In het Belgisch Staatsblad van 15 januari 2013 verschenen koninklijke besluiten met de toegelaten indexeringsparameters die een leverancier van elektriciteit of aardgas toelaten om de variabele contracten vier keer per jaar te indexeren.
Voor aardgas geldt:
1° De indexeringsparameters veranderen alleen in functie van de evolutie van de werkelijke bevoorradingskosten (dus niet personeelskosten, afschrijvingen of exploitatiekosten) van de leverancier;
2° Uit de omschrijving van de parameters ('hun naam') moet duidelijk zijn op basis van welke elementen deze parameters zijn berekend;
3° De parameters worden uitsluitend berekend op basis van beursnoteringen van de Centraal West-Europese gasmarkt;
4° Als de leverancier aan de CREG kan aantonen dat zijn werkelijke bevoorrading bestaat uit gas waarvan de indexatie tenminste gedeeltelijk gebeurt op basis van de aardolie-index, bepaalt de indexeringsformule een maximaal percentage dat vermenigvuldigd wordt met de beursnoteringen op de Europese aardoliemarkt. Dit maximaal percentage bedraagt 50 % voor het jaar 2013, 35 % voor het jaar 2014 en 0 % vanaf het jaar 2015. De leverancier moet het deel van de variabele gasprijs dat nog olie-geïndexeerd is duidelijk en afzonderlijk aangeven op de contractoffertes en op de jaarlijkse factuur en/of de regularisatiefactuur;
5° De parameters moeten zich baseren op transparante, objectieve en door de CREG controleerbare gegevens of noteringen, die worden gepubliceerd door beurzen of erkende noteringsorganismen.
Voor elektriciteit geldt:
1° De parameters mogen alleen veranderen in functie van de evolutie van de werkelijke bevoorradingskosten van de leverancier. De leverancier kan dus niet de evolutie van de personeelskosten, de afschrijvingen of de exploitatiekosten meerekenen;
2° Uit de omschrijving van de parameters ('hun naam') moet duidelijk zijn op basis van welke elementen deze parameters zijn berekend;
3° De parameters worden uitsluitend berekend op basis van beursnoteringen van de Centraal West-Europese elektriciteitsmarkt;
4° De parameters moeten zich baseren op transparante, objectieve en door de CREG controleerbare gegevens of noteringen, die worden gepubliceerd door beurzen of erkende noteringsorganismen.
Zie:
- Koninklijk besluit van 21 december 2012 ter bepaling van de exhaustieve lijst van toegelaten criteria voor de indexering van de gasprijzen door de leveranciers
- Koninklijk besluit van 21 december 2012 ter bepaling van de exhaustieve lijst van toegelaten criteria voor de indexering van de elektriciteitsprijzen door de leveranciers
Onze eerdere berichten over prijsregulering:
Europese Commissie niet warm voor prijsbevriezing
Tariefbevriezing in gespuide regulatoire mist
Nieuwe versie prijsregulering: overzicht en sancties
Prijsregulering (bis): het vergeten artikel 23ter elektriciteitswet en 15/14ter gaswet
Prijsregulering voor elektriciteits- en gasleveringen slechts onder strikte voorwaarden
zondag 20 januari 2013
Indexeringsparameters voor variabele elektriciteits- en aardgasprijzen
vrijdag 16 november 2012
Europese Commissie niet warm voor prijsbevriezing
Op 15 november stelde de Europese Commissie de mededeling "Making the internal energy market work" voor. In de mededeling maakt de Commissie enerzijds een stand van zaken op van de interne markt voor gas en elektriciteit en lijst ze anderzijds pijnpunten op die een diligente marktwerking in de weg staan. De mededeling gaat vergezeld van de landenrapporten die de situatie van elke lidstaat bespreken.
Voor België stelt de Europese Commissie vast dat de concentratie op de productiemarkt een reden tot bezorgdheid is nu nog steeds 70% van alle capaciteit in handen is van de incumbent. Wat betreft de retailmarkt oordeelt de Commissie dat de mededinging relatief zwak is, maar dat het switchgedrag (voor elektriciteit bepaald op 10% en voor gas op 11,2%) toeneemt. Ze wijst er echter op dat maatregelen zoals een prijsbevriezing, die nieuwkomers op de markt disproportioneel treffen, zo snel mogelijk moeten teruggedraaid worden, omdat ze de een negatieve impact hebben op mededinging en op investeringen.
Een meerderheid van de Europese lidstaten kent een of andere vorm van prijsregulering. De Commissie is van mening dat prijsregulering voor alle consumenten (huishoudens en KMO's) moet stoppen. Dit betekent echter niet dat kwetsbare afnemers niet beschermd zouden moet worden. De Commissie is van mening dat deze meer gebaat zijn met begeleiding omtrent energiebesparing dan met louter financiële maatregelen.
In België geldt een prijsbevriezing voor variabele energiecontracten van huishoudelijke klanten en KMO's. De prijsbevriezing bestaat uit een verbod om variabele tariefformules te indexeren gedurende 9 maanden. De wet van 8 januari 2012 houdende wijziging van de elektriciteits- en de gaswet bepaalt hierover dat vanaf 1 april 2012 tot en met uiterlijk 31 december 2012 de opwaartse indexering van de variabele energieprijs voor de levering van elektriciteit en van aardgas, verboden is, in zoverre deze de initiële grens overschrijdt die is vastgesteld op basis van de indexeringsparameters van de leveranciers op 1 april 2012 en in zoverre de CREG de indexeringsparameters voor een contracttype met variabele energieprijs niet heeft gevalideerd.
Over de prijsbevriezing heeft de staatssecretaris bevoegd voor energie op 6 november nog in de Commissie Bedrijfsleven van het Federaal Parlement gezegd:
Prijsbevriezing is een heel tijdelijke en doelgerichte maatregel die ons toelaat de hervorming van de variabele parameters te realiseren.
Ook de minister bevoegd voor economie had op 14 februari daarover hetzelfde gezegd in de Commissie Bedrijfsleven:
U weet dat onze wetgeving een dergelijke indexering sowieso kritisch bekijkt. We willen dat dus voorlopig stopzetten. Die indexeringen zijn de voorbije twee jaar te sterk geweest. We moeten ervoor zorgen dat we binnen negen maanden beschikken over een nieuwe indexeringsformule.
We moeten eerlijk zijn, voor die nieuwe indexeringsformule vraagt de CREG negen maanden. We zullen die dan goedkeuren. Het is logisch dat er in de wetgeving daarvoor eventueel wat richtlijnen worden opgenomen.
De uiteindelijke bedoeling van de regering lijkt dan ook vooral de omkadering van de variabele energieprijzen te zijn. Op grond van de elektriciteits- en gaswet legt de Koning, na voorstel van de CREG, een exhaustieve lijst vast van toegelaten criteria vast met het oog op de uitwerking door elkeen van de leveranciers van de indexeringsparameters opdat deze beantwoorden aan transparante, objectieve en niet-discriminataire criteria en de werkelijke bevooradingskosten vertegenwoordigen.
De CREG publiceerde haar voorstellen voor gas en elektriciteit op 1 augustus 2012 op haar website, samen met haar ontwerpvoorstellen voorgesteld ter consultatie, de ontvangen antwoorden en de consultatieverslagen gas en elektriciteit. Op grond van deze voorstellen zullen alvast de variabele energieformules heel eenduidig worden in de markt: indexeringsparameters mogen enkel fluctueren op basis van werkelijke bevoorradingskosten (niet personeelskosten, afschrijvingen, exploitatiekosten) en ze mogen enkel berekend worden op basis van beursnoteringen met betrekking tot de Europese gas- of elektriciteitsmarkt.
Ondertussen is het voorstel van de CREG nog steeds niet vastgelegd in een besluit overlegd in de ministerraad. De vraag kan gesteld worden welke de beleidsruimte is van de Koning ten aanzien van een voorstel van de CREG. De elektriciteits- en gaswet hanteren twee verschillende mogelijkheden terzake: de Koning die handelt "na advies" van de CREG of de Koning die handelt "op voorstel" van de CREG. De CREG is steeds van mening geweest dat er onderscheid moet gemaakt worden tussen beiden. Zo schreef de CREG in haar advies met betrekking tot een ontwerp van koninklijk besluit tot wijzing van het koninklijk besluit van 20 december 2000 met betrekking tot de domeinconcessies:
De CREG wees er al herhaaldelijk op dat het onderscheid tussen deze adviserende
bevoegdheid en de bevoegdheid om voorstellen te verstrekken meerdere gevolgen heeft. In een procedure “na advies” komt het initiatiefrecht toe aan de persoon die het advies moet inwinnen en neemt deze laatste in alle gevallen een beslissing ongeacht het advies dat hij krijgt. Hij kan het advies ofwel volgen ofwel naast zich neerleggen. Bovendien moet het advies steeds worden uitgebracht, ongeacht de draagwijdte. Indien men hem aanbeveelt om de concessie niet toe te kennen, kan hij er niettemin toch één toekennen. In een procedure “op voorstel” komt het initiatiefrecht daarentegen toe aan de persoon die het voorstel moet doen. De persoon die beslist, kan geen concessie toekennen, zolang men hem niet voorstelt om er een toe te kennen. Een voorstel om een concessie toe te kennen, verplicht hem evenwel niet om deze effectief toe te kennen vermits hij deze kan weigeren.
Ondertussen resten er nog 6 weken tot 1 januari 2013. Op 1 januari 2013 zal artikel 20bis § 2 van de elektriciteitswet en artikel 15/10bis § 2 van de gaswet in werking treden. Dit betekent dat de variabele energieprijzen steeds de eerste dag van een trimester kunnen geïndexeerd worden. De leveranciers moet envervolgens binnen de 5 dagen een overzicht bezorgen aan de CREG van de wijze waarop de variabele energieprijs werd aangepast. De CREG moet dan vaststellen of de indexeringsformule correct werd toegepast en of de formule conform de exhaustieve lijst van toegelaten criteria is. Als de exhaustieve lijst niet is vastgesteld zal de CREG alvast deze beoordeling niet kunnen maken.
Onze eerdere berichten over prijsregulering:
Tariefbevriezing in gespuide regulatoire mist
Nieuwe versie prijsregulering: overzicht en sancties
Prijsregulering (bis): het vergeten artikel 23ter elektriciteitswet en 15/14ter gaswet
Prijsregulering voor elektriciteits- en gasleveringen slechts onder strikte voorwaarden
Europese Commissie niet warm voor prijsbevriezing
vrijdag 13 juli 2012
Grondwettelijk Hof vernietigt (Vlaams) verbod op injectietarieven
In haar arrest van 12 juli 2012 vernietigt het Grondwettelijk Hof het Vlaams decreet van 23 december 2010 houdende wijziging van het Elektriciteitsdecreet van 17 juli 200 en het Energiedecreet van 8 mei 2009 wat betreft het vermijden van injectietarieven voor elektriciteit geproduceerd door middel van hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling. Daarbij worden de rechtsgevolgen niet gehandhaafd zoals de Vlaamse Regering had gevraagd. Het Hof is van oordeel dat de vernietiging met terugwerkende kracht geen onoverkomelijke administratieve en financiële moeilijkheden veroorzaakt.
De vernietiging van het betreffende artikel impliceert niet dat de netvergoeding er nu zeker zal komen. Het goedkeuren van tarieven of tariefmethodologie is een exclusieve bevoegdheid van de regulator, op dit ogenblik de CREG. Of een netvergoeding er al dan niet komt, in welk vorm, voor welke installaties en voor welke technologie, is dus een beslissing van de CREG. Dit neemt niet weg dat de politieke overheden beleidsrichtsnoeren kunnen formuleren hoe de tariefmethodologie moet vorm krijgen. Die kunnen betrekking hebben op de solidarisering van netkosten en/of de ondersteuning van hernieuwbare energie.
Grondwettelijk Hof vernietigt (Vlaams) verbod op injectietarieven
woensdag 11 april 2012
Tariefbevriezing in gespuide regulatoire mist
Artikel 84 van onze Grondwet bepaalt dat alleen de wet een authentieke uitlegging van de wetten kan geven. Op basis van deze bepaling kan de wetgever een interpretatieve wet aannemen, waarbij een andere wet of wetsbepaling wordt uitgelegd en verklaard. Zo een interpretatieve wet heeft terugwerkende kracht. De authentieke uitlegging van een andere wet geldt dus vanaf de inwerkingtreding van de uitgelegde wet, en niet vanaf de inwerkingtreding van de uitleggende wet.
Volgens het Grondwettelijk Hof geeft een interpretatieve wet aan de uitgelegde wetsbepaling de betekenis die de wetgever hieraan had willen geven en die de bepaling ook redelijkerwijze had kunnen hebben. Een interpretatie van een wet die anders is dan de duidelijke bewoordingen van die wet kan voor het Grondwettelijk Hof niet. Enkel onduidelijke, onzekere, controversiële, multi-interpretabele wetten kunnen door een latere wet geïnterpreteerd worden. 'Interpretatieve' wetten die aan een duidelijke wetsbepaling een andere betekenis geven, zijn geen interpretatieve wetten, maar nieuwe wetten. Die kunnen maar terugwerkende kracht hebben als er uitzonderlijke omstandigheden zijn, waarbij het algemeen belang in alle redelijkheid primeert op de individuele belangen.
Artikel 108 van de wet van 29 maart 2012 houdende diverse bepalingen I is geen onduidelijke of onzekere wetsbepaling. Het bepaalt dat de opwaartse indexering van de variabele energieprijs voor de levering van elektriciteit en van aardgas verboden is vanaf 1 april 2012 tot en met uiterlijk 31 december 2012, in zoverre deze indexering de initiële grens overschrijdt die is vastgesteld op basis van de indexeringsparameters van de leveranciers op 1 april 2012. Die bepaling is volgens ons en vele anderen heel duidelijk. Ook de CREG, de federale energieregulator, vond in de Richtlijnen van 22 maart 2012 betreffende de tijdelijke bevriezing van de indexeringen van de variable gas- en elektriciteitscontracten dat
“de tijdelijke bevriezing van de opwaartse indexeringen van variabele contracten bijgevolg van start gaat [vanaf 1 april] op basis van de indexeringsparameters zoals door de leveranciers bekendgemaakt in hun tarieffiches op 1 april 2012”.Dit bevestigde de CREG in De Morgen op 5 april 2012: "De ultieme prijsstijgingen zijn wettelijk in orde."
De woordvoerder van de CREG negeerde in zijn communicatie rond de indexeringen door de aardgasleveranciers op 1 april dit duidelijke standpunt van het directiecomité van de CREG. In De Tijd van 6 april 2012 stelt Jacquet dat “in de richtlijnen wel degelijk staat dat het vanaf 1 april verboden is om de tarieven te indexeren”. De lezing door de operatoren zou een 'selectieve lezing zijn'. In De Standaard laat hij die dag optekenen: “De leveranciers hebben één passage uit onze richlijn toegepast en niet allemaal. De prijsverhoging die ze hebben toegepast, is volgens ons niet toegelaten.” In La Libre van dezelfde dag luidt het dan weer: “La CREG entend appliquer les dispositions voulue par le législateur.” En in L'Echo stelt hij dat de CREG “exécutera ce que l'auteur de la loi nous demandera.”
In De Morgen van 10 april gaat de CREG nog een hele stap verder. De indexering op 1 april zou onwettelijk zijn omdat de procedure niet zou gevolgd zijn. Vermits die procedure niet gevolgd zou zijn, zou iedere tarieverhoging nietig zijn. De indexering “is op niets gebaseerd en telt dus niet”.
Over welke procedure gaat het?
Artikel 15/10bis, § 5, van de Gaswet verplicht de leverancier om elke stijging van de variabele energieprijs aan de CREG mee te delen, wanneer die stijging niet het gevolg is van een overheidsingrijpen of wanneer die stijging niet het gevolg is van een indexering in de zin van de §§ 2 tot 4 van datzelfde artikel. Die §§ 2 tot 4 van artikel 15/10bis treden echter pas in werking op 1 januari 2013. Artikel 15/10bis, § 5, is in werking getreden op 1 april 2012. De regeling van artikel 15/10bis van de Gaswet is ingevoegd door de wet van 8 januari 2012. De data van inwerkingtreding zijn gewijzigd in de wet van 29 maart 2012. Het is die laatste wet, die ook het fameuze artikel 108 bevat, op basis waarvan een indexering vanaf 1 april 2012 boven de parameters op 1 april 2012 verboden is.
De procedure waarnaar de CREG verwijst in het artikel in De Morgen heeft dus betrekking op een stijging van de variabele energieprijs die niet het gevolg is van een overheidsbeslissing of van een indexering. Omdat indexeringen boven het niveau op 1 april 2012 niet meer kunnen vanaf 1 april 2012 tot en met 31 december 2012 kan die procedure hierop niet van toepassing zijn. De CREG heeft geen bevoegdheid om iets wat verboden is toch toe te laten of op haar beurt te verbieden. Een procedure is bijgevolg overbodig.
Dit blijkt ook uit de duidelijke Richtlijnen van de CREG van 22 maart 2012:
“Op 1 april 2012 treden § 1 en §§ 5 tot 7 van de vangnetregulering in werking. (...) Dit wil ook zeggen dat de leveranciers, volgens § 5, voor elke prijswijziging die niet volgt uit een zuivere indexering, ex-ante een gemotiveerde aanmelding bij de CREG moet indienen, waarna de CREG oordeelt of de motivering van de stijging gerechtvaardigd is.De bevoegdheid van de CREG om prijsverhogingen, die niet het gevolg zijn van overheidsbeslissingen of van indexeringen, goed te keuren is een ex ante bevoegdheid. Dit betekent dat de prijsverhoging slechts na het doorlopen van de procedure mag toegepast worden. De regels over die procedure zijn maar in werking getreden op 1 april 2012. Voorafgaand aan de inwerkingtreding bestond die procedure niet. Zij kon dus ook niet gevolgd worden en de CREG had ook nooit, voorafgaand aan 1 april, een beslissing kunnen nemen.
Vanaf 1 april 2012 en tot en met 31 december 2012 is de opwaartse indexatie van de variabele energieprijs voor de levering van elektriciteit en aardgas verboden. De tijdelijke bevriezing van de opwaartse indexeringen van variabele contracten gaat bijgevolg van start op basis van de indexeringsparameters zoals door de leveranciers bekendgemaakt in hun tarieffiches op 1 april 2012.”
Overigens gelden naast het adagium 'interpretatio cessat in claris' ook bijvoorbeeld de adagia 'lex posterior derogat legi priori' (een latere wet heft een vroegere wet op) en 'lex specialis derogat legi generali' (een meer specifieke wet gaat voor op een algemene wet). De prijsbevriezing van artikel 108 van de wet van 29 maart 2012 is van een latere datum dan de wet van 8 januari 2012. Zij bevat ook een meer specieke regeling. Dit betekent, noodzakelijkerwijs, dat de prijsbevriezing vanaf 1 april 2012 tot en met 31 december 2012 boven het niveau op 1 april voorgaat op de algemene regel over prijsregulering van artikel 15/10bis, § 5, van de Gaswet.
Het komt er dus uiteindelijk op neer om te lezen wat in artikel 108 van de wet van 29 maart 2012 staat:
“Vanaf 1 april 2012 tot en met uiterlijk 31 december 2012, is de opwaartse indexering van de variabele energieprijs voor de levering van elektriciteit en van aardgas, verboden, in zoverre deze de initiële grens overschrijdt die is vastgesteld op basis van de indexeringsparameters van de leveranciers op 1 april 2012.”De procedure waarnaar de CREG verwijst is in dit kader volstrekt irrelevant.
Artikel 15/14, § 5, van de Gaswet bepaalt dat de CREG erop toeziet "dat haar personeel en de personen belast met haar beheer: a) onafhankelijk van alle commerciële belangen handelen en b) in de uitoefening van hun opdrachten geen directe instructies vragen noch aanvaarden van gelijk welke regering of andere openbare of privé-entiteit". Die onafhankelijkheid doet geen afbreuk aan het nauw overleggen met alle overige bevoegde overheden en 'de algemene, door de regering voorgeschreven richtsnoeren'. Wat dit laatste betreft “wijkt die bepaling af van het artikel 39(4) van de Derde Gasrichtlijn, in de mate dat de 'voorgeschreven richtsnoeren' niet beperkt zijn tot 'algemene beleidsrichtlijnen', die trouwens enkel buiten het toepassingsgebied van de reguleringstaken kunnen bestaan (zie T. VANDEN BORRE, “De omzetting van de bepalingen inzake de onafhankelijke energieregulator – op weg naar Luxemburg?”, in K. DEKETELAERE en B. DELVAUX (eds.), Jaarboek Energierecht 2010, Antwerpen, Intersentia, 2011, 114)".
In haar Studie tot omzetting van de Derde Gasrichtlijn ging de CREG hierop uitvoerig in, verwijzende naar de interpretatieve nota van de Europese Commissie:
“De interpretatieve nota betreffende de rol van de regulerende instanties bepaalt in dit opzicht (p. 7, lid 4): “The new legislation also prohibits the NRA's staff and the persons responsible for its management from seeking or taking direct instructions from any government or other public or private entity. This provision aims to tackle the situation where someone working for the NRA is seeking or taking direct instructions. According to the Commission's services, this provision also implies that it is forbidden for anyone to give such instructions. An instruction in this context is any action calling for compliance and/or trying to improperly influence an NRA decision and thus includes the use of pressure of any kind on NRA's staff or on the persons responsible for its management. In the view of the Commission's services this requires Member States to provide for dissuasive civil, administrative and/or criminal sanctions in case of violation of the provisions on independence as well as for any attempts by public and private entities to give an instruction or to improperly influence an NRA decision”.”De CREG mag dus geen instructies krijgen van de regering. Ze mag dus ook niet “exécuter ce que l'auteur de la loi lui demandera”. Zelfs als ze geen instructies zou gekregen hebben, wat niet zou verklaren waarom ze in haar communicatie haar eigen Richtlijnen manifest tegenspreekt, dan past het evenmin voor een regulator om nog meer mist te spuien.
Tariefbevriezing in gespuide regulatoire mist
woensdag 4 april 2012
Nieuwe versie prijsregulering: overzicht en sancties
Volgens Ingrid Opdebeeck (Beginselen van behoorlijk bestuur) kan het beginsel van behoorlijk bestuur van hoorplicht een aanvullende rol spelen bij de invulling van die hoorplicht. De precieze draagwijdte van de hoorplicht moet immers in concreto beoordeeld worden. De modaliteiten daarvoor kunnen afgeleid worden uit de rechtspraak van de Raad van State en hebben o.a. betrekking op de uitnodiging, de voorafgaande mededeling van de feiten, maar ook de voorafgaande mededeling van de voorgenomen beslissing, inzage van het dossier ... Alleszins zullen tijdens de beschreven procedures in de Elektricteits- en Gaswet deze modaliteiten best gerespecteerd worden.
Nieuwe versie prijsregulering: overzicht en sancties
donderdag 8 maart 2012
Prijsregulering (bis): het vergeten artikel 23ter elektriciteitswet en 15/14ter Gaswet
Op 1 maart besliste de federale regering in eerste lezing om vanaf 1 april 2012 de opwaartse indexering van variabele tariefformules voor elektriciteit en gas te beperken. Een opwaartse indexering mag slechts doorgerekend worden aan de huishoudelijke klant en KMO voor zover die niet hoger is dan de referentiewaarde van april. Dit betekent dat elke leverancier een maximumprijs dient te respecteren voor elk variabel product dat hij verkoopt, die wordt bepaald aan de hand van de waarde van de parameters van april.
Ondertussen zal de Koning, op voorstel van de CREG, een exhaustieve lijst publiceren met toegelaten criteria voor de uitwerking van indexeringsparameters. De wetgever wil hiermee bereiken dat de parameters beantwoorden aan transparante, objectieve en niet-discriminatoire criteria die de werkelijke toeleveringskosten dekt.
De eerste voorstellen inzake prijsregulering werden ondertussen meer dan een jaar gelanceerd naar aanleiding van het interprofessioneel akkoord. Pas op 8 januari 2012 zijn die (herwerkte) voorstellen wet geworden. Nu twee maanden later zullen ze al gewijzigd worden.
Vandaag bepaalt de wet dat alle variabele contracttypen moeten aangemeld worden aan de CREG. De variabele energieprijs kan slechts 4 keer op een jaar geïndexeerd worden. Na elke indexering gaat de CREG, na advies van de Nationale Bank, na of de indexeringsformule correct werd toegepast. Daarnaast moet elke prijsverhoging die niet het gevolg is van een indexering, of die niet het gevolg is van een beslissing van een overheid, regulator, netbeheerder gemotiveerd aangemeld worden aan de CREG. Pas na goedkeuring van de CREG, dit na advies van de Nationale Bank, mag de prijsverhoging toegepast worden. Is de CREG van oordeel dat de verhoging niet gerechtvaardigd is, zal zij onderhandelen met de leverancier over het niveau van de variabele prijs. Leidt deze onderhandeling niet tot een akkoord kan de CREG alsnog de prijsverhoging verwerpen.
De hele regeling wordt geëvalueerd eind 2014 met het oog op opheffing of verderzetting voor een nieuwe periode van 3 jaar. Het is deze regeling die nu, nog voor de inwerkingtreding, gewijzigd wordt door het algemeen verbod gedurende 9 maanden een opwaartse indexering door te rekenen.
Zoals we reeds vorig jaar schreven is prijsregulering slechts mogelijk onder strikte voorwaarden. Deze voorwaarden werden door het Hof van Justitie vastgelegd in het arrest Federutility van 20 april 2010, met name:
- de interventie moet gerechtvaardigd zijn wegens een algemeen economisch belang,
- ze moet evenredig zijn,
- ze moet duidelijk gedefinieerd zijn, transparant, niet-discriminerend en controleerbaar zijn en de gelijke toegang bedrijven tot de consument moet gewaarborgd worden.
Het algemeen economisch belang wordt door het Hof uitgelegd aan de hand van de considerans van de 2de Gasrichtlijn dat de levering van gas aan huishoudelijke klanten en KMO's moet gebeuren aan redelijke prijzen. Dezelfde considerans is terug te vinden in de 3de Gas- en Elektriciteitsrichtlijn. Het Hof benadrukt echter dat de doelstellingen van de vrijmaking van de markt en de bescherming van de consument met elkaar dienen verzoend te worden.
In de Elektriciteits- en Gaswet wordt bepaald dat de prijzen op een objectief verantwoorde wijze in verhouding moeten staan tot de kosten van een bedrijf. Deze verhouding wordt door de CREG beoordeeld, onder andere door de kosten en de prijzen van een bedrijf te vergelijken met de kosten en prijzen van vergelijkbare bedrijven, indien mogelijk ook op internationaal niveau. Zou de CREG vaststellen dat die objectief verantwoorde verhouding niet bestaat, maakt zij op eigen initiatief een rapport over aan de minister met haar bevindingen een maatregelen die ze aanbeveelt. Dit rapport wordt ook overgemaakt aan de Raad voor de Mededinging. In geval van discriminatoire prijzen en/of voorwaarden kan de Koning dringende maatregelen bepalen die de CREG toegelaten wordt te nemen. Wat betreft de prijzen kan de CREG adviezen formuleren en elke maatregel voorstellen die van toepassing is op de elektriciteits- en gasbedrijven actief in België.
Deze bevoegdheden voor de CREG zijn opgenomen in de Elektriciteits- en Gaswet sinds 2008. Daarbij was het de wil van de wetgever om de monitoring op het commodity gedeelte van de energieprijs te versterken, gekoppeld aan de uitbreiding van de onderzoeksbevoegdheden van de CREG. Deze bevoegdheden werden later nog versterkt door de CREG de bevoegdheid te geven van inspecteurs van gerechtelijke politie.
In de parlementaire bespreking benadrukte de minister dat de CREG in staat werd gesteld om informatie in te winnen in het begin van de supply keten. Meer specifiek over de beoordeling van de kosten zei de minister 3 zaken:
Wat de kosten betreft, zal de informatie die nodig is om zich een beeld te vormen van de logica achter de prijsvorming, uit de boekhouding van de producenten moeten komen. Bij de evaluatie van de al dan niet redelijke verhouding tussen de kosten en de prijs wordt rekening gehouden met de noodzaak aan toekomstige investeringen.
(...)
Wat voorts de evaluatie van de al dan niet redelijke verhouding tussen de prijs en de kosten betreft, wordt rekening gehouden met vergelijkingen tussen gelijkaardige producenten.
(...)
De CREG zal de techniek van Europese benchmarking gebruiken en daarbij preciseren wat de juiste nadere regels zijn om de redelijke verhouding tussen prijzen en kosten te bepalen.
Voor zover kan nagegaan worden lijkt het erop dat deze bepalingen, die sinds 2008 al opgenomen zijn in de wet, niet geleid hebben tot formele onderzoeken of formele interventies in de prijsvorming op voorstel van de CREG naar aanleiding van een vastgestelde afwezigheid van de objectief verantwoorde verhouding tussen de kosten en de prijzen. Ondertussen is de CREG van oordeel dat deze regeling problematisch geworden is naar aanleiding van de invoering van het vangnet, omdat de CREG in beide gevallen een beoordeling moet maken van de prijzen van de leveranciers.
Toch lijken beide regelingen niet per definitie contradictorisch. Immers, de vangnetregulering beoogt alleen variabele contracten. In het kader van de vangnetregelering heeft de CREG enkel de bevoegdheid om indexeringen te controleren op basis van de juiste toepassing van de formule. Prijsverhogingen buiten indexering moeten ex ante voorgelegd worden. Dit impliceert dat alsnog de CREG op grond van de Elektricteits- en Gaswet de mogelijkheid zou hebben om de objectieve verhouding vast te stellen tussen kosten en prijzen. Immers, alleen de prijsverhogingen buiten indexering om, en gedurende de looptijd van het contract worden in de vangnetregulering beoogd.
Bovendien, in het kader van de vangnetregulering, wordt aan de CREG ook opgelegd om de prijsverhoging te beoordelen aan de hand van objectieve parameters, onder andere op basis van een permanente vergelijking van de energiecomponent voor de levering van elektriciteit en aardgas aan huishoudelijke afnemers en KMO's met het gemiddelde van de energiecomponent in de zone Noord-West Europa. Wat bepaald is in de vangnetregulering kan beschouwd worden als een nadere precisering van het begrip "redelijke prijzen" of van wat begrepen moet worden onder een "objectieve verhouding tussen prijzen en kosten".
Het voorstel van de regering om indexeringen gedurende 9 maanden te bevriezen volgt op de prijzenstudie van de CREG van eind januari 2012. Op grond hiervan lijkt de regering vast te stellen dat er geen redelijke prijzen zouden gehanteerd worden in België, omdat de prijzen hoger zijn in België dan in de buurlanden.
Doorheen de studie komen hier diverse eventuele verklaringen voor naar voor. Dit kan volgens de CREG te maken hebben met het gebruik van oude indexatieparameters gelinkt met de prijs van aardolie die volgens haar niet meer relevant zijn en onduidelijkheid over de vaste vergoeding. Ook stelt de CREG vast dat de spelers die beschikken over afgeschreven nucleaire centrales grotere marges realiseren.
Het is echter onduidelijk in de redenering van de regering, en ook in de studie van de CREG, of er effectief een afwezigheid is van objectieve verhouding tussen kosten en prijzen, en of dit geldt voor alle variabele producten vandaag in de markt (omdat alleen de variabele producten geviseerd worden).
In het kader van Federutility benadrukte het Hof dat de doelstellingen van de vrijgemaakte markt en de bescherming van de consument met elkaar dienen verzoend te worden. Een prijsinterventie is mogelijk, maar zonder dat dit de marktwerking al te veel zou belemmeren. De regering bepaalt een escape clausule waarbij de regeling kan opgeheven worden in geval van perverse effecten of in geval van overmacht door onvoorzienbare, externe en onweerstaanbare omstandigheden. Dit belet niet dat zij voorafgaandelijk de impact op de marktwerking kan nagaan. Bovendien geven noch de regering noch de CREG aan waarom de bestaande bepalingen in Gas- en Elektriciteitswet niet afdoende zouden zijn om de geviseerde formules en prijzen onder de loep te nemen.
Het zou best kunnen dat leveranciers prijzen hanteren die in verhouding staan tot hun kosten (of niet). Door een productspecifieke maximumprijs op te leggen zou dit dus even goed kunnen resulteren in een onredelijke prijs.
Mede naar aanleiding van talrijke studies van de CREG is de Elektriciteits- en Gaswet versterkt op vlak van toezicht op de prijzen. Het is spijtig te moeten vaststellen dat dit niet benut wordt om vast te stellen of het nodig is om in te grijpen en op welke manier.
Prijsregulering (bis): het vergeten artikel 23ter elektriciteitswet en 15/14ter Gaswet
vrijdag 6 januari 2012
Groepsaankopen in een ander perspectief
De groepsaankoop voor elektriciteit en aardgas die de provincie Antwerpen organiseerde was een succes. 20.000 gezinnen konden een nieuwe leveringsovereenkomst afsluiten met een prijs die voor aardgas 30% onder de gangbare marktprijs zou liggen. De prijzen die de kleinere nieuwe leveranciers aanboden waren zo laag, dat de gezinnen zelfs minder zouden betalen dan het sociaal tarief. Opvallend is daarnaast dat de grote leveranciers EDF Luminus en Electrabel niet deelnamen. De editorialist van De Standaard plaatste ook de kanttekening dat het misschien geen kerntaak is voor een overheid om die groepsaankopen te faciliteren. Volgens hem wijst het slagen ervan op een opportuniteit voor het maatschappelijke middenveld.
Het sociaal tarief is het laagste tarief van alle laagste tarieven die de leveranciers aanbieden binnen het werkingsgebied van een distributienetbeheerder met de laagste kosten. De federale regulator CREG berekent dit tarief. De energiebijdrage (een accijns) moet niet betaald worden. Bovenop het sociaal tarief gelden wel nog de federale bijdragen en andere toeslagen. Het sociaal tarief moet vervolgens door elke leverancier gehanteerd worden voor alle afnemers in België die hierop recht hebben.
Een vergelijking tussen het sociaal tarief en de prijs die de groepsaankoop opleverde, lijkt men dus niet te kunnen maken. Het sociaal tarief is all-in: naast de productprijs van de energie zijn er ook de nettarieven in begrepen. De prijs van de groepsaankoop geldt daarentegen enkel voor het product elektriciteit of aardgas. Die productprijs bedraagt bij aardgas ongeveer de helft van de totale kost voor de consument. De afnemers moeten immers ook nog de energiebijdrage en het (distributie)nettarief betalen. Afhankelijk van de plaats waar de afnemers wonen betalen ze een ander distributienettarief. In de provincie Antwerpen zijn er zeven verschillende distributienetbeheerders, elk met eigen tarieven.
De provincie had naar eigen zeggen weinig problemen om deelnemende leveranciers te vinden. Volgens de bevoegde gedeputeerde was de schaal van de groepsaankoop ideaal om de kleinere leveranciers toe te laten om te bieden. Voor nieuwe leveranciers is de groepsaankoop inderdaad een interessante manier om voor een zeer lage prijs een zeer grote groep van nieuwe klanten te kunnen werven. Of het systeem leefbaar is op lange termijn is volgens de gedeputeerde een 'probleem voor de leveranciers'.
Nochtans lijkt het ook een interessante vraag te zijn voor de promotoren van dit soort van groepsaankopen. Hoe groter de portfolio van de leverancier, hoe minder hij geneigd is om stuntprijzen aan te bieden. Het kan immers best zijn dat er bij de geïnteresseerden al klanten zitten die misnoegd zouden kunnen zijn indien blijkt dat zij 'te veel' betaalden. Daarnaast is het doelpubliek van de groepsaankoop voor de grootste leveranciers niet zo interessant. De deelnemende gezinnen zijn waarschijnlijk al tamelijk prijsbewust en zouden, zelfs zonder de groepsaankoop, gemakkelijk hun weg weten te vinden naar de prijsvergelijkingen van de V-Test van de VREG. Een grote groep slapende klanten, die al jarenlang geen gebruik maken van de voordelen van een geliberaliseerde markt, wordt ook door groepsaankopen niet gewekt. Jaar na jaar wordt hun contract, als ze er al één hebben, stilzwijgend verlengd.
De provincie Antwerpen stak in de groepsaankoop veel werk en tijd. Misschien is het nuttiger om die te steken in een grootschalige sensibilisatie van de slapende klanten. De wijzigingswetten van de elektriciteits- en gaswet die het Parlement voor de kerstvakantie goedkeurde verplicht de leveranciers om op alle afrekeningsfacturen, slotfacturen en voorschotfacturen de duurtijd van het contract, de opzegtermijn en de mogelijkheid van stilzwijgende verlenging te vermelden. Bij contracten van onbepaalde duur moet de leverancier op de facturen ook een opzeggingstermijn vermelden. Op die manier weten ook de slapende klanten dat er een mogelijkheid bestaat om een andere leverancier te kiezen. Met een sensibiliserend steuntje in de rug zouden ze misschien wel de stap zetten. Laat de groepsaankopen dan maar aan het middenveld.
Groepsaankopen in een ander perspectief
donderdag 17 november 2011
Nucleair akkoord bis: meer dan alleen geld?
Volgende vrije tribune van Tinne Van der Straeten verscheen op 16 november in de Tijd.
X
Nucleair akkoord bis: meer dan alleen geld?
Het afromen van de nucleaire rente kan onze elektriciteitsfactuur behoeden voor een extra toeslag voor hernieuwbare energie, maar dat valt af te wachten. Ook een betere marktwerking en een prijsplafond zijn evenmin vanzelfsprekend.
Een nucleaire heffing van 550 miljoen, Electrabel die een deel van zijn nucleaire capaciteit op de markt moet brengen om de concurrentie te stimuleren, de federale regulator CREG die een prijsplafond kan opleggen als de elektriciteitsprijzen hoger zijn dan in de buurlanden. Daarover werden de onderhandelaars het principieel eens.
Een nucleaire heffing van 550 miljoen zou worden ingeschreven in de begroting van 2011. Er bestaat een brede consensus dat een groot deel van dat geld zou worden gebruikt om de ondersteuning van offshore wind te financieren. Op die manier wordt de energiefactuur van mensen en gezinnen niet belast met extra toeslagen voor hernieuwbare energie. Uit de begrotingsteksten moet blijken of de onderhandelaars daarvoor inderdaad een speciaal begrotingsfonds willen instellen, dan wel of het grootste deel van de heffing naar de algemene begroting vloeit. Maar omdat de heffing jaarlijks betaald moet worden, lijkt ze terecht losgekoppeld te zijn van het debat over de levensduurverlenging van de kerncentrales.
Toch lost het afromen van de nucleaire rente het probleem van het gebrek aan marktwerking niet op. Daarom is het een goede zaak dat ook flankerende maatregelen aangekondigd worden, waardoor meerdere spelers toegang kunnen krijgen tot de nucleaire capaciteit.
PAX ELECTRICA
In de Pax Electrica I en II werden al schuchtere pogingen ondernomen om de nucleaire productiecapaciteit van Electrabel te verdelen over meerdere spelers. Zo heeft SPE Luminus een beperkt aandeel in de centrales van Doel en Tihange. Daarnaast heeft het normaliter ook een leveringsoverenkomst van lange termijn afgesproken met Electrabel, en kan het die na 10 jaar omzetten in eigendomsrechten in dezelfde centrales. EDF Belgium houdt 50 procent van Tihange 1. En E.ON heeft sinds 2009 770 megawatt aan nucleaire trekkingsrechten.
Als er gekeken wordt naar het (nucleaire) productiepark blijkt dat Electrabel het leeuwendeel van de productiecapaciteit nog steeds in handen heeft en dat er daarnaast slechts een selecte club toegang heeft tot de resterende nucleaire capaciteit. Dat de onderhandelaars beslissen dat de productiecapaciteit veel meer moet opgedeeld worden is dus nobel. Al blijft het gissen wat ze precies voor ogen hebben, en vooral hoe ze die beslissing zullen uitvoeren.
Zo is het onduidelijk hoeveel capaciteit beschikbaar zal zijn. Ten tijde van de Pax Electrica ging men uit van het idee dat andere spelers een significant marktaandeel van minstens 15% moesten kunnen verwerven. Blijft dat het uitgangspunt? Of weet men nu al hoeveel nucleaire capaciteit Electrabel “mag” houden en op hoeveel iedereen voorts een bod mag doen? Of denkt men helemaal anders, en wil men alle nucleaire elektriciteit opkopen aan een bepaalde prijs en doorverkopen met een kleine marge?
ELIA
Een andere onduidelijkheid betreft de centrales zelf. Hebben de onderhandelaars enkel de nucleaire capaciteit voor ogen, of zou de pompcentrale van Coo (eindelijk) ook in het vizier komen? Coo wordt ingezet als piekcentrale en levert op piekmomenten goedkope energie die anders geleverd zou moeten worden door duurdere centrales. Maar Coo is nog steeds 100 procent eigendom van Electrabel. Haar functie overstijgt die van een loutere productiecentrale: ze is belangrijk voor het evenwicht op het elektriciteitsnet.
Netbeheerder Elia pleitte een paar weken geleden voor de bouw van een eigen elektriciteitscentrale. Misschien is het zinvoller dat de regering ervoor zou ijveren dat Elia onder de vorm van trekkingsrechten toegang zou hebben tot de pompcentrale van Coo.
Tot slot willen de onderhandelaars dat de elektriciteitsprijzen in België niet hoger zijn dan die in de ons omringende landen. Dit vond men ook terug in het nucleair protocol van 2009 dat ondertussen in de prullenbak beland is. Die alinea, in het protocolakkoord zo verwoord dat de Belgische prijzen lager moesten zijn dan het gemiddelde van de buurlanden, kon rekenen op kritische vragen van Europa. Waarom moeten de prijzen in België zo nodig lager zijn? Terwijl het om verschillende markten gaat met verschillende productiekosten en een verschillende vraag? En ook: wat zou de impact zijn op investeringen in nieuwe elektriciteitscentrales in België ten opzichte van de buurlanden?
NETTARIEVEN
Het begrenzen van prijzen klinkt goed, maar botst evenzee, maar het botst evenzeer. Het voordeel lijkt een lagere factuur. De nadelen zijn navenant: een negatieve impact op noodzakelijke investeringen in nieuwe productiecapaciteit, een barrière voor broodnodige nieuwkomers, het risico op een hernieuwd bevoordelen van de historische speler.
Aan een goed functionerende markt is een gereguleerde eindprijs vreemd. De politieke overheden zouden beter eerst en vooral werk maken van die goed functionerende markt, en die niet hypothekeren door kortetermijnoplossingen zoals prijsregulering.
Het mag hen ook niet verhinderen te kijken naar dat andere deel van de factuur: de nettarieven, die 40 tot 50% van de eindfactuur uitmaken en waar volgens de federale regulator nog heel wat vet opzit. En natuurlijk de vele belastingen, heffingen en toeslagen waar de overheid evenzeer, of bij uitstek, vat op heeft.
Tinne Van der Straeten is advocaat bij Blixt, een kantoor gespecialiseerd in energierecht.
X
Nucleair akkoord bis: meer dan alleen geld?
donderdag 13 oktober 2011
Steekvlampolitiek
Begin vorige week beschuldigde minister Van den Bossche een groot aantal elektriciteitsleveranciers ervan te 'liegen'. Volgens een studie van de VREG zouden ze aan hun klanten 125 euro aangerekend hebben per groenestroomcertificaat dat ze jaarlijks moeten inleveren, terwijl de werkelijke kostprijs van zo'n certificaat met 103 euro een stuk lager zou liggen. Dezelfde dag vroeg een federaal parlementslid aan minister Van Quickenborne, bevoegd voor mededinging, om een onderzoek te openen naar mogelijke prijsafspraken onder de energieleveranciers. De minister van ondernemen ging daar direct op in en gaf de mededingingsautoriteiten een onderzoeksopdracht. De daaropvolgende donderdag vielen inspecteurs van de dienst mededinging binnen bij leveranciers.
De nationale regulator CREG was er als de kippen bij om “zich solidair te tonen met de actie die vandaag gevoerd wordt door de Algemene Directie Mededinging bij de leveranciers van elektriciteit inzake een problematiek die niet alleen in Vlaanderen bestaat, maar die België in zijn geheel raakt”. De CREG zou in vijf studies de bevoegde overheden 'gewaarschuwd' en 'op de hoogte gebracht' hebben dat een aantal leveranciers de boeteprijs doorrekenen en niet de marktprijs.
Een week later publiceerde de VREG haar studie. Die is heel wat genuanceerder dat wat de dame en heren politici, met de CREG in hun kielzog, lieten uitschijnen. In de studie wordt inderdaad vastgesteld dat veel leveranciers een 'premie' of een 'marge' aanrekenen aan hun klanten. Tegelijk stelt de VREG vast dat de leveranciers “geen structurele 'marge' [kunnen] heffen op hun groene bijdrage, zonder dit ofwel te compenseren op hun zuivere energieprijs, ofwel een concurrentieel nadeel op te lopen”. Nog volgens de VREG wijst “het feit dat veel elektriciteitsleveranciers een 'premie' binnen de kost van de certificaatverplichting kunnen doorrekenen, erop dat de energiemarkt (nog) niet volledig transparant is en nog niet volledig concurrentieel werkt”. “Het gaat dus om een probleem van (gebrek aan) transparantie en van vermelding van kosten, eerder dan om een probleem van onterechte kostenaanrekening”, besluit de VREG.
Nergens in de studie van de VREG staat enige indicatie naar mogelijke mededingingsbeperkende afspraken tussen de verschillende leveranciers over de waardering die zij plakken op de verplichting tot het inleveren van groenestroomcertificaten. Overigens heeft ook de CREG nooit aangegeven dat de onderzochte praktijk juridisch laakbaar zou zijn. Indien ze anticompetitief gedrag zou hebben vastgesteld, had ze dit zeker gemeld aan de minister en de Raad voor de Mededinging en had ze voorstellen gedaan om de marktwerking te verbeteren, zelfs als ze niet territoriaal bevoegd zou zijn. Zij kwam enkel prima facie tot gelijkaardige vaststellingen als de VREG.
Uiteraard moeten politici, en de minister voor ondernemen in de eerste plaats, wantoestanden laten onderzoeken en liefst nog tijdig (laten) remediëren. Maar zulke politieke initiatieven mogen niet op basis van steekvlammetjes, zonder kennis en kunde van het dossier en van de studie van de bevoegde regulatoren, genomen worden. De snelheid waarmee de mededingsautoriteiten nu te werk moesten gaan leidt bijna overal tot ongenoegen. Een aantal klanten melden zich misnoegd bij hun leveranciers. Die leveranciers moeten veel werk steken aan de afhandeling van de inval, de communicatie daarover en het verbeteren van hun waarschijnlijk onterecht beklad imago. De regulatoren kunnen enkel machteloos toekijken dat de studies waarin zij veel werk steken voor de zoveelste keer niet gelezen worden. Alleen advocaten lijken er nog wel bij te varen.
Het komt nu aan onze mededingingsautoriteiten toe om na te gaan of er, ondanks het feit dat de VREG dit nergens vermeldt noch insinueert, mededingingsbeperkende afspraken rond de doorrekening van de groenestroomcertificaten geweest zijn. De resultaten zullen we hopelijk sneller kennen dan die van enkele andere onderzoeken die zij de afgelopen jaren gestart zijn in de energiesector. De kans dat er inbreuken waren, lijkt mij ook eerder beperkt. Men kan zich de vraag stellen of het vanuit economisch oogpunt misschien niet normaal is dat de leveranciers de boeteprijs doorrekenen als kostprijs voor de groenestroomcertificaten. De opportuniteitskost van zulk certificaat is toch juist die boeteprijs. Leveren ze te weinig certificaten in (omdat ze verkiezen om hun certificaten op de markt te verkopen), is dat toch de decretaal vastgelegde prijs die ze moeten betalen?
Zie hierover trouwens ook de gelijkaardige opmerkingen van André Jurres op zijn blog.
Steekvlampolitiek
maandag 18 april 2011
Pros en cons van prijsregulering op het European Energy Law Seminar
Tinne Van der Straeten gaf vorige week op het European Energy Law Seminar een commentaar over de pros en cons van prijsregulering in een vrijgemaakte energiemarkt. De hand-outs zijn hier te bekijken.
Pros en cons van prijsregulering op het European Energy Law Seminar
woensdag 16 februari 2011
Prijsregulering voor elektriciteits- en aardgasleveringen slechts onder strikte voorwaarden
Naar aanleiding van de discussies rond de indexering, stelt de Nationale Bank dat er moet onderzocht worden hoe en wanneer de stijging van de internationale brandstofprijzen kan doorgerekend worden in de eindprijzen voor aardgas en elektriciteit. De Bank stelt vast dat er terzake weinig transparantie bestaat en dat schommelingen onmiddellijk, maandelijks, doorgerekend worden zonder dat de klanten hun gedrag hieraan kunnen aanpassen. Zij zien die prijsfluctuaties immers pas op hun eindfactuur.
Op basis van het Derde Energiepakket lijken transparante, evenredige en niet-discriminatoire prijsreguleringsmechanismen tijdelijk aanvaardbaar als een openbare dienstverplichting. Hierbij moet rekening gehouden worden met de richtsnoeren die het Hof van Justitie dienaangaande gegeven heeft. Maximumprijzen 'pur et dur' lijken ons niet verenigbaar met de bepalingen van de Richtlijn.
Zowel minister Magnette als de CREG hebben de afgelopen maanden voorstellen geformuleerd om de eindprijzen voor energie te reguleren. Minister Magnette wil dit doen door de oprichting van een speciaal comité (samengesteld uit de CREG, de Nationale Bank, de FOD Economie, de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Raad voor de Mededinging). Aan dat comité moeten de leveranciers wanneer zij hun eindprijzen wensen te verhogen die voorgenomen verhogingen voorleggen. Het comité beoordeelt dan die verhogingen en keurt die desgevallend af. Daarnaast bepaalt het voorstel van de minister dat de Koning, op voorstel van het Comité en naar aanleiding van een jaarlijkse rapportering van de prijzen door de leveranciers, retroactief prijsverlagingen kan opleggen indien de leveranciers kostendalingen niet ontoereikend hebben doorgerekend aan de consumenten. Op basis van deze bepaling zou de Koning bestaande prijzen kunnen toetsen aan de bestaande kosten en zo, zelfs retroactief, de bestaande prijzen kunnen doen verlagen.
De CREG wil dat de elektriciteitsbedrijven aan de CREG automatisch en ten laatste vier weken voor hun inwerkingtreding elke wijziging van de prijzen, de berekeningsmethode en/of de indexeringsformule meedelen. Op deze basis neemt de CREG ten aanzien van deze elektriciteitsbedrijven bindende beslissingen, onder andere het vastleggen van een maximumprijs.
Beide voorstellen zijn volgens ons juridisch onvoldragen.
In zijn arrest-Federutility van 20 april 2010 oordeelde het Hof van Justitie dat het opleggen van referentieprijzen voor de eindleveringen van aardgas mogelijk was, mits aan een aantal voorwaarden was voldaan.
- De beslissing tot het opleggen van referentieprijzen moet een algemeen economisch belang nastreven dat erin bestaat dat de prijs voor de levering van aardgas aan de eindafnemer op een redelijk niveau wordt gehandhaafd. Hierbij moeten de lidstaten de liberalisering en de noodzakelijke bescherming van de eindafnemer met elkaar verzoenen.
- De maatregel moet redelijk verantwoord zijn voor de verwezenlijking van de doelstelling van algemeen economisch belang. Ze mag maar gedurende een noodzakelijkerwijs beperkte periode gelden.
- De maatregel moet duidelijk worden gedefinieerd en transparant, niet-discriminerend en controleerbaar zijn.
Aan die voorwaarden lijken het voorstel van minister Magnette noch het voorstel van de CREG te voldoen:
- Men kan zich de vraag stellen of het mogelijks opleggen van maximumprijzen voldoende rekening houdt met de principes van een vrijgemaakte markt.
- De beperking in de tijd van die maatregel lijkt daarom absoluut noodzakelijk, maar ontbreekt in beide voorstellen.
- Er lijkt geen evenredige verhouding te bestaan tussen het nagestreefde doel en de ingezette middelen.
Ook de Nationale Bank wijst in haar verslag op het belang van energie-efficiëntie. Het hoge consumptieniveau van energie is naast de maandelijkse indexering en lagere accijnzen dan onze buurlanden volgens de bank een belangrijke verklarende factor voor de prijsstijgingen. De beheersing en de vermindering van de energie-intensiteit is voor haar een belangrijke uitdaging.
Zonder andere noodzakelijke maatregelen die de vrijmaking van de energiemarkt in België substantieel zouden kunnen verbeteren, zal de situatie zoals zij op dit moment bestaat, met het vermeende gebrek aan transparantie en het effectieve gebrek aan concurrentie, toch moeilijk opgelost raken. Meer prijstransparantie kan ook aangepakt worden op andere manieren. Zo zou de wetgever de tariefformules onder de loep kunnen nemen, zonder hieraan een goedkeuring van de tarieven te hechten. Daarnaast suggereert de Nationale Bank dat er een en ander kan verbeteren aan het bestaande a posteriori toezicht door de CREG en de Raad voor de Mededinging.
Prijsregulering voor elektriciteits- en aardgasleveringen slechts onder strikte voorwaarden
vrijdag 11 juni 2010
La SNCB accuse Electrabel d'abus de position dominante
La SNCB réclame 50 millions d’euros à Electrabel, qui lui aurait facturé indûment des suppléments CO2. Electrabel rétorque qu’Infrabel a signé un contrat à prix fixe et tout compris. Et le principal producteur d'électricité du pays nie avoir facturé à la SNCB le prix des certificats de CO2 qu’elle avait reçus gratuitement.
L’affaire a été plaidée hier, en néerlandais, devant la 20e chambre du tribunal de première instance de Bruxelles, présidée par Pierre Valvekens, entouré de deux autres juges.
La SNCB estime qu’Electrabel a abusé de sa position dominante sur le marché. Elle base l’essentiel de son argumentation sur des études réalisées par la Creg, le gendarme du secteur énergétique. Des études qui arrivent à la conclusion qu’entre 2005 et 2008, Electrabel et SPE ont facturé 1,5 milliard d’euros en trop à leurs clients industriels, pour des certificats de CO2 qu’ils avaient reçu gratuitement – ce sont les fameux "windfall profits".
Le phénomène n’est pas typiquement belge, soulignent les avocats de la SNCB, qui font notamment référence à une décision de l’office fédéral allemand de la concurrence, qui a jugé que RWE et E.ON avaient abusé de leur position dominante en répercutant à leurs clients la totalité des coûts des certificats de CO2 qu’ils avaient, pour une bonne part, reçus gratuitement. Finalement, RWE s’est engagée, en échange de l’abandon des poursuites, à vendre une série de capacités de production en Allemagne. Le dossier E.ON, lui, a été transmis à la Commission européenne.
La SNCB a demandé l’accès à la comptabilité d’Electrabel, ce qu’elle s’est vu refuser. Compte tenu du nombre de mégawatts heures facturés et des calculs de la Creg, la SNCB estime qu’Electrabel lui a facturé indûment, via Infrabel, 37 millions d’euros pour les années 2005 à 2008. "S’il n’y avait pas eu ces suppléments CO2, l’électricité aurait été moins chère, et la SNCB serait moins pauvre", a conclu l’avocat Tim Vermeir.
La SNCB réclame 50 millions d’euros de dommages et intérêts, ainsi qu’un euro provisionnel pour les années 2009 et 2010.
Electrabel nie toute forme de "windfall profits" liés au CO2. Ses avocats ont d’abord argumenté que le contrat conclu avec Infrabel résultait d’un appel d’offres, dans lequel Infrabel avait non seulement demandé un prix fixe pour deux à trois ans, mais aussi un prix "all in ", tout compris. Une procédure au terme de laquelle Infrabel a décidé de retenir l’offre d’Electrabel, se félicitant même, à l’époque, des bonnes conditions obtenues.
Concernant les études de la Creg, qu’Electrabel a toujours critiquées, Annick Vroninks, avocate d’Electrabel, a plaidé qu’il s’agissait "d’études générales, théoriques et hypothétiques", qui ne calculaient pas dans quelle mesure un fournisseur donné aurait facturé ces certificats de CO2 à un client donné, mais bien une moyenne pour le marché - sur lequel Electrabel reconnaît toutefois être un acteur important.
Electrabel nie avoir facturé des suppléments CO2 à Infrabel, et souligne qu’il est impossible, dans un contrat "all in", d’isoler l’un ou l’autre composant. Et même si ces bénéfices avaient vraiment été engrangés par Electrabel, ce qu’elle nie, encore faudrait-il prouver qu’ils sont illégaux, ou qu’Electrabel a abusé de sa position dominante, ont plaidé ses conseils. "Quelle est la faute d’Electrabel? a interrogé Annick Vroninks en guise de conclusion. D’avoir participé à un appel d’offres et d’avoir offert un prix fixe ?"
Le jugement devrait être prononcé en septembre prochain. Si la SNCB obtenait gain de cause, d’autres gros clients industriels risqueraient d’entamer des procédures similaires.
(c) L'Echo 2010
La SNCB accuse Electrabel d'abus de position dominante
vrijdag 27 maart 2009
Prijsregulering
In de Kamercommissie Bedrijfsleven van 24 maart 2009 reageerde minister Magnette op de berichten in de pers over de hoge energieprijzen in België (zie hierover ook deze post). De volgende discussie ontspon zich tussen Magnette en Laeremans:
11.02 Minister Paul Magnette: Mijnheer Laeremans, ik heb inderdaad kennis genomen van het verslag van de Europese Commissie over de stand van vooruitgang inzake de oprichting van een eenheidsmarkt voor gas en elektriciteit. (...)
[H]et valt inderdaad op dat de landen met de laagste elektriciteits- en gastarieven allemaal een prijsregulering kennen.
Het is u waarschijnlijk niet ontgaan dat ik in het recente verleden ook al voorstander was van een prijsregulering van de markt. Het is ook juist dat ik daarom de bevoegdheden van de CREG heb versterkt om een monitoring te kunnen uitvoeren op de niet-gereguleerde activiteiten van de elektriciteits- en gasmarkt.
Deze analyse stemt ook overeen met de recente conclusies van de CREG in haar studie over de falende prijsvorming in de vrijgemaakte Belgische elektriciteitsmarkt en de elementen die aan de oorsprong ervan liggen.
Ik heb dan ook aan de CREG gevraagd om aan de regering structurele voorstellen te doen om, in afwachting van concurrentie op het vlak van productie, de consumenten daadwerkelijk te laten genieten van de liberalisering.
11.03 Bart Laeremans (Vlaams Belang): (...) Ik heb het rapport zelf niet gelezen maar dit lijkt toch tegenstrijdig met wat ik hierover in de kranten heb gelezen. Daar zegt men uitdrukkelijk dat de Europese Commissie zich keert tegen gereguleerde prijzen. U maakt een heel andere conclusie. (...)
11.04 Paul Magnette, ministre: Je suis responsable de beaucoup de choses mais pas des contradictions de la Commission. Si elle fait une étude disant que les prix les plus bas sont dans les pays où il y a de la régulation mais qu’elle n’en veut pas, cela veut dire que la Commission est favorable à des prix plus élevés. Mais moi pas!
Wat stelt dit rapport nu eigenlijk:
Uit figuur 6 blijkt dat de vijf lidstaten met de laagste huishoudelijke elektriciteitstarieven allemaal prijsregulering kennen. (...) Als naar de koopkrachtpariteit (purchasing power parity - PPP) wordt gekeken zijn de tarieven hoog voor huishoudens in HU, SK, DE, CY, DK en PL (exclusief alle belastingen en heffingen). Afgezien van DE kennen deze lidstaten allemaal prijsregulering.(...)
Gereguleerde tarieven
Zoals aangegeven in de mededeling van de Commissie "Een interne markt voor het Europa van de 21ste eeuw" moet bij de totstandbrenging van de interne markt de aandacht geconcentreerd blijven op gebieden die direct van invloed zijn op de het dagelijks leven van de consument, zoals energie. Dit omvat de bestaande EU-minimumregels betreffende de universeledienstverplichtingen en de dienstverlening voor kwetsbare klanten.
In tal van EU-lidstaten gaan open energiemarkten nog steeds parallel met gereguleerde energietarieven: meer dan de helft van de lidstaten kennen prijsregulering. De lidstaten die gereguleerde tarieven voor gas en elektriciteit hebben zijn: BG, DK, EE, FR, HU, IE, IT, LV, LT, PL, PT, RO, SK en ES. In GR, CY en MT geldt er prijsregulering voor elektriciteit. DE heeft zijn gereguleerde elektriciteitstarieven afgeschaft in 2007 (huishoudens en kleine ondernemingen). FI heeft gereguleerde gastarieven. In de meeste lidstaten is de prijsregulering niet beperkt tot gezinnen.
De negatieve effecten van gereguleerde energieprijzen blijven een groot probleem voor de goede werking van de interne energiemarkt omdat dergelijke effecten concurrentievervalsing kunnen meebrengen (bv. door belemmeringen op te werpen voor nieuwkomers op de markt en de overstap naar een andere leverancier te bemoeilijken) en de juiste prijssignalen verstoren (en zo een negatieve invloed hebben op investeringen en stimulansen voor energie-efficiëntie). Voorts zijn prijscontrolemechanismen niet altijd verenigbaar met de EU-wetgeving. Er mag geen verwarring ontstaan tussen de bescherming van "kwetsbare klanten" en prijsregulering voor alle klanten, of bepaalde categorieën klanten. Een goed gerichte tariefregulering kan noodzakelijk zijn om de individuele klant in bepaalde omstandigheden te beschermen.
Prijsregulering