Pagina's

woensdag 21 september 2011

Een bekrachtigingswet is een wet, geen uitvoeringsbesluit

Tecteo, de distributienetbeheerder in de provincie Luik, en de CREG hadden een verschil in visie over de rapporteringsverplichting die de distributienetbeheerder heeft ten aanzien van de federale energieregulator. Tecteo zou zulk rapport niet overgemaakt hebben, waarop de CREG, met toepassing van artikel 31 Elektriciteitswet een administratieve geldboete oplegde.

Artikel 31 Elektriciteitswet bepaalt dat de CREG “elke in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan binnen de termijn bepaald door de commissie”.

Tegen de beslissing van de CREG om een administratieve geldboete op te leggen ging Tecteo in beroep bij het Hof van Beroep van Brussel. Die stelde in zijn arrest van 11 oktober 2010 vast dat de rapporteringsverplichting eerst was opgenomen in het koninklijk besluit van 11 juli 2002 inzake de distributienettarieven. Dit koninklijk besluit is nadien bekrachtigd door de wet van 21 december 2007.

Door die bekrachtiging neemt het koninklijk besluit in de hiërarchie der normen eenzelfde rang in als een formele wet. Hieruit volgt, volgens het Hof van Beroep: “une disposition ayant force de loi formelle ne saurait constituer une norme d’exécution d’une autre disposition qui est située au même rang dans la hiérarchie des normes.”

In zijn arrest van 19 mei 2011 (Cass 19 mei 2011 C.10.0199.F/9, CREG tegen Tecteo) bevestigt het Hof van Cassatie het arrest van het Hof van Beroep van Brussel:
“Il suit de la confirmation de l’arrêté royal du 11 juillet 2002 que le législateur a donné à cet arrêté royal une valeur législative.
L’effet rétroactif au 27 juillet 2002 donné à cette confirmation a pour conséquence que cet arrêté royal doit être présumé avoir eu une valeur législative dès son origine.
Dès lors, l’arrêté royal du 11 juillet 2002, qui a valeur de loi, n’est pas un arrêté d’exécution visé à l’article 31 de la loi du 29 avril 1999.
Le moyen, qui, en chacune de ses branches, repose sur l’affirmation contraire, manque en droit.”

In het voorontwerp van wet ter omzetting van de Richtlijn 2009/72/EG zoals de regering dit in tweede lezing goedkeurde op 19 juli 2011, wordt voorgesteld om artikel 31 Elektriciteitswet als te wijzigen:
“Art. 31. Onverminderd de andere door deze wet voorziene maatregelen, kan de commissie elke (...) persoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen [van deze wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, van de uitvoeringsbesluiten ervan, de navolgende wetten betreffende de tarieven of betreffende de bijdrage bedoeld in artikel 21bis of van alle andere bepalingen waarvan zij de controle verzekert krachtens artikel 23, § 2, lid 2, 8° van deze wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt] binnen de termijn bepaald door de commissie. (...)"

Volgens ons is de voorgestelde wijziging van artikel 31, eerste lid, nog steeds onvoldoende overtreden die de CREG vaststelt in het kader van controletaken die haar door andere wetgeving is verleend, te sanctioneren. De wijziging verwijst naar de algemene taakomschrijving van de CREG om de administratieve geldboete te rechtvaardigen. De vraag kan echter gesteld worden of de controlebevoegdheid opgenomen in andere wetgeving of in bekrachtigingswetten geen autonome bevoegdheid is die niet krachtens artikel 23, § 2, lid 2, 8°, Elektriciteitswet wordt toegewezen maar wel krachtens die andere wetgeving zelf.

Het eerste lid zou daarom kunnen luiden:
“Art. 31. Onverminderd de andere door deze wet voorziene maatregelen, kan de commissie elke in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen van deze wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, van de uitvoeringsbesluiten ervan, de navolgende wetten betreffende de tarieven of betreffende de bijdrage bedoeld in artikel 21bis of van alle andere bepalingen waarvan zij de controle verzekert (…)".




Share/Bookmark

dinsdag 20 september 2011

Heeft de beslissing over de Duitse Brennelementesteuer een impact op de Belgische nucleaire repartitiebijdrage?

Gisteren besliste de 4de Senat van het Finanzgericht Hamburg om in te gaan op de vraag van E.ON om de verplichting tot indienen van de belastingsformaliteiten onder de Duitse Brennelementesteuer uit te stellen. Het Finanzgericht vond dat er voldoende juridische twijfels waren bij de (grond)wettelijkheid van die belasting.

De Duitse Kernbrennstoffsteuerwet van 8 december 2010 belast, als een verbruiksbelasting, kernbrandstof (Plutonium 239 en Plutonium 241, Uranium 233 en Uranium 235) die voor de commerciële elektriciteitsproductie gebruikt wordt. De heffing per gram kernbrandstof bedraagt 145 EUR. De heffing zou op jaarbasis 2,3 miljard EUR opbrengen.

De heffing is verschuldigd zodra een brandstofelement of een afzonderlijke reactorstaaf voor het eerst in een kernreactor ingebracht wordt en een zichzelf in stand houdende kettingreactie opgestart wordt. De belasting geldt van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2016.

Veel gelijkenissen met deze Brennelementesteuer vertoont het wetsvoorstel dat CD&V en cdH indienden in het Parlement. Het wetsvoorstel tot vaststelling van een heffing op kernbrandstof wil door middel van een heffing ervoor zorgen dat een deel van de nucleaire rente terugvloeit naar de samenleving en dat een ‘level playing field’ wordt gecreëerd door een verhoging van de productiekosten van de kernproducenten. Volgens artikel 3 van het voorstel is kernbrandstof (Plutonium 239, Plutonium 241, Uranium 233, Uranium 235, Uranium 238 en Thorium) die voor industriële elektriciteitsproductie gebruikt wordt in kernreactoren op het Belgisch grondgebied onderhevig aan een heffing bij het laden en afsluiten van een reactorvat. Het voorstel noemt die http://www.blogger.com/img/blank.gifkernbrandstofbelasting een ‘accijns’. De heffing bedraagt per gram kernbrandstof 120 EUR en zou volgens de indieners overeenkomen met een jaarlijkse opbrengst van 750 miljoen EUR. De heffing is verschuldigd zodra een brandstofelement of een afzonderlijke brandstofnaald voor het eerst in een kernreactor ingebracht wordt en een zichzelf in stand houdende kettingreactie opgestart wordt.

Dit voorstel besprak de CREG vorige week nog in haar Studie (F)110908-CDC-1079
over “de wetsvoorstellen betreffende de nucleaire heffing”
.

De reden waarom het Finanzgericht (zeer) kritisch staat tegenover de Duitse regeling heeft echter niets te maken met de aard, de bepaling of de modaliteiten van de belasting, maar wel met het Duitse grondrecht: “Das FG Hamburg äußert ernstliche Zweifel an der formellen Verfassungsmäßigkeit des Kernbrennstoffsteuergesetzes.”

De Duitse Grondwet bevat vrij strikte bepalingen over wie bevoegd is om welke belastingen te heffen. Volgens het Finanzgericht is de Kernbrennstoffsteuer geen belasting die binnen de wetgevende bevoegdheid van de bond (de federale overheid) valt. De Kernbrennstoffsteuer is volgens het Finanzgericht immers geen 'verbruiksbelasting' (Verbrauchsteuer) omdat kernbrandstof geen verbruiksgoed (laat staan een consumentengoed) is dat in het algemene marktverkeer wordt gebracht door producenten voor onmiddellijk of aanstaand verbruik door verbruikers. Ten slotte betwijfelt het Finanzgericht of de Bond een 'nieuwe' belasting mag uitvinden, die niet voorzien is in de Duitse Grondwet.

In België zijn de grondwettelijke belastingsregels veel summierder uitgewerkt. Ze bevatten in ieder geval niet de verschillende beperkingen van de Duitse grondregels. Integendeel zelfs, de federale overheid heeft de 'residuaire' bevoegdheid inzake belastingen. Op zich lijken de bezwaren van het Finanzgericht dus niet direct bruikbaar door de tegenstanders van een uraniumaccijns in ons land.
Share/Bookmark

dinsdag 30 augustus 2011

CCS doet zijn stille intrede in de federale wetgeving

CCS, Carbon Capture and Storage, of de afvang en opslag van CO2 is volgens Wikipedia "de techniek waarmee fossiele brandstoffen (bijna) klimaatneutraal kunnen worden toegepast. Door het broeikasgas CO2 dat uit de verbranding van deze koolwaterstoffen ontstaat af te vangen en op te slaan komt die CO2 niet in de atmosfeer terecht."

De Richtlijn 2009/31/EG van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide legt het Europese kader hiervoor vast.

Ook voor nieuwe productie-installaties voor elektriciteit heeft de Richtlijn gevolgen. Om de overgang naar elektriciteitsproductie met een laag koolstofgehalte te bewerkstelligen moeten er bij nieuwe investeringen in elektriciteitsproductie op basis van fossiele brandstof­fen, maatregelen worden getroffen om een aanzienlijke emissiereductie te vergemakkelijken. Daarom moeten alle stookinstallaties met een vermogen van meer dan 300 MW waarvan de oorspronkelijke bouwver­gunning, of bij gebreke daaraan de oorspronkelijke exploitatievergunning wordt verleend na 25 juni 2009, op hun locatie over voldoende ruimte voor het afvangen en comprimeren van CO2 beschikken. Die verplichting geldt enkel indien geschikte opslaglocaties beschikbaar zijn en indien transport­netwerken en modernisering van de installatie met het oog op het afvangen van CO2, technisch en economisch haalbaar zijn.

De economische haalbaarheid van vervoer en modernisering moeten volgens de Richtlijn worden beoordeeld in het licht van de geraamde kosten van vermeden CO2 voor de specifieke plaatselijke omstandigheden in het geval van modernisering en de geraamde kosten van vermeden CO2 -uitstootrechten in de Gemeenschap. De ramingen moeten worden gebaseerd op het meest recente beschik­bare bewijs; voorts moeten de technische mogelijkheden worden geëvalueerd en moet een analyse van de onzekere factoren in het beoordelingsproces worden verricht. De bevoegde autoriteit moet op basis van een door de exploi­tant opgestelde beoordeling en andere beschikbare infor­matie bepalen of aan deze voorwaarden is voldaan.

Met het koninklijk besluit van 5 augustus 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 oktober 2000 betreffende de toekenning van individuele vergunningen voor de bouw van installaties voor de productie van elektriciteit worden deze bepalingen deels omgezet.

Het voegt een nieuw criterium in voor de toekenning van productievergunningen, zoals geregeld in het koninklijk besluit van 11 oktober 2000: "de ruimte die voorzien is op de site van de installatie voor de uitrusting, opvang en compressie van de CO2, wanneer de evaluaties hiervoor positief zijn." In de aanvraag voor de productievergunning moet de aanvrager daarom een evaluatie van de volgende voorwaarden (i) de beschikbaarheid van de opslagsites die geschikt zijn voor deCO2, (ii) de technische en economische haalbaarheid van de transportnetten van CO2 en (iii) de technische en economische haalbaarheid van een aanpassing van de installatie met het oog op de opvang van CO2.

Het koninklijk besluit kwam er o.a. op advies van de CREG. Dit advies is spijtig genoeg niet beschikbaar op haar website.

Om volledige omzetting te geven aan de Richtlijnbepaling zouden de verschillende gewesten in de regelgeving inzake stedebouwkundige vergunningen een gelijkaardige regeling moeten opnemen.




Share/Bookmark

vrijdag 8 juli 2011

In Memoriam Filip Martens: de domeinconcessie voor offshore wind voorbij

In 2020 moet België 13% van het energieverbruik realiseren met hernieuwbare energiebronnen. Offshore wind zal een groot aandeel uitmaken van deze doelstelling. Op dit ogenblik is er in de Noordzee 1 zone afgebakend in de zone voor de exploitatie van offshore wind. De wetgever opteerde voor een speciale vergunning van offshore wind installaties, met name door het verlenen van domeinconcessies.

Onder andere in de formateursnota van Elio Di Rupo is er sprake van een nieuwe zone in de Noordzee voor offshore wind. Wij willen een lans breken om na te denken over de wijze van vergunnen van offshore wind. Wij denken dat de figuur van de domeinconcessie niet aangewezen is, maar dat een beroep zou kunnen gedaan worden op de aanbestedingsprocedure voorzien in de Derde Elektriciteitsrichtlijn. Dit wordt uitgewerkt in de bijdrage "De domeinconcessie voorbij: de ontwikkeling van offshore wind via een aanbestedingsprocedure".

Deze bijdrage is geschreven als een eerbetoon aan Filip Martens, CEO van C-Power, die onverwachts overleden is op 1 juli 2011. Filip kan niet anders omschreven worden dan als een pionier voor offshore wind in België. Zoals het project team van C-Power schreef heeft hij als een echter voortrekker vriend en vijand overtuigd door in 2008 de grootste windturbines op de zwaarste funderingen in diep water op 30 kilometer van de kust te realiseren. Het is voor ons steeds een eer geweest Filip te ontmoeten in vergaderingen of aan de onderhandelingstafel. Zijn heengaan heeft ons, net als zovelen, met verstomming geslagen. Zijn enthousiasme en gedrevenheid kan alleen maar als voorbeeld en ter inspiratie blijven dienen.

Deze bijdrage zakt in het niets ten op zichte van de realisaties van Filip. Elke geproduceerde kWh elektriciteit in de Belgische Noordzee zal zijn herinnering levendig houden. Rust zacht.
Share/Bookmark

dinsdag 5 juli 2011

Klimaat in de nota van formateur Di Rupo

In het voorstel van formateur Di Rupo komt ook klimaat aan bod in de twee delen van de formateursnota: zowel wat betreft de sociaal-economische voorstellen als wat betreft de overdracht van bevoegdheden.

In het hoofdstuk over de begrotingsmaatregelen wordt geschreven dat "met het oog op de implementatie van het klimaatbeleid de opbrengsten van de veiling van de CO2-quota's op billijke wijze verdeeld [worden] tussen de federale overheid en de deelstaten". De formateur doelt hier op de implementatie van het energie- en klimaatpakket van de Europese Unie en de zogenaamde 20-20-20 doelstellingen. Tegen 2020 moet België 13% hernieuwbare energie opwekken tegen 2020 en 15% CO2 verminderen. Deze doelstellingen moeten verdeeld worden tussen de federale overheid en de gewesten, net zoals dat het geval was voor de Kyoto-doelstelling. Op dit ogenblik is daar geen compromis over bereikt, het is zelfs onduidelijk of er over vergaderd wordt. Verder in de nota wordt alleen nog gesproken over een "eerlijke en objectieve verdeling van de te leveren inspanningen".

De industriële uitstoot wordt geregeld door de ETS-richtlijn. Dit is een quasi volledige Europese aangelegenheid geworden, waarbij de lidstaten de veiling organiseren en waarvan de opbrengsten naar de lidstaten terugvloeit. Het verdelen van die emissieopbrengsten zal vermoedelijk deel uitmaken van de globale lastenverdeling in het kader van de 20-20-20-doelstellingen. Het aandeel van de uitstoot van de luchtvaartsector zorgde al voor intern Belgische onenigheid toen het Vlaams Gewest, en nadien het Waals Gewest, een decreet aannamen waarbij alle luchtvaartemissies ofwel in het Vlaams Gewest ofwel in het Waals Gewest gelokaliseerd werden. Brussel en de Federale Overheid vielen uit de boot en vochten het Vlaams decreet aan bij het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof vernietigde het decreet en beval dat er een samenwerkingsakkoord moet komen om de materie te regelen. Tot op vandaag is er ook hier geen uitweg uit de impasse.

De nota van Di Rupo spreekt enkel van een billijke verdeling, en zegt niets over de toewijzing van die opbrengsten. Dit in tegenstelling tot de nucleaire rente waar expliciet wordt bepaald dat die middelen gebruikt zullen worden voor de ondersteuning van offshore wind en de energie-efficiëntie van federale gebouwen. De ETS-richtlijn bepaalt dat de lidstaten vrij zijn om te bepalen hoe de veilingopbrengsten worden gebruikt. Tegelijkertijd zegt ze ook dat de opbrengsten zouden moeten worden gebruikt voor het klimaatbeleid. Of Di Rupo een deel wil gebruiken om, bijvoorbeeld, de internationale klimaatinspanningen te financieren, dan wel om het begrotingstekort te milderen blijft een open vraag.

Wat betreft het internationale klimaatbeleid schrijft Di Rupo dat België een ambitieus standpunt zal innemen tijdens de multilaterale onderhandelingen. Daarbij wordt expliciet gezegd: "ons land schikt zich naar een reductiedoelstelling op EU-niveau van 30% van de uitstoot van broeikasgassen in 2020 en van 80 tot 95% in 2050 ten opzichte van 1990." Hiermee geeft Di Rupo gevolg aan de resolutie die op 24 maart 2011 door de Kamer werd aangenomen waar de Kamer de regering vroeg om zich duidelijk uit te spreken voor een aanscherping van de Europese klimaatambities. De Kamer vroeg ook dat de regering zich zou inzetten dat dit zich zou vertalen in het Belgisch standpunt in de toekomstige EU-milieuraden en de Europese Raad. Uit de manier van verwoorden in de formateursnota kan alvast een engagement afgeleid worden dat de Federale Regering effectief zal proberen de gewesten op dezelfde lijn te krijgen. Het Europese standpunt wordt namelijk steeds in overleg met de gewesten bepaald.

Wat betreft de overdracht van bevoegdheden komt de tekst van Di Rupo overeen met het eerdere voorstel van Vande Lanotte. De Nationale Klimaatcommissie zal versterkt worden en er wordt een klimaatresponsabliseringsmechanisme ingesteld. Dit laatste zal geconcretiseerd worden door in de nieuwe financieringswet een responsabiliseringsmechanisme "klimaat" te voorzien voor de CO2-uitstoot in die sectoren die niet vallen onder de EU-ETS. Dit gebeurt op basis van de doelstellingen van de Nationale Klimaatcommissie en gevalideerd door de interministeriële conferentie. Als bedoeld wordt wat Vande Lanotte eerder schreef dan zou de interministeriële conferentie die bevoegd is voor het klimaatbeleid concrete voorstellen doen op het vlak van bindende emissietrajecten per regio en per sector, op korte en op lange termijn en met betrekking tot de methodologie inzake berekening van de emissies. De Nationale Klimaatcommissie zou bevoegd zijn voor de controle op de resultaten en de publicatie ervan. Dit wordt echter niet op deze manier verduidelijkt in de nota van Di Rupo.

Di Rupo schuift duidelijk naar voor dat een vermindering van CO2 het concurrentievermogen van de bedrijven zal versterken en zal zorgen voor extra banen. Qua standpunt heeft het voorstel van Di Rupo het voordeel van de duidelijkheid, de 30% doelstelling wordt gesteund. De invulling van de doelstelling binnen België is vooralsnog onduidelijk. Ook hier geldt wat we voor de energievoorstellen schreven: met de uitwerking kan het nog alle kanten uit.
Share/Bookmark

Energie in de nota van formateur Di Rupo

De formateursnota van Di Rupo bestaat uit twee delen, enerzijds voorstellen met betrekking tot de begrotingssanering, de 6de staatshervorming en de sociaal-economische hervormingen, anderzijds een meer gedetailleerde en technische uitleg over de overdracht van bevoegdheden van de federale staat naar de deelstaten en de nieuwe financieringswet.

Wat betreft het eerste deel wordt energie behandeld in het hoofdstuk "overgang van onze economie naar een duurzaam groeimodel". Een aantal zaken zijn niet nieuw, omdat ze reeds aangekondigd werden of omdat er reeds initiatieven genomen werden door de regering of het parlement. Zo komt de beheersing van de energieprijzen (als eerste punt) terug naar voor. De prijzen voor zowel particulieren als bedrijven zouden niet hoger mogen liggen dat de gemiddelde prijs in de ons omringende landen. Geen woord echter over het eerder bereikte compromis omtrent de vangnetregulering. Er wordt alleen nog gezegd dat "de federale overheid, Gewesten en de 4 regulatoren samen het geheel van alle componenten van de energiekosten analyseren en hoe deze in toom te houden". Nochtans maakt dit reeds deel uit van de bevoegdheden van de CREG en zijn er al een pak studies gepubliceerd, zowel wat betreft de prijzen voor elektriciteit als de prijzen voor gas. De studies over de prijscomponenten worden bovendien elke 6 maanden geactualiseerd. De beheersing en controle van de energieprijs wordt ook vermeld in het hoofdstuk over de koopkracht en de inflatie.

Ook niet nieuw is het voornemen om de nucleaire rente te belasten. Al heet het nu "een mechanisme om zowel concurrentie als investeringen aan te moedigen in de opwekking van elektriciteit en de nucleaire rente te heffen (sic). (...) Dit mechanisme zal tijdelijk zijn en zal verdwijnen wanneer de markt concurrentieel wordt." De formateur laat echter niet in zijn kaarten kijken hoe dit mechanisme er zou uitzien. Het is ook niet duidelijk wat de formateur bedoelt met het aanmoedigen van concurrentie en investeringen. Gaat het over het louter wegbelasten van het voordeel van de nucleaire rente, naar voorbeeld van de huidige repartitiebijdrage, eventueel gecombineerd met een uraniumaccijns? Of doelt de formateur op een omvangrijker initiatief naar model van het voorstel van de Vlaamse socialisten, met name de unieke aankoopmaatschappij? De formateur geeft geen indicatie over de hoogte van het bedrag. Door in het hoofdstuk over de voorgestelde begrotingsmaatregelen te spreken over een 'verhoging' van het bedrag, mag men ervan uitgaan dat belasting meer zal zijn dan 250 miljoen euro per jaar.

De formateur kondigt ook aan om de wetgeving inzake nucleaire aansprakelijkheid te herzien. Hierover heeft het parlement de werkzaamheden reeds aangevat en dienden CD&V-cdH, enerzijds, en PS, VLD, MR, anderzijds, voorstellen in.

Wat betreft bevoorradingszekerheid blijft de onduidelijkheid over de wet op de kernuitstap. De wet blijft, maar de er in vervatte uitstapkalender "zal worden beoordeeld in het licht van de stresstests en de studies over de bevoorradingsveiligheid in België." Met andere woorden, de kerncentrales gaan zeker toe, maar wanneer blijft een open vraag.

Er is sprake van "een uitrustingsplan met betrekking tot de productiecapaciteit (...) om de sluiting van de [kern]centrales te compenseren. Ook hier is het niet duidelijk wat bedoeld wordt. De term "uitrustingsplan" doet denken aan het vroegere nationaal uitrustingsplan en de centrale planning van de productiemiddelen. Door de liberalisering is die vervangen eerst door het indicatief programma van de productiemiddelen, daarna door de prospectieve studie, waarin, onder andere, de bevoorradingszekerheid geëvalueerd wordt, en wanneer ze in het gedrang komt, er aanbevelingen geformuleerd worden. Terugkeren naar een centrale planning is onmogelijk in een geliberaliseerde energiemarkt. Misschien doelt de formateur op de voorstellen van de CREG inzake het gebruik van een openbare aanbesteding om investeringen te realiseren? Of misschien doelt de formateur op andere technieken om capaciteit te vergoeden, met name om te zorgen voor genoeg back-up capaciteit voor hernieuwbare energie?

Verder wordt in het kader van de bevoorradingszekerheid een nieuwe zone voor windenergie in de Noordzee aangekondigd.

Voor het overige zullen consumentendiensten en de leesbaarheid van de energierekening worden verbeterd. Hier zou de formateur kunnen doelen op het aanpassen van het bestaande akkoord over de consument in de vrijgemaakte elektriciteits- gasmarkt aan de nieuwe Wet Marktpraktijken. Of misschien wil de formateur de toepasselijke wetgeving van de federale overheid en de gewesten over de verplichte vermeldingen op de factuur harmoniseren, vereenvoudigen en verduidelijken?

De staatscontrole bij het beheer van de financiële reserves voor de ontmanteling van centrales en het beheer van gebruikte splijtstof zal worden versterkt. Dit zou betekenen de bestaande conventie tussen de federale overheid, Electrabel en Synatom zou moeten heronderhandeld, afgeschaft of niet verlengd worden. Wellicht verwijst de formateur naar de rondetafel die hierover plaatsvond bij NIRAS, maar die nog geen aanleiding was voor nieuwe initiatieven.

De CREG zal versterkt worden in haar onafhankelijkheid, de controle over de regulator zal verzekerd worden door het parlement. De formateur verwijst hier naar het implementatie van het derde pakket, waar de Raad van State reeds haar advies gegeven heeft. Een tekst werd echter nog niet ingediend in het parlement. De omzettingstermijn is sinds 3 maart 2011 verstreken.

Wat betreft de overdracht van bevoegdheden kopieert de formateur grotendeels de eerdere nota van Johan Vande Lanotte. Distributietarieven zouden een gewestelijke bevoegdheid worden, behalve voor de netwerken die een transportfunctie hebben zelfs indien ze een spanning hebben gelijk of lager dan 70 kV, evenals het Fonds voor de Reductie van de Globale Energiekost. Er komt een samenwerkingsakkoord om de de samenwerking rond het nucleaire exportbeleid te vergemakkelijken.

Nieuw is dat er verduidelijkt wordt wat zeker federale bevoegdheid blijft: prospectieve studies, kernenergie, energieproductie, inclusief offshore, de grote infrastructuren voor aanvoer en opslag van energie, het energietransport, het beleid inzake de uiteindelijke energieprijs voor de gebruiker, inclusief de sociale bevoegd, de energie-efficiëntie van de federale gebouwen. Inzake de offshore was in de nota Vande Lanotte sprake van een overlegplatform met het Vlaams Gewest. Dit is weggevallen in de nota Di Rupo.

Samengevat bevat de formateursnota voor iedereen wat wils. Het blijven echter hoofdlijnen, de uitwerking kan nog alle kanten op.
Share/Bookmark

woensdag 1 juni 2011

Tarieven voor elektriciteitsdistributie zijn ongrondwettelijk

Terwijl een groot deel van de Belgische energiejuristen gisteren samenkwamen in Leuven voor de voorstelling van het Jaarboek Energierecht 2010, velde het Grondwettelijk Hof een zeer belangrijk arrest (GwH 31 mei 2011, nr. 2011/97). Door de duidelijkheid van zijn stelling, beslechtte het Hof twee discussiepunten die energiejuristen al een tijdje bezighield. De uitkomst ervan zal menigeen heel veel kopbrekens bezorgen.

In het koninklijk besluit van 2 september 2008 betreffende de regels met betrekking tot de vaststelling van en de controle op het totaal inkomen en de billijke winstmarge, de algemene tariefstructuur, het saldo tussen kosten en ontvangsten en de basisprincipes en procedures inzake het voorstel en de goedkeuring van de tarieven, van de rapportering en kostenbeheersing door de beheerders van distributienetten voor elektriciteit werd de mogelijkheid voorzien om injectietarieven op te leggen voor productie-installaties met een vermogen van meer dan 5 MW indien die injectie voor de distributienetbeheerder aanzienlijke bijkomende kosten zou veroorzaken. Dat koninklijk besluit is, samen met het koninklijk besluit van dezelfde dag inzake de meerjarentarieven voor de distributie van aardgas, door de wet van 15 december 2009 bekrachtigd. Electrawinds vroeg voor het Grondwettelijk Hof de vernietiging van die bekrachtigingswet omdat het de bevoegdheidsverdeling inzake energie zou schenden en de gewestelijke bevoegdheden inzake hernieuwbare energie ernstig zou inperken. In die procedure is ook de CREG vrijwillig tussengekomen.

Op basis van artikel 6, § 1, VII, tweede lid, d), BWHI stelt het Hof duidelijk dat "de regeling betreffende de injectietarieven tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort". Het Hof onderzoekt wel "of de regeling inzake injectietarieven, voor zover zij ook van toepassing is op producenten van hernieuwbare energie, het evenredigheidsbeginsel in acht neemt", waarbij hij de bevoegdheid van de gewesten inzake hernieuwbare energiebronnen onderzoekt (artikel 6, § 1, VII, eerste lid, f), BWHI).

Het Hof oordeelt:

"B.6.4. Uit de enkele vaststelling dat de injectietarieven van toepassing zijn op alle vormen van gedecentraliseerde opwekking van elektriciteit, en dus niet alleen op 'nieuwe energiebronnen', mag niet worden afgeleid dat het evenredigheidsbeginsel niet van toepassing zou zijn. Het is immers maar in zoverre de federale regeling betrekking heeft op de nieuwe energiebronnen, dat het evenredigheidsbeginsel in het geding is.

B.6.5. De toepasselijkheid van de injectietarieven op producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen laat voor het overige de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest onverlet om zijn bevoegdheid inzake nieuwe energiebronnen uit te oefenen."

Door het middel vervolgens niet gegrond te verklaren, bevestigt het Hof de stelling van de federale overheid en van de CREG dat het evenredigheidsbeginsel niet geschonden is. De federale overheid mag dus injectietarieven opleggen, zelfs voor installaties voor elektriciteitsproductie op basis van hernieuwbare energiebronnen.

De verzoekende partijen hadden aangevoerd dat de federale bevoegdheden inzake energie slechts zouden gelden in de mate dat die betrekking hebben op zaken die een 'nationale relevantie' zouden hebben. Het Hof gaat hier niet rechtstreeks op in, al laat het wel uitschijnen dat de verwijzing naar "de aangelegenheden die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven" in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, BWHI niet van die aard kan zijn om de gedeelde exclusieve bevoegdheden inzake energie in het voordeel van de ene of de andere overheid te doen overhellen.

Hiermee lijkt, sneller dan gedacht, een einde te komen aan de discussie tussen het Vlaamse Gewest en de federale overheid inzake de injectietarieven. De Vlaamse overtuiging dat zij productie-installaties hiervan kunnen vrijstellen is dus ongegrond. Daarenboven wordt ook de (eerder summiere) analyse die de CREG over deze problematiek maakte (zie ons vorig bericht) bevestigd. Het valt te verwachten dat het Grondwettelijk Hof, indien de CREG of een andere belanghebbende hierom zou verzoeken, het decreet van 23 december 2010 zal vernietigen.

Het Grondwettelijk Hof onderzocht vervolgens, en ambtshalve, of het door de wet bekrachtigde koninklijke besluit geen schending uitmaakt van het Europese recht.

De beide koninklijke besluiten van 2 september 2008 waren, op basis van de procedure van artikel 12nonies van de Elektriciteitswet, voorgesteld door de CREG. De Koning heeft de voorgestelde koninklijke besluiten, blijkbaar op vraag van de CREG, nadien zelf nog gewijzigd. De minister antwoordde hierover in de Kamer: "Pour être plus précis encore, je dois ajouter que les projets d'arrêté royal étaient incomplets sur certains points, voire qu'ils prévoyaient expressis verbis que le choix final devait être opéré par le ministre. La CREG demandait au ministre de faire les choix finaux. Je cite: 'à déterminer ultérieurement par le ministre'. Je sais que cela ne correspond pas à votre conception de la régulation néolibérale, madame Van der Straeten, mais c'est bien ce qui correspond au prescrit légal. Ainsi en était-il du Bêta de la 'regulated asset base' (RAB) et du facteur de productivité." Blijkbaar zijn de voorstellen van de CREG, waaraan de regering volgens de CREG zelf nog verdere invulling moest geven, nadien voorgelegd aan de distributienetbeheerders en, opnieuw, aan de CREG. Vervolgens heeft de ministerraad ze aangenomen. Geconfronteerd met de door de Koning gewijzigde voorstellen van de CREG, had de Raad van State al opgemerkt "dat het niet aan de Koning toekomt om een tariefvoorstel van de regulator te wijzigen".

Omdat het Hof van Beroep van Brussel de koninklijke besluiten op basis van artikel 159 Grondwet in 2009 onwettig achtte, en de toepassing ervan dan ook schorste, nam de regering, hierin gevolgd door de Kamer, het initiatief om die koninklijke besluiten bij wet te bekrachtigen. Dit gebeurde door de wet van 15 december 2009.

Het Grondwettelijk Hof verwijst in zijn arrest naar bepalingen uit de tweede en de derde Elektriciteitsrichtlijn, die voorschrijven dat de onafhankelijke regulator de tariefmethodologie of de tarieven vaststelt of goedkeurt. Stelt hij een tariefmethodologie vast of keurt hij die goed dan moet hij nadien ook beoordelen of de netbeheerders bij het vaststellen van de tarieven die methodologie correct toegepast hebben (zie T. VANDEN BORRE, "De omzetting van de bepalingen inzake de onafhankelijke energieregulator", in K. DEKETELAERE en B. DELVAUX (eds.), Jaarboek Energierecht 2010, Antwerpen, Intersentia, 2011, p. 123).

Ingevolge artikel 37 van de Derde Elektriciteitsrichtlijn (vergelijk met artikel 41 Derde Aardgasrichtlijn) stelt het Hof dat "het niet langer mogelijk is dat de Koning, op voorstel van de CREG, de distributietarieven vastlegt, aangezien die bevoegdheid thans exclusief aan de CREG toekomt". Daarom zijn de bekrachtigde koninklijk besluiten hiermee en met de vroegere bepalingen van de Tweede Elektriciteitsrichtlijn in strijd.

Het Hof besluit:

"B.9.6. De wetgevende bekrachtiging van een koninklijk besluit dat met het recht van de Europese Unie in strijd is, dekt dat gebrek niet. Bijgevolg schendt de bestreden bepaling, zoals de Raad van State reeds heeft opgemerkt (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2191/001, pp. 14-15), artikel 23, leden 2 en 3, van de Tweede Elektriciteitsrichtlijn, in zoverre de bekrachtiging betrekking heeft op de artikelen 9 tot 14 van het bekrachtigde koninklijk besluit."

Met de vernietiging van de bekrachtigingswet komen de belangrijkste bepalingen voor het vaststellen van de distributienettarieven voor elektriciteit te vervallen. Hetzelfde geldt, hoewel de onderliggende bepalingen niet vernietigd zijn, mutatis mutandis, voor de distributienettarieven voor aardgas. Dit betekent, op het eerste zicht, dat alle tarieven die de CREG goedkeurde op basis van de artikelen 9 tot 14 van de koninklijke besluiten van 2 september 2008 evenmin nog een rechtsbasis hebben. Extreem beschouwd zijn de distributienettarieven die de afgelopen tweeënhalf jaar via de leveranciers zijn aangerekend aan de eindafnemers dus onverschuldigd. Er bestond hiervoor nooit een rechtsbasis. Enigszins wrang is dat het ambtshalve onderzoek door het Grondwettelijk Hof er gekomen is op instigatie van de CREG, die eerder zelf aan de minister vroeg om een aantal zaken in hun initieel voorstel verder uit te werken.

Het lijkt er sterk op dat alle betrokken actoren zelfs niet meer kunnen oogsten wat ze gezaaid hebben. Door de overjuridisering van een essentiële discussie (de tarieven voor het gebruik van het distributienet voor alle eindafnemers en leveranciers) kan men door het bos de bomen niet meer zien. Dat bos zal nu dringend volledig met de grond gelijk gemaakt moeten worden.
Share/Bookmark

"De vrijheid sterft met de gloeilamp"

Mijn presentatie over energie-efficiëntie voor de studiedag rond het Jaarboek Energierecht 2010 vindt u hieronder



Share/Bookmark

vrijdag 6 mei 2011

Presentatie OVED-studienamiddag over energiewetgeving in 2010-2011

Volgende presentatie gaf ik op de OVED-studienamiddag van 5 mei 2011.


Share/Bookmark

De CREG en administratieve geldboetes

Eerder dit jaar raakte bekend dat de CREG aan Electrabel een 'boete' (een administratieve geldboete) had opgelegd van 100.000 EUR per dag dat de energiegigant niet de door de regulator gevraagde informatie zou bezorgen.

Vorige maand sprak de Raad van State zich uit over een eerdere administratieve geldboete die de CREG in 2004 had opgelegd aan de stad Waver, distributienetbeheerder in die stad. Ook de stad had nagelaten aan de CREG de gevraagde informatie te bezorgen.

In zijn arrest beoordeelt de Raad van State twee middelen die door de stad Waver waren ingeroepen als gegrond.

Het eerste middel had betrekking op het feit dat andere personen de stad Waver gehoord hadden dan de personen die de beslissing namen om de adminstratieve geldboete op te leggen.

De Raad van State verwijst naar artikel 779 Gerechtelijk Wetboek, dat stelt dat een vonnis kan enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters, die op straffe van nietigheid alle zittingen over de zaak moeten bijgewoond hebben. Het feit dat de CREG een administratieve overheid en geen rechtbank is, ontslaat haar volgens de Raad niet van het naleven van het 'fundamentele principe' dat in artikel 779 Ger.W. vertaald is. Ook bij het opleggen van administratieve geldboetes moet de persoon gehoord worden. Zulke hoorzitting is volgens de Raad van State maar effectief als het dezelfde personen zijn die op de hoorzitting aanwezig waren en die nadien de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete nemen. De vrijheid van de CREG om zelf haar inrichting te regelen en het feit dat het directiecomité van de CREG haar beslissingen collegiaal neemt, mag geen reden zijn om afbreuk te doen aan het principe verwoord in artikel 779 Ger.W.

In een tweede middel laakte de stad Waver dat de CREG een administratieve geldboete als dwangsom had opgelegd, waarvan het totaal weliswaar beperkt werd tot 3% van de jaaromzet van de stad Waver inzake distributienetbeheer. De stad meende dat de CREG weliswaar een administratieve geldboete kon opleggen, maar dat die geldboete exact berekend moest zijn en niet mocht afhangen van het feit wanneer de stad zich al dan niet zou conformeren met de beslissing van de CREG.

De Raad van State stelt duidelijk dat een administratieve geldboete een voorbije gedraging moet sanctioneren en niet een toekomstige: "qu'une sanction ne peut jamais réprimer qu'un comportement passé, et non un comportement futur, qui est nécessairement incertain". Artikel 31 van de Elektriciteitswet, dat bepaalt dat de geldboete wordt opgelegd per kalenderdag, verwijst volgens de Raad van State naar "le nombre de jours où une infraction a été commise, arrêté au jour où l'autorité qui prononce la sanction statue".

De beslissing van de CREG om aan Electrabel een administratieve geldboete, als 'dwangsom', op te leggen is aangevochten voor het hof van beroep van Brussel. De Raad van State is al enige tijd niet meer bevoegd om beslissingen van de CREG te toetsen. Die beslissing is ook niet bekend, waardoor het moeilijk is om een getrouwe parallel te trekken. De teneur van het arrest van de Raad van State is nochtans duidelijk. Electrabel zou voor hem waarschijnlijk gelijk halen. Of ook het Hof van Beroep de algemene principes die de Raad aanhaalt gaat toepassen in de energiesector is nog onbekend.
Share/Bookmark