Pagina's

Posts tonen met het label Verjaring. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verjaring. Alle posts tonen

zaterdag 18 mei 2019

Verjaring van elektriciteitsfacturen van een distributienetbeheerder

Blixt treedt niet vaak op voor particulieren. Als we dat wel doen, is het omdat we de zaak juridisch heel interessant vinden en omdat ons rechtvaardigheidsgevoel aangesproken is. Daarom verdedigden pro bono we een dame aan wie de Brusselse distributienetbeheerder Sibelga meer dan zes jaar nadat de dame verhuisd was meer dan 6 000 euro vorderde.

Sibelga meende dat de dame jarenlang onrechtmatig elektriciteit had afgenomen op een afnamepunt. Sibelga had daar zelf een nieuwe teller geplaatst maar kwam daarna de teller niet meer opmeten en stuurde ook geen facturen. Sibelga argumenteerde dat er sprake was van een “afname zonder contract” (“energieverbruik zonder overeenkomst”): er was blijkbaar energie verbruikt op een meter waarop niemand is aangesloten en/of op een meter die gesloten zou moeten zijn. Sibelga stelde dat er “een verbruik zonder aansluiting, een verbruik zonder toestemming, een verbruik op een gesloten meter” was. Volgens Sibelga kon de dame de verkorte verjaringstermijn van vijf jaar (artikel 2277 BW) niet inroepen omdat het dus ging over een “onrechtmatige afname van energie”.

De vrederechter van Anderlecht had Sibelga in een niet bijzonder goed gemotiveerd vonnis gelijk gegeven.

In beroep oordeelde de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel dat de oorspronkelijke vordering van Sibelga wel degelijk verjaard was:

“Het kan echter niet anders dan dat Sibelga op dat ogenblik wist voor wiens rekening de levering gebeurde tot 4 juni 2002. Het spreekt bijgevolg vanzelf dat het op dat ogenblik aan Sibelga toekwam om de administratieve opening te verrichten en de levering voort te zetten voor rekening van diezelfde afnemer X: dan wel Y.
Sibelga kan aan X niet verwijten dat deze administratieve opening blijkbaar niet gebeurde of dat zij haar bestanden niet aanpaste. Bijgevolg kan zij aan X evenmin verwijten dat er vanaf dat ogenblik geen facturen meer betaald werden gezien zij klaarblijkelijk geen facturen meer uitgeschreven heeft.
Gezien X omwille van de reglementaire aard van de rechtsverhouding na de plaatsing geen overeenkomst diende te sluiten met Sibelga, was haar afname na 4 juni 2002 niet onrechtmatig en heeft Sibelga de periodieke levering zonder meer voortgezet.
Bijgevolg is de vijfjarige verjaringstermijn voorzien door artikel 2277 BW voor periodieke geldschulden in deze zaak wel degelijk van toepassing.
Gezien X het appartement definitief verlaten heeft op 5 juni 2007 en vanaf dat ogenblik met zekerheid geen elektriciteit meer afnam via de bewuste meter, terwijl Sibelga pas op 31 augustus 2016 gedagvaard heeft, is deze vordering verjaard.”

Het vonnis vindt u hier.






Share/Bookmark

vrijdag 10 maart 2017

Verwarring over verjaring van energiefacturen voltooid verleden tijd?

De federale regering stelt in het wetsontwerp van 16 januari 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie een uniforme regeling voor de verjaring van energiefacturen voor. Als de Kamer het wetsontwerp aanneemt, zullen energiefacturen verjaren vijf jaar na de datum van de factuur.

Ik besprak de verjaringsproblematiek al in mijn bijdrage in het Jaarboek Energierecht 2014.

Op basis van artikel 2277 BW verjaren vorderingen voor “al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen” door verloop van vijf jaren.

Deze verkorte verjaringstermijn wil schuldenaren beschermen tegen de opeenstapeling van periodieke schulden en schuldeisers aanzetten tot zorgvuldigheid. Volgens preliberaliseringsrechtsleer en -rechtspraak kon deze vijfjarige termijn nooit van toepassing zijn op schulden ten aanzien van elektriciteits- en gasintercommunales. Het Grondwettelijk Hof sprak zich in 2005 en 2007 anders uit. Het Hof van Cassatie volgde uiteindelijk het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 25 januari 2010.

Na de arresten van het Grondwettelijk Hof aanvaardde men dus dat periodieke schulden voor water, elektriciteit, aardgas of telecommunicatie verjaren na verloop van vijf jaren (artikel 2277 BW). Die schulden zijn periodiek terugkerende schulden, die hun oorsprong vinden in eenzelfde rechtsgrond (bv. telefoonabonnement of leveringsovereenkomst voor elektriciteit of aardgas).

Dit algemene begrip was gebaseerd op een selectieve lezing van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 2007. In dit arrest besliste het Hof dat dat de verkorte verjaringstermijn van artikel 2272, lid 2, BW niet van toepassing is voor leveringen van diensten, zoals telecommunicatiediensten, “omdat in de regel van de overeenkomst voor dergelijke leveringen een geschrift wordt opgesteld”. Door in deze passage vooral te willen lezen dat artikel 2272 BW niet geldt voor leveringen van diensten omdat hiervoor in de regel een geschrift bestaat, meenden velen dat bij elektriciteit en aardgas, waar men ook een onderliggende leveringsovereenkomst heeft, het artikel eveneens niet van toepassing is.

De korte, kwijtende eenjarige verjaringstermijn van artikel 2272, lid 2, BW steunt op een vermoeden van contante betaling van kleine schuldvorderingen die in principe niet schriftelijk worden afgehandeld. Dit herhaalde ook het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 20 juni 2007: “De korte verjaringstermijn is gebaseerd op een vermoeden van betaling en wordt gemotiveerd door het feit dat van het ontstaan en de kwijting van dergelijke schulden doorgaans geen geschrift wordt opgesteld.” De toepassing van artikel 2272 ev. als betalingsvermoedens staat en valt dus met het wegblijven van geschreven sporen (mede) van de schuldenaar, zowel van het ontstaan als van het tenietgaan der geldschuld.

Als de schuldenaar de schuld erkent in een geschreven stuk geldt de éénjarige verjaringstermijn niet. Een afbetalingsplan, een brief, een verklaring,... zijn stukken die de verkorte verjaring vermijden. Een mondelinge of stilzwijgende erkenning vanwege de schuldenaar volstaat niet.

In zijn arrest van 8 januari 2015 besliste het Hof van Cassatie dat een middel dat steunt op de veronderstelling dat een vordering door een elektriciteitsleverancier op een consument voor de periodieke levering van elektriciteit maar kan verjaren bij toepassing van artikel 2277 BW, omdat die levering gebaseerd is op een leveringsovereenkomst en omdat er facturen worden opgesteld, ‘faalt in rechte’:

“Le moyen, qui soutient que l'action du fournisseur d'énergie contre le consommateur en paiement de fournitures périodiques d'électricité est toujours régie par l'article 2277 du Code civil, parce que, en règle générale, une preuve écrite est établie du contrat relatif à ces fournitures et que des factures sont adressées par le fournisseur au consommateur, manque en droit.”

Het arrest van 8 januari 2015 stelde volgens mij dat het feit dat er een leveringsovereenkomst is niet voldoende is voor de uitsluiting van de verkorte verjaringstermijn noch voor de toepassing van artikel 2274, lid 2, BW. Genuanceerder interpreteerde ik het arrest dat het feit dat er een leveringscontract of facturen voorhanden zijn er nog niet automatisch toe leidt dat enkel artikel 2277 BW van toepassing is.

Het arrest leidde tot heel wat controverse in de rechtsleer. Ook de rechtspraak reageerde verdeeld. De meeste commentatoren riepen wel op om de wetgeving te verduidelijken en de archaïsche bepalingen te actualiseren.

De regering doet dit met dit wetsontwerp. Met dit ontwerp wil de regering reageren op het feit dat er “vanuit een bepaalde hoek evenwel gepleit wordt voor de toepassing van de eenjarige verjaringstermijn van artikel 2272, tweede zinsdeel, van het Burgerlijk Wetboek op de vorderingen tot betaling van facturen voor levering van energie aan huishoudelijke klanten”. De lezing in die “bepaalde hoek” doet “niet alleen onduidelijkheid, maar tevens een aantal praktische problemen, eigen aan deze sector [ontstaan]”. Het arrest leidt tot “problemen”. Het probleem ligt hem dus niet in de achterhaalde wetgeving, maar in de interpretatie van een problematisch arrest door een aantal zonderlingen.

In de commentaar bij het voorgestelde artikel is de regering genuanceerder en objectiever.

Het wetsontwerp beoogt de invoering van een tweede lid bij artikel 2277 BW: “Schuldvorderingen wegens levering van goederen en diensten via distributienetten voor water, gas of elektriciteit of de levering van elektronische communicatiediensten, omroeptransmissie- en omroepdiensten via elektronisch communicatienetwerken verjaren na verloop van vijf jaren.”

Volgens de memorie van toelichting start de verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de vervaldatum van de factuur. De regering verwijst hiervoor naar artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek.







Share/Bookmark

woensdag 15 september 2010

Verjaring van energiefacturen

Naar aanleiding van de bijdrage "L’application de l’article 2277 du Code civil en matière de fourniture d’énergie et de téléphonie" van Cécile Delforge in het laatste nummer van het Tijdschrift voor Vrederechters heb ik zelf ook een aantal bedenkingen over deze problematiek neergeschreven. Die tekst, "Verjaring van energiefacturen", vindt u via deze link.
Share/Bookmark

maandag 5 juli 2010

Verjaringstermijn van energiefacturen

In het jongste nummer van het Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht bespreekt confrater Olivier Vanden Berghe een arrest van het Hof van Beroep van Brussel van 22 juni 2009 waarin dit Hof oordeelde dat moratoire interesten (schadevergoeding
wegens de laattijdige uitvoering van een geldschuld), die in de regel niet periodiek betaalbaar zijn, niet vallen onder de verkorte verjaringstermijn van vijf jaar, zoals bepaald in artikel 2277 BW. Naar aanleiding van dit arrest herhaalt de auteur de nieuwe rechtspraak, geveld na de arresten van het Grondwettelijk Hof van 19 januari 2005 en 17 januari 2007, dat periodieke facturen voor water, energie of telefonie verjaren na verloop van vijf jaren.

Zie hierover ook mijn vorig bericht over het arrest van het Hof van Cassatie van 25 januari 2010.
Share/Bookmark

woensdag 17 februari 2010

Vijfjarige verjaringstermijn van toepassing op periodiek terugkerende schulden

In zijn arrest van 25 januari 2010 herhaalt het Hof van Cassatie, in navolging van het Grondwettelijk Hof, dat periodiek terugkerende schulden, die hun oorsprong vinden in eenzelfde rechtsgrond (bv. telefoonabonnement of leveringsovereenkomst voor elektriciteit of aardgas), verjaren door verloop van vijf jaren:

L'article 2277 du Code civil dispose que les arrérages de rentes perpétuelles et viagères, ceux des pensions alimentaires, les loyers des maisons et le prix de ferme des biens ruraux, les intérêts des sommes prêtées, et généralement tout ce qui est payable par année, ou à des termes périodiques plus courts, se prescrivent par cinq ans.
Cette prescription abrégée, qui tend à protéger le débiteur contre l'accumulation des arriérés d'une dette périodique née d'un même rapport juridique, s'applique au prix de fournitures de téléphonie mobile payables dans les conditions de périodicité visées à l'article 2277 précité.
Le jugement attaqué, qui constate que la demande de la défenderesse tend au paiement de factures périodiques établies pour des fournitures de téléphonie mobile à des intervalles inférieurs à une année, n'a pu, sans violer ledit article 2277, refuser d'appliquer la prescription visée à cette disposition aux motifs qu' « en l'espèce, le décompte de la [défenderesse] est arrêté au 7 mars 2002 » et que « la créance est par conséquent une dette de capital et ne présente pas un caractère de périodicité ».

Share/Bookmark