Tinne was deze zondag te gast bij Guy Polspoel op TV Brussel.
Ze sprak er over haar ervaring als politica, de advocatuur en Blixt en haar engagementen in de verschillende raden van bestuur waarin ze zetelt (VUB, KVS, Wijkgezondheidscentrum de Brug, Zwanger in Brussel en Cyclo.
maandag 27 april 2015
Tinne bij Polspoel-Bernolet op TV Brussel
vrijdag 27 maart 2015
Kostenreflectiviteit van nettarieven voor elektriciteit en aardgas
Over het begrip 'kostenreflectiviteit' van de tarieven van de netbeheerders in elektriciteit en aardgas is al wat inkt gevloeid (hoewel), maar duidelijk waren de verschillende standpunten nooit.
In hun zeer kritische bijdrage over de Verordening 838/2010/EG schrijven Van der Kooij en Lavrijssen:
“Unfortunately there is no clear prohibition of cross-subsidization within the EU Electricity legislation. The tariffs must be set in a transparent and non-discriminatory manner. Besides, it is important that the tariffs reflect the costs. This, however, seems to entail that the network operator must provide the services as efficiently as possible and that the tariffs that it may incur can only be as high as efficient costs and a reasonable profit. This does not seem to entail the user pays-principle. This thought is strengthened by the fact that the user pays-principle is explicitly mentioned in the Gas Regulation. The technical nature of the flow of gas explains why the Gas Regulation incorporates the user-pays principle and provides for a positive transport charge for producers.Hannah Kruimer schreef in haar doctoraat (H. KRUIMER, The non-discrimination obligation of energy network operators, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 144-145):
Besides the Electricity Directive and the Electricity Regulation, the guidelines of Regulation 838/2010 Part B are also relevant. They are created to ensure more harmonization within the Union and contain ranges for the annual average transmission tariffs for producers within the European Union. It would be useful to know how these ranges were created, how they must be interpreted and most importantly, if they are in line with the prohibition of non-competitive cross-subsidization. But if these guidelines prescribe that the annual average transmission charge for producers may be zero and if it would be decided by the Institutions that this does not create any problems with regard to the prohibition of anti-competitive cross-subsidization, this would entail that exempting producers on the transmission level from paying transport charges is allowed. However, the intentions and legality of the guidelines are controversial.”(A. CRESPO VAN DER KOOIJ en S. LAVRIJSSEN, “A Legal Assessment of the Producer Exemption from Transport Tariffs under EU Law”, EEELR 2013, p. 253-254)
“As a side note, there is the question of which costs network operators are allowed to take into account. Generally, I would argue the answer is that all costs that network users cause the network operator to incur. In this respect, I should point out that the principle of cost reflective charges has been adopted in, for example, the regulatory frameworks in Great Britain, the Netherlands and Germany, but here are different views on when tariffs are cost reflective, and hence non-discriminatory. The cost elements used by them differ, as well as who pays for the network charges. As a result, different treatment of certain network users (groups) could violate the non-discrimination obligation in one Member State but be legal in another.(…)In zijn arrest van 25 maart 2015 (Febeliec / CREG) neemt het hof van beroep van Brussel wel een duidelijk standpunt in over dit ijkel begrip:
There are also differences between the Member States as to who pays the electricity transmission charges. For example, in Germany the electricity transmission network costs are paid by companies that take the electricity off the network (also known as load). Generators are excluded from paying network charges, except for their contribution to network balancing if they are unbalanced. This is similar to the Netherlands, where network costs are also paid by load only. On the contrary, in Great Britain, the network charges are split between generators and load.”
91. Het begrip kostenreflectiviteit of weerspiegeling van de kosten in de tarieven, kan meerdere betekenissen hebben. De vraag is in welke betekenis(sen) dit begrip juridisch normerend is, en dus bindend is voor de CREG.Kostenreflectiviteit houdt dus in, zoals confrater Verhoeven het op LinkedIn stelde:
92. De CREG en [verweerders] wijzen er terecht op dat het vereiste dat de tarieven die de netbeheerder aanrekent kostenreflectief moeten zijn, betrekking heeft op de verhouding tussen de hoogte van de tarieven en de door de netbeheerder gemaakte kosten. De tarieven mogen de kosten van de beheerder dekken, en de netbeheerder bovendien een billijke winstmarge verzekeren. Monopoliewinsten voor de netbeheerder moeten echter vermeden worden.
Monopoliewinsten zouden immers de nadelige gevolgen teweeg kunnen brengen die, in het algemeen, met het mededingingsrecht onbestaanbaar zijn. Meer bepaald zouden zij kruissubsidiëring van commerciële activiteiten met winsten behaald met netactiviteiten in de hand kunnen werken, en een drempel kunnenv ormen voor nieuwe toetreders tot de commerciële elektriciteitsmarkten. Monopoliewinsten kunnen ook zelf het gevolg zijn van roofprijzen of excessieve prijzen die de monopolist kan afdwingen, hetgeen eveneens in strijd is met het mededingingsrecht.
Deze historische betekenis van de reflectiviteit van de kosten ligt nog steeds ten grondslag aan Verordening 714/2009, al is een ontbundeling tot stand gebracht tussen het beheer van het net, enerzijds, in België door Elia, en de activiteiten van de andere marktspelers, anderzijds. Deze historische betekenis is de juridisch bindende betekenis van het beginsel van de kostenreflectiviteit.
93. Met het begrip kostenreflectiviteit kan ook de toewijzing van de kosten, of kostenallocatie bedoeld zijn. Eén bepaalde wijze van kostenallocatie wordt door de toepasselijke rechtsnormen echter niet opgelegd. Dit blijkt uit artikel 12, § 5, 2°, Elektriciteitswet, dat bepaalt dat het geheel van de kosten van de transmissienetbeheerder gedekt moet zijn, en uit artikel 12, § 5, 2°, Elektriciteitswet dat alleen een niet-discriminerende en een transparante toewijzing van de kosten vereist is (zie hierover verder).
Het kan dan ook niet aangenomen worden dat er een één-op-één verhouding moet bestaan tussen de kosten van het netwerk en de inkomsten uit de tarieven (zie in die zin, onder meer, de nog steeds actuele notitie van het toenmalige Directoraat-generaal Energie en Transport bij de Richtlijnen 2003/54/EG en 2003/55/EG: Rol van de regulerende autoriteiten). Onder meer wat betreft de kostenallocatie wordt de uitoefening van de CREG gekenmerkt door een marge van beleidsvrijheid (zie in dezelfde zin in het ENTSO-E (…) Overzicht van de Transmissietarieven in Europa 2013).
94. Niet alleen is een één-op-één doorrekening van kosten in tarieven niet verplicht, bovendien doet de CREG op aanneembare feitelijke gronden gelden dat de kosten die Elia oploopt voor uitvoering van haar wettelijke taken niet eenheid per eenheid toewijsbaar zijn aan de ene en de andere dienst dan wel netgebruiker. De materiële structuur van het net is van die aard (…) dat het niet mogelijk is om de kost die op een bepaald gedeelte van het net betrekking heeft tot te wijzen, aan een bepaalde netgebruiker, en de fysieke eigenschappen van elektriciteit zijn van die aard dat een bepaald gedeelte van het net niet geacht kan worden gebruikt te zijn voor de levering van een bepaalde hoeveelheid elektriciteit.
(…)
95. Daarenboven verzetten bepaalde rechtsregels zich tegen één-op-één doorrekening, hetgeen even zovele verdere aanwijzingen zijn dat de door de eiseressen voorgestane verplichting in die zin niet bestaat.
Zo stelt artikel 14(1) Verordening 714/2009 dat de tarieven voor nettoegang niet afstandsgebonden mogen zijn. In dezelfde zin bepaalt artikel 12, § 5, 8°, Elektriciteitswet dat de tarieven uniform zijn voor het grondgebied, hetgeen impliceert dat dichterbij gelegen netgebruikers ook zullen bijdragen voor verderaf gelegen netgebruikers. Dat betreft alvast geen één-op-één doorrekening.
Voorts stelt punt 3 van deel B van de Bijlage bij Verordening 838/2010 dat de jaarlijkse gemiddelde transmissietarieven ten laste van de producenten binnen een vork tussen 0 en 0,5 €/MWh moeten blijven, hetgeen een één-op-één doorrekening belet, indien deze tarieven volgens laatst vermelde berekening hoger mochten blijven. Overigens blijkt uit die wettelijke vork eveneens dat een nultarief voor het injectietarief niet onwettelijk is.
Er kan ook worden verwezen naar artikel 12, § 5, 7°, Elektriciteitswet, dat voorziet in de mogelijkheid van de zogenaamde 'benchmarking', dit is het vergelijken met vergelijkbare regelingen en praktijken, onder meer buitenlandse. Uit de mogelijkheid om met deze en andere richtsnoeren rekening te houden blijkt dat er één-op-één doorrekening zich niet opdringt.
Court finally admits that, on a legal point of view, “cost reflective grid tariffs” means tariffs that are globally covering no more than the costs (and profit margin) of the system operator, and not tariffs that, for each category of grid users, are in line with the grid costs that this category individually creates. In other words, "cost reflectiveness" is a rule playing at the level of the constitution of a grid budget, and not for its allocation.
Kostenreflectiviteit van nettarieven voor elektriciteit en aardgas
donderdag 26 maart 2015
De CREG en de bestuurstaalwet
Om de één of andere reden slaagt de CREG er vaak niet in om belangrijke beslissingen integraal in het Nederlands en het Frans op te stellen (van het Duits is zelfs helemaal geen sprake). In het arrest van 6 februari 2013 vernietigde het hof van beroep alleen al daarom (maar ook om andere redenen) de Elia-tariefbeslissing van de CREG van 2011:
41. Het wordt niet betwist dat de CREG dient te worden beschouwd als een “centrale dienst” waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt in de zin van de vermelde taalwet.In zijn arrest van 25 maart 2015 mocht het hof van beroep zich opnieuw uitspreken over de schending van de bestuurstaalwet door de CREG, nota bene in de nieuwe tariefbeslissing die volgde op de door het arrest van 6 november 2013 vernietigde beslissing.
De bestreden beslissing houdt wezenlijk in dat het totale inkomen van Elia voor de gereguleerde periode 2012-2015 wordt goedgekeurd, dat een tariefvoorstel wordt goedgekeurd (...) en dat nettarieven worden goedgekeurd.
Het gaat daarbij duidelijk niet om één van de administratieve akten die bedoeld worden in artikel 42, aangezien de CREG
gehouden is om de beslissing bekend te maken ten behoeve van het publiek, dat van de beslissing kennis moet kunnen nemen. Zulks wordt ook voorgeschreven door artikel 35 van de voorlopige methoden voor het berekenen en vastleggen van de tarifaire voorwaarden (...), die mee als rechtsgrond voor de bestreden beslissing worden vermeld, zowel als in artikel 37, 16. van de richtlijn 2009/72/EG trouwens.
Er moet dan ook worden aangenomen dat de beslissing valt onder de categorie “berichten en mededelingen” bedoeld in artikel 40, tweede lid van de vermelde regelgeving.
42. Volgens het vermelde artikel 40, tweede lid dienen berichten en mededelingen in het Nederlands en het Frans te worden gesteld. Dit kan niet anders worden begrepen dan dat er algehele overeenstemming in tekst dient voorhanden te zijn tussen de Nederlandstalige en de Franstalige versies van de betrokken akte.
Onderscheid tussen het relatieve belang van onderdelen van de betrokken akte is daarbij niet relevant.
Omvat de Nederlandstalige tekst een niet in het Nederlands vertaalde passus in het Frans, dan is de met de Franse tekst overeenstemmende versie in het Nederlands niet voorhanden.
43. Het verweer als zou van de energieregulator niet kunnen worden gevergd dat hij zijn akten geheel in de Nederlandse en de Franse taal zou stellen of dat alle documenten die van hem uitgaan en waarnaar hij verwijst zowel in het Frans als in het Nederlands worden gesteld, omdat zulks hem zou kunnen beletten de hem toevertrouwde taken op een efficiënte en snelle wijze uit te voeren zoals voorgeschreven bij artikel 37, 4. van richtlijn 2009/72/EG kan niet worden gevolgd.
Het komt de regulerende instantie integendeel toe alle maatregelen te nemen opdat hij de nationale wetgeving inzake gebruik van de talen waaraan hij is onderworpen, zou kunnen naleven zonder tekort te komen aan zijn Europese verplichting om zijn taken efficiënt en snel uit te voeren.
Er bestaat geen reden om het Hof van Justitie hierover prejudicieel te bevragen. Het lijkt niet erg waarschijnlijk dat een Europese instelling die zich in 22 talen dient uit te drukken, op voet van gelijkheid, problemen zou ontwaren in een nationale verplichting voor een regulerende instantie om zich in twee talen uit te drukken.
44. Uit de voormelde vaststellingen volgt dat de bestreden beslissing artikel 40, tweede lid van de taalwetten in bestuurszaken schendt en met toepassing van artikel 58 van dezelfde wetten dat ze nietig is.
Het middel van Electrabel is gegrond. De bestreden beslissing moet worden vernietigd.
Het hof was deze keer genuanceerder.
26. Zo artikel 40, tweede lid, voormeld, vereist dat de bestreden beslissing in het Nederlands en het Frans wordt gesteld, betekent dit dat de beslissing in één van deze talen de vertaling is van de beslissing in de andere taal. Dat is inderdaad de enige mogelijkheid om een gelijkluidende beslissing in beide talen te hebben. Het is immers materieel onmogelijk om de beslissingen tegelijk in twee verschillende talen te schrijven.Uiteindelijk komt het hof tot de conclusie dat van de gewraakte passages telkens de zakelijke inhoud van de onvertaalde passages weergeven.
In de voorliggende zaak moet aangenomen worden dat de bestreden beslissing in het Frans is opgesteld, en vertaald werd in het Nederlands. Dit geldt ten minste voor die gedeelten van de bestreden beslissing waarin de gewraakte passages en vermeldingen voorkomen.
Het voorstel van Elia waarop de bestreden beslissing is gegrond, is immers in het Frans gesteld, zodat het voor de hand lag de bestreden beslissing in het Frans te redigeren. Bovendien zijn de passages uit de in het Nederlands gestelde versie van de beslissing (…) in het Frans gesteld, hetgeen erop wijst dat deze passages in het Frans zijn overgenomen uit de in het Frans opgestelde beslissing. Over dit laatste punt bestaat weliswaar geen zekerheid, omdat (…) de bestreden beslissing in het Frans niet voorgelegd wordt (…).
27. Aangezien (…) aangenomen mag worden dat de Nederlandse versie van de beslissing de vertaling is, is het de vraag aan welke vereisten die vertaling moet beantwoorden. Om een antwoord te geven op die vraag, kijkt het hof naar de vereisten die in de taalwetgeving gesteld worden aan een vertaling.
Wordt deze regel toegepast op het vereiste dat de beslissing, naast in het Frans, geheel in het Nederlands is gesteld, (…), dan betekent dit dat er, als in de Nederlandse versie van de beslissing een passage of vermelding in het Frans staat, twee mogelijkheden bestaan om de eentaligheid van de Nederlandstalige versie van de beslissing te verzekeren. De eerste mogelijkheid is de vertaling van de passage of vermelding in het Nederlands. De tweede mogelijkheid is de weergave van de zakelijke inhoud van de passage of vermelding in het Nederlands.
Nu de Nederlandstalige versie van de bestreden beslissing geen vertaling van de gewraakte passages en vermeldingen bevat, rest nog te onderzoeken of de zakelijke inhoud ervan is weergegeven, in de tekst van de beslissing die in het Nederlands is gesteld. (…)
In hetzelfde arrest weerlegt het hof de juridische spielerei van één van de tussenkomende partijen dat het verzoekschrift zelf de Gerechtstaalwet schond, omdat het daarin een van de door henzelf gewraakte passages niet vertaald had. Het hof wees die eis af. De taalspeeltijd is hiermee hopelijk voorbij.
Maar mag de CREG er aub voor zorgen dat zij al haar beslissingen steeds volledig in minstens het Frans en het Nederlands opstelt en liefst ook in het Duits en/of het Engels?
De CREG en de bestuurstaalwet
maandag 16 maart 2015
Verjaring van schulden voor de levering van elektriciteit en aardgas
Verjaren schulden van consumenten voor de leveringen van elektriciteit en aardgas nu na tien jaar (artikel 2262 BW), na vijf jaar (artikel 2277 BW) of na één jaar (2272)?
Het Hof van Cassatie heeft met zijn arrest van 8 januari 2015 duidelijk gemaakt dat, anders dan bij elektronische communicatiefacturen (en misschien zelfs ook waterschulden), artikel 2272 (éénjarige verjaring) de regel is en artikel 2277 BW (vijfjarige verjaring) de uitzondering.
Hoewel het Grondwettelijk Hof zich nooit uitsprak over de verjaring van schulden voor de levering van elektriciteit of aardgas, ging men er na de arresten van het Hof van 19 januari 2005 en 17 januari 2007 van uit dat zulke schulden ook voor elektriciteit en aardgas verjaren na verloop van vijf jaren (artikel 2277 BW). Die schulden kwalificeert men als periodiek terugkerende schulden, die hun oorsprong vinden in eenzelfde rechtsgrond (bv. telefoonabonnement of leveringsovereenkomst voor elektriciteit of aardgas). Die stelling werd in recente rechtsleer uitvoerig behandeld en onderschreven.
Juist omdat de oorsprong van de schulden het gevolg zijn van een leveringsovereenkomst, negeerde de meerderheid van de rechtsleer de mogelijke toepassing van artikel 2272 BW.
Men verwees daarbij naar de ratio legis van artikel 2272 BW, “namelijk een korte verjaringstermijn voor eerder minieme schuldvorderingen waarvan kan worden vermoed dat ze contant werden betaald en werden afgehandeld zonder geschrift”, waarbij men “de nadruk legt op de aard van de schuldvordering (namelijk een kleine schuld waarvan vermoed kan worden dat ze onmiddellijk werd betaald) en de gewoonten van de schuldeiser (vraagt deze over het algemeen contante betaling?)” (L. WERMOES, “De éénjarige verjaringstermijn van artikel 2272 lid 2 B.W.”, RABG 2005, p. 56).
Het feit dat ook voor overeenkomsten voor leveringen van elektriciteit en aardgas in de regel een geschrift wordt opgesteld kon de toepassing van dit artikel volgens sommigen niet uitsluiten. “En effet, exiger l’absence de tout écrit serait ajouter au texte légal une condition d’application qui n’y figure pas”, schreef Marr (C. MARR, “Le délai de prescription applicable aux dettes de fourniture d'énergies”, JT 2009, 595).
Met het arrest van het Hof van Cassatie van 8 januari 2015 zet hij de overtuiging dat de verjaring van schulden voor de levering van elektriciteit en aardgas enkel beheerst wordt door artikel 2277 BW op losse schroeven. Hij onderschrijft de stelling dat het bestaan van een overeenkomst geen reden is om de toepassing van artikel 2272, lid 2, BW uit te sluiten.
De rechtsvorderingen van kooplieden wegens de koopwaren die verkopen aan niet-kooplieden verjaren door verloop van één jaar, bepaalt artikel 2272, lid 2, BW. Elektriciteit en aardgas zijn producten (goederen) en geen diensten. Houders van een leveringsvergunning voor elektriciteit en aardgas zijn ook kooplieden (handelaars).
De korte, kwijtende verjaringstermijn van artikel 2272, lid 2, BW steunt op een vermoeden van contante betaling van kleine schuldvorderingen die in principe niet schriftelijk worden afgehandeld. Dit herhaalde ook het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 88/2007van 20 juni 2007:
“De korte verjaringstermijn is gebaseerd op een vermoeden van betaling en wordt gemotiveerd door het feit dat van het ontstaan en de kwijting van dergelijke schulden doorgaans geen geschrift wordt opgesteld.”Het Grondwettelijk Hof gaf wel duidelijk aan dat de verkorte verjaringstermijn van artikel 2272, lid 2, BW niet van toepassing is in het geval van leveringen van diensten, zoals telecommunicatiediensten, “omdat in de regel van de overeenkomst voor dergelijke leveringen een geschrift wordt opgesteld”. Het onderscheid tussen leveringen van goederen, enerzijds, en leveringen van diensten, anderzijds, is volgens het Hof niet onredelijk.
Hieruit had men dus al kunnen afleiden dat bij leveringen van goederen door kooplieden, zoals de levering van elektriciteit en aardgas door houders van een leveringsvergunning, aan niet-kooplieden, de verkorte verjaringstermijn van artikel 2272, lid 2, BW zou moeten gelden. Minstens kon men uit dit arrest niet afleiden dat ook bij de leveringen voor elektriciteit en aardgas enkel artikel 2277 BW zou gelden Rb. Hoei 26 september 2013, T.Vred. 2014, 51).
In zijn arrest van 8 januari 2015 beslist het Hof van Cassatie in die zin. Een middel dat steunt op de veronderstelling dat een vordering door een elektriciteitsleverancier ten aanzien van een consument voor de periodieke levering van elektriciteit maar kan verjaren bij toepassing van artikel 2277 BW, omdat die levering gebaseerd is op een leveringsovereenkomst en omdat er facturen worden opgesteld, ‘faalt in rechte’:
“Le moyen, qui soutient que l'action du fournisseur d'énergie contre le consommateur en paiement de fournitures périodiques d'électricité est toujours régie par l'article 2277 du Code civil, parce que, en règle générale, une preuve écrite est établie du contrat relatif à ces fournitures et que des factures sont adressées par le fournisseur au consommateur, manque en droit.”Volgens het Hof is de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2277 BW enkel van toepassing als het bestaan van de schuld vastgesteld is in een geschrift en indien die schuldvordering betaalbaar is bij het jaar of bij kortere periodes. Wanneer er geen geschrift is opgesteld die het bestaan van de schuld vaststelt, geldt de eenjarige verjaringstermijn van artikel 2272 BW. Of het feit dat de schuld betaalbaar is bij het jaar of bij kortere periodes kan volstaan om aan de vereiste van het bestaan van een geschrift waaruit de schuld blijkt niet uit het arrest. Eerder lijkt het zo te zijn dat de betaalbaarheid bij korte periodes, wat de voorwaarde is voor artikel 2277 BW, een bevestiging is van de uitzonderingsregel van dit specifieke artikel, maar geen voorwaarde opdat artikel 2272 niet van toepassing zou zijn.
Overeenkomstig artikel 2274, lid 2, BW houdt de verkorte verjaring van artikel 2272 BW “slechts op te lopen, indien er een afgesloten rekening, een onderhandse of authentieke schuldbekentenis bestaat, ofwel een dagvaarding voor het gerecht, waarop geen verval van instantie is gevolgd”.
Uit het arrest van 8 januari 2015 volgt duidelijk dat het feit dat er een leveringsovereenkomst geen voldoende voorwaarde is voor de uitsluiting van de verkorte verjaringstermijn noch voor de toepassing van artikel 2274, lid 2, BW. De eenjarige verjaringstermijn is gegrond op een vermoeden van betaling. Degene die zich op deze termijn beroept, erkent met andere woorden steeds dat hij de goederen gekocht heeft, zo niet zou hij zich niet op het vermoeden van betaling van deze aankoop, waarop de verjaring gebaseerd is, beroepen.
Een factuur is dit ook niet, omdat die niet wederkerig erkend is. In een vonnis van 28 juni 2011 schrijft de vrederechter van Grâce-Hollogne:
« L’établissement de factures est par conséquent irrelevant. L’article 2274 prévoit en effet expressément l’interversion de la courte prescription, après naissance de la créance, lorsqu’il y a eu « compte arrêté » (soit toute reconnaissance signée par le débiteur au bas d’un mémoire que lui présente le créancier), « cédule » (soit une reconnaissance par acte sous seing privé) ou « obligation » (soit une reconnaissance par acte authentique), ou « citation en justice non périmée » (6). La prescription est donc intervertie lorsque le débiteur reconnaît par écrit l’existence de la dette. Si l’on applique ces critères à la facture, force est de conclure que, tant qu’elle n’a pas été acceptée par son destinataire, elle ne peut être considérée comme un acte opérant l’inversion de la prescription au sens de l’article 2274, alinéa 2 du Code civil, parce qu’elle n’est pas une reconnaissance de dette émanant du débiteur. »Een factuur bewijst ten aanzien van een niet-handelaar dus het bestaan van een schuld niet, zeker niet als betwist wordt dat de factuur daadwerkelijk werd opgestuurd aan en ontvangen door de schuldenaar, niet-handelaar. Het komt aan de handelaar-schuldeiser toe te bewijzen dat hij de factuur opgestuurd heeft en dat de schuldenaar die ook effectief ontvangen en aanvaard heeft.
De eenjarige verjaringstermijn van artikel 2272, lid 2, BW houdt immers “slechts op te lopen, indien er een afgesloten rekening, een onderhandse of authentieke schuldbekentenis bestaat, ofwel een dagvaarding voor het gerecht, waarop geen verval van instantie is gevolgd” (artikel 2274, lid 2, BW). In die hypotheses komt men in de situatie van de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2277 BW terecht. Het loutere opstellen en verzenden van een factuur doet de eenjarige verjaringstermijn niet stoppen. Zelfs in het geval van een herhaaldelijk omstandig stilzwijgen dat als impliciete aanvaarding van de factuur zou kunnen worden geïnterpreteerd, houdt de termijn van artikel 2272, lid 2, BW niet op. In zulke gevallen zou die termijn enkel gestuit zijn, overeenkomstig artikel 2248 BW.
Volgens de Rechtbank van Eerste Aanleg in Namen in een vonnis van 13 maart 2009 kan echter ook uit de omstandigheden en uit het gedrag van de schuldenaar afgeleid worden dat de korte verjaring niet speelt, bv. wanneer een deel van de facturen betaald zijn en een ander deel, met dezelfde contractuele oorzaak, nooit betwist werden.
Het Hof van Cassatie heeft een duidelijke stelling ingenomen, maar de regels die voortvloeien uit die stelling zijn niet geheel duidelijk. Misschien kan de wetgever die duidelijkheid scheppen en tegelijk ook aangeven dat het deel van de schulden die voortvloeien uit de netbeheersactiviteiten, en waarvoor enkel de afnemer de schuldenaar is, onder dezelfde verjaringstermijnen vallen.
Verjaring van schulden voor de levering van elektriciteit en aardgas
dinsdag 28 oktober 2014
Pers, opinie en verkeerde meningen
Tijdens de stralende herfstnamiddag gisteren belde en mailde mij de verantwoordelijke opinie van De Morgen om snel een stuk te schrijven over de heisa die ontstaan was over de enorme schuldenberg van de distributienetbeheerders ten gevolge van het systeem van groenestroomcertificaten. Na wat wikken en wegen besloot ik het volgende te schrijven:
"Niets nieuws onder de zonOm 18.30 u mailde de verantwoordelijke opinie van De Morgen mij het volgende:
Na de Zevende Dag in zijn Fact Check afgelopen zondag, pakten ook deze krant en Het Laatste Nieuws gisteren uit met oud nieuws: de factuur die wij zullen moeten betalen voor het systeem van de groenestroomcertificaten loopt steeds verder op en bereikt nu al een duizelingwekkend bedrag. Maar wie wist dit eigenlijk niet? Het volstaat om te zoeken naar 'certificatenoverschot' in de archieven van deze krant om te lezen dat er vanaf 2010 al gewaarschuwd werd voor deze bubbel. Waarom de pers nu opnieuw het lijk in de kast ontdekt en een verantwoordelijke aanwijst lijkt ingegeven door politieke belangen.
Minister Van den Bossche als schuldige aanwijzen is echter oneerlijk. Het systeem van de groenestroomcertificaten is in 2002 uitgewerkt door de federale regering Verhofstadt I. Pas in 2004 nam ook de Vlaamse overheid het over (regering Somers). Producenten kregen per eenheid elektriciteit groenestroomcertificaten; leveranciers moesten in verhouding met de door hen geleverde elektriciteit deze certificaten inleveren bij de VREG. Zij moesten die dus aankopen van de producenten, die er ook voor konden opteren om de certificaten aan een minimumprijs aan de distributienetbeheerders te verkopen. Voor een aantal technologieën was het interessanter om te verkopen aan de hogere minimumprijs dan aan de marktprijs. De paarsgroene Vlaamse meerderheid bepaalde ook expliciet dat indien de steun niet langer zou worden toegekend, de Vlaamse regering voor bestaande installaties de geleden schade zou vergoeden.
Over de hoogte van de minimumsteun noch over die 'garantie' van de Vlaamse regering is er ooit gedebatteerd. Pas in 2006 voerde Vito een eerste studie uit naar de onrendabele toppen. Voor bv. zonne-energie paste Vito de berekening van die top aan de hoogte van de (toen) geldende minimumsteun aan.
Het overbruggen van de 'onrendabele top' was initieel de hoofdbedoeling. De 'onrendabele top' is het verschil in kostprijs tussen de prijs om een eenheid elektriciteit op te wekken door een 'gewone elektriciteitscentrale' en de prijs in een groene centrale. Per technologie verschilt die onrendabele top. Door een jarenlange zekerheid te geven op minimumsteun verdween het idee van de onrendabele top naar de achtergrond. De minimumprijs (en de duurtijd) was doorslaggevend om banken over de streep te trekken om investeringen in hernieuwbare energiebronnen te steunen. Voor investeerders betekenden de minimumprijs en de duur ervan een mooie financiële inkomstenstroom.
De regeringen Leterme en Peeters veranderden het systeem niet. De hoogte van de minimumprijs werd in 2009 wel verlaagd. Met de regering Peeters II (en minister Van den Bossche) greep wel grondig in, maar enkel voor toekomstige investeringen.
Het klopt dat de sp.a zich verzette tegen een verhoging van de distributienettarieven in 2013 en 2014. Dit verzet paste in hun strijd tegen de stijging van de energieprijzen waardoor zij indirect een indexsprong toelieten (door de prijsbevriezing en de verlaging van de BTW). Maar ook de distributienetbeheerders wouden graag nog wat langer wachten op de terugbetaling van hun schulden. Zij hoopten dat na de Zesde Staatshervorming de Vlaamse regulator VREG meer inschikkelijk zou zijn dan de federale regulator CREG bij het vaststellen van hun inkomsten en winst.
Dat de kosten van het verleden ooit zullen moeten terugbetaald worden, stond dus al lang vast. Het nieuws van gisteren is dus oud nieuws. Nieuwer nieuws zou de aankondiging zijn van de Vlaamse regering om grondig werk te maken van het beheer van dit verleden en daarbij ingrijpende beslissingen te nemen waarmee men de hoogte van de schuldenberg kan doen dalen. Waarom durft niemand in vraag te stellen dat het totaal zinloos is om subsidies te geven aan hernieuwbare energiebronnen wanneer de marktprijs voor elektriciteit op bepaalde zon- en windrijke momenten flirt met nul of zelfs negatief is? Waarom durft niemand aan investeerders te zeggen dat het niet in het algemeen belang is om te blijven zorgen voor winsten wanneer de gedane investeringen in hernieuwbare energiebronnen al lang terugverdiend zijn? Waarom moet men werken met lapmiddelen zoals een netvergoeding wanneer een fundamentele breuk met het verleden maatschappelijk eerlijker zou zijn?
Tim Vermeir
De auteur is advocaat (Blixt) en vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Milieu- en Energierecht van de KU Leuven"
"dank voor de bijdrage, maar u bewaart het beste voor het slot.Mijn opinie is vandaag dus niet gepubliceerd.
Juist de verdichte slotparagraaf met vragen verdient uitwerking tot een opiniestuk.
Met vriendelijke groet,"
Dat het stuk waarvoor ik anderhalf uur tijd verloor, op hun vraag, niet in de krant verscheen vind ik op zich niet zo erg. Wat ik wel erg vind, is de manier waarop zulke opinies gevraagd en geëvalueerd worden: men denkt een brandend onderwerp te hebben, men zoekt wat bijkomende controverse, men vindt snelsnel een bereidwillige auteur, men voert het stuk af wegens te weinig controverse en te veel kritiek op de krant zelf. Zoals zalmen die gevangen worden wanneer ze even wachten en nadenken voor ze tegen de stroom in willen zwemmen.
Want veel nadenken is blijkbaar niet nodig om in de pers te verschijnen noch bij het evalueren door de pers van 'nieuws'. Getuige daarvan de fora die minister Vande Lanotte krijgt in Terzake en in De Morgen. Zonder enige vorm van kritiek mag hij zijn oplossing voor het probleem uit de doeken doen en nog eens herhalen hoe fantastisch zijn interventie in de vrije markt wel niet was.
Voor Vande Lanotte ligt de oplossing voor de hand: voer de netvergoeding opnieuw in en de schulden zullen smelten als sneeuw voor de zon. Die netvergoeding zou eerder gestemd zijn door het Vlaams Parlement (fout: die is goedgekeurd door de CREG op vraag van de distributienetbeheerders) en vernietigd zijn door het Grondwettelijk Hof (fout: die is vernietigd door het hof van beroep van Brussel op 27 november 2013). Met die netvergoeding zouden de eigenaars van zonnepanelen hun eigen oversubsidiëring kunnen terugbetalen. Opnieuw fout: de netvergoeding is er enkel voor kleine PV-eigenaars, die hun opgewekte elektriciteit niet kunnen verkopen aan een afnemer. Grote PV-eigenaars injecteren hun elektriciteit in het net en verkopen die aan de contractueel overeengekomen prijs aan een leverancier. Zij betalen geen netvergoeding maar, net zoals alle andere producenten (op het distributienet) een injectietarief. Zij zijn aangesloten op het transmissienet dan betalen ze vooralsnog geen injectietarief, maar hebben ze wel recht op groenestroomcertificaten en de minimumprijs (zie het arrest van het Grondwettelijk Hof in de zaak Stora Enso).
Maar Vande Lanotte wordt niet het vuur aan de schenen gelegd, of toch totaal onvoldoende. Als hapklare politieke repliek krijgt hij evenveel kritiekloze ruimte als de loze beschuldigingen van de andere kant eerder op de dag tegen zijn partij en collega Van den Bossche.
Zou het niet zinvol zijn om over het probleem van de groenestroomcertificaten en de daarmee opgelopen schuldenberg eens grondig na te denken? Met alle belanghebbenden? Met het oog op het uitwerken van een duurzame oplossing waarbij de investeringszekerheid gegarandeerd blijft, de windfall profits afgeroomd worden, de schulden verlicht worden, de afnemers gelijk behandeld worden, de netvergoeding niet omwille van haarzelf en zonder respect van de rechtsregels heringevoerd wordt?
De pers moet de ruimte laten voor zulk debat. Dat kan middels opiniebijdragen of middels interviews. Maar geef aan de opiniemakers de tijd om de opinie te schrijven en aan de geïnterviewden het nodige onderbouwde weerwerk.
Ik heb het nu eventjes wel gehad. Het zou zoveel mooier zijn mocht het recht ten dienste staan van de ontwikkeling van de maatschappij en niet steeds als destructief middel om deze of gene (private of pers)belangen te faciliteren. Zou het niet aangenamer zijn dat juristen de tijd krijgen om, in nauw overleg met economisten en ingenieurs, een gedegen en toekomstgerichte oplossing uit te werken: een soort van pact voor het uitwerken van een energiebeleid, een energiepact onder opiniemakers?
Pers, opinie en verkeerde meningen
vrijdag 26 september 2014
Stroomonderbreking door het afschakelplan: allemaal de fout van de prins
Op de website van Elia staat een interessante pagina met terechte vragen en goede antwoorden over het 'risico op energieschaarste in België'. Elia geeft daarin een overzicht van de verschillende maatregelen die genomen zijn en zullen genomen worden mocht er een schaarste (te weinig aanbod, om verschillende redenen, en te veel vraag op piekmomenten in de winter) zich kunnen voordoen.
Het afschakelplan (of afschakelingsplan), waarover zo veel te doen is tegenwoordig, is de allerlaatste schakel binnen die reeks van mogelijkheden. Met dat afschakelplan wordt het een aantal gebruikers onmogelijk gemaakt om tijdens een bepaalde, vooraf aangekondigde periode, elektriciteit van het net af te nemen of elektriciteit te produceren:
“Bij schaarste is het de overheid die de beslissing neemt om het verbruik te beperken. Afschakelen (of het gecontroleerd onderbreken/snijden van de elektriciteit in een bepaalde zone) is daarbij een laatste maatregel. Eerst wordt er geprobeerd om via sensibilisatiemaatregelen, mogelijk aangevuld met verbodsbeperkingen, het evenwicht op het net te herstellen.”De modaliteiten van dit afschakelplan zijn opgenomen in het ministerieel besluit van 3 juni 2005 tot vaststelling van het afschakelplan van het transmissienet van elektriciteit.
Het afschakelplan omvat de maatregelen betreffende het wijzigen en afschakelen van afnamen van het transmissienet. Deze maatregelen worden toegepast door Elia en door de distributienetbeheerders. Het afschakelplan bepaalt onomwonden dat het “geldt ten aanzien van alle afnemers van elektriciteit die binnen de regelzone op het transmissienet aangesloten zijn of op een distributienet” (artikel 1.1.3).
Elia kan, bij een aangekondigde schaarste, de ministers van economie en van energie vragen om de nodige maatregelen te nemen zodat hij het evenwicht kan herstellen of de lokale energietekorten kan verminderen, door:
- de afnemers of categorieën van afnemers op te dragen de elektriciteit die zij afnemen van het net te verminderen binnen de vooropgestelde limieten; of
- hun te verbieden elektriciteit voor bepaalde doeleinden te gebruiken.
Het komt aan de ministers van energie en van economie toe om, op basis van de informatie van Elia, te beslissen welke van de twee hiervoor opgesomde maatregelen moeten genomen worden (artikel 3.3.2). Die maatregelen worden, volgens het afschakelplan, dus 'getroffen door de ministers', die Elia en de distributienetbeheerders en het grote publiek hierover moeten informeren.
Zoals Elia dan ook terecht aangeeft op haar website volgt zij “bij een selectieve afschakeling de beslissing van de overheden”. Hierdoor “kan Elia”, volgens haar, “niet verantwoordelijk gesteld worden voor de eventuele schade die u oploopt door de afschakeling”.
Elia beroept zich dus op een bevel van de ministers, een bevel van hogerhand of een overheidsbevel, om het afschakelplan te activeren. Zulk bevel van hogerhand of overheidsbevel, le 'fait du prince', heeft juridisch “een prestatieverhinderende uitwerking binnen het contractueel verhoudingskader van contractspartijen”. Of anders gesteld: één van de contractspartijen verkeert in de juridische onmogelijkheid om haar verbintenissen uit te voeren.
Zulke overheidsbeslissing, fait du prince, zou dus voor Elia overmacht kunnen uitmaken. De beslissing tot het activeren van het afschakelplan door de ministers is voor Elia immers een onoverkomelijk beletsel voor de uitvoering van haar verbintenis (elektriciteit transporteren). Hoewel Elia de ministers informeert over de situatie die leidt tot hun beslissing om het afschakelplan te activeren, is Elia hiervoor niet verantwoordelijk.
De Page omschrijft 'le fait du prince' als “l'expression traditionelle qui désigne tout empêchement résultant d’un ordre ou d’une prohibition émanant de l’autorité publique et qui, strictement parlant, doit être assimilé à la force majeure”. Het Hof van Cassatie stelde over 'le fait du prince' in een arrest van 18 november 1996: “Attendu que le fait du prince est, à titre de cause étrangère, libératoire, lorsqu'il constitue un obstacle insurmontable à l'exécution de l'obligation et qu'aucune faute du débiteur n'est intervenue dans la génèse des circonstances réalisant cet obstacle”.
In de meerderheid van de rechtspraak en rechtsleer huldigt men 'de theorie van de ontoerekenbare onmogelijkheid': er kan slechts sprake zijn van overmacht indien de omstandigheid, die als vreemde oorzaak wordt ingeroepen ter bevrijding van de verbintenis, van die aard is dat ze de nakoming van de verbintenis volstrekt of redelijkerwijze onmogelijk maakt. De schuldenaar mag zelf geen fout hebben begaan bij het zich voordoen van deze omstandigheid. Een minderheidstheorie is de zogenaamde schuldleer: de schuldenaar is bevrijd van zijn verbintenis wegens overmacht indien hij, om het resultaat te bereiken, alles heeft gedaan wat van een normaal zorgvuldig en bedachtzaam schuldenaar van dezelfde beroepscategorie en geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden van plaats en tijd, gevergd kan worden.
Zoals Elia zelf aangeeft, is het afschakelplan het 'ultimum remedium', nadat alle andere maatregelen (strategische reserve, (onwettelijke) onbalansboete van 4500 EUR/MWh, ...) die zij voorbereidt niet het gewenste resultaat zouden doen bereiken. Op het eerste zicht kan Elia dan ook stellen dat zij niet aan de basis ligt van de oorzaken die ertoe nopen om het afschakelplan in werking te stellen. Die onmiddellijke oorzaken zijn op dat moment klimatologisch en verbruiks- en productiegerelateerd.
In de veronderstelling dat inderdaad aanvaard wordt dat Elia geen fout heeft begaan bij het zich voordoen van de omstandigheden die nopen tot het afschakelplan, kan zij hiervoor inderdaad niet aansprakelijk noch verantwoordelijk zijn.
Daargelaten de vraag of Elia de 'ontoerekenbare onmogelijkheid' kan inroepen, zal een gedwongen uitvoering van het afschakelplan, op bevel van de ministers van economie en energie, er ook toe leiden dat de distributienetbeheerders en de leveranciers hun verbintenissen ten aanzien van de afnemers niet kunnen nakomen. Waar afnemers worden afgeschakeld, kan er sowieso geen elektriciteit verdeeld en geleverd worden. Voor de distributienetbeheerders en de leveranciers maakt het afschakelplan deels een 'fait du prince' (distributienetbeheerders) en deels overmacht (distributienetbeheerders en leveranciers) uit. Voor de distributienetbeheerders en de leveranciers was het opleggen van het afschakelplan, in concreto, bij het sluiten van de overeenkomst onvoorzienbaar en kon het niet redelijkerwijze door hen voorkomen worden. Het feit dat de porfolio van injecties en afnames van één leverancier op een gegeven moment ontoereikend zouden zijn, leidt er nog niet toe dat hij, op het moment dat het afschakelplan aangekondigd of uitgevoerd zou worden, door het in evenwicht brengen van zijn portfolio het afschakelplan had kunnen voorkomen. Die vraag lijkt trouwens niet zo pertinent. Zelfs al zou een leverancier (of zijn toegangsverantwoordelijke) niet alles in het werk gesteld hebben om tot een evenwicht in zijn portfolio te bereiken, dan nog is dat 'falen' slechts zeer onrechtstreeks (en waarschijnlijk zelfs maar heel gedeeltelijk) aanleiding tot het bevel tot het activeren van het afschakelplan. Onevenwicht zelf is echter intrinsiek eigen aan de energiemarkt en wordt, in 'normale' omstandigheden ook niet buitenmatig gesanctioneerd, noch leidt het tot enige (buiten)contractuele aansprakelijkheid.
Het afschakelplan zelf bepaalt, zoals hiervoor geschreven, dat “het geldt ten aanzien van alle afnemers van elektriciteit die binnen de regelzone op het transmissienet aangesloten zijn of op een distributienet” (artikel 1.1.3). Hiermee geeft de minister zelf aan dat de afnemers de gevolgen van het afschakelplan moeten ondergaan.
De ganse discussie over het zich vermeend 'onttrekken' door de leveranciers aan hun aansprakelijkheid is daarom volgens mij tamelijk irrelevant. Even irrelevant is de oefening die de CREG meent te moeten maken om de contracten van de verschillende leveranciers na te kijken.
Zoals de collega's van het Instituut voor Verbintenissenrecht van de KU Leuven gisteren schreven in hun bijdrage in de Juristenkrant lijken de aansprakelijkheidsbeperkingen en de overmachtsclausules die leveranciers opnemen in hun contracten vanuit verbintenissenrechtelijk perspectief niet problematisch.
“Maar als we de duidelijke afbakening van taken tussen de leverancier en de netbeheerder voor ogen houden, dan lijkt de leverancier er enkel toe gehouden om de beschikbare energie op het netwerk ter beschikking te stellen van de eindgebruiker. Het is de netbeheerder die instaat voor een continu vervoer van energie naar de eindgebruiker. Menig leverancier blijkt dat te expliciteren in zijn algemene voorwaarden. Zo troffen we de volgende clausule aan: ‘De netbeheerders staan in voor de continuïteit van de levering van energie en de kwaliteit van de geleverde energie overeenkomstig de bepalingen vervat in de toepasselijke wetgeving en reglementen. Bijgevolg zijn wij [de energieleverancier] daarvoor niet aansprakelijk. In geval van schade ten gevolge van een onderbreking of een beperking van of onregelmatigheid in de levering van uw energie, kunt u uw distributienetbeheerder aanspreken.’Om een lang verhaal kort te maken: schade die zal veroorzaakt worden bij het activeren van het afschakelplan is voor Elia een 'fait du prince' en voor de leveranciers overmacht. In beide gevallen kunnen zij niet aansprakelijk gesteld worden voor de geleden schade.
Vanuit de gedachte dat dit beding inderdaad verbintenissen betreft waarvoor de leverancier niet kan instaan, lijkt zo’n inhoudsbepalend beding perfect geldig (zie het advies nr. 30 van de Commissie Onrechtmatige Bedingen van 30 maart 2011 over de Algemene Voorwaarden in Overeenkomsten tussen Energieleveranciers en Consumenten). Op grond van de informatieverplichtingen die de consumentenwetgeving oplegt en het vereiste van duidelijkheid en begrijpelijkheid (artikel VI.37 § 1 WER), moet de leverancier de consument-eindgebruiker wel duidelijk inlichten over de eigen rol van de verschillende spelers die betrokken zijn bij de levering van energie.”
In zijn lovenswaardige en lezenswaardig Advies - Consultatienota van VREG over aansprakelijkheid van netbeheerders van november 2012 schrijft de SERV:
“Leveringszekerheid is geen kwestie van netbeheerders alleen. Ook leveranciers, evenwichtsverantwoordelijken, producenten, verbruikers en [federale], Vlaamse en lokale overheden dragen verantwoordelijkheden. Overheden zorgen bijvoorbeeld via hun tariferings- en vergunningenbeleid, enz. mee voor voldoende transport- en productiecapaciteit.”Schadelijders doen er daarom, en zeer spijtig genoeg, goed aan om zich te realiseren dat het laten uitmaken door een rechter wie de uiteindelijke veroorzaker van de situatie waarin het activeren van het afschakelplan is, uiterst moeilijk zal zijn. Daarenboven zal een definitieve uitspraak, nadat een aantal keren expositiezalen vol advocaten hierover zullen gepleit hebben, uiterst lang op zich laten wachten.
Op zeer korte termijn moeten de overheden de mogelijke economische schade die zal geleden worden door het afschakelplan doen vergoeden door een schadefonds, zoals ook de SERV voorstelt. Dit zal verschillende economische actoren moeten toelaten om de schade die zij zullen lijden te verzachten en om een beetje internationale geloofwaardigheid terug te winnen.
Stroomonderbreking door het afschakelplan: allemaal de fout van de prins
woensdag 27 augustus 2014
De 'monsterboete' van 4500 €/MWh en de normale regels tot vaststellen van tarieven
De kranten berichten vandaag uitvoerig over de 'megaboetes' die Elia wenst op te leggen aan 'leveranciers' die er niet zouden in slagen om, wanneer de strategische reserve geactiveerd wordt en er een schaarste is aan de aanbodzijde, geen evenwicht kunnen bereiken tussen de geleverde elektriciteit en de elektriciteit die zij voor die leveringen op het net moeten zetten.
Het blijkt dat deze maatregel niet nieuw is. Ze was al opgenomen in de werkingsregels die Elia uitwerkte, en de CREG goedkeurde, in het kader van de organisatie van de strategische reserve.
De strategische reserve is een onderdeel van het Plan-Wathelet om het hoofd te bieden aan mogelijke problemen inzake bevoorradingszekerheid. De strategische reserve is samgengesteld uit capaciteit van tijdelijk maar nog niet definitief gesloten elektriciteitscentrales. Als het nodig is, kan Elia de eigenaars van die centrales verplichten om kort op te starten en elektriciteit te produceren.
Het systeem van de strategische reserve is uitgewerkt in de artikelen 7bis ev. van de Elektriciteitswet, ingevoegd door de wet van 26 maart 2014.
Voor 15 november van elk jaar moet Elia een probabilistische analyse uitvoeren met betrekking tot de staat van `s lands bevoorradingszekerheid voor de komende winterperiode (artikel 7bis). Uiterlijk op 15 december van ieder jaar maakt de Algemene Directie Energie een advies over aan de Minister, over de noodzaak tot het aanleggen van een strategische reserve voor de volgende winterperiode (artikel 7ter Elektriciteitswet) en het volume hiervan. De minister kan daarop instructie geven aan Elia om een strategische reserve aan te leggen voor een periode van één tot drie jaar, vanaf de eerste dag van de komende winterperiode (artikel 7quater Elektriciteitswet). Elia legt, na raadpleging van de netgebruikers, van de CREG en van de Algemene Directie Energie de proceduremodaliteiten vast voor de aanleg van de strategische reserve (artikel 7quinquies).
Iedere transmissie- of distributienetgebruiker, individueel of op geaggregeerde wijze, via offertes van vraagzijdebeheer, kan deelnemen aan de strategische reserve. De exploitanten van centrales waarvan de sluiting aangekondigd is of al tijdelijk doorgevoerd is, moeten deelnemen aan de strategische reserve.
Op basis van het nieuwe artikel 7septies Elektriciteitswet moet Elia de werkingsregels van de strategische reserve opstellen. De CREG keurt die goed. In deze werkingsregels worden, volgens artikel 7septies Elektriciteitswet,
onder meer de indicatoren gepreciseerd die in overweging worden genomen om een tekortsituatie vast te stellen, alsook de beginselen met betrekking tot de activering door de netbeheerder van de strategische reserves. Het artikel bepaalt verder dat de werkingsregels van de strategische reserve het passend gedrag van de marktspelers garanderen, om tekortsituaties te vermijden en dat het deel van de gecontracteerde capaciteit in de strategische reserve dat betrekking heeft op de productie, enkel door de netbeheerder kan worden geactiveerd.In de Werkingsregels voor de Strategische Reserve, goedgekeurd door de CREG op 7 juni 2014, kunnen die nieuwe onevenwichtstarieven uit de volgende passage afgeleid worden:
"6.7.2 Regels van toepassing voor de bepaling van bijkomende stimulansen toegepast op het onevenwichtstariefOp slides van Elia wordt hetzelfde anders uitgelegd.
De "Structural Shortage Indicator" voor een bepaald kwartier (j) is positief indien voor dit kwartier (j) en voor het voorafgaande kwartier (j-1) de gemiddelde SI per kwartier negatief is en lager in absolute waarde dan de respectievelijke beschikbare capaciteit voor elk van beide kwartieren in de vorm van Incremental Bids zoals bepaald en gepubliceerd op de website van Elia onder de hoofding "available marginal balancing energy prices per volume level", met de volgende link:
http://www.elia.be/en/grid-data/balancing/available-regulation-capacity
Op het tijdstip waarop deze regels ingevoerd worden, komen de gepubliceerde volumes van de Incremental Bids van coördineerbare CIPU-eenheden, met uitzondering van niet-gecontracteerde reserves op de eenheden van pompcentrales. De volumes van Incremental Bids die in rekening genomen worden voor de bepaling van de "Structural Shortage Indicator" zullen de evolutie van de volumes van de Incremental Bids in die publicatie volgen.
Zo geldt voor elk kwartier (j) waarvoor de twee volgende voorwaarden vervuld zijn:
1. Voorwaarde 1: de activatie van ten minste één eenheid van de strategische reserve (SGR of SDR) na de vaststelling van een risico op "Structureel Tekort van de Zone" door een Economic of Technical Trigger18 is lopend en bevindt zich in het interval begrensd door de volgende kwartieren inclusief:
1.
1. het kwartier dat de dispatching van ELIA tijdens de verificatiefase bij de SGR-/SDR-eenheid aanduidt als het kwartier vanaf wanneer de SGR- of SDR-eenheid kan overgaan tot respectievelijk de “Ramp-up” periode of de “Ramp-down” periode tot SLSDR.
2. het kwartier dat voorafgaat aan het kwartier dat de dispatching van ELIA bij de SGR-/SDR-eenheid aanduidt als het tijdstip van beëindiging van de activatie.
2. Voorwaarde 2: De "Structural Shortage indicator" is positief.
Enkel voor deze kwartieren wordt het positieve (POSj) en negatieve (NEGj) onevenwichtstarief vastgelegd op een forfaitair bedrag gelijk aan € 4500/MWh.
Voor elk ander kwartier (i)
- waarvoor Voorwaarde 1 vervuld is maar niet Voorwaarde 2, of
- waarvoor SRVi strikt positief is
de onevenwichtstarieven zullen administratief herberekend worden. Deze herberekening wordt gebaseerd op de prijs die op de website van ELIA wordt aangegeven, meer bepaald in de informatie over de prijscurves per activeerbaar vermogensniveau, zoals beschreven in de Balancingregels, onder de hoofding "available marginal balancing energy prices per volume level", die kan worden geraadpleegd via de volgende link:
http://www.elia.be/en/grid-data/balancing/available-regulation-capacity
Zo zal voor elk kwartier (i) dat hierboven beschreven wordt, de prijs voor het positieve (POSi) en negatieve (NEGi) onevenwicht gelijk zijn aan de waarde van de prijs die in deze tabel wordt opgenomen als de maximale prijs die bereikt kan worden voor het regelvermogenbereik waarbinnen het NRVi zich bevindt."
Voor zover ik het begrijp, en dat is uitermate weinig, komt de regeling hierop neer: wanneer Elia de strategische reserve aanspreekt (om technische of economische redenen), en er blijkt een structureel tekort te zijn langs de injectiekant, dan zullen de evenwichtsverantwoordelijke een onevenwichtstarief (of onbalanstarief) van 4500 €/MWh moeten betalen. Dit zeer hoge onbalanstarief zou, volgens Elia, "een sterke economische prikkel geven om iets te doen aan hun productieportefeuille of aan het verbruik van hun klanten" (zie D. Adriaen, "Nog voor de winter al het mogelijke doen om stroomtekorten te vermijden", De Tijd 27 augustus 2014) Het bedrag is gebaseerd op verschillende assumpties over de 'Value of Loss Load'. Volgens Wikipedia is dit "the estimated amount that customers receiving electricity with firm contracts would be willing to pay to avoid a disruption in their electricity service."
De hoogte van de 'monsterboete' lijkt dus niet te zijn ingegeven door de kosten die Elia zou moeten maken voor het behouden van het evenwicht in de Belgische regelzone, maar door de VoLL (zie pagina 45 van de presentatie van Elia)
Maar de 'monsterboete' is gewoon een speciaal onbalanstarief.
Artikel 15.7 van de Derde Elektriciteitsrichtlijn bepaalt:
"De door transmissiesysteembeheerders vastgestelde regels voor het balanceren van het elektriciteitsnet, waaronder de regels voor de tarieven die zij de gebruikers van hun systeem in rekening brengen voor onbalans van energie, zijn objectief, transparant en niet-discriminerend. De voorwaarden, met inbegrip van de regels en tarieven, voor het verlenen van dergelijke diensten door transmissiesysteembeheerders worden volgens een methode die in overeenstemming is met artikel 37, lid 6, vastgesteld op een niet-discriminerende wijze die de kosten weerspiegelt. De voorwaarden worden bekendgemaakt."Artikel 15.7 verwijst dus naar artikel 37.6 van dezelfde Richtlijn. Dat stelt:
"6. De regulerende instanties zijn bevoegd voor de vaststelling of de voldoende ruim aan de inwerkingtreding voorafgaande goedkeuring van ten minste de methoden voor het berekenen of vastleggen van de voorwaarden inzakeDe federale vertaling van die Europese bepalingen is terug te vinden in artikel 12, § 4, Elektriciteitswet dat aan de CREG als richtsnoer voor het opstellen van een tariefmethodologie meegeeft:
a) de aansluiting op en toegang tot nationale netten, inclusief de transmissie- en distributietarieven of de methode daarvoor;
(...);
b) de verstrekking van balanceringsdiensten, die zo economisch mogelijk worden uitgevoerd en passende stimuleringsmaatregelen bieden voor netwerkgebruikers om hun input en output op elkaar af te stemmen. De balanceringsdiensten worden op billijke en niet-discriminerende wijze verstrekt en zijn gebaseerd op objectieve criteria, en
c) toegang tot grensoverschrijdende infrastructuur (...)"
"10° de compensatiediensten van de onevenwichten van de Belgische regelzone worden op de meest kostefficiënte wijze verzekerd en leveren aan de gebruikers van het net geëigende stimuli opdat zij hun injectie en hun afname in evenwicht brengen. De met deze diensten verbonden tarieven zijn billijk, niet discriminerend en gebaseerd op objectieve criteria."Artikel 12 Elektriciteitswet zet verder ook de procedure uiteen die de CREG en Elia moeten volgen bij de goedkeuring van nieuwe tarieven of bij de wijziging ervan.
In principe worden de tarieven van Elia, ingediend overeenkomstig de voorlopige tariefmethodologie van de CREG, vastgesteld volgens een bepaalde procedure, waarbij enkel Elia en de CREG elkaar moeten horen. Artikel 12, § 8, 8°, bepaalt dat
"indien er zich tijdens een gereguleerde periode uitzonderlijke omstandigheden voordoen, onafhankelijk van de wil van de netbeheerder, deze op elk ogenblik binnen de gereguleerde periode een gemotiveerde vraag tot herziening van zijn tariefvoorstel ter goedkeuring kan voorleggen aan de CREG voor wat de komende jaren van de gereguleerde periode betreft".De normale procedure voor het vaststellen van deze wijzigende tarieven moet niettemin ook gevolgd worden.
Artikel 12, § 13, Elektriciteitswet bepaalt verder:
"De commissie publiceert binnen de drie werkdagen na hun goedkeuring en bewaart op haar website de tarieven en hun motivering, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie betreffende leveranciers of netgebruikers, van persoonsgegevens en/of van gegevens waarvan de vertrouwelijkheid is beschermd krachtens bijzondere wetgeving.Het invoeren van een nieuw onbalanstarief moet dus gebeuren volgens de normale regels voor het invoeren of wijzigen van de tarieven van Elia. De nieuwe tarieven maken het voorwerp uit van een gemotiveerde beslissing van de CREG en worden gepubliceerd op de website van Elia.
De netbeheerder deelt zo spoedig mogelijk aan de gebruikers van zijn net de tarieven mede die hij moet toepassen en stelt deze ter beschikking van alle personen die hierom verzoeken. Hij publiceert die tevens zo spoedig mogelijk op zijn website, samen met een berekeningsmodule die de praktische toepassing van de tarieven preciseert. De toegepaste tarieven mogen geen terugwerkende kracht hebben."
Aan deze voorwaarden lijkt niet te zijn voldaan, op dit moment.
Daarenboven stelt zich de vraag of dit nieuwe onbalanstarief, dat bedoeld is als incentive om meer te produceren of afnemers aan te zetten om minder te verbruiken en dat gebaseerd is op de VoLL, overeenstemt met wat artikel 8 van de voorlopige tariefmethodologie van de CREG bepaalt:
"§ 1. Het tarief voor het handhaven en herstellen van het individueel evenwicht van de toegangsverantwoordelijken is functie van de concrete onevenwichtspositie van de individuele toegangsverantwoordelijke, van de directe kosten of opbrengsten van de netbeheerder voor de aankoop of de verkoop van de energie om het onevenwicht te compenseren, van het wiskundig teken van het totale netto regelvolume (positief of negatief, wat duidt op een tekort, respectievelijk een teveel aan energie in de Belgische regelzone) en van de tariefparameters die de individuele toegangsverantwoordelijke moeten aanzetten tot de zorg voor een permanent evenwicht.De vraag naar de kostenreflectiviteit van het nieuwe tarief kan zich opnieuw stellen.
§ 2. De compensatiediensten van de onevenwichten van de Belgische regelzone worden op de meest kostefficiënte wijze verzekerd en leveren aan de gebruikers van het net geëigende stimuli opdat zij hun injectie en hun afname in evenwicht brengen."
Tijdens de besprekingen over het voorstel van werkingsregels antwoordde Elia op een vraag van een producent:
"Question by E.On: Elia seems to be the big beneficiary of such a system?Weinig aandacht werd er verder aan dit nieuwe onbalanstarief besteed. Misschien is dit ook niet abnormaal, omdat artikel 7septies Elektriciteitswet niet bedoeld is om nieuwe of gewijzigde tarieven in te voegen. Dat moet gebeuren overeenkomstig artikel 12. Zoals gezegd lijkt hieraan niet te zijn voldaan.
Answer by Elia: This is clearly not the case, as all net income that Elia will get out of the activation of strategic reserves, will be deducted from the public service obligation. This is even stipulated in the law. Currently, there is no estimation yet what this amount will be, as this will be function of the number and duration of the activations."
De 'monsterboete' van 4500 €/MWh en de normale regels tot vaststellen van tarieven
woensdag 16 april 2014
Wijzigingen aan de rechten van de houders van een vervoersvergunning voor aardgas en gasachtige producten
Recent verscheen Wet en Duiding - Erfdienstbaarheden 2014 (Larcier) waarin Tinne en ik de wetgeving rond de wettelijke erfdienstbaarheden voor nutsvoorzieningen annoteerden. Binnenkort is die uitgave, voor wat aardgas betreft, al achterhaald.
De Kamer zal weldra de wet houdende diverse bepalingen inzake energie goedkeuren. Die wet bevat ook een wijziging van de bepalingen in de Gaswet rond de wettelijke erfdienstbaarheden voor openbaar nut voor de houders van een vervoervergunning.
De wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen (hierna ook ‘Gaswet’) is, zoals uit het opschrift zelf blijkt, niet enkel van toepassing op het vervoer van aardgas. Pijpleidingen die gebruikt worden voor het vervoer van andere (gasachtige) producten kunnen ook onder het toepassingsgebied vallen. Die uitbreidingsmogelijkheid komt, overeenkomstig artikel 2, laatste lid, toe aan de Koning, die verschillende keren van deze mogelijkheid gebruik gemaakt heeft.
Met het koninklijk besluit van 15 juni 1967 breidde hij het toepassingsgebied van de wet uit tot pekel, natronloog en afvalvloeistoffen (afval voortkomende van de sodafabriek, elektrolyse van zout en de fabricatie van chloorhoudende organische stoffen). Met een ander koninklijk besluit van 15 juni 1967 verklaart de Koning de wet ook van toepassing op het vervoer van vloeibare koolwaterstoffen of vloeibaar gemaakte koolwaterstoffen (voornamelijk methaan, ethaan, propaan en butaan). Het koninklijk besluit van 14 maart 1969 breidde de Koning het toepassingsgebied uit tot zuurstof in gasvormige toestand.
Het koninklijk besluit van 23 juli 1981 betreffende de tussenkomst van de Nationale Maatschappij der Pijpleidingen in de projecten van leidingen en houdende bepaling van de lijst van de betrokken producten bepaalt dat de wet ook van toepassing is op het vervoer door middel van pijpleidingen van:
- producten afkomstig uit het raffineren van aardolie
- industriële gassen: gassen door de nijverheid voortgebracht, zowel in hun gasachtige als hun vloeibaar gemaakte vormen
- chemische en petrochemische nijverheid: halffabricaten, afgewerkte producten van de chemische en petrochemische nijverheid.
- vaste producten: elk vast product, in suspensie, in oplossing of in bulk.
Overeenkomstig artikel 32octies, § 3 van de wet van 26 maart 1971 betreffende de bescherming van de oppervlaktewateren heeft Aquafin dezelfde rechten als de houders van een vervoersvergunning in de zin van artikel 3 van de wet van 12 april 1965.
Het nieuwe artikel 8/7 van de Gaswet zal bepalen dat "alle vervoerinstallaties, ongeacht de begunstigde ervan, en alle werken uitgevoerd voor de aanleg en de uitbating van deze installaties, op onweerlegbare wijze geacht [worden] van openbaar nut te zijn". Artikel 8/7 is een onderdeel van onderafdeling 3 ('Voorwaarden die de beheerders dienen na te leven') van afdeling 2 ('Certificering en aanwijzing van de beheerders') van hoofdstuk III ('Bepalingen betreffende de vervoersvergunningen en de beheerders') van de Gaswet. Waarom de wetgever dit nieuwe artikel 8/7 op die plaats in de Gaswet invoert en niet bij artikel 10 is een raadsel.
De memorie van toelichting geeft aan dat "de wetswijziging strekt ertoe een einde te stellen aan een juridische en een economische onzekerheid die is ontstaan tengevolge van een veranderlijke, en soms zelfs tegenstrijdige rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot het begrip 'openbaar nut', zoals vermeld in het huidige artikel 10 en waarvan de gevolgen van die rechtspraak het kader van de Gaswet overstijgen". Over die vreemde rechtspraak van de Raad van State hebben wij eerder ook al geschreven.
Naast dit vermoeden, dat zal ingevoerd worden met artikel 8/7, wordt ook aan artikel 10 van de Gaswet gesleuteld. Dit artikel zal bepalen:
"Na onderzoek kan de Koning van openbaar nut verklaren het oprichten van een gasvervoerinstallatie onder, op of boven het geheel of een deel van de private niet bebouwde gronden en die niet volledig omsloten zijn met een ondoordringbare muur of omheining.Uit de samenlezing van artikel 8/7 en artikel 10, eerste lid, zal volgen dat bij de verklaring van openbaar nut de Koning niet meer moet aangeven waaruit dat openbaar nut bestaat. In de memorie van toelichting wordt die wijziging verantwoord door te verwijzen naar het waarborgen van de bevoorradingszekerheid op het vlak van gas in het algemeen belang en naar bekommernissen inzake leefmilieu en mobiliteit, door een vervoerswijze te bevorderen die niet vervuilend is en die het wegennet ontlast.
Deze verklaring van openbaar nut verleent aan (de houder van een vervoervergunning), ten voordele van wie zij wordt gedaan, het recht gasvervoerinstallaties op te richten onder, op of boven deze private gronden, het toezicht op deze installaties te houden en de werken uit te voeren die nodig zijn voor de werking en het onderhoud ervan, onder de voorwaarden welke in die verklaring zijn genoemd.
Met de uitvoering van de werken van aanleg van de vervoersinstallatie mag slechts een aanvang worden genomen twee maanden nadat de belanghebbende eigenaars en huurders op de hoogte zijn gebracht bij ter post aangetekend schrijven."
Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 10 van de wet van 12 april 1965 blijkt dat de verklaring van openbaar nut tot gevolg heeft dat de begunstigde gemachtigd wordt om privégronden te gebruiken voor de aanleg van leidingen. De wetgever heeft in dit juridische procédé voorzien omdat hij zich realiseerde dat het niet steeds mogelijk is om een akkoord in der minne te bereiken indien het tracé door private eigendommen loopt en hij aan deze mogelijke belemmering voor de aanleg van leidingen wou verhelpen. Artikel 10 van de wet van 12 april 1965 verleent aldus aan de begunstigde van een verklaring van openbaar nut machtiging om na het verkrijgen van die verklaring en van de eventueel noodzakelijke vergunningen en mits het respecteren van de termijn van de kennisgeving aan de betrokken eigenaar, de rechten uit te oefenen die verbonden zijn aan de wettelijke erfdienstbaarheid. Het onder die voorwaarden uitvoeren van werken door de begunstigde van een verklaring van openbaar nut heeft niet tot gevolg dat de eigenaar, die de erfdienstbaarheid moet dulden, door geweld of door een feitelijkheid wordt ontzet uit zijn bezit (Cass. 28 februari 2008, www.juridat.be).
Met de wetswijziging wordt ook het probleem van de 'open en onbebouwde gronden' aangepakt. In de vroegere regelgeving bepaalde artikel 10, eerste lid, dat verklaringen van openbaar nut enkel konden worden afgeleverd voor de aanleg van leidingen "onder, op of boven private gronden die niet bebouwd zijn en die niet omsloten zijn met een muur of met een omheining die overeenkomt met de bouw- of stedebouwverordeningen".
Wat onbebouwde gronden zijn, leek in principe eenvoudig. Zolang er geen bouwwerken of installaties op gebouwd zijn die vallen onder de definitie van bouwwerken in de zin van de stedenbouwwetgeving, zijn de gronden onbebouwd. Door de invoering van een definitie van 'bebouwde gronden' ("de grond waarop zich een gebouw bevindt dat hoofdzakelijk of uitsluitend als functie heeft om personen op duurzame wijze in onder te brengen", nieuwe artikel 1, 70°) en 'onbebouwde gronden' ("elke andere grond dan deze bedoeld in 70°", nieuw artikel 1, 71°) maakt de wetgever het mogelijk om een heleboel, tot op heden wettelijk 'bebouwde' gronden nu als 'onbebouwde' gronden te beschouwen. Een grond zal immers pas 'bebouwd' zijn als er een bewoning mogelijk is. Loodsen, stallen, industriële gebouwen, ..., zijn niet in hoofdzaak bestemd voor bewoning. Als die gebouwen dan liggen op kadastrale percelen waarop geen woongebouwen staan, zal een verklaring van openbaar nut hiervoor kunnen afgeleverd worden.
De wet voert ook een definitie in van een 'ondoordringbare muur ("de muur die bestemd is om de toegang tot een private grond te verhinderen", nieuw artikel 1, 72°) en van een ondoordringbare omheining (“de omheining gelijkwaardig aan een muur bestemd om de toegang tot een private grond te verhinderen. De omheiningen van weilanden, velden en bossen worden, ongeacht het gebruikte materiaal, niet beschouwd als ondoordringbare omheiningen”, nieuw artikel 1, 73°).
Een gevolg van de invoering van die definities en van de gewijzigde tekst van artikel 10 is dat enkel die gronden die volledig ommuurd of omheind zijn, niet het voorwerp kunnen uitmaken van een verklaring van openbaar nut. Waarschijnlijk zal de toegang tot die gronden toch nog mogelijk moeten zijn zonder dat ze de kwalificatie 'volledig omsloten door een ondoordringbare muur of een ondoordringbare omheining verliezen. Hierbij kan verwezen worden naar de bestaande rechtsleer en rechtspraak. Een ononderbroken muur die vervolledigd wordt met een stevig hek, voldoet zo aan de definitie van afgesloten erf.
Het erf waarover men vroeger oordeelde dat het niet 'open' was, doordat het behalve aan één kant volledig ommuurd is, maar dat aan die ene zijde wordt begrensd door een rivier, zal nu wel kunnen gebruikt worden. Het is immers niet volledig omsloten door een muur of een omheining. Ook de erven die omsloten zijn door een ondoordringbare levende haag die rond het gehele erf loopt, zullen kunnen gebruikt worden. Ondanks het ecologische voordeel van zulke ondoordringbare levende hagen, zullen de eigenaars veiligheidshalve beter overgaan tot het omheinen van hun perceel.
Wijzigingen aan de rechten van de houders van een vervoersvergunning voor aardgas en gasachtige producten
vrijdag 28 maart 2014
De energieriemen waarmee we moeten roeien, zijn niet lang genoeg
Opinie van Tinne in De Tijd van vandaag:
Twee kerncentrales vallen uit en de schrik slaat ons om het hart: is onze bevoorradingszekerheid aangetast? Zo’n grote paniek wijst op de zwakte van ons energiesysteem. Bevoorradingszekerheid draait niet om verschillende types productie-eenheden alleen, maar is ook en misschien vooral een kwestie van netinfrastructuur.
Sinds woensdag liggen Doel 3 en Tihange 2 opnieuw stil nadat testen uitgewezen hebben dat de waterstofbelletjes (de zogenaamde ‘scheurtjes’) in de reactorkuipen toch anders zouden reageren op bestraling dan aanvankelijk gedacht. Het is onduidelijk wanneer resultaten van bijkomende testen beschikbaar zijn, en nog minder wat die zullen opleveren. Opnieuw wordt het nieuws beheerst door een gebrek aan productiecapaciteit en het risico op black-outs. Zijn er dan geen lessen getrokken uit de winter 2012-2013, toen dezelfde twee centrales ook stil lagen?
In de zomer van 2012 besloot de federale regering om de geplande kernuitstap gedeeltelijk terug te draaien: Tihange 1 blijft tien jaar langer open. De regering nam die beslissing omdat uit gegevens van hoogspanningsnetbeheerder Elia bleek dat een volledige uitschakeling van drie centrales in 2015 (Doel 1, Doel 2 en Tihange 1) zou kunnen leiden tot kritische periodes inzake bevoorradingszekerheid.
Op het einde van dezelfde zomer werden de haarscheurtjes in Doel 3 en Tihange 2 ontdekt, wat leidde tot het stilleggen van beide centrales. Ze lagen de hele winter stil. Dat zorgde volgens Elia niet voor noemenswaardige problemen, omdat we konden rekenen op extra import uit de buurlanden. Ondertussen is ook geweten dat minstens op één moment de situatie kritisch was, maar niet leidde tot een black-out.
Risico
Hoe reëel is het risico op een black-out? Risico is het resultaat van kans maal impact. De kans is relatief klein (volgens Elia enkele uren tijdens de winterperiode), maar de impact is zeer groot. Het Federaal Planbureau berekende dat een stroompanne van 1 uur tijdens een werkdag op een tijdstip dat alle Belgische bedrijven actief zijn, een totale maatschappelijke economische schade zou veroorzaken van 120 miljoen euro. In een risicomatrix zou dat de kleur rood krijgen: actie dringend nodig.
Nationale maatregelen zoals het ontwerpen van een strategisch reserve zijn per definitie kortetermijnoplossingen en dragen niet bij tot een goede marktwerking.
Alleszins werden het afgelopen jaar enkele maatregelen genomen. De regering schreef een aanbesteding uit voor de bouw van een nieuwe gascentrale en keurde een wet goed met betrekking tot een strategisch reserve. Daarin komt sowieso alle capaciteit waarvoor een sluiting aangekondigd is. Dat reserve zal worden beheerd door Elia, dat bij momenten van schaarste kan eisen dat die capaciteit wordt opgestart tegen een bepaalde vergoeding. Daarnaast is er ook de kennis over de wintermaanden in 2012 en 2013. We zouden nu dus beter geëquipeerd moeten zijn om het uitvallen van twee kerncentrales (in de winter) op te vangen.
Toch slaapt niet iedereen op beide oren, omdat iedereen aanvoelt dat we wel roeien met de riemen die we hebben, maar dat die riemen niet lang genoeg zijn om de essentie van het probleem aan te pakken.
Niet fijnmazig genoeg
Als het uitvallen van twee kerncentrales zo’n grote paniek kan veroorzaken, duidt dat vooral op de inherente zwakte van een energiesysteem dat niet divers genoeg is, onvoldoende geïntegreerd is en misschien niet fijnmazig genoeg is, zowel wat betreft de productiecapaciteit, de netinfrastructuur, als het beheer van de vraag.
Bevoorradingszekerheid is immers geen zaak van verschillende types productie-eenheden alleen, maar evenzeer en misschien vooral van de netinfrastructuur. Het zijn immers de netten die de garantie moeten bieden dat de verschillende energiebronnen de geproduceerde elektriciteit op het net kwijt kunnen en dat ze tot bij de afnemers geraakt. Het is evenzeer de netinfrastructuur die variabele (hernieuwbare) en niet-variabele (klassieke) energiebronnen met elkaar doet samenwerken en daardoor zorgt voor een continu aanbod van stroom.
Nationale maatregelen zoals het ontwerpen van een strategisch reserve zijn per definitie kortetermijnoplossingen. Ze dragen evenmin bij tot een goede marktwerking, aangezien ze alleen gericht zijn op centrales die uit dienst genomen zijn of worden.
Sowieso overstijgt de problematiek niet alleen het uitschakelen van twee kernreactoren, maar ook de nationale grenzen van elke Europese lidstaat. De uiteindelijke uitkomst moet een geïntegreerde Europese markt zijn waar alle middelen op de efficiëntste manier worden ingezet. Dat vereist een grondig herdenken van ons marktmodel, en van de rol en de verantwoordelijkheid van elke speler in dat model: de producent, de leverancier, de netbeheerder én de afnemer.
De energieriemen waarmee we moeten roeien, zijn niet lang genoeg
dinsdag 28 januari 2014
De bijl voor groenestroomcertificaten wordt steeds botter
De uitbater van een Fins windmolenpark, gelegen op de (Finse) Alandseilanden maar rechtstreeks aangesloten op het Zweedse elektriciteitsnet vraagt in 2009 Zweedse groenestroomcertificaten. De Zweedse energieregulator weigert de toekenning omdat de installatie niet in Zweden gelegen is. De uitbater gaat hiertegen in beroep bij de Förvaltningsrätt Linköping, die op haar beurt een prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie.
Advocaat-generaal Bot gaf vandaag zijn advies. Bot gaf eerder ook al advies in een zeer gelijkaardige zaak dat Essent had ingesteld tegen het Vlaams Gewest. Anders dan in de Essent-zaak, wordt in de Vindpark Aland-zaak niet de oude maar de nieuwe richtlijn inzake hernieuwbare energiebronnen, richtlijn 2009/28, onderzocht.
De verwijzende rechter ondervroeg het Hof niet alleen over de mogelijke schending van de Zweedse regelgeving met die richtlijn 2009/28, maar ook over de aanvaardbaarheid van de Zweedse regels, al dan niet samen gelezen met de richtlijn 2009/28, met het VWEU (en meer bepaald artikel 34).
Advocaat-generaal Bot is het met Zweden en met de tussenkomende lidstaten eens dat richtlijn 2009/28 territoriale beperkingen van de steunregelingen voor groene energie toestaat. Op basis van de richtlijn kunnen lidstaten dus hun steunregime voorbehouden aan op hun grondgebied gelegen installaties voor groenestroomproductie.
De volgende vraag, de aanvaardbaarheid van zulke nationale en zelfs Europese uitzonderingsregeling, is volgens de advocaat-generaal echter strijdig met het VWEU.
Volgens de advocaat-generaal kan het Hof, ondanks het bestaan van de richtlijn, toch de nationale regeling, die overeenstemmen met die richtlijn, toetsen aan het VWEU. Immers, de richtlijn heeft de nationale steunregelingen niet geharmoniseerd. Daarom moet het Hof, volgens Bot, de Zweedse steunregeling toetsen aan het VWEU en niet aan de richtlijn.
Daarna verwijst Bot naar de Essent-zaak, en herhaalt hij dat een nationale steunregeling “ontegenzeglijk een economisch voordeel [inhoudt] dat groenestroomproducenten in Zweden kan bevoordelen ten aanzien van producenten in andere lidstaten, aangezien eerstgenoemden extra inkomsten verkrijgen uit de verkoop van groenestroomcertificaten, wat neerkomt op een premie voor de productie, terwijl laatstgenoemden slechts een vergoeding krijgen via de verkoop van groene stroom”. Dit vormt voor de advocaat-generaal dus een 'een door artikel 34 VWEU verboden discriminerende beperking van het vrije verkeer van goederen'.
Die beperking kan niet worden gerechtvaardigd door de doelstelling van de bescherming van het milieu. Hierbij verwerpt Bot opnieuw enige verwijzing naar het arrest-Preussen Elektra, omdat volgens hem de juridische en economische context sindsdien volledig veranderd is door de veel verder gaande liberalisering en de meer uitgewerkte invoering van het systeem van garanties van oorsprong. Wel “aanvaard[t] [hij] zonder voorbehoud de stelling dat het gebruik van groene energie, dat de nationale steunregelingen beoogt te bevorderen, bijdraagt aan de bescherming van het milieu door met name de broeikasgasemissies te verminderen”.
Hij is niet overtuigd van de stelling dat het feit dat een groenestroomproducent in een lidstaat in aanmerking kan komen voor een steunregeling die wordt toegepast door een andere lidstaat, noodzakelijkerwijze indruist tegen die doelstelling omdat er volgens hem tot op zekere hoogte verwarring bestaat tussen de doelstellingen van steunregelingen in het algemeen en die van de territoriale beperkingen in het bijzonder.
Bot onderzoekt vervolgens vier mogelijke meer specifieke argumenten voor de rechtvaardigingsgrond van de bescherming van het leefmilieu.
Het eerste argument dat lidstaten de kosten van steunregelingen moeten kunnen beheersen al naar gelang van het potentieel dat zij hebben om de productie uit hernieuwbare energiebronnen te verhogen, overtuigt hem niet omdat niet is aangetoond dat een risico bestaat dat de nationale regelingen inzake groenestroomcertificaten zouden worden ontregeld indien producenten in andere lidstaten daarvoor in aanmerking zouden komen. De toename van het aantal certificaten op de markt van de groenestroomcertificaten kan namelijk worden gecompenseerd door een overeenkomstige verhoging van de quotavereisten, “wat enkel een stap in de goede richting kan betekenen”.
Met het tweede argument wordt aangevoerd dat de grensoverschrijdende handel in groene stroom vereist dat de betrokken lidstaten voorafgaand een samenwerkingsovereenkomst sluiten ter regeling van de verschillende kwesties, waaronder de voorwaarden om groenestroomcertificaten af te leveren, overtuigt hem evenmin.
Het feit dat in het buitenland gelegen installaties in aanmerking kunnen komen voor nationale steunregelingen belet de totstandkoming van samenwerkingsovereenkomsten niet, maar moedigt dit aan.
Met het derde argument stelt men dat het verbod van territoriale beperkingen ertoe zou leiden dat de lidstaten de greep op de samenstelling van hun energiemix zouden verliezen. Volgens de advocaat-generaal “kan deze energiebeleidskeuze toch worden beïnvloed door maatregelen die de Unie vaststelt in het kader van haar milieubeleid, zoals blijkt uit richtlijn 2009/28 zelf, die elke lidstaat bindende doelstellingen oplegt ter zake het verbruik van groene energie, en aldus noodzakelijkerwijs van invloed is op de samenstelling van hun energiemix”.
Met het vierde argument argumenteert men dat groenestroomproducenten à la carte hun steunmaatregelen zullen kiezen. Bot verwijst naar de mogelijkheid om middels samenwerkingsakkoorden tussen lidstaten dit risico te beperken.
Volgens de advocaat-generaal moet daarom richtlijn 2009/38 'ongeldig worden verklaard'. Gelet op de negatieve effecten van een retroactieve ongeldigheid, stelt Bot wel voor om de gevolgen van zijn arrest vanaf de datum van de uitspraak voor 24 maanden te schorsen, zodat de nodige wijzigingen kunnen worden aangebracht aan richtlijn 2009/28.
De bijl voor groenestroomcertificaten wordt steeds botter