vrijdag 14 december 2018
Gesloten distributiesystemen en directe lijnen – een stilzwijgende goedkeuring voor het ene en niet voor de andere
vrijdag 23 november 2018
Directe lijnen die de grenzen van de eigen "site" niet overschrijden - nieuwe regeling
Het Vlaams Parlement nam op 16 november 2018 het decreet tot wijziging van het Energiedecreet wat betreft directe lijnen en leidingen aan.
De nieuwe regeling omvat twee luiken: meer administratieve verplichtingen voor de directe lijnen die de grenzen van de eigen "site" niet overschrijden en minder stringente voorwaarden voor de directe lijnen die die grenzen wel overschrijden, gekoppeld aan de verplichting om een heffing te betalen.
Voor de wijziging was de aanleg van een directe lijn of leiding op eigen terrein toegelaten. Er waren geen voorwaarden. Er waren geen formaliteiten te vervullen.
Na de wijziging zal een nieuwe beheerder van een directe lijn of leiding op eigen terrein die lijn of leiding moeten melden aan de netbeheerder (als de installaties aangesloten zijn op het net) of aan de VREG (bij eilandwerking). Hij moet dat doen binnen de dertig dagen na de aanleg.
Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het de bedoeling van de decreetgever is om na te kunnen gaan of de directe lijn of leiding wel degelijk enkel op de eigen "site" ligt. De VREG kan op basis van de meldingen "nagaan of de eigen site toch niet wordt overschreden". In zijn advies liet de VREG echter al heel duidelijk blijken dat ze niet van zin is om hier veel tijd in te steken ("Dit zal qua werklast niet haalbaar zijn, noch prioritair voor de VREG.").
Ook betwijfelde hij of hij dit sowieso wel kon nagaan: "Dit valt echter sterk te betwijfelen, tenzij de melding bij de netbeheerder gepaard gaat met gegevens over de ligging van het geheel (plan met aanduiding van kadastrale percelen) alsook de rechten op die percelen (eigendom, opstal of concessie) en in wiens handen die rechten zijn. Zonder kennis van die gegevens is er immers geen beoordeling te maken van de ligging van de directe lijn al dan niet op ‘eigen site’."
Het niet-melden van de directe lijnen op eigen site kan volgens de decreetgever "in bepaalde gevallen worden beschouwd als zijnde energiefraude". Dit is gênant: de (overigens veel te verregaande) regeling over energiefraude doelt op handelingen die een onrechtmatig voordeel beogen. Het niet-melden beoogt geen onrechtmatig voordeel; het onrechtmatige voordeel ligt hem in de aanleg van een directe lijn die de grenzen van de eigen site wel overschrijdt en waarvoor geen toelating gevraagd wordt. Het niet-melden kan een indicatie zijn van de bedoeling om een onrechtmatig voordeel te verkrijgen, maar leidt niet tot het onrechtmatige voordeel zelf.
En (volledig terzijde): een "site" heeft volgens Van Dale drie betekenissen: (1) vestigingsplaats, locatie, (2) verkorting van website en (3) archeologisch opgravingsterrein. Een vestigingsplaats is een plaats waar een bedrijf of een beroepsbeoefenaar gevestigd is. Volgens het Algemeen Nederlands Woordenboek is een site (vooral in België) "een terrein waar aan opgravingen wordt gedaan of waarop gebouwd wordt; opgravingsterrein; bouwterrein". De decreetgever zou dus beter kiezen voor het woord "terrein": "(1) een stuk grond".
Directe lijnen die de grenzen van de eigen "site" niet overschrijden - nieuwe regeling
donderdag 26 juli 2018
Blixt betrokken bij de bouw van het grootste PV-park van de Benelux
Het afgelopen jaar hebben de Limburgse Reconversiemaatschappij LRM, de stad Lommel en Nyrstar heel hard gewerkt aan een zeer ambitieus project: de bouw en de exploitatie van het grootste zonnepanelenpark van de Benelux (99 MWp). In het najaar van 2017 hadden wij de grote eer om hieraan mee te mogen werken. We onderzochten de mogelijkheden voor de aanleg van een directe lijn, volgden de regulatoire voorwaarden op voor de toekenning van de groenestroomcertificaten en begeleidden het steering committee bij de keuze van de meest aangewezen EPC-contractor. Eind april stelde LRM Stibbe aan als transaction counsel om de financiering en de EPC contracten verder vorm te geven. Wij bleven betrokken bij het opstellen van de leveringsovereenkomst (PPA) en de overeenkomst voor de aansluiting op de installaties van Nyrstar. Daarbij werkten we nauw samen met Marthe Maselis en Cedric Degreef van Stibbe.
Wij zijn heel blij dat begin juni alle contracten ondertekend zijn. We begroeten ook de beslissing van minister Tommelein om de definitieve bandingfactor voor het project vast te leggen.
We zijn heel trots om een groot deel van het traject samen met Theo Donné (CFO, LRM), Nathalie Roosen (finance, LRM), Karel Byl (legal, LRM), Harry Denis (Nyrstar), Sven Verwimp (Nyrstar), Ronny Vanhoof en Rob Reynders(stad Lommel), en de technische adviseurs van 3E (Santiago Estrada en Habib Rahme) te hebben afgelegd. Dit project was er niet gekomen zonder de geestdriftige aansturing van Luc Driesen (projectmanager, LRM).
Wij hopen dat alle betrokken partijen (LRM, Lommel, Nyrstar, Engie Fabricom en ING) zeer goed zullen blijven samenwerken opdat er binnen een dik jaar de eerste kW groene stroom zal opgewekt kunnen worden. Wij hebben er alle vertrouwen in dat er geen advocaten meer zullen moeten tussenkomen.
Voor meer informatie over het project, zie http://www.tommelein.com/bouw-grootste-zonnepark-van-de-benelux-start-in-oktober/
Blixt betrokken bij de bouw van het grootste PV-park van de Benelux
dinsdag 14 maart 2017
Sites en kadastrale percelen bij directe lijnen: what's in a name
Voor de aanleg van een nieuwe directe lijn of leiding of een nieuw gesloten distributienet die de grenzen van de eigen “site” overschrijden, moet de initiatiefnemer een voorafgaande vergunning van de VREG verkrijgen.
Het Energiedecreet omschrijft de “eigen site” als “het kadastrale perceel of de aansluitende kadastrale percelen van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon als eigenaar, opstalhouder of concessiehouder” (artikel 1.1.3 Energiedecreet).
In zijn beslissingen over aanvragen voor nieuwe directe lijnen schrijft de VREG: “Dat immers, naast de kadastrale percelen in eigendom van de Afnemer [] ook een openbare weg betrokken is zodat een perceel betrokken is dat geen kadastraal perceel is, zodat geen sprake kan zijn van aaneensluitende kadastrale percelen.” In een voetnoot volgt dan “Openbare wegen, waterlopen, enz. zijn ongenummerde percelen. Ongenummerde percelen zijn geen kadastrale percelen, want elk kadastraal perceel draagt per definitie een kadastraal perceelnummer waarmee het kadastraal geïdentificeerd kan worden, en waarmee het opgenomen kan worden in de alfanumerieke database en waardoor er een kadastraal inkomen aan kan worden toegekend.”
Zowel bij de term “eigen site” als bij de invulling van “kadastrale percelen” kan men kanttekeningen plaatsen.
Volgens Van Dale is een “site” een woord afkomstig uit het Frans of het Engels, met als eerste betekenis een “vestigingsplaats, locatie”, verwijzend naar website. Belgische-Nederlands is de betekenis ook “archeologisch opgravingsterrein”. In het Frans betekent “site” “paysage [considéré du point de vue de l'esthétique, du pittoresque]” of “configuration du lieu, du terrain où s'élève une ville, manière dont elle est située [considérée du point de vue de son utilisation par l'homme: communications, facilités de développement]”. Andere betekenissen zijn minder relevant. In het Engels betekent “site” “an area of ground on which a town, building, or monument is constructed” of “a place where a particular event or activity is occurring or has occurred”.
“Eigen site”, in de betekenis van aaneensluitende stukken grond, is dus eigenlijk geen deftig Nederlands.
Over het Kadaster verscheen bij Intersentia in 2016 een prachtig boek onder hoofdredactie van Robert Palmans en professor Marc Boes.
In hun bijdrage over “De aanwending van het kadaster en de kadastrale informatie in het Belgische recht” schrijven professor Ruud Jansen en notaris Pieter-Jan De Decker dat “de overheid het kadaster aanwendt voor allerhande functies die niet overeenstemmen met de oorspronkelijke functie van het kadaster, noch met de opbouw en het juridisch karakter ervan”.
De auteurs schrijven:
“Het kadaster vervult in het huidige fiscale recht een voorname rol bij de belastingheffing op de inkomsten van onroerende goederen. Dit stemt overeen met zijn historische functie. Het uitgangspunt in het fiscale recht is dat de belasting op de onroerende inkomsten wordt bepaald aan de hand van het kadastrale inkomen. Het kadastrale inkomen wordt vastgesteld voor alle gebouwde en ongebouwde onroerende goederen in België, alsmede voor het materieel en de outillage die onroerend zijn van nature of door bestemming (art. 471, § 1 WIB 1992). Het openbare domein en daarmee gelijkgestelde onroerende goederen (bv. spoorwegbeddingen) zijn uitgesloten. Het kadastrale inkomen vormt de forfaitair geraamde netto-opbrengst van dergelijk onroerend goed op één jaar (art. 471, § 2 WIB 1992). Het kadastraal inkomen geeft dus aan wat de normale opbrengst (uit bv. verhuring) is van een onroerend goed op een welbepaald referentietijdstip."De vaststelling van het kadastraal inkomen gebeurt voor ieder perceel ('kadastraal' perceel) eenzijdig door de administratie van het kadaster (art. 472, § 1 WIB 1992). Ieder kadastraal perceel is een deel van het grondgebied met eenzelfde gebruik dat aan een afzonderlijke eigenaar (of groep eigenaars) toekomt.
Op basis van de vaststelling dat “de oorspronkelijke ordening van het kadaster niet op tegensprekelijke wijze tot stand gekomen is”, schrijven de auteurs dat “de ordening van het kadaster dan ook geen ordening [is] die rechtsgevolgen kan teweegbrengen op de rechten van de verschillende grondeigenaars”: “De kadastrale omschrijving van een perceel geeft met andere woorden niet op onaantastbare wijze de grenzen en de oppervlakte van een perceel weer.”
De auteurs besluiten algemeen:
“Vandaag is het kadaster niets anders dan een gegevensbank van de federale overheid financiën waarin gegevens worden verzameld over onroerende goederen met het oog op de inning van belastingen op onroerend goed. (…) [Het andere] gebruik van het kadaster roept (…) fundamentele vragen op. De meest fundamentele vraag is of de gegevens uit het kadaster nauwkeurig genoeg zijn om deze rol aan het kadaster toe te kennen. Deze vraag moet negatief beantwoord worden. De gegevens uit het kadaster omtrent de burgerrechtelijke karakteristieken van een onroerend goed (de identiteit van de eigenaar, de perceelconfiguratie, de oppervlakte enz.) worden slechts op indirecte wijze doorgegeven aan het kadaster, zodat deze gegevensbank nimmer actueel is, en het gevaar loopt dat er foute gegevens worden ingebracht. Om die redenen moet men zeer omzichtig zijn met het gebruik van het kadaster. Het gevaar is dat men bij het nemen van beslissingen, het beslechten van geschillen en het geven van informatie niet verder zal gaan dan wat die gegevensbank aanduidt, en amper nog nagaat op welke wijze deze gegevens (al dan niet op correcte wijze) in de gegevensbank terechtgekomen zijn.”In hun bijdrage “De waarde van kadastrale gegevens” geven Robert Palmans en Ruth Moors een gedetailleerd casuïstisch bewijs van de voorgaande stelling. Openbare wegen met kadastrale nummers, buurtwegen of straten die niet vermeld staat in het kadaster (maar er wel zijn), beken en rivieren die niet meer stromen waar ze stroomden, maar wel opgenomen zijn in het kadaster, percelen grond die volgens het kadaster niet grenzen aan een openbare weg maar aan een niet meer bestaande beekbedding, verlegde buurtwegen, … Daarenboven blijkt uit het overzicht dat het feit dat een (deel van een) perceel een kadastraal nummer heeft, geen uitsluitsel kan geven over de vraag of de percelen “aaneensluitend” zijn. Immers, het kadastraal perceel kan rijken tot het midden van een nieuw aangelegde openbare weg en onder die weg aansluiten op een ander perceel.
Enkel en alleen op basis van een actuele kaart (bv. Google Maps of Bing Maps) vaststellen dat er een (openbare) weg ligt tussen twee percelen is dan ook niet voldoende om te besluiten dat er geen sprake is van aansluitende kadastrale percelen. Anderzijds kan men ook uit het kadaster niet afleiden of twee percelen aaneensluitend zijn als die, volgens het kadaster, maar anders dan in de realiteit, doorkruist worden door een ongenummerd perceel van een opgeheven buurtweg.
Sites en kadastrale percelen bij directe lijnen: what's in a name
woensdag 25 januari 2017
Laat meer directe lijnen toe, nu al!
Het Belgische Parlement liberaliseerde met de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening de jonge elektriciteitsmarkt in België. De wet maakt ook een einde aan de monopolies van de gemeenten. Elektriciteitsproducenten konden voortaan hun centrales onderling koppelen. Gemeenten konden niet langer beletten dat industriëlen twee vestigingen, gelegen aan weerszijden van een openbare weg, met elkaar zouden verbinden.
Eind 2016 fnuiken de regels opnieuw de mogelijkheid tot het exploiteren en optimaal gebruiken van decentrale productie-installaties.
Onderneming A is eigenaar van een gebouw 1 aan ene zijde van een openbare weg, de Industrielaan. Aan de gene zijde bouwt A een nieuw gebouw 2. Bij gebouw 1 wil A een WKK-installatie bouwen; bij gebouw 2 een PV-installatie. A wil de twee gebouwen en de twee installaties koppelen via een directe lijn.
Op basis van artikel 4.5.1 Energiedecreet vraagt A voor de aanleg van die directe lijn van de VREG een “voorafgaande toelating”.
De VREG weigert op 14 december 2016 om die voorafgaande toelating te geven.
Bij de beoordeling van zulke aanvraag houdt de VREG, volgens de decreetgever, rekening “met de risico's inzake inefficiëntie, de risico's inzake veiligheid, de impact op de nettarieven, de waarborg van de rechten van afnemers, de eventuele weigering van aansluiting op het net door de betrokken netbeheerder of een gebrek aan aanbod tot aansluiting of toegang op het net tegen redelijke economische of technische voorwaarden” (artikel 4.5.1, derde lid, Energiedecreet).
De VREG aanvaardt dat rechten van de afnemer gewaarborgd zijn, dat er geen impact op de nettarieven is die niet louter inherent is, en er een beheersbaar veiligheidsrisico is. Wel meent de VREG dat de aanleg en exploitatie van deze directe lijnen een risico op inefficiënte uitbouw en exploitatie van het distributienet teweegbrengen, temeer er geen weigering van een aansluiting op het net door de betrokken netbeheerder, noch een gebrek aan aanbod tot aansluiting of toegang op het net tegen redelijke economische of technische voorwaarden, voorligt.
De veiligheidsrisico’s zijn volgens de VREG te ondervangen “mits het bepalen van specifieke voorwaarden, zoals technische specificaties van het materiaal en configuratie, en afspraken met betrekking tot beheers- en exploitatietaken, zoals, bijvoorbeeld, inzake het toegangsrecht van de distributienetbeheerder tot de (kop)cabines van de producent en Afnemer”.
De VREG stelt dus vast dat de afnemer de te betalen nettarieven kan beperken, en de netbeheerder de bijdrage in zijn kosten voor het netbeheer en de ODV ziet dalen. Die situatie is niet anders door het gebruiken van een directe lijn als wanneer een afnemer zelf, zonder directe lijn, een eigen productie-installatie in gebruik neemt.
Door de aanleg van de directe lijn zal de afnemer “alle rechten die voortkomen uit een rechtstreekse toegang tot het distributienet” behouden, oordeelt de VREG. Zijn rechten als afnemer zijn dan ook gevrijwaard.
De VREG stelt vast dat de bestaande gebouwen van A aangesloten zijn op het distributienet. Ook het nieuwe gebouw is aansluitbaar op het distributienet. De distributienetbeheerder kan zowel de WKK- als de PV-installatie aansluiten op zijn net. De VREG stelt daarenboven vast dat de aanvrager beweert noch aantoont dat voorwaarden in het aanbod tot aansluiting technisch of economisch onredelijk zouden zijn.
Over de risico's inzake inefficiëntie herhaalde de VREG dat “omwille van een efficiënte uitbouw en exploitatie van het distributienet de aanleg van parallelle distributienetten vermeden moet worden en gewaarborgd moet worden dat het bestaande distributienet zo efficiënt mogelijk gebruikt wordt”.
De uitbouw en de exploitatie van de distributienetten vergen grote investeringen. Volgens de VREG wijst de tendens naar schaalvergroting (creatie van werkmaatschappijen, het opgaan van gemeentelijke regies in grotere netbeheerders) erop dat deze investeringen aanzienlijk zijn.
Gebouw A1 is aangesloten op het distributienet. Dat middenspanningsnet heeft voldoende capaciteit voor het verwachte productievermogen van de WKK-installatie. Gebouw 2 met de PV-installatie is ook aansluitbaar op het distributienet.
De DNB kan dus beide gebouwen met de onderscheiden productie-installaties apart aansluiten op het distributienet. Op elk ogenblik zijn de volledige gevraagde afname- en injectievermogens beschikbaar.
De VREG verwacht een lage afnamevraag voor gebouw B. Door het feit dat de PV-installatie op gebouw 2 zou gekoppeld zijn met gebouw 1, zal er ook weinig injectie zijn van de elektriciteit van die installatie op het distributienet. Door de beide installaties zal er hoe dan ook minder afname van het middenspanningsnet plaatsvinden. De VREG stelt echter vast dat de afnemer “op het elektriciteitsdistributienet aangesloten blijft voor het totale afname- én injectievermogen, dat gegarandeerd blijft”.
Daaruit leidt de VREG af dat “de aanleg van dit concept met directe lijnen bijgevolg het inefficiënte gebruik van het distributienet impliceert”. Dat inefficiënte gebruik wordt niet gecompenseerd door netefficiëntiewinst in termen van vrijgekomen capaciteit of vermeden netverliezen.
Volgens mij haalt de VREG hier twee elementen dooreen.
In een Industrielaan (Olen, Hoeselt, Sint-Truiden, Maldegem, Schoten, Eeklo, Aalst, Maasmechelen, Waregem, Overpelt, Torhout, Menen, ...) zal er zonder enige twijfel een distributienet zijn aangelegd. Op basis van de verkavelingsvoorschriften rond die Industrielaan, hield de netbeheerder rekening met de meest waarschijnlijke capaciteitsvraag van de activiteiten die men zou ontwikkelen. Of die voorziene capaciteit dan optimaal benut wordt, hangt af van de bezettingsgraad van die Industrielaan. Als nog niet alle kavels bebouwd zijn, zal er meer capaciteit beschikbaar zijn dan nodig. Als uiteindelijk zou blijken dat de beoogde benuttingsgraad nooit behaald wordt, kan de distributienetbeheerder zijn distributienet nooit efficiënt benutten. Zij kan moeilijk de ontwikkelaar dwingen om zelf activiteiten te ontplooien die een efficiënt van het net gebruik mogelijk maken. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de ondernemer in kwestie. Als die nu zou besluiten om het gebouw 2, met zijn weliswaar beperkte elektriciteitsverbruik, niet te bouwen, zal het distributienet ook minder efficiënt gebruikt worden dan voorzien. De ondernemer kan men echter niet dwingen om elektriciteit af te nemen. En als de ondernemer - hopelijk niet - failliet zou gaan en er geen overnemer gevonden wordt, kan de distributienetbeheerder het inefficiënte netgebruik door dat faillissement niet vermijden.
Daarnaast stelt de VREG, terecht, dat de beide gebouwen op het distributienet aangesloten blijven “voor het totale afname- én injectievermogen, dat gegarandeerd blijft”. Als de WKK-installatie in revisie gaat op een dag dat de zon niet schijnt, zal de ondernemer dus tot zijn aansluitingsvermogen elektriciteit kunnen afnemen van het distributienet. Potentieel kan het distributienet, ondanks de directe lijn, dus wel degelijk efficiënt benut worden.
Tot slot: als de ondernemer twee gronden naast elkaar zou hebben, zou de aanleg van de directe lijn niet kunnen geweigerd worden. Het argument van het inefficiënte gebruik van het distributienet is dus niet overtuigend.
Met de beoogde invoering van het capaciteitstarief wil de VREG juist dat alle netgebruikers, ongeacht hun afname of injectie, tarieven zouden betalen voor het maximale vermogen dat zij zouden hebben. Het tarief is dus niet langer afhankelijk van het (in)efficiënt (lees: voldoende) gebruik van het net, maar van het theoretische vermogen.
Deze beslissing is zelf inefficiënt. Zij houdt immers geen rekening met mogelijke toekomstige regulatoire veranderingen en al helemaal niet met voorgenomen wijzigingen. Tegelijk geeft ze, net zoals de gemeenten dat deden voor 1925, een slecht signaal voor investeringen in decentrale productie-installaties.
Laat meer directe lijnen toe, nu al!
vrijdag 6 mei 2011
Presentatie OVED-studienamiddag over energiewetgeving in 2010-2011
Volgende presentatie gaf ik op de OVED-studienamiddag van 5 mei 2011.
Presentatie OVED-studienamiddag over energiewetgeving in 2010-2011
woensdag 8 december 2010
Publicatie Energiebesluit – Inwerkingtreding Energiedecreet
Met de publicatie in het Belgisch Staatsblad van het Energiebesluit (besluit van de Vlaamse regering van 19 november 2010) zal ook het Energiedecreet (decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid) op 1 januari 2011 (eindelijk) in werking treden.
Opvallend is wel dat er twee bepalingen van dat Energiedecreet nog niet in werking zullen treden op 1 januari, maar op een datum die later bepaald zal worden door de Vlaamse regering: titel XIV van het Energiedecreet (over de heffing op de exploitatie van een distributienet of het plaatselijke vervoernet van elektriciteit in het Vlaamse Gewest) en artikel 15.2.1, 1°, Energiedecreet.
Die laatste bepaling heft de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening op. Mocht die bepaling ook op 1 januari 2011 in werking treden, waardoor de wet van 10 maart 1925 niet langer zou gelden in het Vlaamse Gewest, zou dit een hypotheek leggen op de uitbouw van de distributienetten. Het Energiedecreet noch het Energiebesluit bevatten enige regeling over het gebruik van het openbaar domein of van private eigendommen voor de aanleg van lijnen of leidingen of voor de uitbouw van distributienetten of plaatselijke vervoersnetten. Het behoud van de wet van 10 maart 1925 laat minstens toe om het openbaar domein of (delen van) private eigendom te gebruiken zonder dat er een instemming hoeft te zijn van de beheerder van dat openbaar domein of van de eigenaar van die private eigendom.
Verrassend is dan dat met het Energiebesluit alle uitvoeringsbesluiten van de wet van 10 maart 1925 wel opgeheven worden op 1 januari 2010 (artikel 12.2.1, § 2), waaronder het koninklijk besluit van 27 augustus 1925 op de elektriciteitsvoorziening - verklaring van openbaar nut en het koninklijk besluit van 26 november 1973 betreffende de wegvergunningen.
Voor de distributienetbeheerders die intergemeentelijke samenwerkingsverbanden zijn of die gemeentelijke regies zijn, is de opheffing van die federale bepalingen nog altijd problematisch. Artikel 13 van de wet van 10 maart 1925 geeft de gemeenten en de verenigingen van gemeenten weliswaar het recht op het openbaar domein, van welke overheid die ook afhangt, te gebruiken. Artikel 14 geeft eenzelfde recht aan de gemeenten (maar niet aan de verenigingen van gemeenten) voor het gebruik van private eigendom voor het verankeren van bovengrondse lijnen aan huisgevels en voor het inkorten van bomen. Elia heeft, als distributienetbeheerder, dezelfde rechten.
Maar het bovengrondse of ondergrondse kruisen van private eigendommen door distributienetbeheerders of door Elia (voor lijnen met een spanningsniveau tot en met 70 kV) zal niet langer kunnen. Artikel 15 van de wet van 10 maart 1925 maakt die mogelijkheid afhankelijk van een verklaring van openbaar nut. Door het opheffen van het koninklijk besluit van 27 augustus 1925 is er geen procedure meer voorhanden om zulke verklaring van openbaar nut af te leveren.
Het intrekken van het koninklijk besluit van 26 november 1973 leidt er ook toe dat een private onderneming zich niet langer zou kunnen beroepen op de mogelijkheid bepaald in artikel 10, b) van de wet van 10 maart 1925 dat het afleveren van wegenisvergunningen mogelijk maakt “om een nijverheids- of landbouwbedrijf toe te laten, voor eigen gebruik, zijn onderscheiden bedrijfszetels met zijn elektrische centrale te verbinden”.
Tot slot: het Energiebesluit bevat geen enkele bepaling die het mogelijk maakt om directe lijnen of leidingen aan te leggen. Artikel 4.5.1 Energiedecreet bepaalt immers dat de Vlaamse regering de aanleg van een directe lijn en een directe leiding afhankelijk kan maken van het bekomen van een voorafgaandelijke toelating, waarvoor zij de nadere toepassingsregels, procedures en criteria nog moet vaststellen. Nochtans had de aanleg van directe lijnen en leidingen al moeten geregeld zijn sinds de omzetting van de tweede elektriciteits- en gasrichtlijnen.
Publicatie Energiebesluit – Inwerkingtreding Energiedecreet
vrijdag 15 oktober 2010
Blixt op VIB Studiedag "Aankoop van energie"
Afgelopen dinsdag gaf Tim Vermeir een lezing over een juridische aspecten voor verantwoordelijken voor de aankoop van energie. De presentatie vindt u hier.
Blixt op VIB Studiedag "Aankoop van energie"
woensdag 10 maart 2010
Gesloten distributiesystemen - zijn de gewesten bevoegd?
Tijdens de vergadering van de commissie voor woonbeleid, stedelijk beleid en energie van 4 maart jl. verklaarde minister Freya Van den Bossche dat in uitvoering van het derde pakket "extra bepalingen in de Vlaamse energiewetgeving zullen moeten worden opgenomen, onder meer met betrekking tot gesloten distributiesystemen en directe leidingen, en met betrekking tot de onafhankelijkheid, de rol en de taken van de regulator, de VREG".
De minister "verwacht van de administratie een overzicht van de precieze aanpassingen die moeten gebeuren, op basis van de analyse die ze nu maken".
Gesloten distributiesystemen - zijn de gewesten bevoegd?
maandag 16 november 2009
Directe lijnen, private netten en closed distribution systems
Op uitnodiging van de Nederlandse Vereniging voor Energierecht (NeVER) en de Vlaamse Vereniging voor Energierecht (Vlaver) spreek ik 15 december ek. in Rotterdam over private netten (closed distribution systems) en directe lijnen en leidingen in België.
Directe lijnen, private netten en closed distribution systems
dinsdag 18 augustus 2009
Privénetten en directe leidingen in het Vlaams regeerakkoord
De Vlaamse coalitiepartijen kwamen in het regeerakkoord overeen "het Europees energiepakket worden de elektriciteit- en aardgasrichtlijnen tijdig en terdege omgezet in Vlaamse regelgeving, met bijzondere aandacht voor privénetten en directe lijnen en leidingen".
In het document "Uitdagingen en ontwikkelingen op vlak van de energiemarkt in Vlaanderen en het Vlaamse energiebeleid tijdens de komende legislatuur" drong de VREG erop aan dat "de bouw van nieuwe privénetten, directe lijnen en directe leidingen beperkt moet blijven tot projecten die een duidelijke maatschappelijke meerwaarde bieden". Voor de VREG moet freeridergedrag (het ontwijken van de transmissie- of distributietarieven vermeden worden).
Privénetten en directe leidingen in het Vlaams regeerakkoord
maandag 17 augustus 2009
Consultatie VREG Vlaamse Technische Reglementen
De VREG, de Vlaamse regulator voor de elektriciteits- en gasmarkt, houdt op dit moment een consultatie over een aantal voorstellen tot wijziging van het Vlaams Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en het Vlaams Technisch Reglement Distributie Aardgas.
Het voorstel voert een aantal aanpassingen door die het technische reglement moeten conformeren aan de juridische realiteit:
- het reglement verwijst nog niet naar het Energiedecreet, dat nog niet in werking is getreden;
- de voorgestelde lijst met definities bevat geen definities meer die in het Elektriciteitsdecreet zijn opgenomen;
- het reglement verwijst niet langer naar directe lijnen of privénetten: die situaties zijn nog niet decretaal geregeld;
De VREG stelt ook voor dat de distributienetbeheerder de modelcontracten, reglementen, technische voorschriften, procedures en formulieren "ter kennis en commentaar" aan de VREG moeten voorleggen. Doen de DNB's dit niet uiterlijk twee maanden voor hun goedkeuring, zouden die documenten volgens de VREG niet in werking kunnen treden.
Het ontwerpreglement heeft ook grote aandacht voor het groeiend aantal decentrale productie-eenheden. Zo meent de VREG dat zij de aanvullende reglementen die de DNBs zouden aannemen voor kleine decentrale productie-eenheden (spanning lager dan 30 kV) "moet goedkeuren, gezien de recente discussies tussen producenten en netbeheerders over de aansluiting van decentrale productie op het net".
Bij weigering door de netbeheerder om een netgebruiker aan te sluiten op het distributienet zou een beroepsprocedure uitgewerkt worden, in overeenstemming met de bepalingen van de Elektriciteitsrichtlijn.
Consultatie VREG Vlaamse Technische Reglementen
woensdag 27 mei 2009
De minister van energie en private netten
Federaal volksvertegenwoordiger Tinne Van der Straeten ondervroeg minister Magnette afgelopen dinsdag over de problematiek van de private netten. Van der Straeten wou onder andere te weten komen wie volgens de minister bevoegd is met betrekking tot private netten, hoe het citiworks-arrest moet worden geïnterpreteerd, wat de mening van de CREG is en hoe België denkt artikel 27bis van het derde pakket, zoals goedgekeurd door het Europees Parlement te moeten omzetten.
Magnette antwoordde als volgt (integrale weergave):
"Mijnheer de voorzitter, mevrouw Van der Straeten, zoals u in uw vraag reeds aanhaalde, bevinden de private netten zich op federaal en gewestelijk niveau. Overleg met de Gewesten is dus onontbeerlijk, eerst en vooral om te bepalen wat private netten zijn en hoe zij moeten worden beheerd. Ik zal mijn administratie bijgevolg vragen daaromtrent een overleg te plannen.
Het Citiworks-arrest stelt duidelijk dat private netten derdentoegang mogelijk moeten maken en dat de keuze van leverancier vrij is.
Ik zal in het licht van het overleg dat ik mijn administratie zal opdragen te plannen, een advies aan de CREG vragen en haar tevens vragen de kwestie met de regionale regulatoren te bespreken.
In de uitvoering van het derde energiepakket zullen uiteraard het resultaat van het overleg en het advies van de regulatoren mee in overweging worden genomen."
De minister van energie en private netten
vrijdag 8 februari 2008
Directe leidingen
De Juridat-website van het Ministerie van Justitie publiceerde het arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen van 17 oktober 2007 over de aanleg en exploitatie van de directe aardgasleiding tussen de Nederlandse grens en de site van BASF Antwerpen door WINGAS.
Fluxys vorderde de stopzetting van de exploitatie van deze directe leiding door WINGAS, hierbij o.a. verwijzend naar haar eigen wettelijke verplichtingen en de financiële implicaties ervan en naar de handhaving van haar monopoliepositie als enig beheerder van het nationale gasvervoernet.
Het Hof oordeelde dat de vordering van Fluxys ontvankelijk (in tegenstelling tot het vonnis in eerste aanleg), maar ongegrond was .
Directe leidingen