Het afgelopen jaar hebben de Limburgse Reconversiemaatschappij LRM, de stad Lommel en Nyrstar heel hard gewerkt aan een zeer ambitieus project: de bouw en de exploitatie van het grootste zonnepanelenpark van de Benelux (99 MWp). In het najaar van 2017 hadden wij de grote eer om hieraan mee te mogen werken. We onderzochten de mogelijkheden voor de aanleg van een directe lijn, volgden de regulatoire voorwaarden op voor de toekenning van de groenestroomcertificaten en begeleidden het steering committee bij de keuze van de meest aangewezen EPC-contractor. Eind april stelde LRM Stibbe aan als transaction counsel om de financiering en de EPC contracten verder vorm te geven. Wij bleven betrokken bij het opstellen van de leveringsovereenkomst (PPA) en de overeenkomst voor de aansluiting op de installaties van Nyrstar. Daarbij werkten we nauw samen met Marthe Maselis en Cedric Degreef van Stibbe.
Wij zijn heel blij dat begin juni alle contracten ondertekend zijn. We begroeten ook de beslissing van minister Tommelein om de definitieve bandingfactor voor het project vast te leggen.
We zijn heel trots om een groot deel van het traject samen met Theo Donné (CFO, LRM), Nathalie Roosen (finance, LRM), Karel Byl (legal, LRM), Harry Denis (Nyrstar), Sven Verwimp (Nyrstar), Ronny Vanhoof en Rob Reynders(stad Lommel), en de technische adviseurs van 3E (Santiago Estrada en Habib Rahme) te hebben afgelegd. Dit project was er niet gekomen zonder de geestdriftige aansturing van Luc Driesen (projectmanager, LRM).
Wij hopen dat alle betrokken partijen (LRM, Lommel, Nyrstar, Engie Fabricom en ING) zeer goed zullen blijven samenwerken opdat er binnen een dik jaar de eerste kW groene stroom zal opgewekt kunnen worden. Wij hebben er alle vertrouwen in dat er geen advocaten meer zullen moeten tussenkomen.
Voor meer informatie over het project, zie http://www.tommelein.com/bouw-grootste-zonnepark-van-de-benelux-start-in-oktober/
donderdag 26 juli 2018
Blixt betrokken bij de bouw van het grootste PV-park van de Benelux
woensdag 25 januari 2017
Laat meer directe lijnen toe, nu al!
Het Belgische Parlement liberaliseerde met de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening de jonge elektriciteitsmarkt in België. De wet maakt ook een einde aan de monopolies van de gemeenten. Elektriciteitsproducenten konden voortaan hun centrales onderling koppelen. Gemeenten konden niet langer beletten dat industriëlen twee vestigingen, gelegen aan weerszijden van een openbare weg, met elkaar zouden verbinden.
Eind 2016 fnuiken de regels opnieuw de mogelijkheid tot het exploiteren en optimaal gebruiken van decentrale productie-installaties.
Onderneming A is eigenaar van een gebouw 1 aan ene zijde van een openbare weg, de Industrielaan. Aan de gene zijde bouwt A een nieuw gebouw 2. Bij gebouw 1 wil A een WKK-installatie bouwen; bij gebouw 2 een PV-installatie. A wil de twee gebouwen en de twee installaties koppelen via een directe lijn.
Op basis van artikel 4.5.1 Energiedecreet vraagt A voor de aanleg van die directe lijn van de VREG een “voorafgaande toelating”.
De VREG weigert op 14 december 2016 om die voorafgaande toelating te geven.
Bij de beoordeling van zulke aanvraag houdt de VREG, volgens de decreetgever, rekening “met de risico's inzake inefficiëntie, de risico's inzake veiligheid, de impact op de nettarieven, de waarborg van de rechten van afnemers, de eventuele weigering van aansluiting op het net door de betrokken netbeheerder of een gebrek aan aanbod tot aansluiting of toegang op het net tegen redelijke economische of technische voorwaarden” (artikel 4.5.1, derde lid, Energiedecreet).
De VREG aanvaardt dat rechten van de afnemer gewaarborgd zijn, dat er geen impact op de nettarieven is die niet louter inherent is, en er een beheersbaar veiligheidsrisico is. Wel meent de VREG dat de aanleg en exploitatie van deze directe lijnen een risico op inefficiënte uitbouw en exploitatie van het distributienet teweegbrengen, temeer er geen weigering van een aansluiting op het net door de betrokken netbeheerder, noch een gebrek aan aanbod tot aansluiting of toegang op het net tegen redelijke economische of technische voorwaarden, voorligt.
De veiligheidsrisico’s zijn volgens de VREG te ondervangen “mits het bepalen van specifieke voorwaarden, zoals technische specificaties van het materiaal en configuratie, en afspraken met betrekking tot beheers- en exploitatietaken, zoals, bijvoorbeeld, inzake het toegangsrecht van de distributienetbeheerder tot de (kop)cabines van de producent en Afnemer”.
De VREG stelt dus vast dat de afnemer de te betalen nettarieven kan beperken, en de netbeheerder de bijdrage in zijn kosten voor het netbeheer en de ODV ziet dalen. Die situatie is niet anders door het gebruiken van een directe lijn als wanneer een afnemer zelf, zonder directe lijn, een eigen productie-installatie in gebruik neemt.
Door de aanleg van de directe lijn zal de afnemer “alle rechten die voortkomen uit een rechtstreekse toegang tot het distributienet” behouden, oordeelt de VREG. Zijn rechten als afnemer zijn dan ook gevrijwaard.
De VREG stelt vast dat de bestaande gebouwen van A aangesloten zijn op het distributienet. Ook het nieuwe gebouw is aansluitbaar op het distributienet. De distributienetbeheerder kan zowel de WKK- als de PV-installatie aansluiten op zijn net. De VREG stelt daarenboven vast dat de aanvrager beweert noch aantoont dat voorwaarden in het aanbod tot aansluiting technisch of economisch onredelijk zouden zijn.
Over de risico's inzake inefficiëntie herhaalde de VREG dat “omwille van een efficiënte uitbouw en exploitatie van het distributienet de aanleg van parallelle distributienetten vermeden moet worden en gewaarborgd moet worden dat het bestaande distributienet zo efficiënt mogelijk gebruikt wordt”.
De uitbouw en de exploitatie van de distributienetten vergen grote investeringen. Volgens de VREG wijst de tendens naar schaalvergroting (creatie van werkmaatschappijen, het opgaan van gemeentelijke regies in grotere netbeheerders) erop dat deze investeringen aanzienlijk zijn.
Gebouw A1 is aangesloten op het distributienet. Dat middenspanningsnet heeft voldoende capaciteit voor het verwachte productievermogen van de WKK-installatie. Gebouw 2 met de PV-installatie is ook aansluitbaar op het distributienet.
De DNB kan dus beide gebouwen met de onderscheiden productie-installaties apart aansluiten op het distributienet. Op elk ogenblik zijn de volledige gevraagde afname- en injectievermogens beschikbaar.
De VREG verwacht een lage afnamevraag voor gebouw B. Door het feit dat de PV-installatie op gebouw 2 zou gekoppeld zijn met gebouw 1, zal er ook weinig injectie zijn van de elektriciteit van die installatie op het distributienet. Door de beide installaties zal er hoe dan ook minder afname van het middenspanningsnet plaatsvinden. De VREG stelt echter vast dat de afnemer “op het elektriciteitsdistributienet aangesloten blijft voor het totale afname- én injectievermogen, dat gegarandeerd blijft”.
Daaruit leidt de VREG af dat “de aanleg van dit concept met directe lijnen bijgevolg het inefficiënte gebruik van het distributienet impliceert”. Dat inefficiënte gebruik wordt niet gecompenseerd door netefficiëntiewinst in termen van vrijgekomen capaciteit of vermeden netverliezen.
Volgens mij haalt de VREG hier twee elementen dooreen.
In een Industrielaan (Olen, Hoeselt, Sint-Truiden, Maldegem, Schoten, Eeklo, Aalst, Maasmechelen, Waregem, Overpelt, Torhout, Menen, ...) zal er zonder enige twijfel een distributienet zijn aangelegd. Op basis van de verkavelingsvoorschriften rond die Industrielaan, hield de netbeheerder rekening met de meest waarschijnlijke capaciteitsvraag van de activiteiten die men zou ontwikkelen. Of die voorziene capaciteit dan optimaal benut wordt, hangt af van de bezettingsgraad van die Industrielaan. Als nog niet alle kavels bebouwd zijn, zal er meer capaciteit beschikbaar zijn dan nodig. Als uiteindelijk zou blijken dat de beoogde benuttingsgraad nooit behaald wordt, kan de distributienetbeheerder zijn distributienet nooit efficiënt benutten. Zij kan moeilijk de ontwikkelaar dwingen om zelf activiteiten te ontplooien die een efficiënt van het net gebruik mogelijk maken. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de ondernemer in kwestie. Als die nu zou besluiten om het gebouw 2, met zijn weliswaar beperkte elektriciteitsverbruik, niet te bouwen, zal het distributienet ook minder efficiënt gebruikt worden dan voorzien. De ondernemer kan men echter niet dwingen om elektriciteit af te nemen. En als de ondernemer - hopelijk niet - failliet zou gaan en er geen overnemer gevonden wordt, kan de distributienetbeheerder het inefficiënte netgebruik door dat faillissement niet vermijden.
Daarnaast stelt de VREG, terecht, dat de beide gebouwen op het distributienet aangesloten blijven “voor het totale afname- én injectievermogen, dat gegarandeerd blijft”. Als de WKK-installatie in revisie gaat op een dag dat de zon niet schijnt, zal de ondernemer dus tot zijn aansluitingsvermogen elektriciteit kunnen afnemen van het distributienet. Potentieel kan het distributienet, ondanks de directe lijn, dus wel degelijk efficiënt benut worden.
Tot slot: als de ondernemer twee gronden naast elkaar zou hebben, zou de aanleg van de directe lijn niet kunnen geweigerd worden. Het argument van het inefficiënte gebruik van het distributienet is dus niet overtuigend.
Met de beoogde invoering van het capaciteitstarief wil de VREG juist dat alle netgebruikers, ongeacht hun afname of injectie, tarieven zouden betalen voor het maximale vermogen dat zij zouden hebben. Het tarief is dus niet langer afhankelijk van het (in)efficiënt (lees: voldoende) gebruik van het net, maar van het theoretische vermogen.
Deze beslissing is zelf inefficiënt. Zij houdt immers geen rekening met mogelijke toekomstige regulatoire veranderingen en al helemaal niet met voorgenomen wijzigingen. Tegelijk geeft ze, net zoals de gemeenten dat deden voor 1925, een slecht signaal voor investeringen in decentrale productie-installaties.
Laat meer directe lijnen toe, nu al!
woensdag 21 december 2016
Eerste aanwending van de Turteltaks
In het Belgisch Staatsblad van 15 december verscheen het besluit van de Vlaamse regering van 21 oktober 2016. Met dit besluit wil de Vlaamse regering alvast een deel van de opbrengst van de bijzondere energieheffing (“Turteltaks”) uitgeven.
Met het gewijzigde Energiebesluit maakt de Vlaamse regering eerst duidelijk dat de kosten voor de minimumsteun die de distributienetbeheerders moeten betalen voor de groenestroomcertificaten “financiële openbaredienstverplichtingen” zijn (nieuw artikel 6.4.14/2).
Voor die financiële openbaredienstverplichting krijgen de distributienetbeheerders vanaf 2016 tot 2026 een vergoeding. Maar die vergoeding dekt niet alle kosten voor die financiële ODV. Enkel de kosten verbonden aan het verlenen van minimumsteun aan particulieren vergoedt de Vlaamse overheid. Voor de uitbetaalde minimumsteun aan ondernemingen ontvangen de distributienetbeheerders vooralsnog geen vergoeding.
De vergoeding dekt “de boekhoudkundige waarde van de groenestroomcertificaten in kwestie, met een maximale waarde van 93 euro per groenestroomcertificaat”.
De distributienetbeheerders moeten eerst voor de groenestroomcertificaten die zij gebankt hebben een vergoeding vragen. Voor die groenestroomcertificaten is de vergoeding 93 euro. Voor de gebankte GSC geldt de beperking dat die afkomstig moeten zijn van particulieren blijkbaar niet.
De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale vergoeding voor alle elektriciteitsdistributienetbeheerders. Elke distributienetbeheerder afzonderlijk kan niet meer dan 15 miljoen euro per jaar ontvangen.
De kosten voor de minimumsteun voor ongeveer 51% van de groenestroomcertificaten worden hiermee vergoed. Voor de andere helft moet de Vlaamse regering nog op zoek naar een oplossing die de problemen rond staatssteun vermijdt.
Eerste aanwending van de Turteltaks
woensdag 25 juli 2012
De Raad van State als hypotheek op de energiebevoorrading
Voor de aanleg van een aardgastransportpijpleiding moet Fluxys telkens, naast een stedenbouwkundige vergunning en, desgevallend, een milieuvergunning, ook een vervoersvergunning aanvragen. Wil Fluxys bij de aanleg van een bijkomend deel van haar vervoersnet gebruik kunnen maken van (open en onbebouwde) private eigendommen, dan moet ze bijkomend bij koninklijk besluit een verklaring van openbaar nut verkrijgen. Die verklaring van openbaar nut is de wettelijke titel voor de ingebruikname van private eigendommen, en bijgevolg voor het gedogen door de eigenaar van de eigendomsbeperking.
De geplande investeringen voor nieuwe vervoersinstallaties zijn opgenomen in een investeringsplan voor de volgende tien jaar, dat elk jaar opgemaakt en geactualiseerd wordt (artikel 15/1, § 5, Gaswet). Dit investeringsplan moet Fluxys overmaken aan de Algemene Directie Energie van de FOD Economie. De CREG ziet toe op dit investeringsplan (artikel 15/14, § 2, 14°, Gaswet). De investeringen worden normaal gezien mee in rekening genomen bij de goedkeuring door de CREG van de vervoerstarieven die Fluxys mag aanrekenen. Alleen “de kosten verbonden aan investeringsprojecten die onvoldoende verantwoord kunnen worden of waarvan aan de realisatie geen goedkeuring door een bevoegde overheid voorafging, zullen [door de CREG] in principe als onnodig beschouwd worden (zie de bijlage bij het Voorlopig Tariefmethodologiebesluit van de CREG van 24 november 2011). De kans lijkt bijgevolg miniem dat Fluxys, genoteerd op de Brusselse beurs, investeringen zal doen waarvan de kosten later niet kunnen doorgerekend worden in de gereguleerde tarieven.
Nu de federale regering volop lijkt in te zetten op snel inzetbare gasgestookte elektriciteitscentrales, is de uitbouw van het aardgasvervoersnet naar die centrales primordiaal. Zonder voldoende toevoer van aardgas kan een aardgasgestookte elektriciteitscentrale geen elektriciteit produceren. Behalve in uiterst uitzonderlijke omstandigheden zal een exploitant van een elektriciteitscentrale er ook steeds voor zorgen dat die elektriciteitscentrale aangesloten is op het transmissie- of distributienet voor elektriciteit. Hierdoor kan die exploitant de opgewekte elektriciteit, die niet ter plaatse zou verbruikt worden, injecteren in het elektriciteitsnet. Door de actieve rol die Elia moet spelen in de balancering van dat elektriciteitsnet kan het zelfs zijn dat een producent verplicht wordt om, op basis van zijn verplichtingen onder de CIPU-overeenkomst, elektriciteit te injecteren op dat net. Elke elektriciteitscentrale die aangesloten is op het net heeft daarom ook een functie in de uitvoering van de taken van algemeen belang die de transmissienetbeheerder Elia waarneemt.
De bouw van een grote productie-installatie voor elektriciteit is overigens afhankelijk van het voorafgaand verkrijgen van een productievergunning. De criteria voor de toekenning van de productievergunning, zoals opgenomen in het koninklijk besluit van 11 oktober 2000, maken duidelijk dat de federale regelgever de inpassing van de geplande installatie in het transmissienet en in de globale energievoorziening van het land zeer belangrijk acht. Hieruit volgt dat een productie-installatie die enkel en alleen zou gebouwd of geëxploiteerd worden voor de enkele belangen van de directe afnemer of de eigenaar en waarbij geen enkele rekening wordt gehouden met de voorzieningszekerheid, de duurzaamheid en de inpasbaarheid van die centrale op het net zeer weinig kans maakt op het verkrijgen of het behoud van een productie-vergunning.
Niet alleen in die zin getuigen de arresten van de Raad van State van 12 januari 2012 en van 13 april 2012 van een beangstigende wereldvreemdheid en een totaal onaangepast want overdreven belang dat gehecht wordt aan het motiveringsbeginsel, dat in deze arresten, in tegenstelling tot de draagwijdte van dit beginsel, herleid wordt tot een vormelijke en niet langer inhoudelijke motiveringsverplichting.
De nv Marcinelle Energie, een joint venture tussen de energieonderneming Enel en de staalgroep Duferco, werd opgericht met het oog op de bouw en de exploitatie van een gasgestookte elektriciteitscentrale op de site van Carsid (Duferco) in Marcinelle. De geproduceerde elektriciteit zou deels ter plaatse verbruikt worden, deels in de andere vestigingen van Duferco in België en deels geïnjecteerd worden in het transmissienet.
Marcinelle Energie verkreeg bij ministerieel besluit van 16 mei 2007 een productievergunning. Op 28 september 2007 verkreeg ze een 'permis unique' van de Waalse regering voor de bouw en de exploitatie van STEG-centrale van 720 MW en een WKK-centrale van 180 MW. In die vergunning wordt expliciet gesteld dat een deel van de elektriciteitsproductie bestemd is voor het verbruik op de site van Duferco en dat een deel (geraamd op 50%) zal geïnjecteerd worden in het net.
Naar de site van Marcinelle Energie was de aardgastoevoer via het bestaande vervoersnet onvoldoende. Fluxys wou daarom een bijkomende aardgaspijpleiding aanleggen. De bouw van die bijkomende pijpleiding was opgenomen in haar investeringsplan. Fluxys verkreeg voor de bouw van de pijpleiding een vervoersvergunning.
Voor de aanleg van de leiding moest Fluxys ook gebruik maken van private eigendommen. Zij dient daartoe een aanvraag in voor het verkrijgen van een verklaring van openbaar nut (op basis van artikel 10 van de Gaswet) en voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van de nieuwe pijpleiding tussen Péronnes (Binche) en Marchienne-au-Pont.
Verschillende bezwaren worden tegen deze twee aanvragen ingediend.
Uiteindelijk verkrijgt Fluxys op 15 januari 2010 bij koninklijk besluit de gevraagde verklaring van openbaar nut en bij ministerieel besluit de transportvergunning. In het koninklijk besluit wordt de verlening van de verklaring van openbaar nut als volgt gemotiveerd:
“Considérant qu'en sa qualité de gestionnaire (...) du réseau de transport (...), (...) Fluxys est investie d'une mission légale, en termes d'exploitation, d'entretien et de développement dudit réseau, en ce compris les interconnexions avec d'autres réseaux de transport, le transit, les connexions et les raccordements de nouveaux clients au réseau de transport;Op 5 juli 2010 verleende de Waalse regering de stedenbouwkundige vergunning op basis van artikel 274bis, 1°, d) CWATUPE. Artikel 274bis, 1°, d) CWATUPE bepaalt dat de Waalse regering bevoegd is om een stedenbouwkundige vergunning af te leveren voor “les actes et travaux concernant l’installation ou la modification: (...) d) de canalisations destinées au transport ou à la distribution de corps solides, liquides ou gazeux”. De Waalse regering motiveerde haar bevoegdheid als volgt:
Considérant que les installations de transport en projet sont à situer dans ce contexte étant donné qu'elles sont destinées à assurer l'approvisionnement en gaz naturel d'un nouveau client industriel;
Considérant que les installations de transport en projet sont jugées nécessaires en vue d'atteindre la finalité d'utilité publique dont question ci-avant, dès lors qu'elles sont destinées à alimenter en gaz naturel la nouvelle centrale électrique Marcinelle Énergie à Charleroi»;”
“que cette centrale est destinée à la production d'énergie électrique à l'usage de l'ensemble de la collectivité; que la présente demande consiste dès lors en des travaux d'utilité publique en ce qu'ils sont strictement nécessaires à la mise en service de la centrale électrique”Zowel tegen het afleveren van de verklaring van openbaar nut als van de stedenbouwkundige vergunning zijn er beroepen tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State.
In zijn arrest van 12 januari 2012 oordeelde de XVde kamer van de Raad dat uit de motivering van het koninklijk besluit van 15 januari 2010 niet kon afgeleid worden waarom de levering van aardgas aan Marcinelle Energie van algemeen belang zou zijn (“par contre elle ne permet en rien de comprendre en quoi le fait de fournir du gaz à la centrale de la société Marcinelle Énergie relèverait de l'intérêt général”).
Fluxys had ingeroepen dat het karakter van algemeen belang van haar pijpleidingen en transportnet te vinden was in de artikelen 1 en 2 van de Gaswet en niet in artikel 10. Dit artikel zou enkel slaan op de specifieke omstandigheden van het gebruik van open en onbebouwde eigendommen door Fluxys.
Volgens de Raad van State blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 12 april 1965 (in 1964!) dat enkel het vervoer van aardgas naar distributienetten van algemeen belang zou zijn. Alle andere transportactiviteiten zouden dat niet zijn. De Raad is ook niet overtuigd van het argument dat artikel 10 enkel betrekking heeft op de specifieke omstandigheden van open en onbebouwde gronden. Volgens hem heeft de verklaring van openbaar nut een algemenere draagwijdte de niet enkel kan gemotiveerd worden door het feit dat de gronden die gebruikt zullen worden open en onbebouwd zijn. De Koning had de verklaring van openbaar nut dan ook afdoende materieel moeten motiveren, wat hij niet gedaan heeft.
In de procedure over de stedenbouwkundige vergunning stelden de de verzoekende partijen, onder verwijzing naar de Bema-arresten van de Raad van State dat de bevoegdheid bepaald in artikel 127 restrictief moet geïnterpreteerd worden en dat de motivering van de Waalse regering om zich op deze bevoegdheid te baseren meer moet zijn dan de vage algemeenheid zoals die uit de verleende stedenbouwkundige vergunning blijkt opdat aangetoond kan worden dat er sprake is van het 'algemeen belang'.
Fluxys, die vrijwillig tussenkomende partij was, verwees naar de wettelijke taken die haar opgelegd waren door de Gaswet. In tegenstelling tot de situatie van de Bema-arresten beschikt zij wel over een wettelijke opdracht van openbaar nut, dient de beoogde pijpleiding wel degelijk het algemeen belang, zou het aardgas geleverd worden een aan elektriciteitsproductie-installatie en was er geen sprake van een vermenging van de belangen tussen de aanvrager (Fluxys) en de aangeslotene van de leiding (Marcinelle Energie).
De XIIIde Kamer van de Raad van State volgt niettemin het bezwaar van de verzoekende partijen. Volgens de Raad volstaat het niet dat een vergunningverlenende overheid zich baseert op de wettelijk omschreven bevoegdheid om die bevoegdheid te motiveren:
“Considérant que le seul fait que les travaux autorisés par le permis d'urbanisme attaqué soient repris à la liste de l'article 274bis précité, ne signifie pas qu'ils revêtent d'office un caractère d'utilité publique; qu'il appartient encore à l'autorité de vérifier si, concrètement et en l'espèce, les actes pour lesquels un permis est sollicité peuvent être reconnus comme ayant ce caractère;”Volgens de Raad blijkt nergens uit waarom het leveren van aardgas aan de elektriciteitscentrale van Marcinelle Energie van algemeen belang zou zijn. Hij verwijst hiervoor naar zijn arrest van 12 januari 2012. Uit het arrest van 13 april 2012 blijkt evenwel dat Fluxys en Marcinelle Energie het absoluut niet eens waren over de volgende passage in het arrest van 12 januari 2012:
“Considérant qu'en l'espèce, il ressort du dossier, notamment de la note justificative jointe par la société Fluxys à sa demande d'adoption d'un arrêté royal de déclaration d'utilité publique, que la finalité de la pose et de l'installation de la nouvelle canalisation de transport de gaz naturel est d'alimenter une nouvelle centrale électrique exploitée par une société privée, la s.a. Marcinelle Énergie à Charleroi, en vue de répondre, pour partie, à la demande d'un groupe sidérurgique;”Volgens Fluxys en Marcinelle Energie heeft Fluxys steeds aangegeven dat de geproduceerde elektriciteit minstens voor een belangrijk deel ook bestemd was voor de injectie in het transmissienet. In die zin klopt de parafrasering door de Raad dat de beslissing om elektriciteit te injecteren in het transmissienet enkel en arbitrair afgenomen wordt door Duferco (en dan nog bij veronderstelling alleen op de site van Marcinelle en niet op haar andere vestigingen) dan ook helemaal niet.
Hierover ondervraagd door Fluxys stelt de voorzitter van de XVde Kamer dat
“en tout état de cause, la question de savoir si l'alimentation en gaz naturel de la nouvelle centrale électrique exploitée par la société MARCINELLE ENERGIE avait pour finalité, au moment de l'adoption de l'arrêt royal attaqué du 15 janvier 2010, d'alimenter, au moins pour partie, les activités d'un groupe sidérurgique, reste secondaire par rapport au constat posé par l'arrêt n° 217.209 du déficit de motivation de cet arrêté”.Uit deze verdediging van de Raad van State kan niet anders dan afgeleid worden dat de Raad zich van de achterliggende en volstrekt voor de hand liggende motieven dat het aanleggen van een aardgasvervoersleiding voor de aansluiting van een elektriciteitscentrale waarvoor een productievergunning is afgeleverd en die aangesloten is op het transmissienet het algemeen belang dient, bewust lijkt te zijn, minstens zou moeten zijn. Er valt op geen enkele manier in te zien waarom de Koning bij het uitvaardigen van de verklaring van openbaar nut evidente motieven, gebaseerd op een algemeen gekende kennis van het functioneren van de elektriciteitsmarkt en de doelmatigheden daarvan, hierin begrepen de noodzakelijke samenhang van de aardgasbevoorrading met de elektriciteitsproductie, nog eens expliciet en in extenso zou moeten herhalen. Het feit dat die elektriciteitsproductie (veelal) gedaan wordt door een private onderneming maakt van deze algemene kennis integraal deel uit.
Tegelijk zouden deze arresten een aanleiding kunnen zijn om de ganse vergunningenprocedure voor de aanleg van aardgasvervoersinstallaties, met inbegrip van de veiligheidsmaatregelen, te herbekijken. De vigerende regelingen dateren van midden de jaren zestig van de vorige eeuw. Door de invoeging van de liberaliseringsbepalingen vanaf 1999 is de Gaswet een vreemde mengeling geworden van oude en nieuwe bepalingen, waarbij de logica volledig zoek is. Als men die zoekgeraakte logica vervolgens voor de interpretatie op een trio energiewereldvreemde staatsraden loslaat, is het hek van de juridische dam. In tijden waarin de bouw van nieuwe, efficiënte, snel afregelbare aardgasgestookte elektriciteitscentrales een absolute noodzaak wordt, waarbij de regering alles in het werk lijkt te stellen om de rendementen daarvan te garanderen, is het schrijnend dat de transactiekosten, en dus de investeringszekerheid op losse schroeven worden gezet door een strikt formele en volstrekt overbodige invulling van het materiële motiveringsbeginsel.
De Raad van State als hypotheek op de energiebevoorrading
dinsdag 2 november 2010
Recht van uitweg voor nutsaansluitingen
In 1996 aanvaardde het Hof van Cassatie dat artikel 682, § 1, Burgerlijk Wetboek toelaat dat de eigenaar onder een naburig erf leidingen mag aanleggen als dat nodig is om zijn eigen erf normaal te kunnen gebruiken. Voorwaarde is wel dat het erf ingesloten is en dat een mogelijke toegang tot de openbare weg niet kan zonder overdreven onkosten of ongemakken.
In de zaak die aanleiding gaf tot dit arrest hadden de eigenaars van het ingesloten erf theoretisch de mogelijkheid om een riool aan te leggen, "die zou vertrekken voor hun pand, onder de openbare weg zou doorlopen en op de steenweg, waaronder de collector zich bevond, zou uitkomen". De gemeente Rebecq wou echter op die manier geen aansluiting op het rioleringsstelsel voor het regenwater toestaan aan die inwoners. Een veel goedkoper alternatief was het aanleggen van een leiding door het erf van de buren. Die verzetten zich daartegen.
In het arrest van 14 oktober 2010 ging het Hof van Cassatie op de ingeslagen weg. Om het ingesloten karakter van een erf te beoordelen en om uit te maken of een recht van uitweg kan toegestaan worden, moet volgens het Hof rekening gehouden worden met "toute mise en valeur économique que permet la destination du fonds". Een recht van uitweg moet daarom toegestaan worden voor een vooralsnog ingesloten onbebouwd erf waarop stedenbouwkundig een woonhuis kan gebouwd worden. Dit recht van uitweg geldt zowel bovengronds als ondergronds omdat "les canalisations d'eau, de gaz et d'électricité qui doivent normalement desservir un bâtiment moderne enclavé peuvent être installées dans ou sur l'assiette du droit de passage à titre accessoire".
Recht van uitweg voor nutsaansluitingen
woensdag 19 mei 2010
Een-tweetjes over de injectietarieven groenestroominstallaties
In de commissie energie van het Vlaams Parlement van 6 mei jl. (voorlopige verslag via deze link) leek de sp.a de aanval op de (door het koninklijk besluit van 2 september 2008 voorziene) mogelijkheid om injectietarieven voor het gebruik van het net voor installaties die gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen of via kwalitatieve WKK met een geïnstalleerd vermogen > 5 MWe, wanneer die installaties “aangesloten zijn op infrastructuurdelen waarvoor het belang van dit type eenheden aanzienlijke bijkomende kosten genereert” verder te zetten.
In een doorgepraat een-tweetje tussen Bart Martens (overigens ook lid van de raad van bestuur van Eandis) en minister Van den Bossche stelden beiden dat de studie van de CREG betreffende "de mogelijke schrapping of vrijstelling van injectietarieven voor productieinstallaties op basis van hernieuwbare energie en kwalitatieve WKK" van 1 april 2010 "de onderzoeksvraag betreffende de mogelijkheid de injectietarieven te schrappen niet of onvoldoende beantwoordt" (Martens), "een gemiste kans" is en "enkel een schijn van openheid uitstraalt" (Van den Bossche).
Nochtans antwoordde de CREG heel duidelijk op één van de belangrijkste juridische argumenten tegen het huidige systeem. Wat ‘aanzienlijke bijkomende kosten’ zijn en hoe die objectief vastgesteld kunnen worden is immers onduidelijk.
De CREG schrijft hierover
Op basis van de term 'belang', wordt kennelijk de situatie geviseerd waarbij het aandeel gedecentraliseerde productie dat is aangesloten op een bepaald net, té groot wordt om de vrijstelling nog langer te verantwoorden of waarbij de grootte van de installatie een aansluiting op het voorgestelde netvlak niet langer verantwoord. Een precieze drempelwaarde werd voor de begrippen 'belang' en 'aanzienlijke bijkomende kosten' evenwel niet in de wetgeving voorzien.De CREG zal dit element verder onderzoeken in een speciale werkgroep waarop de stakeholders zullen uitgenodigd worden.
Deze toestand valt moeilijk te verenigen met artikel 23.2 van de Richtlijn 2003/54/EG, dat een voldoende mate van voorspelbaarheid eist van de tarieven. Deze bepaling maakte onlangs het voorwerp uit van een arrest van het Hof van Justitie. Volgens het Hof kan de doelstelling van voorspelbaarheid slechts worden bereikt "door de vaststelling van concrete tarieven of een methode voor de berekening van de tarieven die zo nauwkeurig is dat de marktdeelnemers kunnen ramen hoeveel de toegang tot de transmissie‑ en distributienetwerken kost."
Een-tweetjes over de injectietarieven groenestroominstallaties
vrijdag 19 maart 2010
"Energieleveranciers rekenen tariefdalingen niet door"
"Energiedistributeurs rekenen tariefdalingen niet door" kopt het Belga-bericht, overgenomen door Express, waarin de CREG haar verontrusting uit dat de leveranciers de tariefdaling die het gevolg is van het tariefakkoord tussen de CREG en Fluxys, niet zouden 'doorrekenen' aan de eindafnemers.
Onze geliberaliseerde energiemarkt wordt gekenmerkt door een een driehoeksverhouding tussen de eindafnemer, de leverancier en de netbeheerder. De eindafnemer heeft een fysieke aansluiting op het distributie- of transportnet. Hiervoor betaalt hij een (veelal eenmalige) aansluitingskost. Die kost keurt de CREG goed. Met de leverancier is de eindafnemer overeengekomen dat hij elektriciteit of aardgas kan kopen. Hiervoor betaalt hij een contractueel vastgelegde prijs. Om het aardgas of de elektriciteit tot bij de eindafnemer te krijgen sluit de leverancier een overeenkomst met de netbeheerder. Hij zal ervoor zorgen dat de energie van plaats waar de leverancier die energie aangekocht heeft naar de eindafnemer zal vervoerd worden. Voor die vervoer past de netbeheerder gereguleerde (door de CREG goedgekeurde) tarieven toe. De leverancier betaalt die in eerste instantie aan de netbeheerder. Veel leveranciers bepalen in hun overeenkomsten echter dat zij die vervoerskosten kunnen doorrekenen aan de eindafnemers. Sommige leveranciers stellen voor om variaties van die kost zelf ten laste te nemen.
Als de leverancier met zijn eindafnemer zouden zijn overeengekomen om zowel de stijgingen van de nettarieven als de dalingen daarvan door te rekenen, stelt er zich bij die leverancier ten aanzien van zijn eindafnemer een contractueel probleem als hij dat niet doet. Bepaalt de overeenkomst hier niets over, lijkt de leverancier niet verplicht om lagere nettarieven aan een lager tarief door te rekenen.
In ieder geval is er geen enkele wettelijke bepaling die de leverancier er in dat geval toe verplicht om de tarieven die hij zelf contractueel betaald heeft 'één op één' door te rekenen. Het is dus ook maar de vraag of de CREG daartegen iets kan of moet doen.
Misschien wachten sommige leveranciers liever de uitkomst van de vier procedures af die ingespannen zijn tegen dat tariefakkoord van 22 december 2009 voordat zij die tarieven als definitief beschouwen. Dat deed de netbeheerder immers ook tussen juni 2008 en november 2008 toen hij lagere transittarieven moest toepassen maar weigerde dit te doen in afwachting van een arrest van het hof van beroep van Brussel.
"Energieleveranciers rekenen tariefdalingen niet door"
Injectietarieven voor elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen
Artikel 11 van het koninklijk besluit van 2 september 2008 maakt het mogelijk dat de tarieven voor het gebruik van het distributienet ook aangerekend worden voor het gebruik van het net voor installaties die gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen of via kwalitatieve WKK met een geïnstalleerd vermogen van meer dan 5 MWe, wanneer die installaties “aangesloten zijn op infrastructuurdelen waarvoor het belang van dit type eenheden aanzienlijke bijkomende kosten genereert”.
In Vlaanderen leidt die bepaling tot heel wat ongerustheid. Wat ‘aanzienlijke bijkomende kosten’ zijn en hoe die objectief vastgesteld kunnen worden is immers onduidelijk.
De nieuwe Vlaamse coalitie stelt in haar regeerakkoord: “Tevens zorgen we voor coherente aansluitings- en exploitatievoorwaarden ter ondersteuning van kwalitatieve WKK-installaties en installaties op basis van hernieuwbare energiebronnen. De ondersteuningsmaatregel bevat de nodige prikkels om de kosten voor de uitbouw en exploitatie van het net te beperken, zodat de distributienetbeheerders niet langer via een injectietarief de extra aansluitingskosten moeten verhalen, en om de omvang van de decentrale productie-installaties zo goed mogelijk af te stemmen op het verbruik ter plaatse.”
Op het overlegcomité federale overheid-gewesten verzocht het Vlaamse gewest aan de federale regering om aan de CREG een advies te vragen “betreffende de haalbaarheid van een afschaffing van of een vrijstelling voor de injectietarieven voor de installaties van hernieuwbare energieproductie en warmtekrachtkoppeling (…) en betreffende de eventuele impact op de kosten voor de verschillende types van consumenten, om tegemoet te komen aan de beleidsdoelstellingen rond de ontwikkeling van hernieuwbare energie en warmtekrachtkoppeling, met naleving van de Europese verplichtingen ter zake” en om “desgevallend, een voorstel tot wijziging van de wetsbepaling tegen het einde van het jaar, met als doel bovenvermelde tarieven te schrappen of vrij te stellen”.
De CREG zou intussen aan minister Magnette bevestigd hebben om dit advies en voorstel tegen het einde van de maand maart 2010 uit te kunnen brengen.
Tijdens de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement van 17 maart keurde die het voorstel van resolutie betreffende de injectietarieven aangerekend voor hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppelingen goed.
De resolutie van het Vlaams Parlement vraagt de Vlaamse regering om, mocht het advies van de CREG op 31 maart 2010 toch niet beschikbaar blijken, de zaak direct op de agenda van het Overlegcomité te plaatsen en er aan te dringen op een snel advies. Mocht dit geen soelaas brengen, verzoekt het Parlement met deze resolutie de Vlaamse Regering om na te gaan of er geen Vlaamse reglementering mogelijk is die een toepassing van de injectietarieven uitsluit, bv. als openbaredienstverplichting.
Het Vlaams Parlement vreest dat wanneer de DNB's geen gebruik maken van die regeling om tarieven op te leggen voor de injectie van elektriciteit uit installaties > 5 MW, de CREG die DNB's zou kunnen sanctioneren door de gemaakte kosten in mindering brengen van hun billijke vergoeding. Dat zou, volgens Bart Martens, die overigens zelf lid is van de raad van bestuur van een werkmaatschappij waarvan de leden die injectietarieven aanrekenen, "dan weer ten koste gaan van de dividenden aan de aandeelhouders, waarin ook de gemeentebesturen vertegenwoordigd zijn". Dat kan volgens hem niet de bedoeling zijn "omdat de consument dan onrechtstreeks moet betalen". Martens bedoelt waarschijnlijk dat het politiek minder haalbaar is om de minderinkomsten uit de dividenden te recupereren via gemeentebelastingen dan om de kosten voor hernieuwbare energie door te rekenen via de distributienettarieven. In beide gevallen betaalt de consument, maar in het eerste geval is er minder rechtstreekse politieke verantwoording verschuldigd.
Overigens lijkt die ganse discussie overbodig mocht men rekening houden met de mogelijkheden die de Europese richtlijn 2009/28/EG inzake hernieuwbare energiebronnen biedt: artikel 16.4 staat de lidstaten toe om regelingen te treffen waardoor de beheerders van transmissie- en distributiesystemen de kosten voor de aansluiting van installaties voor hernieuwbare energiebronnen volledig of gedeeltelijk moeten dragen.
Injectietarieven voor elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen
maandag 17 augustus 2009
Consultatie VREG Vlaamse Technische Reglementen
De VREG, de Vlaamse regulator voor de elektriciteits- en gasmarkt, houdt op dit moment een consultatie over een aantal voorstellen tot wijziging van het Vlaams Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en het Vlaams Technisch Reglement Distributie Aardgas.
Het voorstel voert een aantal aanpassingen door die het technische reglement moeten conformeren aan de juridische realiteit:
- het reglement verwijst nog niet naar het Energiedecreet, dat nog niet in werking is getreden;
- de voorgestelde lijst met definities bevat geen definities meer die in het Elektriciteitsdecreet zijn opgenomen;
- het reglement verwijst niet langer naar directe lijnen of privénetten: die situaties zijn nog niet decretaal geregeld;
De VREG stelt ook voor dat de distributienetbeheerder de modelcontracten, reglementen, technische voorschriften, procedures en formulieren "ter kennis en commentaar" aan de VREG moeten voorleggen. Doen de DNB's dit niet uiterlijk twee maanden voor hun goedkeuring, zouden die documenten volgens de VREG niet in werking kunnen treden.
Het ontwerpreglement heeft ook grote aandacht voor het groeiend aantal decentrale productie-eenheden. Zo meent de VREG dat zij de aanvullende reglementen die de DNBs zouden aannemen voor kleine decentrale productie-eenheden (spanning lager dan 30 kV) "moet goedkeuren, gezien de recente discussies tussen producenten en netbeheerders over de aansluiting van decentrale productie op het net".
Bij weigering door de netbeheerder om een netgebruiker aan te sluiten op het distributienet zou een beroepsprocedure uitgewerkt worden, in overeenstemming met de bepalingen van de Elektriciteitsrichtlijn.
Consultatie VREG Vlaamse Technische Reglementen
woensdag 4 februari 2009
Zonnepanelen en het distributienet
Vlaams volksvertegenwoordiger Schauvliege kreeg midden januari een antwoord van minister Crevits op haar schriftelijke vraag wat de technische gevolgen en moeilijkheden zijn van het toenemend aantal zonnepanelen in Vlaanderen.
De minister erkende dat de distributienetbeheerders bij de VREG al hebben gesignaleerd dat de grote toevloed aan PV-installaties op de laagspanningsnetten inderdaad enkele technische problemen voor de netspanning en de netveiligheid met zich meebrengt.
Het Vlaams Technisch Reglement Distributie Elektriciteit verplicht de DNB's in artikel Netspanning: netbeheerders hebben de taak om erover te waken dat de netspanning voor alle netgebruikers niet afwijkt van de nominale spanning (meestal 230 V), rekening houdend met een tolerantie-marge. Een slechte spanningskwaliteit kan hinder bij de netgebruikers veroorzaken.
De aanwezigheid van PV-installaties verandert het spanningsverloop langs een distributiekabel: op de momenten van productie stijgt de spanning in de omgeving van de PV-installaties. Wanneer de PV-installaties dan weer minder elektriciteit produceren (‘s avonds en ‘s nachts ) daalt de spanning opnieuw naar het oorspronkelijke niveau.
"Om dus op elk moment de netspanning op elke plaats binnen de tolerantiegrenzen te houden, zouden dus de transformatorinstellingen in de verdeelpunten voortdurend moeten bijgesteld worden", stelt de minister.
Ook voor de netveiligheid moet het verwachtingspatroon van eigenaars van zonnepanelen bijgesteld worden:
"Op sommige momenten is het onvermijdelijk dat de distributienetbeheerder een deel van het distributienet voor korte tijd spanningsloos zet, om noodzakelijke onderhoudswerken uit te voeren aan de distributiekabels. Wanneer op de afgeschakelde distributie-kabel PV-installaties zijn aangesloten, moeten deze dan ook automatisch uitschakelen. In geval van stroompannes kan de netgebruiker ook geen elektriciteit krijgen van zijn PV-installatie."
De netbeheerders hebben aan de VREG, CWaPE en Brugel een nieuw voorstel van aansluitingsvoorwaarden voor productie-installaties op laag- en middenspanningsnetten gedaan. De herziening van deze aansluitvoorwaarden moet voor de minister leiden tot meer mogelijkheden om productie-installaties aan te sluiten.
De VREG heeft, na consultatie van de sector, wel vastgesteld dat de voorgestelde wijzigingen toch een tamelijk grote verandering betekenen ten opzichte van de huidige aansluitingsvoorwaarden.
Zonnepanelen en het distributienet
donderdag 9 oktober 2008
Toegang en aansluiting in de Europese richtlijnen
In een arrest van vandaag maakt het Hof van Justitie duidelijk dat de Europese richtlijnen enkel de de vrije toegang tot de netten garanderen. Op welk net men aangesloten kan worden, bepalen de richtlijnen niet. Het staat de lidstaten dus vrij om op basis van objectieve criteria bepaalde afnemers te verplichten aan te sluiten op een distributie- of een transmissienet.
Toegang en aansluiting in de Europese richtlijnen