Volgens Ingrid Opdebeeck (Beginselen van behoorlijk bestuur) kan het beginsel van behoorlijk bestuur van hoorplicht een aanvullende rol spelen bij de invulling van die hoorplicht. De precieze draagwijdte van de hoorplicht moet immers in concreto beoordeeld worden. De modaliteiten daarvoor kunnen afgeleid worden uit de rechtspraak van de Raad van State en hebben o.a. betrekking op de uitnodiging, de voorafgaande mededeling van de feiten, maar ook de voorafgaande mededeling van de voorgenomen beslissing, inzage van het dossier ... Alleszins zullen tijdens de beschreven procedures in de Elektricteits- en Gaswet deze modaliteiten best gerespecteerd worden.
woensdag 4 april 2012
Nieuwe versie prijsregulering: overzicht en sancties
Volgens Ingrid Opdebeeck (Beginselen van behoorlijk bestuur) kan het beginsel van behoorlijk bestuur van hoorplicht een aanvullende rol spelen bij de invulling van die hoorplicht. De precieze draagwijdte van de hoorplicht moet immers in concreto beoordeeld worden. De modaliteiten daarvoor kunnen afgeleid worden uit de rechtspraak van de Raad van State en hebben o.a. betrekking op de uitnodiging, de voorafgaande mededeling van de feiten, maar ook de voorafgaande mededeling van de voorgenomen beslissing, inzage van het dossier ... Alleszins zullen tijdens de beschreven procedures in de Elektricteits- en Gaswet deze modaliteiten best gerespecteerd worden.
donderdag 8 maart 2012
Prijsregulering (bis): het vergeten artikel 23ter elektriciteitswet en 15/14ter Gaswet
Op 1 maart besliste de federale regering in eerste lezing om vanaf 1 april 2012 de opwaartse indexering van variabele tariefformules voor elektriciteit en gas te beperken. Een opwaartse indexering mag slechts doorgerekend worden aan de huishoudelijke klant en KMO voor zover die niet hoger is dan de referentiewaarde van april. Dit betekent dat elke leverancier een maximumprijs dient te respecteren voor elk variabel product dat hij verkoopt, die wordt bepaald aan de hand van de waarde van de parameters van april.
Ondertussen zal de Koning, op voorstel van de CREG, een exhaustieve lijst publiceren met toegelaten criteria voor de uitwerking van indexeringsparameters. De wetgever wil hiermee bereiken dat de parameters beantwoorden aan transparante, objectieve en niet-discriminatoire criteria die de werkelijke toeleveringskosten dekt.
De eerste voorstellen inzake prijsregulering werden ondertussen meer dan een jaar gelanceerd naar aanleiding van het interprofessioneel akkoord. Pas op 8 januari 2012 zijn die (herwerkte) voorstellen wet geworden. Nu twee maanden later zullen ze al gewijzigd worden.
Vandaag bepaalt de wet dat alle variabele contracttypen moeten aangemeld worden aan de CREG. De variabele energieprijs kan slechts 4 keer op een jaar geïndexeerd worden. Na elke indexering gaat de CREG, na advies van de Nationale Bank, na of de indexeringsformule correct werd toegepast. Daarnaast moet elke prijsverhoging die niet het gevolg is van een indexering, of die niet het gevolg is van een beslissing van een overheid, regulator, netbeheerder gemotiveerd aangemeld worden aan de CREG. Pas na goedkeuring van de CREG, dit na advies van de Nationale Bank, mag de prijsverhoging toegepast worden. Is de CREG van oordeel dat de verhoging niet gerechtvaardigd is, zal zij onderhandelen met de leverancier over het niveau van de variabele prijs. Leidt deze onderhandeling niet tot een akkoord kan de CREG alsnog de prijsverhoging verwerpen.
De hele regeling wordt geëvalueerd eind 2014 met het oog op opheffing of verderzetting voor een nieuwe periode van 3 jaar. Het is deze regeling die nu, nog voor de inwerkingtreding, gewijzigd wordt door het algemeen verbod gedurende 9 maanden een opwaartse indexering door te rekenen.
Zoals we reeds vorig jaar schreven is prijsregulering slechts mogelijk onder strikte voorwaarden. Deze voorwaarden werden door het Hof van Justitie vastgelegd in het arrest Federutility van 20 april 2010, met name:
- de interventie moet gerechtvaardigd zijn wegens een algemeen economisch belang,
- ze moet evenredig zijn,
- ze moet duidelijk gedefinieerd zijn, transparant, niet-discriminerend en controleerbaar zijn en de gelijke toegang bedrijven tot de consument moet gewaarborgd worden.
Het algemeen economisch belang wordt door het Hof uitgelegd aan de hand van de considerans van de 2de Gasrichtlijn dat de levering van gas aan huishoudelijke klanten en KMO's moet gebeuren aan redelijke prijzen. Dezelfde considerans is terug te vinden in de 3de Gas- en Elektriciteitsrichtlijn. Het Hof benadrukt echter dat de doelstellingen van de vrijmaking van de markt en de bescherming van de consument met elkaar dienen verzoend te worden.
In de Elektriciteits- en Gaswet wordt bepaald dat de prijzen op een objectief verantwoorde wijze in verhouding moeten staan tot de kosten van een bedrijf. Deze verhouding wordt door de CREG beoordeeld, onder andere door de kosten en de prijzen van een bedrijf te vergelijken met de kosten en prijzen van vergelijkbare bedrijven, indien mogelijk ook op internationaal niveau. Zou de CREG vaststellen dat die objectief verantwoorde verhouding niet bestaat, maakt zij op eigen initiatief een rapport over aan de minister met haar bevindingen een maatregelen die ze aanbeveelt. Dit rapport wordt ook overgemaakt aan de Raad voor de Mededinging. In geval van discriminatoire prijzen en/of voorwaarden kan de Koning dringende maatregelen bepalen die de CREG toegelaten wordt te nemen. Wat betreft de prijzen kan de CREG adviezen formuleren en elke maatregel voorstellen die van toepassing is op de elektriciteits- en gasbedrijven actief in België.
Deze bevoegdheden voor de CREG zijn opgenomen in de Elektriciteits- en Gaswet sinds 2008. Daarbij was het de wil van de wetgever om de monitoring op het commodity gedeelte van de energieprijs te versterken, gekoppeld aan de uitbreiding van de onderzoeksbevoegdheden van de CREG. Deze bevoegdheden werden later nog versterkt door de CREG de bevoegdheid te geven van inspecteurs van gerechtelijke politie.
In de parlementaire bespreking benadrukte de minister dat de CREG in staat werd gesteld om informatie in te winnen in het begin van de supply keten. Meer specifiek over de beoordeling van de kosten zei de minister 3 zaken:
Wat de kosten betreft, zal de informatie die nodig is om zich een beeld te vormen van de logica achter de prijsvorming, uit de boekhouding van de producenten moeten komen. Bij de evaluatie van de al dan niet redelijke verhouding tussen de kosten en de prijs wordt rekening gehouden met de noodzaak aan toekomstige investeringen.
(...)
Wat voorts de evaluatie van de al dan niet redelijke verhouding tussen de prijs en de kosten betreft, wordt rekening gehouden met vergelijkingen tussen gelijkaardige producenten.
(...)
De CREG zal de techniek van Europese benchmarking gebruiken en daarbij preciseren wat de juiste nadere regels zijn om de redelijke verhouding tussen prijzen en kosten te bepalen.
Voor zover kan nagegaan worden lijkt het erop dat deze bepalingen, die sinds 2008 al opgenomen zijn in de wet, niet geleid hebben tot formele onderzoeken of formele interventies in de prijsvorming op voorstel van de CREG naar aanleiding van een vastgestelde afwezigheid van de objectief verantwoorde verhouding tussen de kosten en de prijzen. Ondertussen is de CREG van oordeel dat deze regeling problematisch geworden is naar aanleiding van de invoering van het vangnet, omdat de CREG in beide gevallen een beoordeling moet maken van de prijzen van de leveranciers.
Toch lijken beide regelingen niet per definitie contradictorisch. Immers, de vangnetregulering beoogt alleen variabele contracten. In het kader van de vangnetregelering heeft de CREG enkel de bevoegdheid om indexeringen te controleren op basis van de juiste toepassing van de formule. Prijsverhogingen buiten indexering moeten ex ante voorgelegd worden. Dit impliceert dat alsnog de CREG op grond van de Elektricteits- en Gaswet de mogelijkheid zou hebben om de objectieve verhouding vast te stellen tussen kosten en prijzen. Immers, alleen de prijsverhogingen buiten indexering om, en gedurende de looptijd van het contract worden in de vangnetregulering beoogd.
Bovendien, in het kader van de vangnetregulering, wordt aan de CREG ook opgelegd om de prijsverhoging te beoordelen aan de hand van objectieve parameters, onder andere op basis van een permanente vergelijking van de energiecomponent voor de levering van elektriciteit en aardgas aan huishoudelijke afnemers en KMO's met het gemiddelde van de energiecomponent in de zone Noord-West Europa. Wat bepaald is in de vangnetregulering kan beschouwd worden als een nadere precisering van het begrip "redelijke prijzen" of van wat begrepen moet worden onder een "objectieve verhouding tussen prijzen en kosten".
Het voorstel van de regering om indexeringen gedurende 9 maanden te bevriezen volgt op de prijzenstudie van de CREG van eind januari 2012. Op grond hiervan lijkt de regering vast te stellen dat er geen redelijke prijzen zouden gehanteerd worden in België, omdat de prijzen hoger zijn in België dan in de buurlanden.
Doorheen de studie komen hier diverse eventuele verklaringen voor naar voor. Dit kan volgens de CREG te maken hebben met het gebruik van oude indexatieparameters gelinkt met de prijs van aardolie die volgens haar niet meer relevant zijn en onduidelijkheid over de vaste vergoeding. Ook stelt de CREG vast dat de spelers die beschikken over afgeschreven nucleaire centrales grotere marges realiseren.
Het is echter onduidelijk in de redenering van de regering, en ook in de studie van de CREG, of er effectief een afwezigheid is van objectieve verhouding tussen kosten en prijzen, en of dit geldt voor alle variabele producten vandaag in de markt (omdat alleen de variabele producten geviseerd worden).
In het kader van Federutility benadrukte het Hof dat de doelstellingen van de vrijgemaakte markt en de bescherming van de consument met elkaar dienen verzoend te worden. Een prijsinterventie is mogelijk, maar zonder dat dit de marktwerking al te veel zou belemmeren. De regering bepaalt een escape clausule waarbij de regeling kan opgeheven worden in geval van perverse effecten of in geval van overmacht door onvoorzienbare, externe en onweerstaanbare omstandigheden. Dit belet niet dat zij voorafgaandelijk de impact op de marktwerking kan nagaan. Bovendien geven noch de regering noch de CREG aan waarom de bestaande bepalingen in Gas- en Elektriciteitswet niet afdoende zouden zijn om de geviseerde formules en prijzen onder de loep te nemen.
Het zou best kunnen dat leveranciers prijzen hanteren die in verhouding staan tot hun kosten (of niet). Door een productspecifieke maximumprijs op te leggen zou dit dus even goed kunnen resulteren in een onredelijke prijs.
Mede naar aanleiding van talrijke studies van de CREG is de Elektriciteits- en Gaswet versterkt op vlak van toezicht op de prijzen. Het is spijtig te moeten vaststellen dat dit niet benut wordt om vast te stellen of het nodig is om in te grijpen en op welke manier.
Prijsregulering (bis): het vergeten artikel 23ter elektriciteitswet en 15/14ter Gaswet
zaterdag 25 februari 2012
Tinne bij Trio op Klara
Tinne Van der Straeten was vanmiddag, samen met Johan Albrecht (UGent) te gast bij Trio op Klara. De uitzending is hier te herbeluisteren.
Tinne bij Trio op Klara
woensdag 15 februari 2012
Over de bevriezing van de energieprijzen
Tinne Van der Straeten gaf aan Knack een aantal bedenkingen bij de voorgestelde bevriezing van de energieprijzen.
Over de bevriezing van de energieprijzen
woensdag 11 januari 2012
Nieuwe vermeldingen op voorschot- en afrekeningsfacturen
Vandaag verscheen in het Belgisch Staatsblad de wet van 8 januari 2012 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen. Met die wet zet ook de federale wetgever de Derde Elektriciteits- en Gasrichtlijnen om. De wet bevat heel wat nieuwe bepalingen, die elk op zich het verdienen om uitgebreid besproken te worden. Dit zullen we, als de tijd het ons toelaat, in de komende maanden proberen te doen.
In ons bericht van vorige week over de groepsaankopen schreven we
De wijzigingswetten van de elektriciteits- en gaswet die het Parlement voor de kerstvakantie goedkeurde verplicht de leveranciers om op alle afrekeningsfacturen, slotfacturen en voorschotfacturen de duurtijd van het contract, de opzegtermijn en de mogelijkheid van stilzwijgende verlenging te vermelden. Bij contracten van onbepaalde duur moet de leverancier op de facturen ook een opzeggingstermijn vermelden. Op die manier weten ook de slapende klanten dat er een mogelijkheid bestaat om een andere leverancier te kiezen.Deze verplichting is opgenomen in artikel 105 van de wet van 8 januari 2012.
Het artikel bepaalt meer volledig dat de leveranciers op alle afrekeningsfacturen, slotfacturen en voorschotfacturen die aan de eindafnemers worden gericht voor de levering van elektriciteit of gas ten minste de volgende gegevens moeten opnemen:
- naam en adres van de energieleverancier en de e-mail, de naam, het telefoonnummer en het faxnummer van de klantendienst
- adres, telefoonnummer en faxnummer van de ombudsdienst voor energie
- het (elektronisch) adres dat moet worden gebruikt voor alle briefwisseling
- de facturatieperiode
- de gefactureerde bedragen
- het EAN-nummer
- het tarief en bedrag van de btw
- het product of dienst
- de duurtijd, opzegtermijn en desgevallend, minimumduur en aanvangsdatum, einddatum en mogelijkheid van stilzwijgende verlenging
- bij een contract van onbepaalde duur, wordt de opzeggingstermijn evenals de eventuele minimumduur van de overeenkomst vermeld, met vermelding van de aanvangsdatum
- de links naar de webpagina's die een onafhankelijke of officiële prijsvergelijker
Op elke afrekeningsfactuur of slotfactuur die een leverancier aan een eindafnemer stuurt, moet hij daarnaast vermelden:
- het aantal verbruikte eenheden
- de eenheidsprijs / eenheidsprijzen
- details van de berekening van het verschuldigde bedrag
- het transmissietarief
- het distributietarief
- in voorkomend geval, de einddatum van de beginperiode van het contract
- de heffingen
- de evolutie in de consumptie van de drie voorbije jaren
- de aard van de primaire energiebronnen die gebruikt worden voor de geleverde elektriciteit: hernieuwbare energie, warmtekrachtkoppeling, fossiele brandstoffen, kernenergie of onbekend (maximum 5%)
- de bestaande referentiebronnen, zoals webpagina's, waar informatie over de milieueffecten van de productie van elektriciteit uit alle energiebronnen die de leverancier gedurende het afgelopen jaar heeft gebruikt voor het publiek beschikbaar zijn.
Deze nieuwe verplichtingen zijn er gekomen op basis van een amendement van Willem-Frederik Schiltz (Open VLD) en anderen. Met het amendement beoogde hij "de bescherming van de energieconsument te versterken op het federale niveau met betrekking tot het derde energiepakket" door "de verplichtingen van transparantie en leesbaarheid van de door de leverancier verzonden facturen aan eindafnemers te versterken" waardoor "de eindgebruikers beter kunnen worden geïnformeerd om zo een eenvoudig vergelijken van gegevens te bewerkstelligen". Bemerk dat de verplichtingen gelden ten aanzien van alle leveranciers die leveren aan elke categorie van afnemers (van zeer grote tot huishoudelijke).
Het opzet van het artikel 105 is dus zeer lovenswaardig.
Het amendement, zoals dat goedgekeurd is in de kamercommissie bedrijfsleven, bevatte ook een aanhef: "Een hoofdstuk 3/1 invoegen met als opschrift “Facturen aan de klant” dat een artikel 105/1 bevat, luidende:". Die aanhef is om onverklaarbare redenen weggevallen in de uiteindelijk door de plenaire vergadering goedgekeurde, door de Koning ondertekende en uiteindelijk gepubliceerde tekst. Daardoor zweeft het artikel 105 als een autonome bepaling, die geen deel uitmaakt van de (gewijzigde) Elektriciteits- of Gaswet. Het niet vermelden van de door artikel 105 opgelegde informatie heeft dus geen enkel gevolg. Het artikel bevat immers geen eigen sancties. Daarnaast kan het autonome karakter van die bepaling aanleiding geven tot interpretatieproblemen. Zo is niet duidelijk wat een 'energieleverancier' nu juist zou moeten zijn. Men zou kunnen argumenteren dat ook voor de levering van andere vormen van energie (steenkool, olie, ...) deze informatie moet meegedeeld worden.
Uiteraard is de bedoeling van de wetgever duidelijk. Kan hij nu ook zo snel mogelijk aangeven, in een nieuwe wet, wat de plaats is van artikel 105 van de wet van 8 januari 2012 in de Elektriciteits- en Gaswetten.
Nieuwe vermeldingen op voorschot- en afrekeningsfacturen
vrijdag 6 januari 2012
Groepsaankopen in een ander perspectief
De groepsaankoop voor elektriciteit en aardgas die de provincie Antwerpen organiseerde was een succes. 20.000 gezinnen konden een nieuwe leveringsovereenkomst afsluiten met een prijs die voor aardgas 30% onder de gangbare marktprijs zou liggen. De prijzen die de kleinere nieuwe leveranciers aanboden waren zo laag, dat de gezinnen zelfs minder zouden betalen dan het sociaal tarief. Opvallend is daarnaast dat de grote leveranciers EDF Luminus en Electrabel niet deelnamen. De editorialist van De Standaard plaatste ook de kanttekening dat het misschien geen kerntaak is voor een overheid om die groepsaankopen te faciliteren. Volgens hem wijst het slagen ervan op een opportuniteit voor het maatschappelijke middenveld.
Het sociaal tarief is het laagste tarief van alle laagste tarieven die de leveranciers aanbieden binnen het werkingsgebied van een distributienetbeheerder met de laagste kosten. De federale regulator CREG berekent dit tarief. De energiebijdrage (een accijns) moet niet betaald worden. Bovenop het sociaal tarief gelden wel nog de federale bijdragen en andere toeslagen. Het sociaal tarief moet vervolgens door elke leverancier gehanteerd worden voor alle afnemers in België die hierop recht hebben.
Een vergelijking tussen het sociaal tarief en de prijs die de groepsaankoop opleverde, lijkt men dus niet te kunnen maken. Het sociaal tarief is all-in: naast de productprijs van de energie zijn er ook de nettarieven in begrepen. De prijs van de groepsaankoop geldt daarentegen enkel voor het product elektriciteit of aardgas. Die productprijs bedraagt bij aardgas ongeveer de helft van de totale kost voor de consument. De afnemers moeten immers ook nog de energiebijdrage en het (distributie)nettarief betalen. Afhankelijk van de plaats waar de afnemers wonen betalen ze een ander distributienettarief. In de provincie Antwerpen zijn er zeven verschillende distributienetbeheerders, elk met eigen tarieven.
De provincie had naar eigen zeggen weinig problemen om deelnemende leveranciers te vinden. Volgens de bevoegde gedeputeerde was de schaal van de groepsaankoop ideaal om de kleinere leveranciers toe te laten om te bieden. Voor nieuwe leveranciers is de groepsaankoop inderdaad een interessante manier om voor een zeer lage prijs een zeer grote groep van nieuwe klanten te kunnen werven. Of het systeem leefbaar is op lange termijn is volgens de gedeputeerde een 'probleem voor de leveranciers'.
Nochtans lijkt het ook een interessante vraag te zijn voor de promotoren van dit soort van groepsaankopen. Hoe groter de portfolio van de leverancier, hoe minder hij geneigd is om stuntprijzen aan te bieden. Het kan immers best zijn dat er bij de geïnteresseerden al klanten zitten die misnoegd zouden kunnen zijn indien blijkt dat zij 'te veel' betaalden. Daarnaast is het doelpubliek van de groepsaankoop voor de grootste leveranciers niet zo interessant. De deelnemende gezinnen zijn waarschijnlijk al tamelijk prijsbewust en zouden, zelfs zonder de groepsaankoop, gemakkelijk hun weg weten te vinden naar de prijsvergelijkingen van de V-Test van de VREG. Een grote groep slapende klanten, die al jarenlang geen gebruik maken van de voordelen van een geliberaliseerde markt, wordt ook door groepsaankopen niet gewekt. Jaar na jaar wordt hun contract, als ze er al één hebben, stilzwijgend verlengd.
De provincie Antwerpen stak in de groepsaankoop veel werk en tijd. Misschien is het nuttiger om die te steken in een grootschalige sensibilisatie van de slapende klanten. De wijzigingswetten van de elektriciteits- en gaswet die het Parlement voor de kerstvakantie goedkeurde verplicht de leveranciers om op alle afrekeningsfacturen, slotfacturen en voorschotfacturen de duurtijd van het contract, de opzegtermijn en de mogelijkheid van stilzwijgende verlenging te vermelden. Bij contracten van onbepaalde duur moet de leverancier op de facturen ook een opzeggingstermijn vermelden. Op die manier weten ook de slapende klanten dat er een mogelijkheid bestaat om een andere leverancier te kiezen. Met een sensibiliserend steuntje in de rug zouden ze misschien wel de stap zetten. Laat de groepsaankopen dan maar aan het middenveld.
Groepsaankopen in een ander perspectief
zondag 1 januari 2012
woensdag 7 december 2011
Stimulerend prikje voor de wet op de onbenutte sites
In de begroting 2011 werd nul euro ontvangsten ingeschreven voor de heffing op de onbenutte sites (op basis van de wet van 8 december 2006 tot vaststelling van een heffing ter bestrijding van het niet benutten van een site voor de productie van elektriciteit door een producent). Toch lijkt ook de vorige minister van energie nog te geloven in inkomsten uit die wet. In het Belgisch Staatsblad van vandaag verscheen het "ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 18 december 2006 tot aanduiding van de ambtenaar die belast is met de uitvoering van de wet van 8 december 2006 tot vaststelling van een heffing ter bestrijding van het niet benutten van een site voor de productie van elektriciteit door een producent". Worden, op basis van dit ministerieel besluit, aangeduid als ambtenaar van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, belast met de uitvoering van de wet van 8 december 2006: de heer Claude Adams, adviseur, en de dames Marie Novak, attaché, en Nancy Mahieu, attaché.
Stimulerend prikje voor de wet op de onbenutte sites
dinsdag 6 december 2011
Bezwaar bij de CREG tegen tarifaire beslissingen
Eind november 2011 publiceerde de CREG haar besluiten tot vaststelling van voorlopige methoden voor het berekenen en vastleggen van de tarifaire voorwaarden inzake de aansluiting op en toegang tot het transmissienet, enerzijds, en het aardgasvervoersnet, de opslaginstallaties en de LNG-installatie, anderzijds.
De CREG nam deze besluiten omdat de federale wetgever het Derde Energiepakket nog steeds niet omgezet heeft (al zou dat niet lang meer op zich laten wachten). In dit Derde Energiepakket vindt de CREG ook voldoende rechtsgrond om zelf zulk besluit te kunnen nemen, zonder federaal wettelijk kader.
In de besluiten werkt de CREG ook een eigen bezwaarregeling uit. Benadeelde partijen “die gerechtigd zijn om bezwaar te maken tegen de door de commissie goedgekeurde tarieven” kunnen bezwaar indienen bij de CREG. Zulk bezwaar heeft geen schorsende werking. Het moet “op straffe van verval” per aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs of door indiening op de zetel van de CREG ingesteld zijn binnen maximaal twee maanden na de publicatie op de website van de CREG van de beslissing. Binnen de twee maanden na ontvangst van het bezwaar, neemt de CREG hierover een beslissing.
Deze regeling is een letterlijke overname van de bepalingen uit de Derde Elektriciteits- en Gasrichtlijnen. Dit was ook het antwoord dat de CREG gaf op de opmerkingen van Elia en Gabe. De CREG stipte aan dat “het diezelfde Richtlijn [is] die de regulator (in casu de CREG) aanduidt als geschillen-beslechtingsinstantie.”
De bezwaarprocedure die de CREG uitwerkte lijkt een georganiseerd willig beroep te zijn. De procedure is 'willig'. De benadeelde partij moet immers de bezwaarprocedure niet volgen; hij mag en kan ze instellen. Het bezwaar wordt ook gericht tot hetzelfde orgaan, het directiecomité van de CREG, dat de initiële beslissing genomen heeft. Volgens Mast e.a. kan “de mogelijkheid om het bestuursorgaan dat een beslissing heeft genomen om een herziening van de initiële beslissing te verzoeken, met een algemeen rechtsbeginsel worden gelijkgesteld”. Zoals andere algemene rechtsbeginselen, geldt ook dit beginsel “zonder dat enige normatieve tekst daarin voorziet”. Hier voorziet een normatieve tekst wel in de bezwaarprocedure en zet die tekst ook de voorwaarden uiteen. In die zin is de procedure ook 'georganiseerd'.
De bezwaarprocedure is niet schorsend en niet verplicht. De beroepsprocedure die de Elektriciteits- en Gaswetten voorschrijven tegen beslissingen van de CREG zijn evenmin schorsend, maar wel verplicht. Elke belanghebbende kan een procedure zoals in kort geding inleiden bij het Hof van Beroep van Brussel binnen de dertig dagen nadat de beslissing hem betekend is, gepubliceerd is of hem ter kennis is gebracht.
Het starten van de bezwaarprocedure, waarvoor men twee maanden de tijd heeft, wijzigt niets aan de wettelijk voorgeschreven beroepsprocedure. Een voorzichtige belanghebbende zal dus eerst een beroep moeten instellen. Of het zinvol is om tegelijkertijd of nadien nog een bezwaarprocedure te starten is twijfelachtig. Het zou trouwens van weinig kiesheid getuigen om als exceptie van onontvankelijkheid op te werpen dat de verzoekende partij voor het hof van beroep niet eerst de bezwaarprocedure heeft ingesteld. Die bezwaarprocedure lijkt dan ook weinig zin te hebben. Mast e.a. werpen fijntjes op dat “het willig beroepsorgaan immers niet vlug geneigd zal zijn om op een eerder genomen beslissing terug te komen, tenzij belangrijke nieuwe gegevens worden aangedragen of manifeste fouten worden aangetoond”. Regelgeving behoort enige (economische en procedurele) zin te hebben.
Overigens blijkt uit de Richtlijnen dat niet de CREG aangeduid wordt als 'geschillen-beslechtingsinstantie', maar wel “een instantie die onafhankelijk is van de betrokken partijen en van regeringen” (artikel 37.17 Elektriciteitsrichtlijn en artikel 41.17 Gasrichtlijn).
Bezwaar bij de CREG tegen tarifaire beslissingen
maandag 5 december 2011
Dakisolatie en groenestroomcertificaten
De groenestroomcertificaten voor de elektriciteit geproduceerd door PV-installaties die geplaatst zijn op woongebouwen die onvoldoende geïsoleerd zijn, komen niet in aanmerking voor de decretale minimumprijs die de distributienetbeheerder moet betalen voor zulke certificaten (zie hierover ons vorig bericht).
Vlaams volksvertegenwoordiger Marc Hendrickx stelde aan minister Van den Bossche een schriftelijke vraag over de manier waarop controleurs van de VREG of van de distributienetbeheerder kunnen nagaan of een woning voldoende geïsoleerd is. Meer in het bijzonder wou hij vernemen of de controleurs moesten of mochten overgaan tot een 'destructief onderzoek' in woningen waarvan de dakisolatie volledig verstopt was achter plafondbedekking.
Minister Van den Bossche antwoordde dat de energiedeskundige ter plaatse een visuele inspectie moet uitvoeren, maar geenszins verplicht is om een destructief onderzoek te doen. Als de energiedeskundige niet visueel kan vaststellen of er isolatie aanwezig is, dan zijn er drie mogelijkheden:
- Hij of zij beschikt over informatie met betrekking tot de geplaatste isolatie via bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld facturen;
- Hij of zij beschikt niet over bewijsstukken, maar kan aan de hand van het (ver)bouwjaar van de woning inschatten of een woning zou geïsoleerd kunnen zijn en in welke mate;
- Hij of zij krijgt van de eigenaar uitdrukkelijk toestemming om destructief onderzoek uit te voeren.
Dakisolatie en groenestroomcertificaten

