de indexering van de elektriciteitsprijzen door de leveranciers

Onze eerdere berichten over prijsregulering:
Europese Commissie niet warm voor prijsbevriezing
Tariefbevriezing in gespuide regulatoire mist
Nieuwe versie prijsregulering: overzicht en sancties
Prijsregulering (bis): het vergeten artikel 23ter elektriciteitswet en 15/14ter gaswet
Prijsregulering voor elektriciteits- en gasleveringen slechts onder strikte voorwaarden



Share/Bookmark

vrijdag 16 november 2012

Europese Commissie niet warm voor prijsbevriezing

Op 15 november stelde de Europese Commissie de mededeling "Making the internal energy market work" voor. In de mededeling maakt de Commissie enerzijds een stand van zaken op van de interne markt voor gas en elektriciteit en lijst ze anderzijds pijnpunten op die een diligente marktwerking in de weg staan. De mededeling gaat vergezeld van de landenrapporten die de situatie van elke lidstaat bespreken.

Voor België stelt de Europese Commissie vast dat de concentratie op de productiemarkt een reden tot bezorgdheid is nu nog steeds 70% van alle capaciteit in handen is van de incumbent. Wat betreft de retailmarkt oordeelt de Commissie dat de mededinging relatief zwak is, maar dat het switchgedrag (voor  elektriciteit bepaald op 10% en voor gas op 11,2%) toeneemt. Ze wijst er echter op dat maatregelen zoals een prijsbevriezing, die nieuwkomers op de markt disproportioneel treffen, zo snel mogelijk moeten teruggedraaid worden, omdat ze de een negatieve impact hebben op mededinging en op investeringen.

Een meerderheid van de Europese lidstaten kent een of andere vorm van prijsregulering. De Commissie is van mening dat prijsregulering voor alle consumenten (huishoudens en KMO's) moet stoppen. Dit betekent echter niet dat kwetsbare afnemers niet beschermd zouden moet worden. De Commissie is van mening dat deze meer gebaat zijn met begeleiding omtrent energiebesparing dan met louter financiële maatregelen.

In België geldt een prijsbevriezing voor variabele energiecontracten van huishoudelijke klanten en KMO's. De prijsbevriezing bestaat uit een verbod om variabele tariefformules te indexeren gedurende 9 maanden. De wet van 8 januari 2012 houdende wijziging van de elektriciteits- en de gaswet bepaalt hierover dat vanaf 1 april 2012 tot en met uiterlijk 31 december 2012 de opwaartse indexering van de variabele energieprijs voor de levering van elektriciteit en van aardgas, verboden is, in zoverre deze de initiële grens overschrijdt die is vastgesteld op basis van de indexeringsparameters van de leveranciers op 1 april 2012 en in zoverre de CREG de indexeringsparameters voor een contracttype met variabele energieprijs niet heeft gevalideerd.

Over de prijsbevriezing heeft de staatssecretaris bevoegd voor energie op 6 november nog in de Commissie Bedrijfsleven van het Federaal Parlement gezegd:

Prijsbevriezing is een heel tijdelijke en doelgerichte maatregel die ons toelaat de hervorming van de variabele parameters te realiseren.

Ook de minister bevoegd voor economie had op 14 februari daarover hetzelfde gezegd in de Commissie Bedrijfsleven:

U weet dat onze wetgeving een dergelijke indexering sowieso kritisch bekijkt. We willen dat dus voorlopig stopzetten. Die indexeringen zijn de voorbije twee jaar te sterk geweest. We moeten ervoor zorgen dat we binnen negen maanden beschikken over een nieuwe indexeringsformule.
We moeten eerlijk zijn, voor die nieuwe indexeringsformule vraagt de CREG negen maanden. We zullen die dan goedkeuren. Het is logisch dat er in de wetgeving daarvoor eventueel wat richtlijnen worden opgenomen.

De uiteindelijke bedoeling van de regering lijkt dan ook vooral de omkadering van de variabele energieprijzen te zijn. Op grond van de elektriciteits- en gaswet legt de Koning, na voorstel van de CREG, een exhaustieve lijst vast van toegelaten criteria vast met het oog op de uitwerking door elkeen van de leveranciers van de indexeringsparameters opdat deze beantwoorden aan transparante, objectieve en niet-discriminataire criteria en de werkelijke bevooradingskosten vertegenwoordigen.

De CREG publiceerde haar voorstellen voor gas en elektriciteit op 1 augustus 2012 op haar website, samen met haar ontwerpvoorstellen voorgesteld ter consultatie, de ontvangen antwoorden en de consultatieverslagen gas en elektriciteit. Op grond van deze voorstellen zullen alvast de variabele energieformules heel eenduidig worden in de markt: indexeringsparameters mogen enkel fluctueren op basis van werkelijke bevoorradingskosten (niet personeelskosten, afschrijvingen, exploitatiekosten) en ze mogen enkel berekend worden op basis van beursnoteringen met betrekking tot de Europese gas- of elektriciteitsmarkt.

Ondertussen is het voorstel van de CREG nog steeds niet vastgelegd in een besluit overlegd in de ministerraad. De vraag kan gesteld worden welke de beleidsruimte is van de Koning ten aanzien van een voorstel van de CREG.  De elektriciteits- en gaswet hanteren twee verschillende mogelijkheden terzake: de Koning die handelt "na advies" van de CREG of de Koning die handelt "op voorstel" van de CREG. De CREG is steeds van mening geweest dat er onderscheid moet gemaakt worden tussen beiden. Zo schreef de CREG in haar advies met betrekking tot een ontwerp van koninklijk besluit tot wijzing van het koninklijk besluit van 20 december 2000 met betrekking tot de domeinconcessies:


De CREG wees er al herhaaldelijk op dat het onderscheid tussen deze adviserende
bevoegdheid en de bevoegdheid om voorstellen te verstrekken meerdere gevolgen heeft. In een procedure “na advies” komt het initiatiefrecht toe aan de persoon die het advies moet inwinnen en neemt deze laatste in alle gevallen een beslissing ongeacht het advies dat hij krijgt. Hij kan het advies ofwel volgen ofwel naast zich neerleggen. Bovendien moet het advies steeds worden uitgebracht, ongeacht de draagwijdte. Indien men hem aanbeveelt om de concessie niet toe te kennen, kan hij er niettemin toch één toekennen. In een procedure “op voorstel” komt het initiatiefrecht daarentegen toe aan de persoon die het voorstel moet doen. De persoon die beslist, kan geen concessie toekennen, zolang men hem niet voorstelt om er een toe te kennen. Een voorstel om een concessie toe te kennen, verplicht hem evenwel niet om deze effectief toe te kennen vermits hij deze kan weigeren.


Ondertussen resten er nog 6 weken tot 1 januari 2013. Op 1 januari 2013 zal artikel 20bis § 2 van de elektriciteitswet en artikel 15/10bis § 2 van de gaswet in werking treden. Dit betekent dat de variabele energieprijzen steeds de eerste dag van een trimester kunnen geïndexeerd worden. De leveranciers moet envervolgens binnen de 5 dagen een overzicht bezorgen aan de CREG van de wijze waarop de variabele energieprijs werd aangepast. De CREG moet dan vaststellen of de indexeringsformule correct werd toegepast en of de formule conform de exhaustieve lijst van toegelaten criteria is. Als de exhaustieve lijst niet is vastgesteld zal de CREG alvast deze beoordeling niet kunnen maken.


Onze eerdere berichten over prijsregulering:
Tariefbevriezing in gespuide regulatoire mist
Nieuwe versie prijsregulering: overzicht en sancties
Prijsregulering (bis): het vergeten artikel 23ter elektriciteitswet en 15/14ter gaswet
Prijsregulering voor elektriciteits- en gasleveringen slechts onder strikte voorwaarden



Share/Bookmark

vrijdag 9 november 2012

Grondwettelijk Hof verplicht minimumsteun ook voor grote installaties

De grote producenten van elektriciteit op basis van hernieuwbare energiebronnen kregen met het arrest nr. 2012/135 van het Grondwettelijk Hof van 30 oktober 2012 een bijkomende subsidiëring in de schoot geworpen. Het Hof besliste dat de minimumsteun die de distributienetbeheerders moeten betalen voor groenestroomcertificaten ook moet betaald worden door de transmissienetbeheerder Elia.

Stora Enso, een internationale papierproducent, bouwde in haar vestiging in Gent in 2003 een biomassainstallatie van 55 MW. In 2010 kwam er een 125 MW WKK-installatie bij. Beide installaties lijken te zijn aangesloten op het transmissienet van Elia.

Als producent van hernieuwbare energie die aangesloten is op het transmissienet van Elia, kan zij voor de groenestroomstroomcertificaten enkel maar de minimumsteun ontvangen zoals die vastgelegd is door de federale overheid (20 euro per certificaat). Op de veel gunstigere steun die de concurrenten op het distributienet kunnen krijgen (80 euro per groenestroomcertificaat), heeft Stora Enso geen recht.

Wanneer het Vlaams Parlement de ganse steunregeling voor hernieuwbare energiebronnen herzag met het decreet van 6 mei 2011, zag Stora Enso een kans om de ongelijke behandeling voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof. Met de nieuwe regeling werd de minimumprijs voor groenestroomcertificaten voor elektriciteit geproduceerd op basis van biomassa opgetrokken tot 90 euro per certificaat. De termijn om de vernietiging van de steunregeling te vragen was volgens Stora Enso nog niet verstreken (ook al bestond die regeling al sinds 2004), omdat de decreetgever in 2011 “zijn wil heeft getoond om opnieuw te legifereren”. Het Grondwettelijk Hof aanvaardde die stelling.

Het middel waarop Stora Enso haar vernietigingsberoep baseerde was eenvoudig en direct: door voor de groenestroomcertificaten die toegekend werden aan elektriciteit opgewekt in installaties die aangesloten waren op het transmissienet niet in een minimumsteunregeling te voorzien, schendt het Energiedecreet het gelijkheidsbeginsel, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

De Vlaamse overheid verweerde zich niet door te verwijzen naar de bestaande federale steunregeling. Die federale regeling bestond al voor de Vlaamse. Artikel 7, § 1, van de Elektriciteitswet machtigt de Koning om Elia te verplichten “groenestroomcertificaten afgeleverd door de federale en gewestelijke overheden aan te kopen tegen een minimumprijs”. Van die mogelijkheid heeft de Koning gebruik gemaakt met het koninklijk besluit van 16 juli 2002.

Zulk verweer zou in ieder geval weinig overtuigend geweest zijn. Enerzijds zou de Vlaamse overheid daarmee aanvaarden dat een belangrijk onderdeel van haar bevoegdheid over hernieuwbare energie ook federaal geregeld kan worden. Het behoud van de federale steunregeling werd trouwens eerder al vanuit bevoegdheidsrechtelijk perspectief in vraag gesteld. In een niet-gepubliceerde studie van 15 april 2010 , waarnaar de CREG verwijst in haar Studie van 20 mei 2010 komt de CREG tot onder meer de volgende conclusie:

“In de mate dat het Koninklijk Besluit van 16 juli 2002 een ondersteuningsmechanisme voorschrijft waarbij Elia verplicht wordt om groenestroomcertificaten aan te kopen die afgeleverd worden met toepassing van elektriciteitsdecreten en –ordonnanties, moet dit als strijdig bevonden worden met artikel 6, §1, VII, eerste lid, f), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De federale overheid is hiervoor niet bevoegd. Het ondersteuningsmechanisme zoals dit nu op federaal niveau is uitgewerkt in het koninklijk besluit van 16 juli 2002, overschrijdt dus de bevoegdheidsverdeling tussen de federale staat en de Gewesten behalve voor offshore windenergie.”
Daarnaast is de Vlaamse steunregeling er gekomen omdat het Vlaams Parlement vond dat de federale regeling niet voldeed “omdat een koninklijk besluit onvoldoende rechtszekerheid biedt als opbrengstgarantie”. Een decretale verankering zou die zekerheid wel bieden.

Het Vlaams Parlement verwees wel naar de ‘cascadering’ van de tarieven om de verschillende behandeling te verantwoorden:
“Volgens de Vlaamse Regering is de aansluiting op het distributienet dan wel op het transmissienet niet zonder gevolgen. Gelet op de cascade van de tarieven en de omstandigheid dat ook de transmissiekosten worden verrekend in de kosten voor het gebruik van het distributienet, dragen de klanten op het laagspanningsnet ongeveer 80 pct. van de kosten, terwijl de gebruikers van het transmissienet veel minder bijdragen. Om die reden zou het niet kennelijk onredelijk zijn dat de decreetgever ten aanzien van de exploitanten aangesloten op het transmissienet niet heeft voorzien in een regeling inzake de minimumwaarde van de groenestroomcertificaten en de warmtekrachtcertificaten. De minimumsteun is immers gebaseerd op de zogenaamde « onrendabele top », zijnde het steunniveau dat, rekening houdend met de andere premies en tegemoetkomingen, nodig is om de potentiële investeerder in hernieuwbare energie een redelijk rendement te bieden. De te betalen tarieven zouden een invloed hebben op de onrendabele top. Bovendien zou de verplichting voor de transmissienetbeheerder om certificaten aan te kopen, gelet op het cascadesysteem ook tot bijkomende kosten leiden voor de distributienetbeheerders. Finaal zouden die kosten worden doorgerekend aan de eindgebruiker. Tot slot zijn het vooral de industriële groenestroomproducenten die voldoende groot zijn om rechtstreeks op het transmissienet te worden aangesloten, zodat de verplichting voor de transmissienetbeheerder om hun certificaten over te nemen, een grote impact zou hebben op de transmissie- en distributietarieven.”
Het Grondwettelijk Hof was niet overtuigd:
“B.5.2. Hoewel dat systeem, in de mate waarin het een rol speelt, kan rechtvaardigen dat de minimumsteun voor hernieuwbare energie geïnjecteerd in het transmissienet lager ligt dan de minimumsteun voor hernieuwbare energie geïnjecteerd in het distributienet, kan het niet rechtvaardigen dat voor de hernieuwbare energie geïnjecteerd in het transmissienet geen enkel recht op minimumsteun bestaat.”
Het Hof vernietigde de bepalingen van het Energiedecreet die de minimumsteun regelen, in zoverre de daarin opgenomen verplichtingen niet van overeenkomstige toepassing zijn op de transmissienetbeheerder:
“B.4.4. Installaties die zijn aangesloten op het distributienet, verschillen in wezen nochtans niet van installaties die zijn aangesloten op het transmissienet. Beide installaties zijn immers gelegen in het Vlaamse Gewest, produceren hernieuwbare energie op grond van dezelfde technologieën en wekken bijgevolg energie op die even duurzaam is.”
Het Hof besliste wel om de gevolgen van de vernietiging te handhaven. De decreetgever moet een nieuwe inclusieve regeling uitwerken uiterlijk op 1 juli 2013.

De decreetgever had al een nieuwe regeling uitgewerkt met het decreet van 13 juli 2012. Een nieuwe § 2/1 van artikel 7.1.6 bepaalt:
“De [transmissie]netbeheerder (…), kent voor installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 en die aangesloten zijn op het transmissienet, een minimumsteun toe van 93 euro per overgedragen groenestroomcertificaat dat werd toegekend ter uitvoering van artikel 7.1.1, § 2. (…)”
Het spreekt voor zich dat ook die nieuwe bepaling een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt. Er valt, op basis van het arrest van het Grondwettelijk Hof, niet in te zien waarom de minimumsteun voor installaties aangesloten op het transmissienet enkel zou gelden voor de installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013.






Share/Bookmark

woensdag 25 juli 2012

De Raad van State als hypotheek op de energiebevoorrading

Voor de aanleg van een aardgastransportpijpleiding moet Fluxys telkens, naast een stedenbouwkundige vergunning en, desgevallend, een milieuvergunning, ook een vervoersvergunning aanvragen. Wil Fluxys bij de aanleg van een bijkomend deel van haar vervoersnet gebruik kunnen maken van (open en onbebouwde) private eigendommen, dan moet ze bijkomend bij koninklijk besluit een verklaring van openbaar nut verkrijgen. Die verklaring van openbaar nut is de wettelijke titel voor de ingebruikname van private eigendommen, en bijgevolg voor het gedogen door de eigenaar van de eigendomsbeperking.

De geplande investeringen voor nieuwe vervoersinstallaties zijn opgenomen in een investeringsplan voor de volgende tien jaar, dat elk jaar opgemaakt en geactualiseerd wordt (artikel 15/1, § 5, Gaswet). Dit investeringsplan moet Fluxys overmaken aan de Algemene Directie Energie van de FOD Economie. De CREG ziet toe op dit investeringsplan (artikel 15/14, § 2, 14°, Gaswet). De investeringen worden normaal gezien mee in rekening genomen bij de goedkeuring door de CREG van de vervoerstarieven die Fluxys mag aanrekenen. Alleen “de kosten verbonden aan investeringsprojecten die onvoldoende verantwoord kunnen worden of waarvan aan de realisatie geen goedkeuring door een bevoegde overheid voorafging, zullen [door de CREG] in principe als onnodig beschouwd worden (zie de bijlage bij het Voorlopig Tariefmethodologiebesluit van de CREG van 24 november 2011). De kans lijkt bijgevolg miniem dat Fluxys, genoteerd op de Brusselse beurs, investeringen zal doen waarvan de kosten later niet kunnen doorgerekend worden in de gereguleerde tarieven.

Nu de federale regering volop lijkt in te zetten op snel inzetbare gasgestookte elektriciteitscentrales, is de uitbouw van het aardgasvervoersnet naar die centrales primordiaal. Zonder voldoende toevoer van aardgas kan een aardgasgestookte elektriciteitscentrale geen elektriciteit produceren. Behalve in uiterst uitzonderlijke omstandigheden zal een exploitant van een elektriciteitscentrale er ook steeds voor zorgen dat die elektriciteitscentrale aangesloten is op het transmissie- of distributienet voor elektriciteit. Hierdoor kan die exploitant de opgewekte elektriciteit, die niet ter plaatse zou verbruikt worden, injecteren in het elektriciteitsnet. Door de actieve rol die Elia moet spelen in de balancering van dat elektriciteitsnet kan het zelfs zijn dat een producent verplicht wordt om, op basis van zijn verplichtingen onder de CIPU-overeenkomst, elektriciteit te injecteren op dat net. Elke elektriciteitscentrale die aangesloten is op het net heeft daarom ook een functie in de uitvoering van de taken van algemeen belang die de transmissienetbeheerder Elia waarneemt.

De bouw van een grote productie-installatie voor elektriciteit is overigens afhankelijk van het voorafgaand verkrijgen van een productievergunning. De criteria voor de toekenning van de productievergunning, zoals opgenomen in het koninklijk besluit van 11 oktober 2000, maken duidelijk dat de federale regelgever de inpassing van de geplande installatie in het transmissienet en in de globale energievoorziening van het land zeer belangrijk acht. Hieruit volgt dat een productie-installatie die enkel en alleen zou gebouwd of geëxploiteerd worden voor de enkele belangen van de directe afnemer of de eigenaar en waarbij geen enkele rekening wordt gehouden met de voorzieningszekerheid, de duurzaamheid en de inpasbaarheid van die centrale op het net zeer weinig kans maakt op het verkrijgen of het behoud van een productie-vergunning.

Niet alleen in die zin getuigen de arresten van de Raad van State van 12 januari 2012 en van 13 april 2012 van een beangstigende wereldvreemdheid en een totaal onaangepast want overdreven belang dat gehecht wordt aan het motiveringsbeginsel, dat in deze arresten, in tegenstelling tot de draagwijdte van dit beginsel, herleid wordt tot een vormelijke en niet langer inhoudelijke motiveringsverplichting.

De nv Marcinelle Energie, een joint venture tussen de energieonderneming Enel en de staalgroep Duferco, werd opgericht met het oog op de bouw en de exploitatie van een gasgestookte elektriciteitscentrale op de site van Carsid (Duferco) in Marcinelle. De geproduceerde elektriciteit zou deels ter plaatse verbruikt worden, deels in de andere vestigingen van Duferco in België en deels geïnjecteerd worden in het transmissienet.

Marcinelle Energie verkreeg bij ministerieel besluit van 16 mei 2007 een productievergunning. Op 28 september 2007 verkreeg ze een 'permis unique' van de Waalse regering voor de bouw en de exploitatie van STEG-centrale van 720 MW en een WKK-centrale van 180 MW. In die vergunning wordt expliciet gesteld dat een deel van de elektriciteitsproductie bestemd is voor het verbruik op de site van Duferco en dat een deel (geraamd op 50%) zal geïnjecteerd worden in het net.

Naar de site van Marcinelle Energie was de aardgastoevoer via het bestaande vervoersnet onvoldoende. Fluxys wou daarom een bijkomende aardgaspijpleiding aanleggen. De bouw van die bijkomende pijpleiding was opgenomen in haar investeringsplan. Fluxys verkreeg voor de bouw van de pijpleiding een vervoersvergunning.

Voor de aanleg van de leiding moest Fluxys ook gebruik maken van private eigendommen. Zij dient daartoe een aanvraag in voor het verkrijgen van een verklaring van openbaar nut (op basis van artikel 10 van de Gaswet) en voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van de nieuwe pijpleiding tussen Péronnes (Binche) en Marchienne-au-Pont.

Verschillende bezwaren worden tegen deze twee aanvragen ingediend.

Uiteindelijk verkrijgt Fluxys op 15 januari 2010 bij koninklijk besluit de gevraagde verklaring van openbaar nut en bij ministerieel besluit de transportvergunning. In het koninklijk besluit wordt de verlening van de verklaring van openbaar nut als volgt gemotiveerd:

“Considérant qu'en sa qualité de gestionnaire (...) du réseau de transport (...), (...) Fluxys est investie d'une mission légale, en termes d'exploitation, d'entretien et de développement dudit réseau, en ce compris les interconnexions avec d'autres réseaux de transport, le transit, les connexions et les raccordements de nouveaux clients au réseau de transport;
Considérant que les installations de transport en projet sont à situer dans ce contexte étant donné qu'elles sont destinées à assurer l'approvisionnement en gaz naturel d'un nouveau client industriel;
Considérant que les installations de transport en projet sont jugées nécessaires en vue d'atteindre la finalité d'utilité publique dont question ci-avant, dès lors qu'elles sont destinées à alimenter en gaz naturel la nouvelle centrale électrique Marcinelle Énergie à Charleroi»;”
Op 5 juli 2010 verleende de Waalse regering de stedenbouwkundige vergunning op basis van artikel 274bis, 1°, d) CWATUPE. Artikel 274bis, 1°, d) CWATUPE bepaalt dat de Waalse regering bevoegd is om een stedenbouwkundige vergunning af te leveren voor “les actes et travaux concernant l’installation ou la modification: (...) d) de canalisations destinées au transport ou à la distribution de corps solides, liquides ou gazeux”. De Waalse regering motiveerde haar bevoegdheid als volgt:
“que cette centrale est destinée à la production d'énergie électrique à l'usage de l'ensemble de la collectivité; que la présente demande consiste dès lors en des travaux d'utilité publique en ce qu'ils sont strictement nécessaires à la mise en service de la centrale électrique”
Zowel tegen het afleveren van de verklaring van openbaar nut als van de stedenbouwkundige vergunning zijn er beroepen tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State.

In zijn arrest van 12 januari 2012 oordeelde de XVde kamer van de Raad dat uit de motivering van het koninklijk besluit van 15 januari 2010 niet kon afgeleid worden waarom de levering van aardgas aan Marcinelle Energie van algemeen belang zou zijn (“par contre elle ne permet en rien de comprendre en quoi le fait de fournir du gaz à la centrale de la société Marcinelle Énergie relèverait de l'intérêt général”).

Fluxys had ingeroepen dat het karakter van algemeen belang van haar pijpleidingen en transportnet te vinden was in de artikelen 1 en 2 van de Gaswet en niet in artikel 10. Dit artikel zou enkel slaan op de specifieke omstandigheden van het gebruik van open en onbebouwde eigendommen door Fluxys.

Volgens de Raad van State blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 12 april 1965 (in 1964!) dat enkel het vervoer van aardgas naar distributienetten van algemeen belang zou zijn. Alle andere transportactiviteiten zouden dat niet zijn. De Raad is ook niet overtuigd van het argument dat artikel 10 enkel betrekking heeft op de specifieke omstandigheden van open en onbebouwde gronden. Volgens hem heeft de verklaring van openbaar nut een algemenere draagwijdte de niet enkel kan gemotiveerd worden door het feit dat de gronden die gebruikt zullen worden open en onbebouwd zijn. De Koning had de verklaring van openbaar nut dan ook afdoende materieel moeten motiveren, wat hij niet gedaan heeft.

In de procedure over de stedenbouwkundige vergunning stelden de de verzoekende partijen, onder verwijzing naar de Bema-arresten van de Raad van State dat de bevoegdheid bepaald in artikel 127 restrictief moet geïnterpreteerd worden en dat de motivering van de Waalse regering om zich op deze bevoegdheid te baseren meer moet zijn dan de vage algemeenheid zoals die uit de verleende stedenbouwkundige vergunning blijkt opdat aangetoond kan worden dat er sprake is van het 'algemeen belang'.

Fluxys, die vrijwillig tussenkomende partij was, verwees naar de wettelijke taken die haar opgelegd waren door de Gaswet. In tegenstelling tot de situatie van de Bema-arresten beschikt zij wel over een wettelijke opdracht van openbaar nut, dient de beoogde pijpleiding wel degelijk het algemeen belang, zou het aardgas geleverd worden een aan elektriciteitsproductie-installatie en was er geen sprake van een vermenging van de belangen tussen de aanvrager (Fluxys) en de aangeslotene van de leiding (Marcinelle Energie).

De XIIIde Kamer van de Raad van State volgt niettemin het bezwaar van de verzoekende partijen. Volgens de Raad volstaat het niet dat een vergunningverlenende overheid zich baseert op de wettelijk omschreven bevoegdheid om die bevoegdheid te motiveren:
“Considérant que le seul fait que les travaux autorisés par le permis d'urbanisme attaqué soient repris à la liste de l'article 274bis précité, ne signifie pas qu'ils revêtent d'office un caractère d'utilité publique; qu'il appartient encore à l'autorité de vérifier si, concrètement et en l'espèce, les actes pour lesquels un permis est sollicité peuvent être reconnus comme ayant ce caractère;”
Volgens de Raad blijkt nergens uit waarom het leveren van aardgas aan de elektriciteitscentrale van Marcinelle Energie van algemeen belang zou zijn. Hij verwijst hiervoor naar zijn arrest van 12 januari 2012. Uit het arrest van 13 april 2012 blijkt evenwel dat Fluxys en Marcinelle Energie het absoluut niet eens waren over de volgende passage in het arrest van 12 januari 2012:
“Considérant qu'en l'espèce, il ressort du dossier, notamment de la note justificative jointe par la société Fluxys à sa demande d'adoption d'un arrêté royal de déclaration d'utilité publique, que la finalité de la pose et de l'installation de la nouvelle canalisation de transport de gaz naturel est d'alimenter une nouvelle centrale électrique exploitée par une société privée, la s.a. Marcinelle Énergie à Charleroi, en vue de répondre, pour partie, à la demande d'un groupe sidérurgique;”
Volgens Fluxys en Marcinelle Energie heeft Fluxys steeds aangegeven dat de geproduceerde elektriciteit minstens voor een belangrijk deel ook bestemd was voor de injectie in het transmissienet. In die zin klopt de parafrasering door de Raad dat de beslissing om elektriciteit te injecteren in het transmissienet enkel en arbitrair afgenomen wordt door Duferco (en dan nog bij veronderstelling alleen op de site van Marcinelle en niet op haar andere vestigingen) dan ook helemaal niet.

Hierover ondervraagd door Fluxys stelt de voorzitter van de XVde Kamer dat
“en tout état de cause, la question de savoir si l'alimentation en gaz naturel de la nouvelle centrale électrique exploitée par la société MARCINELLE ENERGIE avait pour finalité, au moment de l'adoption de l'arrêt royal attaqué du 15 janvier 2010, d'alimenter, au moins pour partie, les activités d'un groupe sidérurgique, reste secondaire par rapport au constat posé par l'arrêt n° 217.209 du déficit de motivation de cet arrêté”.
Uit deze verdediging van de Raad van State kan niet anders dan afgeleid worden dat de Raad zich van de achterliggende en volstrekt voor de hand liggende motieven dat het aanleggen van een aardgasvervoersleiding voor de aansluiting van een elektriciteitscentrale waarvoor een productievergunning is afgeleverd en die aangesloten is op het transmissienet het algemeen belang dient, bewust lijkt te zijn, minstens zou moeten zijn. Er valt op geen enkele manier in te zien waarom de Koning bij het uitvaardigen van de verklaring van openbaar nut evidente motieven, gebaseerd op een algemeen gekende kennis van het functioneren van de elektriciteitsmarkt en de doelmatigheden daarvan, hierin begrepen de noodzakelijke samenhang van de aardgasbevoorrading met de elektriciteitsproductie, nog eens expliciet en in extenso zou moeten herhalen. Het feit dat die elektriciteitsproductie (veelal) gedaan wordt door een private onderneming maakt van deze algemene kennis integraal deel uit.

Tegelijk zouden deze arresten een aanleiding kunnen zijn om de ganse vergunningenprocedure voor de aanleg van aardgasvervoersinstallaties, met inbegrip van de veiligheidsmaatregelen, te herbekijken. De vigerende regelingen dateren van midden de jaren zestig van de vorige eeuw. Door de invoeging van de liberaliseringsbepalingen vanaf 1999 is de Gaswet een vreemde mengeling geworden van oude en nieuwe bepalingen, waarbij de logica volledig zoek is. Als men die zoekgeraakte logica vervolgens voor de interpretatie op een trio energiewereldvreemde staatsraden loslaat, is het hek van de juridische dam. In tijden waarin de bouw van nieuwe, efficiënte, snel afregelbare aardgasgestookte elektriciteitscentrales een absolute noodzaak wordt, waarbij de regering alles in het werk lijkt te stellen om de rendementen daarvan te garanderen, is het schrijnend dat de transactiekosten, en dus de investeringszekerheid op losse schroeven worden gezet door een strikt formele en volstrekt overbodige invulling van het materiële motiveringsbeginsel.



Share/Bookmark

vrijdag 13 juli 2012

Grondwettelijk Hof vernietigt (Vlaams) verbod op injectietarieven

In haar arrest van 12 juli 2012 vernietigt het Grondwettelijk Hof  het Vlaams decreet van 23 december 2010 houdende wijziging van het Elektriciteitsdecreet van 17 juli 200 en het Energiedecreet van 8 mei 2009 wat betreft het vermijden van injectietarieven voor elektriciteit geproduceerd door middel van hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling. Daarbij worden de rechtsgevolgen niet gehandhaafd zoals de Vlaamse Regering had gevraagd. Het Hof is van oordeel dat de vernietiging met terugwerkende kracht geen onoverkomelijke administratieve en financiële moeilijkheden veroorzaakt.


In het KB van 2 september 2008 dat de methodologie vastlegt voor de meerjarentarieven voor de regulatoire periode 2009-2012 werd de mogelijkheid voorzien injectietarieven aan te rekenen voor het gebruik van net voor installaties (van meer dan 5 MW) die gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmtekrachtkoppeling. De Vlaamse decreetgever voerde vervolgens een nieuw artikel 4.1.22/1 in het Energiedecreet in op grond waarvan de distributienetbeheerder alle taken noodzakelijk voor de injectie van elektriciteit geproduceerd door middel van hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling kosteloos dient uit te voeren (met uitzondering van de aansluiting op het distributienet of het plaatselijk vervoersnet). De kosten ten laste van de netbeheerder worden beschouwd als kosten ten gevolge van de openbare dienstverplichtingen van de netbeheerder als netbeheerder. Sinds de inwerkingtreding van deze bepaling op 30 januari 2011 mogen de injectietarieven in Vlaanderen dus niet aangerekend worden aan de producent. Over de achtergrond en de discussie die ontstond omtrent deze regeling kon u hier en hier en hier en hier al eerder lezen.

In haar arrest van 31 mei 2011 over de wettelijke bekrachtiging van het betreffende de KB van 2 september 2008 had het Grondwettelijk Hof al geoordeeld dat de regeling betreffende de injectietarieven tot de bevoegdheid behoord van de federale overheid.

In haar arrest van 12 juli 2012 gaat het Hof nader in op de vraag of de Vlaamse regeling kon getroffen worden op grond van artikel 10 BWHI, inzake de impliciete bevoegdheden. Daarvoor dienen drie voorwaarden cumulatief vervuld te zijn: 1) de regeling moet noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bevoegdheden van het gewest, 2) ze dient zich te lenen tot een gedifferentieerde regeling, 3) de weerslag van de betrokken bepalingen mag slechts marginaal zijn op de federale bevoegdheid.

Het Hof vond het niet nodig om uit te maken of de maatregel noodzakelijk is of dat ze zich leent tot een gedifferentieerde regeling. Het Hof stelt daarentegen vast dat de weerslag van het decreet van 23 december 2010 niet louter marginaal is. Het Hof schrijft:

De keuze van de federale overheid om het aanrekenen van injectietarieven mogelijk te maken, is een beleidsmaatregel in het raam van haar bevoegdheid inzake de elektriciteitstarieven. 

(...)

Niettemin raakt het bestreden decreet het wezen zelf van de bevoegdheid van de federale overheid inzake de injectietarieven op zich, doordat het beoogt de federale tariefmaatregel te neutraliseren ten aanzien van de elektriciteit geproduceerd door middel van hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, productie die naarmate zij aan belang wint, leidt tot grotere inspanningen van de distributienetbeheerders om de aldus opgewekte op het net te injecteren, terwijl de  energietarieven een zo getrouw mogelijke weergave dienen te zijn van de werkelijke kosten.

Het staat aan de Federale Overheid om te beoordelen of het in het raam van haar bevoegdheid mogelijk is het beleid van de gewesten tot stimulering van de opwekking van milieuvriendelijke energie tegemoet te komen op het stuk van de tarieven.


Doorrekening kosten verbonden aan certificatenverplichtingen

Dit decreet bevat een bepaling dat een leverancier aan de eindgebruiker maximaal de werkelijke kosten mag doorrekenen om te voldoen aan de certificatenverplichtingen op vlak van groene stroom en WKK. De Raad van State had opgeworpen dat de decreetgever hiermee een element van het tarief vaststelt, zij hiermee de bescherming van de consument beoogt en zij hiervoor niet bevoegd is. De Raad had ook vastgesteld dat de Vlaamse decreetgever haar bevoegdheid niet grondt op de impliciete bevoegdheden. Tot slot wees ze op een wetsontwerp van de Federale Ministerraad dat een verbod bepaalt "voor de leveranciers om marges te realiseren op de groenestroomcertificaten". Aldus zou eenzelfde gedraging 2 keer gestraft worden en een schending betekenen van het beginsel ne bis in idem. In haar advies bij het federale wetsontwerp oordeelt de Raad van State dat het gaat om een bestrijding van misbruiken die erin bestaan marges te creëren op groenstroomcomponenten, en niet om maatregelen om groenestroomproductie te bevorderen waarvoor de Gewesten bevoegd zijn. De federale regelgever kan optreden op basis van haar bevoegdheid inzake bescherming van de gebruiker en tarieven.

De Vlaamse decreetgever wijzigde haar bepaling vervolgens bij amendement (waarbij de essentie van de betrokken bepaling wel overeind bleef) en motiveerde haar bevoegdheid op grond van de impliciete bevoegdheden. Ze acht haar bevoegdheid noodzakelijk omdat de federale regering nog steeds zou toelaten dat de leverancier een transactiekost zou doorrekenen aan de eindverbruiker. Het Gewest is van oordeel dat de kosten echter maximaal bij de leverancier horen te liggen. De decreetgever stelt ook dat aan de tariefstructuur niet wordt geraakt, en dat het aan de CREG blijft om de tarieven vast te stellen. In die zin zou de impact marginaal zijn.

In het licht van het arrest van Grondwettelijk Hof zijn hier wel enkele bedenkingen te maken. Ten eerste zegt het Hof, terecht, dat onder 'tarieven' dient te worden begrepen zowel de tarieven voor de levering aan de gewone consument als die voor industriële levering van elektriciteit. De voorbehouden federale bevoegdheid strekt zich dus uit tot de eindprijzen voor de consumenten. In het bereikte akkoord omtrent de zesde staatshervorming kwamen de onderhandelende partijen weliswaar overeen dat de gewesten bevoegd zijn om de prijzen te controleren in materies die onder hun bevoegdheid vallen, maar worden op vlak van energie enkel distributietarieven opgesomd. Transversale maatregelen zullen federaal blijven. Aan de federale tariefbevoegdheid op vlak van energie lijkt dus in de zesde staatshervorming niet geraakt te worden.

Ten tweede strekt de Vlaamse regelgeving tot neutralisering van een federale (ontworpen) regel, met name het neutraliseren van de mogelijkheid om een transactiekost door te rekenen. Net het punt van neutralisering werd, in geval van de injectietarieven, door het Grondwettelijk Hof beoordeeld als het in het wezen raken van de bevoegdheid van de federale overheid.

In die zin lijken de bevoegdheidsrechtelijke opmerkingen bij de Vlaamse regeling, die bepaalt welke kosten al dan niet aangerekend mogen worden, niet van de baan. Merk ook op dat de Elektriciteitswet in artikel 23ter bepaalt dat de prijzen op een objectief verantwoorde wijze in verhouding moeten staan tot de kosten. Als de transactiekost die aangerekend wordt voor de certificatenverplichting in objectieve verhouding staat tot de kost ervan, lijkt die niet zomaar van tafel geveegd te kunnen worden.

De Vlaamse en de federale regeling (die werd aangenomen in de Commissie Bedrijfsleven op 12 juli 2012) creëren onduidelijkheid welke kosten al dan niet mogen doorgerekend worden aan welke klanten afhankelijk van waar ze wonen. Volgens de staatssecretaris voor energie werd de federale regeling besproken op het Overlegcomité om mogelijke normconflicten uit de weg te gaan. Of dit afdoende is, is maar zeer de vraag. 

Netvergoeding

In de toelichting bij de wijziging van het Energiedecreet stond het voornemen dat de Vlaamse regering met de netbeheerders zou overeenkomen dat de netbeheerders in 2012 een dossier voor het bekomen van een netvergoeding zouden voorleggen aan de CREG voor PV installaties op laag- en middenspanning. Die vergoeding zou in functie zijn van de netkosten die worden gecreëerd en zou eventueel bestaande injectietarieven vervangen. 

Over de voorgenomen netvergoeding valt veel te zeggen. In het bestek van deze post past het te verwijzen naar het advies van de VREG bij het decreet waarin de VREG stelt dat een dergelijke netvergoeding strijdig zou zijn met het artikel 4.1.22/1 van het Energiedecreet dat de aantekening van injectietarieven verbiedt. Volgens de VREG zou dit artikel moeten geschrapt worden om de invoering van een netvergoeding mogelijk te maken.

De vernietiging van het betreffende artikel impliceert niet dat de netvergoeding er nu zeker zal komen. Het goedkeuren van tarieven of tariefmethodologie is een exclusieve bevoegdheid van de regulator, op dit ogenblik de CREG. Of een netvergoeding er al dan niet komt, in welk vorm, voor welke installaties en voor welke technologie, is dus een beslissing van de CREG. Dit neemt niet weg dat de politieke overheden beleidsrichtsnoeren kunnen formuleren hoe de tariefmethodologie moet vorm krijgen. Die kunnen betrekking hebben op de solidarisering van netkosten en/of de ondersteuning van hernieuwbare energie. 

Het KB van 2 september 2008 werd door artikel 12quater van de Elektriciteitswet opgeheven. De CREG kan de bestaande tarieven verlengen of eender welke overgangsmaatregel treffen die zij nodig acht. Op dit ogenblik heeft de CREG de huidige tarieven verlengd voor de jaren 2013 en 2014. Op dit ogenblik werd nog geen tariefmethodologie voor het gebruik van distributienet vastgelegd door de CREG. De CREG vecht onder andere de tarifaire bepalingen van de Elektriciteitswet aan voor het Grondwettelijk Hof. In het akkoord omtrent de zesde staatshervorming kwamen de onderhandelende partijen overeen om de tariefbevoegdheid inzake de distributienettarieven over te hevelen naar de Gewesten. Hierover zijn vandaag nog geen teksten ingediend in Kamer of Senaat.

To be continued dus.



Share/Bookmark

donderdag 5 juli 2012

Kernuitstap: nieuw relance of meer van hetzelfde op de energiemarkt


Onderstaande opinie verscheen in De Tijd van 5 juli 2012.

Kernuitstap: een nieuwe relance of meer van hetzelfde op de energiemarkt?

Het Kernkabinet heeft besloten om de kerncentrales van Doel 1 & 2 te sluiten, en Tihange 1 met 10 jaar te verlengen. De capaciteit van Tihange 1 zal ‘ter beschikking gesteld’ worden van de markt. Voortaan zullen elektriciteitscentrales niet zomaar kunnen sluiten en zal er een offerte-aanvraag uitgeschreven worden voor de bouw van een nieuwe gascentrale. De regering toont zich hiermee slagvaardig op het vlak van productiecapaciteit en bevoorradingszekerheid. Alleen, zoals altijd: the proof of the pudding is in the eating. De praktijk zal moeten uitwijzen of er echt meer spelers interesse hebben om in België te komen investeren.

Flexibiliteit
De onderliggende analyses van het Uitrustingsplan geven aan dat België het hoofd moet bieden aan een dubbele uitdaging: een capaciteitstekort in geval van piekvraag en een capaciteitsoverschot in geval van een lage vraag. In het eerste geval zijn er te weinige flexibele installaties die kunnen aangezet of opgeregeld worden om aan de piekvraag te voldoen, in het tweede geval zijn er te weinig flexibele installaties die kunnen uitgezet of afgeregeld worden. Het is de toename van hernieuwbare energie die zorgt voor een grotere noodzaak aan flexibele capaciteit: centrales die kunnen pieken op korte termijn, maar die ook gedurende een langere periode basislast kunnen produceren.

De uitstap uit kernenergie drong zich dan ook op. Een kerncentrale is quasi niet regelbaar en heeft minder en minder een plaats in een energiemix met alsmaar meer hernieuwbare energie. In dat opzicht is de beslissing kerncentrales te sluiten logisch. Het zou evenwel logischer geweest zijn om de kernuitstap onverkort uit te voeren. De verlenging van Tihange 1 is de politiek gewenste oplossing om het capaciteitstekort op korte termijn op te vangen. Maar vanuit een marktperspectief is ze minder wenselijk, zelfs al wordt de capaciteit ter beschikking gesteld. Het nucleaire aandeel wordt daardoor te beperkt afgebouwd, in verhouding met de aangroei van hernieuwbare energie. Bovendien kan ook een terbeschikkingstelling van de andere nucleaire centrales overwogen worden.

Offerte-aanvraag nieuwe gascentrale
Op dit ogenblik zitten er 6 projecten voor nieuwe gascentrales in de koelkast, omdat ze niet rendabel zijn. De redenen zijn de hogere marge op steenkoolcentrales, (door de lage elektriciteits- en hoge gasprijs en de lage CO2-prijs) en het beperkt aantal draaiuren (door het succes van hernieuwbare energie).

Om toch minstens 1 iemand te overtuigen te komen bouwen zal de regering een tender uitschrijven, wie die wint zal beroep kunnen doen op een ondersteuningsmechanisme zodat de investering rendabel wordt.

De focus op een gascentrale bij de regering is ook hier logisch: gascentrales zijn schoon, efficiënt én flexibel. Dat de regering haar nek uitsteekt om ze rendabel te maken is meer dan lovenswaardig. Alleen moet ze haar geld goed besteden. Als de regering dan toch kiest voor een offerte-aanvraag moet het haar meer opleveren dan zomaar een extra gascentrale. Ze moet ook nadenken hoe zo’n offerte-aanvraag de mededinging kan versterken, of hoe die centrale kan bijdragen aan het realiseren van de Europese klimaat- en energiedoelstellingen. De criteria in het lastenboek zijn belangrijk: zo zou het marktaandeel van de inschrijvers kunnen meetellen, of zou men kunnen kijken op welke manier zo’n centrale hernieuwbare energie mee ondersteunt.

Niet langer zomaar een centrale sluiten
Om de bevoorradingszekerheid te garanderen wil de regering niet langer dat elektriciteitsproducenten zomaar hun centrales kunnen sluiten.

In een vrijgemaakte markt is dit helemaal geen logische beslissing. Bovendien moet de impact nagegaan worden op de prijs en milieudoelstellingen. Is het wenselijk om steenkoolcentrales in bedrijf te houden? Is het wenselijk om verlieslatende centrales in bedrijf te houden en hiervoor de belastingbetaler te laten opdraaien? Elia heeft als bekommernis om meer middelen ter beschikking te hebben voor de balancering van het net. Maar waarom Elia opzadelen met oude, inefficiënte en verlieslatende centrales? Waarom er niet voor zorgen dat Elia zou kunnen beschikken bijvoorbeeld over trekkingsrechten in de pompcentrale van Coo?

Regulering
Een vrijgemaakte markt staat niet gelijk aan een gedereguleerde markt. Daarom ook dat Europa belang hecht aan sterke en onafhankelijke regulatoren. In België hebben we er maar liefst 4. De gewesten en de regionale overheden hebben hen in meerdere of mindere mate de instrumenten gegeven om de waakhond te zijn van de energiemarkt. De overheden zelf zijn ook op hun actiefst: de leveranciersprijzen werden bevroren, de tariefvrijheid van de leveranciers wordt aan banden gelegd, elektriciteitscentrales zullen niet meer zo maar toe kunnen gaan. Stilaan zou men zich gaan afvragen of en welke rol er nog weggelegd is voor de producenten en leveranciers. Als men graag meer en diverse spelers op onze markt aantrekt (of het nu gaat over levering of productie) zal de overheid ook de hand in eigen boezem moeten steken en zorgen voor een robuust en zeker regelgevend kader, zonder te vervallen in regeldrift.

Want ook al lijken de genomen beslissingen logisch, iemand komt pas zijn centen uitgeven als hij er zeker van kan zijn dat het hem ook iets oplevert. Vooral, investeerders moeten ook de zekerheid hebben dat over een paar jaar het regelgevend kader niet opnieuw gewijzigd wordt. Uit cijfers van de Europese Commissie blijkt dat de investeringen in de energiesector de komende decennia gigantisch zijn. Om investeringen in België aan te trekken is er meer nodig dan een principiële beslissing over kerncentrales. Het is daarom nog iets te vroeg om op de borst te kloppen als het gaat over de Belgische energiemarkt.



Share/Bookmark

woensdag 11 april 2012

Mogen er ook correcties bij de interpretaties?

Als de regering de wet van 29 maart 2012 toch wil 'interpreteren', kan het misschien tegelijk ook de wet van 8 januari 2012 corrigeren. Het door artikel 19 van die wet ingevoegde artikel 12quinquies, § 1, Elektriciteitswet verwijst naar artikel 234 van het koninklijk besluit van 27 juni 2001 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe. Dat koninklijk besluit is al meer dan tien jaar geleden opgeheven door het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe.



Share/Bookmark