Pagina's

vrijdag 6 januari 2012

Groepsaankopen in een ander perspectief

De groepsaankoop voor elektriciteit en aardgas die de provincie Antwerpen organiseerde was een succes. 20.000 gezinnen konden een nieuwe leveringsovereenkomst afsluiten met een prijs die voor aardgas 30% onder de gangbare marktprijs zou liggen. De prijzen die de kleinere nieuwe leveranciers aanboden waren zo laag, dat de gezinnen zelfs minder zouden betalen dan het sociaal tarief. Opvallend is daarnaast dat de grote leveranciers EDF Luminus en Electrabel niet deelnamen. De editorialist van De Standaard plaatste ook de kanttekening dat het misschien geen kerntaak is voor een overheid om die groepsaankopen te faciliteren. Volgens hem wijst het slagen ervan op een opportuniteit voor het maatschappelijke middenveld.

Het sociaal tarief is het laagste tarief van alle laagste tarieven die de leveranciers aanbieden binnen het werkingsgebied van een distributienetbeheerder met de laagste kosten. De federale regulator CREG berekent dit tarief. De energiebijdrage (een accijns) moet niet betaald worden. Bovenop het sociaal tarief gelden wel nog de federale bijdragen en andere toeslagen. Het sociaal tarief moet vervolgens door elke leverancier gehanteerd worden voor alle afnemers in België die hierop recht hebben.

Een vergelijking tussen het sociaal tarief en de prijs die de groepsaankoop opleverde, lijkt men dus niet te kunnen maken. Het sociaal tarief is all-in: naast de productprijs van de energie zijn er ook de nettarieven in begrepen. De prijs van de groepsaankoop geldt daarentegen enkel voor het product elektriciteit of aardgas. Die productprijs bedraagt bij aardgas ongeveer de helft van de totale kost voor de consument. De afnemers moeten immers ook nog de energiebijdrage en het (distributie)nettarief betalen. Afhankelijk van de plaats waar de afnemers wonen betalen ze een ander distributienettarief. In de provincie Antwerpen zijn er zeven verschillende distributienetbeheerders, elk met eigen tarieven.

De provincie had naar eigen zeggen weinig problemen om deelnemende leveranciers te vinden. Volgens de bevoegde gedeputeerde was de schaal van de groepsaankoop ideaal om de kleinere leveranciers toe te laten om te bieden. Voor nieuwe leveranciers is de groepsaankoop inderdaad een interessante manier om voor een zeer lage prijs een zeer grote groep van nieuwe klanten te kunnen werven. Of het systeem leefbaar is op lange termijn is volgens de gedeputeerde een 'probleem voor de leveranciers'.

Nochtans lijkt het ook een interessante vraag te zijn voor de promotoren van dit soort van groepsaankopen. Hoe groter de portfolio van de leverancier, hoe minder hij geneigd is om stuntprijzen aan te bieden. Het kan immers best zijn dat er bij de geïnteresseerden al klanten zitten die misnoegd zouden kunnen zijn indien blijkt dat zij 'te veel' betaalden. Daarnaast is het doelpubliek van de groepsaankoop voor de grootste leveranciers niet zo interessant. De deelnemende gezinnen zijn waarschijnlijk al tamelijk prijsbewust en zouden, zelfs zonder de groepsaankoop, gemakkelijk hun weg weten te vinden naar de prijsvergelijkingen van de V-Test van de VREG. Een grote groep slapende klanten, die al jarenlang geen gebruik maken van de voordelen van een geliberaliseerde markt, wordt ook door groepsaankopen niet gewekt. Jaar na jaar wordt hun contract, als ze er al één hebben, stilzwijgend verlengd.

De provincie Antwerpen stak in de groepsaankoop veel werk en tijd. Misschien is het nuttiger om die te steken in een grootschalige sensibilisatie van de slapende klanten. De wijzigingswetten van de elektriciteits- en gaswet die het Parlement voor de kerstvakantie goedkeurde verplicht de leveranciers om op alle afrekeningsfacturen, slotfacturen en voorschotfacturen de duurtijd van het contract, de opzegtermijn en de mogelijkheid van stilzwijgende verlenging te vermelden. Bij contracten van onbepaalde duur moet de leverancier op de facturen ook een opzeggingstermijn vermelden. Op die manier weten ook de slapende klanten dat er een mogelijkheid bestaat om een andere leverancier te kiezen. Met een sensibiliserend steuntje in de rug zouden ze misschien wel de stap zetten. Laat de groepsaankopen dan maar aan het middenveld.


Share/Bookmark

zondag 1 januari 2012

Blixt wenst u



Share/Bookmark

woensdag 7 december 2011

Stimulerend prikje voor de wet op de onbenutte sites

In de begroting 2011 werd nul euro ontvangsten ingeschreven voor de heffing op de onbenutte sites (op basis van de wet van 8 december 2006 tot vaststelling van een heffing ter bestrijding van het niet benutten van een site voor de productie van elektriciteit door een producent). Toch lijkt ook de vorige minister van energie nog te geloven in inkomsten uit die wet. In het Belgisch Staatsblad van vandaag verscheen het "ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 18 december 2006 tot aanduiding van de ambtenaar die belast is met de uitvoering van de wet van 8 december 2006 tot vaststelling van een heffing ter bestrijding van het niet benutten van een site voor de productie van elektriciteit door een producent". Worden, op basis van dit ministerieel besluit, aangeduid als ambtenaar van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, belast met de uitvoering van de wet van 8 december 2006: de heer Claude Adams, adviseur, en de dames Marie Novak, attaché, en Nancy Mahieu, attaché.



Share/Bookmark

dinsdag 6 december 2011

Bezwaar bij de CREG tegen tarifaire beslissingen

Eind november 2011 publiceerde de CREG haar besluiten tot vaststelling van voorlopige methoden voor het berekenen en vastleggen van de tarifaire voorwaarden inzake de aansluiting op en toegang tot het transmissienet, enerzijds, en het aardgasvervoersnet, de opslaginstallaties en de LNG-installatie, anderzijds.

De CREG nam deze besluiten omdat de federale wetgever het Derde Energiepakket nog steeds niet omgezet heeft (al zou dat niet lang meer op zich laten wachten). In dit Derde Energiepakket vindt de CREG ook voldoende rechtsgrond om zelf zulk besluit te kunnen nemen, zonder federaal wettelijk kader.

In de besluiten werkt de CREG ook een eigen bezwaarregeling uit. Benadeelde partijen “die gerechtigd zijn om bezwaar te maken tegen de door de commissie goedgekeurde tarieven” kunnen bezwaar indienen bij de CREG. Zulk bezwaar heeft geen schorsende werking. Het moet “op straffe van verval” per aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs of door indiening op de zetel van de CREG ingesteld zijn binnen maximaal twee maanden na de publicatie op de website van de CREG van de beslissing. Binnen de twee maanden na ontvangst van het bezwaar, neemt de CREG hierover een beslissing.

Deze regeling is een letterlijke overname van de bepalingen uit de Derde Elektriciteits- en Gasrichtlijnen. Dit was ook het antwoord dat de CREG gaf op de opmerkingen van Elia en Gabe. De CREG stipte aan dat “het diezelfde Richtlijn [is] die de regulator (in casu de CREG) aanduidt als geschillen-beslechtingsinstantie.”

De bezwaarprocedure die de CREG uitwerkte lijkt een georganiseerd willig beroep te zijn. De procedure is 'willig'. De benadeelde partij moet immers de bezwaarprocedure niet volgen; hij mag en kan ze instellen. Het bezwaar wordt ook gericht tot hetzelfde orgaan, het directiecomité van de CREG, dat de initiële beslissing genomen heeft. Volgens Mast e.a. kan “de mogelijkheid om het bestuursorgaan dat een beslissing heeft genomen om een herziening van de initiële beslissing te verzoeken, met een algemeen rechtsbeginsel worden gelijkgesteld”. Zoals andere algemene rechtsbeginselen, geldt ook dit beginsel “zonder dat enige normatieve tekst daarin voorziet”. Hier voorziet een normatieve tekst wel in de bezwaarprocedure en zet die tekst ook de voorwaarden uiteen. In die zin is de procedure ook 'georganiseerd'.

De bezwaarprocedure is niet schorsend en niet verplicht. De beroepsprocedure die de Elektriciteits- en Gaswetten voorschrijven tegen beslissingen van de CREG zijn evenmin schorsend, maar wel verplicht. Elke belanghebbende kan een procedure zoals in kort geding inleiden bij het Hof van Beroep van Brussel binnen de dertig dagen nadat de beslissing hem betekend is, gepubliceerd is of hem ter kennis is gebracht.

Het starten van de bezwaarprocedure, waarvoor men twee maanden de tijd heeft, wijzigt niets aan de wettelijk voorgeschreven beroepsprocedure. Een voorzichtige belanghebbende zal dus eerst een beroep moeten instellen. Of het zinvol is om tegelijkertijd of nadien nog een bezwaarprocedure te starten is twijfelachtig. Het zou trouwens van weinig kiesheid getuigen om als exceptie van onontvankelijkheid op te werpen dat de verzoekende partij voor het hof van beroep niet eerst de bezwaarprocedure heeft ingesteld. Die bezwaarprocedure lijkt dan ook weinig zin te hebben. Mast e.a. werpen fijntjes op dat “het willig beroepsorgaan immers niet vlug geneigd zal zijn om op een eerder genomen beslissing terug te komen, tenzij belangrijke nieuwe gegevens worden aangedragen of manifeste fouten worden aangetoond”. Regelgeving behoort enige (economische en procedurele) zin te hebben.

Overigens blijkt uit de Richtlijnen dat niet de CREG aangeduid wordt als 'geschillen-beslechtingsinstantie', maar wel “een instantie die onafhankelijk is van de betrokken partijen en van regeringen” (artikel 37.17 Elektriciteitsrichtlijn en artikel 41.17 Gasrichtlijn).



Share/Bookmark

maandag 5 december 2011

Dakisolatie en groenestroomcertificaten

De groenestroomcertificaten voor de elektriciteit geproduceerd door PV-installaties die geplaatst zijn op woongebouwen die onvoldoende geïsoleerd zijn, komen niet in aanmerking voor de decretale minimumprijs die de distributienetbeheerder moet betalen voor zulke certificaten (zie hierover ons vorig bericht).

Vlaams volksvertegenwoordiger Marc Hendrickx stelde aan minister Van den Bossche een schriftelijke vraag over de manier waarop controleurs van de VREG of van de distributienetbeheerder kunnen nagaan of een woning voldoende geïsoleerd is. Meer in het bijzonder wou hij vernemen of de controleurs moesten of mochten overgaan tot een 'destructief onderzoek' in woningen waarvan de dakisolatie volledig verstopt was achter plafondbedekking.

Minister Van den Bossche antwoordde dat de energiedeskundige ter plaatse een visuele inspectie moet uitvoeren, maar geenszins verplicht is om een destructief onderzoek te doen. Als de energiedeskundige niet visueel kan vaststellen of er isolatie aanwezig is, dan zijn er drie mogelijkheden:
- Hij of zij beschikt over informatie met betrekking tot de geplaatste isolatie via bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld facturen;
- Hij of zij beschikt niet over bewijsstukken, maar kan aan de hand van het (ver)bouwjaar van de woning inschatten of een woning zou geïsoleerd kunnen zijn en in welke mate;
- Hij of zij krijgt van de eigenaar uitdrukkelijk toestemming om destructief onderzoek uit te voeren.



Share/Bookmark

vrijdag 2 december 2011

Energiehoofdstuk uit regeerakkoord-Di Rupo I

6. Transitie van onze economie naar een duurzaam groeimodel
De regering wil dat België zich bij de groep van de Europese pioniers aansluit bij de transitie naar nieuwe vormen van duurzame economische productie en consumptie.
Drastische vermindering van het verbruik van natuurlijke hulpbronnen en energie (vooral van fossiele brandstoffen) is niet alleen essentieel voor het behoud van het milieu, maar moet ook de concurrentiepositie van onze bedrijven versterken en banen creëren.
Onverminderd de bevoegdheden van de deelstaten zal België tijdens de internationale onderhandelingen een ambitieus standpunt innemen om een bindend wereldwijd klimaatakkoord te bereiken dat de stijging van de mondiale temperatuur tot een maximum van 2°C beperkt.
De federale regering zal met de gewesten onderhandelen om het standpunt van België tegenover de Europese en internationale instellingen te bepalen. De regering zal met kracht pleiten, zowel bij de gewesten als op internationaal vlak, voor een reductiedoelstelling op EU-niveau van 30% van de uitstoot van broeikasgassen in 2020 en van 80 tot 95% in 2050 ten opzichte van 1990.
Een snelle en objectieve verdeling van de te leveren inspanningen en van de inkomsten uit de veiling van de C02-quota wordt voorbereid in de schoot van de Nationale Klimaatcommissie.
Onverminderd de bevoegdheden van de Gewesten met betrekking tot de tweede verbintenissenperiode van Kyoto, zal België op Europees niveau pleiten voor een verbetering van het ETS systeem (European Union Emissions Trading System) om de windfall profits te vermijden.
De regering zal werkzaamheden ondersteunen om relevante indicatoren te ontwikkelen in aanvulling op het BBP. Deze nieuwe indicatoren zouden menselijke ontwikkeling in al haar aspecten beter moeten kunnen meten.
In het licht van de Conferentie Rio+20 zal de federale regering de Gewesten uitnodigen om samen een nationale strategie voor duurzame ontwikkeling uit te werken. Deze zal een langetermijnvisie omvatten, zoals de wet van 5 mei 1997 vooropstelt.
Energiebesparende investeringen zullen niet kunnen leiden tot een verhoging van het kadastraal inkomen.

6.1. De overheid als motor voor een duurzame transitie
De federale overheid zal de investeringen in energiebesparingen in federale overheidsgebouwen maximaliseren en rationaliseren en de mobiliteitsplannen voor ambtenaren optimaliseren.
Het gebruik van sociale en ecologische clausules zal verder versterkt worden bij alle overheidsopdrachten overheidsmiddelen en bij het beheer van
Voor producten die op de markt worden gebracht en waarvoor nog geen Europese normen bestaan zullen ambitieuze normen worden opgesteld in nauwe samenwerking met de betrokken sectoren en de wetenschappelijke wereld. Die producten zullen aan hoge standaarden inzake milieu-, sociale en gezondheidszorg moeten voldoen, terWijl ze voor iedereen betaalbaar blijven.
De regering zal er bij de EU voor pleiten om de etikettering van producten te uniformiseren zodat ze gestandaardiseerde informatie bevatten over hun levenscyclus, hun herstelbaarheid, hun levensduur en de sociale omstandigheden waarin ze geproduceerd werden.

6.2. Een veilige, duurzame en voor iedereen toegankelijke energie waarborgen
Het is het doel van de regering om de energieprijzen voor zowel particulieren als bedrijven niet hoger te laten liggen dan de gemiddelde prijs in de ons omringende landen om de competitiviteit van de bedrijven en de koopkracht van de burgers te vrijwaren. De federale staat zal daartoe met de Gewesten en de vier regulatoren een gecoördineerd initiatief nemen om alle componenten van de energiekosten (basisprijs, transport- en distributietarieven, diverse taksen en heffingen) te analyseren en zij zal maatregelen nemen om die in toom te houden.
Anderzijds zal de federale regering, binnen haar bevoegdheden, alles in het werk stellen om de globale energiefactuur te beperken.
Ten eerste zal de regering vragen dat de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG) onderzoekt of objectieve factoren het prijsverschil tussen België en de buurlanden rechtvaardigen. Indien het onderzoek van de CREG besluit dat het verschil niet gerechtvaardigd is, zal zij de regering een tijdelijke maximumprijs voorstellen, die de Belgische prijzen tot het gemiddelde van de prijzen in de buurlanden zal terugbrengen, en waarbij de concurrentie moet blijven spelen.
Ten tweede zal de CREG via de omzetting van het Derde Energiepakket van de EU, in haar onafhankelijkheid en rol met betrekking tot het waarborgen van de marktwerking in overeenstemming met EU-richtlijnen worden versterkt. Het parlement zal de regulator controleren. De in het wetsontwerp tot. omzetting van het Derde Energiepakket bedoelde vangnetmethode zal effectief worden Uitgevoerd. De tariefformules van de variabele contracten zullen aan de CREG medegedeeld worden, en de CREG zal elke wijziging daarvan eerst moeten goedkeuren.
Ten derde zal de regering de nucleaire rente afromen om de concurrentie en de investeringen in de opwekking van elektriciteit te stimuleren en de energieprijzen ten gunste van de gezinnen en de bedrijven onder controle te houden. De regering zal daartoe de repartitiebijdrage verlengen; het bedrag daarvan zal sterk worden verhoogd, op basis van een formule die rekening zal houden met de door de CREG vastgelegde productiekosten en de verkoopprijzen. De geïnde inkomsten zullen onder meer dienen ter ondersteuning van investeringen voor hernieuwbare energie op de Noordzee en voor de energie-efficiëntie van de federale openbare gebouwen.
De regering zal alle maatregelen tot verhoging van de concurrentie op de elektriciteitsmarkt nemen om de koopkracht van de burgers en de competitiviteit van de bedrijven te verbeteren. Daartoe, in samenhang met deze repartitiebijdrage, zal de Regering, conform de Europese regels, rechtsmiddelen onderzoeken, om een deel van de productie van de afgeschreven kerncentrales ter beschikking van de markt te stellen. Deze maatregelen zullen voorlopig zijn en verdwijnen zodra de markt concurrentieel zal geworden zijn.
Ten vierde zal de federale bijdrage herzien moeten worden om haar impact op de eind prijzen te beperken.
Ten Vijfde zal de verandering van leverancier vergemakkelijkt worden. De dienstverlening aan de consumenten, en de leesbaarheid van de gestandardiseerde energiefacturen zullen verbeterd worden.
De bevoorradingszekerheid zal worden gegarandeerd door maximale diversificatie van de bevoorradingsbronnen en door prioriteit te geven aan hernieuwbare energie (wind, waterkracht, zonnepanelen ... ) waarbij discriminerende effecten zullen vermeden worden.
De federale regering engageert zich om hernieuwbare energie te stimuleren op een kostenefficiënte wijze. Op basis van een duurzameontwikkelingseffectbeoordeling en een aanpassing van het bestaande subsidiemodel voor hernieuwbare energie in de Noordzee zal de regering een beslissing nemen over de afbakening van een nieuw gebied voor windenergie in de Noordzee. Verder zal ze verbindingen met de omliggende parken aanmoedigen.
Aan Elia zal ook gevraagd worden een stopcontact voor de windmolenparken op zee te installeren en de tussen interconnectiecapaciteit België en haar buurlanden uit te breiden op een kostenefficiënte wijze.
De regering bevestigt haar wil om de kerncentrales te sluiten, in overeenstemming met de wet van 2003.
De regering zal, onmiddellijk en ten laatste binnen de zes maanden na haar vorming, een uitrustingsplan voor nieuwe productiecapaciteit uit gediversifieerde energiebronnen uitwerken om op een geloofwaardige manier de bevoorradingzekerheid van elektriciteit van het land op korte, middellange en lange termijn te verzekeren.
In dit opzicht, in alle transparantie en met inachtneming van de concurrentieregels, zal de Regering zich verzekeren bij potentiële actoren en investeerders van een daadwerkelijke aansluiting op het net van deze nieuwe productiecapaciteit en dit binnen termijnen die verenigbaar zijn met zowel de sluiting van de kerncentrales als de te verwachten groei van het energieverbruik.
In functie van het tijdspad van aansluiting op het net van deze nieuwe capaciteit zullen de definitieve sluitingsdata van de kerncentrales door de regering worden gepreciseerd.
Dit zogenaamde uitrustingsplan zal worden gemonitord en de regering zal in voorkomend gevalofferteaanvragen uitschrijven. Om de procedures te versnellen, zullen locaties voor nieuwe eenheden in samenwerking met de Gewesten worden geselecteerd, onder andere door de beschikbaarheid van onbenutte sites te onderzoeken.
Beveiliging en veiligheid van kerninstallaties is een absolute prioriteit. Een hoog niveau van bescherming van de werknemers en de veiligheid van alle energie-infrastructuren, in het bijzonder de nucleaire, zal ook verder worden gewaarborgd.
De wetgeving inzake aansprakelijkheid voor nucleaire ongevallen zal worden herzien om de vergoedingsplafonds betaald door de exploitanten van kerninstallaties aan te passen. De staatscontrole bij het beheer van financiële reserves (Synatomfonds) - voor de ontmanteling van de kerncentrales en het beheer van gebruikt splijtstof - zal worden versterkt om de toereikendheid, de beschikbaarheid, de transparantie en een betere spreiding van de leningen te verzekeren. Dit mag geenszins tot gevolg hebben dat deze reserves in begrotingstermen onder de perimeter van de staat worden gebracht.
In het licht van de omzetting van richtlijn 2011/70/ EURATOM zal de regering een normatief kader opstellen om een veilig beheer op lange termijn van de verbruikte brandstof en het radioactief afval mogelijk te maken, en zal ze over dat laatste een principebeslissing nemen.
0&0 over kernfysische methoden in het domein van de medische toepassingen en de radioprotectie zal verder ondersteund blijven in het kader van de volksgezondheid.

Share/Bookmark

donderdag 17 november 2011

Nucleair akkoord bis: meer dan alleen geld?

Volgende vrije tribune van Tinne Van der Straeten verscheen op 16 november in de Tijd.

X

Nucleair akkoord bis: meer dan alleen geld?

Het afromen van de nucleaire rente kan onze elektriciteitsfactuur behoeden voor een extra toeslag voor hernieuwbare energie, maar dat valt af te wachten. Ook een betere marktwerking en een prijsplafond zijn evenmin vanzelfsprekend.

Een nucleaire heffing van 550 miljoen, Electrabel die een deel van zijn nucleaire capaciteit op de markt moet brengen om de concurrentie te stimuleren, de federale regulator CREG die een prijsplafond kan opleggen als de elektriciteitsprijzen hoger zijn dan in de buurlanden. Daarover werden de onderhandelaars het principieel eens.

Een nucleaire heffing van 550 miljoen zou worden ingeschreven in de begroting van 2011. Er bestaat een brede consensus dat een groot deel van dat geld zou worden gebruikt om de ondersteuning van offshore wind te financieren. Op die manier wordt de energiefactuur van mensen en gezinnen niet belast met extra toeslagen voor hernieuwbare energie. Uit de begrotingsteksten moet blijken of de onderhandelaars daarvoor inderdaad een speciaal begrotingsfonds willen instellen, dan wel of het grootste deel van de heffing naar de algemene begroting vloeit. Maar omdat de heffing jaarlijks betaald moet worden, lijkt ze terecht losgekoppeld te zijn van het debat over de levensduurverlenging van de kerncentrales.

Toch lost het afromen van de nucleaire rente het probleem van het gebrek aan marktwerking niet op. Daarom is het een goede zaak dat ook flankerende maatregelen aangekondigd worden, waardoor meerdere spelers toegang kunnen krijgen tot de nucleaire capaciteit.

PAX ELECTRICA

In de Pax Electrica I en II werden al schuchtere pogingen ondernomen om de nucleaire productiecapaciteit van Electrabel te verdelen over meerdere spelers. Zo heeft SPE Luminus een beperkt aandeel in de centrales van Doel en Tihange. Daarnaast heeft het normaliter ook een leveringsoverenkomst van lange termijn afgesproken met Electrabel, en kan het die na 10 jaar omzetten in eigendomsrechten in dezelfde centrales. EDF Belgium houdt 50 procent van Tihange 1. En E.ON heeft sinds 2009 770 megawatt aan nucleaire trekkingsrechten.

Als er gekeken wordt naar het (nucleaire) productiepark blijkt dat Electrabel het leeuwendeel van de productiecapaciteit nog steeds in handen heeft en dat er daarnaast slechts een selecte club toegang heeft tot de resterende nucleaire capaciteit. Dat de onderhandelaars beslissen dat de productiecapaciteit veel meer moet opgedeeld worden is dus nobel. Al blijft het gissen wat ze precies voor ogen hebben, en vooral hoe ze die beslissing zullen uitvoeren.

Zo is het onduidelijk hoeveel capaciteit beschikbaar zal zijn. Ten tijde van de Pax Electrica ging men uit van het idee dat andere spelers een significant marktaandeel van minstens 15% moesten kunnen verwerven. Blijft dat het uitgangspunt? Of weet men nu al hoeveel nucleaire capaciteit Electrabel “mag” houden en op hoeveel iedereen voorts een bod mag doen? Of denkt men helemaal anders, en wil men alle nucleaire elektriciteit opkopen aan een bepaalde prijs en doorverkopen met een kleine marge?

ELIA

Een andere onduidelijkheid betreft de centrales zelf. Hebben de onderhandelaars enkel de nucleaire capaciteit voor ogen, of zou de pompcentrale van Coo (eindelijk) ook in het vizier komen? Coo wordt ingezet als piekcentrale en levert op piekmomenten goedkope energie die anders geleverd zou moeten worden door duurdere centrales. Maar Coo is nog steeds 100 procent eigendom van Electrabel. Haar functie overstijgt die van een loutere productiecentrale: ze is belangrijk voor het evenwicht op het elektriciteitsnet.

Netbeheerder Elia pleitte een paar weken geleden voor de bouw van een eigen elektriciteitscentrale. Misschien is het zinvoller dat de regering ervoor zou ijveren dat Elia onder de vorm van trekkingsrechten toegang zou hebben tot de pompcentrale van Coo.

Tot slot willen de onderhandelaars dat de elektriciteitsprijzen in België niet hoger zijn dan die in de ons omringende landen. Dit vond men ook terug in het nucleair protocol van 2009 dat ondertussen in de prullenbak beland is. Die alinea, in het protocolakkoord zo verwoord dat de Belgische prijzen lager moesten zijn dan het gemiddelde van de buurlanden, kon rekenen op kritische vragen van Europa. Waarom moeten de prijzen in België zo nodig lager zijn? Terwijl het om verschillende markten gaat met verschillende productiekosten en een verschillende vraag? En ook: wat zou de impact zijn op investeringen in nieuwe elektriciteitscentrales in België ten opzichte van de buurlanden?

NETTARIEVEN

Het begrenzen van prijzen klinkt goed, maar botst evenzee, maar het botst evenzeer. Het voordeel lijkt een lagere factuur. De nadelen zijn navenant: een negatieve impact op noodzakelijke investeringen in nieuwe productiecapaciteit, een barrière voor broodnodige nieuwkomers, het risico op een hernieuwd bevoordelen van de historische speler.

Aan een goed functionerende markt is een gereguleerde eindprijs vreemd. De politieke overheden zouden beter eerst en vooral werk maken van die goed functionerende markt, en die niet hypothekeren door kortetermijnoplossingen zoals prijsregulering.

Het mag hen ook niet verhinderen te kijken naar dat andere deel van de factuur: de nettarieven, die 40 tot 50% van de eindfactuur uitmaken en waar volgens de federale regulator nog heel wat vet opzit. En natuurlijk de vele belastingen, heffingen en toeslagen waar de overheid evenzeer, of bij uitstek, vat op heeft.

Tinne Van der Straeten is advocaat bij Blixt, een kantoor gespecialiseerd in energierecht.

X



Share/Bookmark

woensdag 2 november 2011

Het akkoord om nog niet akkoord te gaan over de kernuitstaap

Naar aanleiding van het deelakkoord dat de federale onderhandelaars bereikten om de uitstap uit de kernenergie, zoals vastgelegd in de wet van 2003, te behouden maar tegelijk ook uit te stellen tot de resultaten van het nieuwe uitrustingsplan bekend zijn, mochten we hierover iets zeggen op radio (Tinne in De Ochtend) en TV (Tim op Kanaal Z).



Share/Bookmark

woensdag 26 oktober 2011

Barbara Veranneman vervoegt Essenscia

Onze kantoorgenote Barbara Veranneman heeft de balie spijtig genoeg verlaten. Ze werkt nu definitief bij Essenscia, waar ze voordien al als 'tewerkgestelde advocate' actief was. We wensen haar veel succes en zijn ervan overtuigd dat haar uitmuntende kennis over de energie- en klimaatsector binnen de sectorfederatie van de chemische nijverheid uitstekend tot zijn recht zal komen.



Share/Bookmark

donderdag 13 oktober 2011

Steekvlampolitiek

Begin vorige week beschuldigde minister Van den Bossche een groot aantal elektriciteitsleveranciers ervan te 'liegen'. Volgens een studie van de VREG zouden ze aan hun klanten 125 euro aangerekend hebben per groenestroomcertificaat dat ze jaarlijks moeten inleveren, terwijl de werkelijke kostprijs van zo'n certificaat met 103 euro een stuk lager zou liggen. Dezelfde dag vroeg een federaal parlementslid aan minister Van Quickenborne, bevoegd voor mededinging, om een onderzoek te openen naar mogelijke prijsafspraken onder de energieleveranciers. De minister van ondernemen ging daar direct op in en gaf de mededingingsautoriteiten een onderzoeksopdracht. De daaropvolgende donderdag vielen inspecteurs van de dienst mededinging binnen bij leveranciers.

De nationale regulator CREG was er als de kippen bij om “zich solidair te tonen met de actie die vandaag gevoerd wordt door de Algemene Directie Mededinging bij de leveranciers van elektriciteit inzake een problematiek die niet alleen in Vlaanderen bestaat, maar die België in zijn geheel raakt”. De CREG zou in vijf studies de bevoegde overheden 'gewaarschuwd' en 'op de hoogte gebracht' hebben dat een aantal leveranciers de boeteprijs doorrekenen en niet de marktprijs.

Een week later publiceerde de VREG haar studie. Die is heel wat genuanceerder dat wat de dame en heren politici, met de CREG in hun kielzog, lieten uitschijnen. In de studie wordt inderdaad vastgesteld dat veel leveranciers een 'premie' of een 'marge' aanrekenen aan hun klanten. Tegelijk stelt de VREG vast dat de leveranciers “geen structurele 'marge' [kunnen] heffen op hun groene bijdrage, zonder dit ofwel te compenseren op hun zuivere energieprijs, ofwel een concurrentieel nadeel op te lopen”. Nog volgens de VREG wijst “het feit dat veel elektriciteitsleveranciers een 'premie' binnen de kost van de certificaatverplichting kunnen doorrekenen, erop dat de energiemarkt (nog) niet volledig transparant is en nog niet volledig concurrentieel werkt”. “Het gaat dus om een probleem van (gebrek aan) transparantie en van vermelding van kosten, eerder dan om een probleem van onterechte kostenaanrekening”, besluit de VREG.

Nergens in de studie van de VREG staat enige indicatie naar mogelijke mededingingsbeperkende afspraken tussen de verschillende leveranciers over de waardering die zij plakken op de verplichting tot het inleveren van groenestroomcertificaten. Overigens heeft ook de CREG nooit aangegeven dat de onderzochte praktijk juridisch laakbaar zou zijn. Indien ze anticompetitief gedrag zou hebben vastgesteld, had ze dit zeker gemeld aan de minister en de Raad voor de Mededinging en had ze voorstellen gedaan om de marktwerking te verbeteren, zelfs als ze niet territoriaal bevoegd zou zijn. Zij kwam enkel prima facie tot gelijkaardige vaststellingen als de VREG.

Uiteraard moeten politici, en de minister voor ondernemen in de eerste plaats, wantoestanden laten onderzoeken en liefst nog tijdig (laten) remediëren. Maar zulke politieke initiatieven mogen niet op basis van steekvlammetjes, zonder kennis en kunde van het dossier en van de studie van de bevoegde regulatoren, genomen worden. De snelheid waarmee de mededingsautoriteiten nu te werk moesten gaan leidt bijna overal tot ongenoegen. Een aantal klanten melden zich misnoegd bij hun leveranciers. Die leveranciers moeten veel werk steken aan de afhandeling van de inval, de communicatie daarover en het verbeteren van hun waarschijnlijk onterecht beklad imago. De regulatoren kunnen enkel machteloos toekijken dat de studies waarin zij veel werk steken voor de zoveelste keer niet gelezen worden. Alleen advocaten lijken er nog wel bij te varen.

Het komt nu aan onze mededingingsautoriteiten toe om na te gaan of er, ondanks het feit dat de VREG dit nergens vermeldt noch insinueert, mededingingsbeperkende afspraken rond de doorrekening van de groenestroomcertificaten geweest zijn. De resultaten zullen we hopelijk sneller kennen dan die van enkele andere onderzoeken die zij de afgelopen jaren gestart zijn in de energiesector. De kans dat er inbreuken waren, lijkt mij ook eerder beperkt. Men kan zich de vraag stellen of het vanuit economisch oogpunt misschien niet normaal is dat de leveranciers de boeteprijs doorrekenen als kostprijs voor de groenestroomcertificaten. De opportuniteitskost van zulk certificaat is toch juist die boeteprijs. Leveren ze te weinig certificaten in (omdat ze verkiezen om hun certificaten op de markt te verkopen), is dat toch de decretaal vastgelegde prijs die ze moeten betalen?

Zie hierover trouwens ook de gelijkaardige opmerkingen van André Jurres op zijn blog.




Share/Bookmark