6. Transitie van onze economie naar een duurzaam groeimodel
De regering wil dat België zich bij de groep van de Europese pioniers aansluit bij de transitie naar nieuwe vormen van duurzame economische productie en consumptie.
Drastische vermindering van het verbruik van natuurlijke hulpbronnen en energie (vooral van fossiele brandstoffen) is niet alleen essentieel voor het behoud van het milieu, maar moet ook de concurrentiepositie van onze bedrijven versterken en banen creëren.
Onverminderd de bevoegdheden van de deelstaten zal België tijdens de internationale onderhandelingen een ambitieus standpunt innemen om een bindend wereldwijd klimaatakkoord te bereiken dat de stijging van de mondiale temperatuur tot een maximum van 2°C beperkt.
De federale regering zal met de gewesten onderhandelen om het standpunt van België tegenover de Europese en internationale instellingen te bepalen. De regering zal met kracht pleiten, zowel bij de gewesten als op internationaal vlak, voor een reductiedoelstelling op EU-niveau van 30% van de uitstoot van broeikasgassen in 2020 en van 80 tot 95% in 2050 ten opzichte van 1990.
Een snelle en objectieve verdeling van de te leveren inspanningen en van de inkomsten uit de veiling van de C02-quota wordt voorbereid in de schoot van de Nationale Klimaatcommissie.
Onverminderd de bevoegdheden van de Gewesten met betrekking tot de tweede verbintenissenperiode van Kyoto, zal België op Europees niveau pleiten voor een verbetering van het ETS systeem (European Union Emissions Trading System) om de windfall profits te vermijden.
De regering zal werkzaamheden ondersteunen om relevante indicatoren te ontwikkelen in aanvulling op het BBP. Deze nieuwe indicatoren zouden menselijke ontwikkeling in al haar aspecten beter moeten kunnen meten.
In het licht van de Conferentie Rio+20 zal de federale regering de Gewesten uitnodigen om samen een nationale strategie voor duurzame ontwikkeling uit te werken. Deze zal een langetermijnvisie omvatten, zoals de wet van 5 mei 1997 vooropstelt.
Energiebesparende investeringen zullen niet kunnen leiden tot een verhoging van het kadastraal inkomen.
6.1. De overheid als motor voor een duurzame transitie
De federale overheid zal de investeringen in energiebesparingen in federale overheidsgebouwen maximaliseren en rationaliseren en de mobiliteitsplannen voor ambtenaren optimaliseren.
Het gebruik van sociale en ecologische clausules zal verder versterkt worden bij alle overheidsopdrachten overheidsmiddelen en bij het beheer van
Voor producten die op de markt worden gebracht en waarvoor nog geen Europese normen bestaan zullen ambitieuze normen worden opgesteld in nauwe samenwerking met de betrokken sectoren en de wetenschappelijke wereld. Die producten zullen aan hoge standaarden inzake milieu-, sociale en gezondheidszorg moeten voldoen, terWijl ze voor iedereen betaalbaar blijven.
De regering zal er bij de EU voor pleiten om de etikettering van producten te uniformiseren zodat ze gestandaardiseerde informatie bevatten over hun levenscyclus, hun herstelbaarheid, hun levensduur en de sociale omstandigheden waarin ze geproduceerd werden.
6.2. Een veilige, duurzame en voor iedereen toegankelijke energie waarborgen
Het is het doel van de regering om de energieprijzen voor zowel particulieren als bedrijven niet hoger te laten liggen dan de gemiddelde prijs in de ons omringende landen om de competitiviteit van de bedrijven en de koopkracht van de burgers te vrijwaren. De federale staat zal daartoe met de Gewesten en de vier regulatoren een gecoördineerd initiatief nemen om alle componenten van de energiekosten (basisprijs, transport- en distributietarieven, diverse taksen en heffingen) te analyseren en zij zal maatregelen nemen om die in toom te houden.
Anderzijds zal de federale regering, binnen haar bevoegdheden, alles in het werk stellen om de globale energiefactuur te beperken.
Ten eerste zal de regering vragen dat de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG) onderzoekt of objectieve factoren het prijsverschil tussen België en de buurlanden rechtvaardigen. Indien het onderzoek van de CREG besluit dat het verschil niet gerechtvaardigd is, zal zij de regering een tijdelijke maximumprijs voorstellen, die de Belgische prijzen tot het gemiddelde van de prijzen in de buurlanden zal terugbrengen, en waarbij de concurrentie moet blijven spelen.
Ten tweede zal de CREG via de omzetting van het Derde Energiepakket van de EU, in haar onafhankelijkheid en rol met betrekking tot het waarborgen van de marktwerking in overeenstemming met EU-richtlijnen worden versterkt. Het parlement zal de regulator controleren. De in het wetsontwerp tot. omzetting van het Derde Energiepakket bedoelde vangnetmethode zal effectief worden Uitgevoerd. De tariefformules van de variabele contracten zullen aan de CREG medegedeeld worden, en de CREG zal elke wijziging daarvan eerst moeten goedkeuren.
Ten derde zal de regering de nucleaire rente afromen om de concurrentie en de investeringen in de opwekking van elektriciteit te stimuleren en de energieprijzen ten gunste van de gezinnen en de bedrijven onder controle te houden. De regering zal daartoe de repartitiebijdrage verlengen; het bedrag daarvan zal sterk worden verhoogd, op basis van een formule die rekening zal houden met de door de CREG vastgelegde productiekosten en de verkoopprijzen. De geïnde inkomsten zullen onder meer dienen ter ondersteuning van investeringen voor hernieuwbare energie op de Noordzee en voor de energie-efficiëntie van de federale openbare gebouwen.
De regering zal alle maatregelen tot verhoging van de concurrentie op de elektriciteitsmarkt nemen om de koopkracht van de burgers en de competitiviteit van de bedrijven te verbeteren. Daartoe, in samenhang met deze repartitiebijdrage, zal de Regering, conform de Europese regels, rechtsmiddelen onderzoeken, om een deel van de productie van de afgeschreven kerncentrales ter beschikking van de markt te stellen. Deze maatregelen zullen voorlopig zijn en verdwijnen zodra de markt concurrentieel zal geworden zijn.
Ten vierde zal de federale bijdrage herzien moeten worden om haar impact op de eind prijzen te beperken.
Ten Vijfde zal de verandering van leverancier vergemakkelijkt worden. De dienstverlening aan de consumenten, en de leesbaarheid van de gestandardiseerde energiefacturen zullen verbeterd worden.
De bevoorradingszekerheid zal worden gegarandeerd door maximale diversificatie van de bevoorradingsbronnen en door prioriteit te geven aan hernieuwbare energie (wind, waterkracht, zonnepanelen ... ) waarbij discriminerende effecten zullen vermeden worden.
De federale regering engageert zich om hernieuwbare energie te stimuleren op een kostenefficiënte wijze. Op basis van een duurzameontwikkelingseffectbeoordeling en een aanpassing van het bestaande subsidiemodel voor hernieuwbare energie in de Noordzee zal de regering een beslissing nemen over de afbakening van een nieuw gebied voor windenergie in de Noordzee. Verder zal ze verbindingen met de omliggende parken aanmoedigen.
Aan Elia zal ook gevraagd worden een stopcontact voor de windmolenparken op zee te installeren en de tussen interconnectiecapaciteit België en haar buurlanden uit te breiden op een kostenefficiënte wijze.
De regering bevestigt haar wil om de kerncentrales te sluiten, in overeenstemming met de wet van 2003.
De regering zal, onmiddellijk en ten laatste binnen de zes maanden na haar vorming, een uitrustingsplan voor nieuwe productiecapaciteit uit gediversifieerde energiebronnen uitwerken om op een geloofwaardige manier de bevoorradingzekerheid van elektriciteit van het land op korte, middellange en lange termijn te verzekeren.
In dit opzicht, in alle transparantie en met inachtneming van de concurrentieregels, zal de Regering zich verzekeren bij potentiële actoren en investeerders van een daadwerkelijke aansluiting op het net van deze nieuwe productiecapaciteit en dit binnen termijnen die verenigbaar zijn met zowel de sluiting van de kerncentrales als de te verwachten groei van het energieverbruik.
In functie van het tijdspad van aansluiting op het net van deze nieuwe capaciteit zullen de definitieve sluitingsdata van de kerncentrales door de regering worden gepreciseerd.
Dit zogenaamde uitrustingsplan zal worden gemonitord en de regering zal in voorkomend gevalofferteaanvragen uitschrijven. Om de procedures te versnellen, zullen locaties voor nieuwe eenheden in samenwerking met de Gewesten worden geselecteerd, onder andere door de beschikbaarheid van onbenutte sites te onderzoeken.
Beveiliging en veiligheid van kerninstallaties is een absolute prioriteit. Een hoog niveau van bescherming van de werknemers en de veiligheid van alle energie-infrastructuren, in het bijzonder de nucleaire, zal ook verder worden gewaarborgd.
De wetgeving inzake aansprakelijkheid voor nucleaire ongevallen zal worden herzien om de vergoedingsplafonds betaald door de exploitanten van kerninstallaties aan te passen. De staatscontrole bij het beheer van financiële reserves (Synatomfonds) - voor de ontmanteling van de kerncentrales en het beheer van gebruikt splijtstof - zal worden versterkt om de toereikendheid, de beschikbaarheid, de transparantie en een betere spreiding van de leningen te verzekeren. Dit mag geenszins tot gevolg hebben dat deze reserves in begrotingstermen onder de perimeter van de staat worden gebracht.
In het licht van de omzetting van richtlijn 2011/70/ EURATOM zal de regering een normatief kader opstellen om een veilig beheer op lange termijn van de verbruikte brandstof en het radioactief afval mogelijk te maken, en zal ze over dat laatste een principebeslissing nemen.
0&0 over kernfysische methoden in het domein van de medische toepassingen en de radioprotectie zal verder ondersteund blijven in het kader van de volksgezondheid.
vrijdag 2 december 2011
Energiehoofdstuk uit regeerakkoord-Di Rupo I
donderdag 17 november 2011
Nucleair akkoord bis: meer dan alleen geld?
Volgende vrije tribune van Tinne Van der Straeten verscheen op 16 november in de Tijd.
X
Nucleair akkoord bis: meer dan alleen geld?
Het afromen van de nucleaire rente kan onze elektriciteitsfactuur behoeden voor een extra toeslag voor hernieuwbare energie, maar dat valt af te wachten. Ook een betere marktwerking en een prijsplafond zijn evenmin vanzelfsprekend.
Een nucleaire heffing van 550 miljoen, Electrabel die een deel van zijn nucleaire capaciteit op de markt moet brengen om de concurrentie te stimuleren, de federale regulator CREG die een prijsplafond kan opleggen als de elektriciteitsprijzen hoger zijn dan in de buurlanden. Daarover werden de onderhandelaars het principieel eens.
Een nucleaire heffing van 550 miljoen zou worden ingeschreven in de begroting van 2011. Er bestaat een brede consensus dat een groot deel van dat geld zou worden gebruikt om de ondersteuning van offshore wind te financieren. Op die manier wordt de energiefactuur van mensen en gezinnen niet belast met extra toeslagen voor hernieuwbare energie. Uit de begrotingsteksten moet blijken of de onderhandelaars daarvoor inderdaad een speciaal begrotingsfonds willen instellen, dan wel of het grootste deel van de heffing naar de algemene begroting vloeit. Maar omdat de heffing jaarlijks betaald moet worden, lijkt ze terecht losgekoppeld te zijn van het debat over de levensduurverlenging van de kerncentrales.
Toch lost het afromen van de nucleaire rente het probleem van het gebrek aan marktwerking niet op. Daarom is het een goede zaak dat ook flankerende maatregelen aangekondigd worden, waardoor meerdere spelers toegang kunnen krijgen tot de nucleaire capaciteit.
PAX ELECTRICA
In de Pax Electrica I en II werden al schuchtere pogingen ondernomen om de nucleaire productiecapaciteit van Electrabel te verdelen over meerdere spelers. Zo heeft SPE Luminus een beperkt aandeel in de centrales van Doel en Tihange. Daarnaast heeft het normaliter ook een leveringsoverenkomst van lange termijn afgesproken met Electrabel, en kan het die na 10 jaar omzetten in eigendomsrechten in dezelfde centrales. EDF Belgium houdt 50 procent van Tihange 1. En E.ON heeft sinds 2009 770 megawatt aan nucleaire trekkingsrechten.
Als er gekeken wordt naar het (nucleaire) productiepark blijkt dat Electrabel het leeuwendeel van de productiecapaciteit nog steeds in handen heeft en dat er daarnaast slechts een selecte club toegang heeft tot de resterende nucleaire capaciteit. Dat de onderhandelaars beslissen dat de productiecapaciteit veel meer moet opgedeeld worden is dus nobel. Al blijft het gissen wat ze precies voor ogen hebben, en vooral hoe ze die beslissing zullen uitvoeren.
Zo is het onduidelijk hoeveel capaciteit beschikbaar zal zijn. Ten tijde van de Pax Electrica ging men uit van het idee dat andere spelers een significant marktaandeel van minstens 15% moesten kunnen verwerven. Blijft dat het uitgangspunt? Of weet men nu al hoeveel nucleaire capaciteit Electrabel “mag” houden en op hoeveel iedereen voorts een bod mag doen? Of denkt men helemaal anders, en wil men alle nucleaire elektriciteit opkopen aan een bepaalde prijs en doorverkopen met een kleine marge?
ELIA
Een andere onduidelijkheid betreft de centrales zelf. Hebben de onderhandelaars enkel de nucleaire capaciteit voor ogen, of zou de pompcentrale van Coo (eindelijk) ook in het vizier komen? Coo wordt ingezet als piekcentrale en levert op piekmomenten goedkope energie die anders geleverd zou moeten worden door duurdere centrales. Maar Coo is nog steeds 100 procent eigendom van Electrabel. Haar functie overstijgt die van een loutere productiecentrale: ze is belangrijk voor het evenwicht op het elektriciteitsnet.
Netbeheerder Elia pleitte een paar weken geleden voor de bouw van een eigen elektriciteitscentrale. Misschien is het zinvoller dat de regering ervoor zou ijveren dat Elia onder de vorm van trekkingsrechten toegang zou hebben tot de pompcentrale van Coo.
Tot slot willen de onderhandelaars dat de elektriciteitsprijzen in België niet hoger zijn dan die in de ons omringende landen. Dit vond men ook terug in het nucleair protocol van 2009 dat ondertussen in de prullenbak beland is. Die alinea, in het protocolakkoord zo verwoord dat de Belgische prijzen lager moesten zijn dan het gemiddelde van de buurlanden, kon rekenen op kritische vragen van Europa. Waarom moeten de prijzen in België zo nodig lager zijn? Terwijl het om verschillende markten gaat met verschillende productiekosten en een verschillende vraag? En ook: wat zou de impact zijn op investeringen in nieuwe elektriciteitscentrales in België ten opzichte van de buurlanden?
NETTARIEVEN
Het begrenzen van prijzen klinkt goed, maar botst evenzee, maar het botst evenzeer. Het voordeel lijkt een lagere factuur. De nadelen zijn navenant: een negatieve impact op noodzakelijke investeringen in nieuwe productiecapaciteit, een barrière voor broodnodige nieuwkomers, het risico op een hernieuwd bevoordelen van de historische speler.
Aan een goed functionerende markt is een gereguleerde eindprijs vreemd. De politieke overheden zouden beter eerst en vooral werk maken van die goed functionerende markt, en die niet hypothekeren door kortetermijnoplossingen zoals prijsregulering.
Het mag hen ook niet verhinderen te kijken naar dat andere deel van de factuur: de nettarieven, die 40 tot 50% van de eindfactuur uitmaken en waar volgens de federale regulator nog heel wat vet opzit. En natuurlijk de vele belastingen, heffingen en toeslagen waar de overheid evenzeer, of bij uitstek, vat op heeft.
Tinne Van der Straeten is advocaat bij Blixt, een kantoor gespecialiseerd in energierecht.
X
Nucleair akkoord bis: meer dan alleen geld?
woensdag 2 november 2011
Het akkoord om nog niet akkoord te gaan over de kernuitstaap
Naar aanleiding van het deelakkoord dat de federale onderhandelaars bereikten om de uitstap uit de kernenergie, zoals vastgelegd in de wet van 2003, te behouden maar tegelijk ook uit te stellen tot de resultaten van het nieuwe uitrustingsplan bekend zijn, mochten we hierover iets zeggen op radio (Tinne in De Ochtend) en TV (Tim op Kanaal Z).
Het akkoord om nog niet akkoord te gaan over de kernuitstaap
woensdag 26 oktober 2011
Barbara Veranneman vervoegt Essenscia
Onze kantoorgenote Barbara Veranneman heeft de balie spijtig genoeg verlaten. Ze werkt nu definitief bij Essenscia, waar ze voordien al als 'tewerkgestelde advocate' actief was. We wensen haar veel succes en zijn ervan overtuigd dat haar uitmuntende kennis over de energie- en klimaatsector binnen de sectorfederatie van de chemische nijverheid uitstekend tot zijn recht zal komen.
Barbara Veranneman vervoegt Essenscia
donderdag 13 oktober 2011
Steekvlampolitiek
Begin vorige week beschuldigde minister Van den Bossche een groot aantal elektriciteitsleveranciers ervan te 'liegen'. Volgens een studie van de VREG zouden ze aan hun klanten 125 euro aangerekend hebben per groenestroomcertificaat dat ze jaarlijks moeten inleveren, terwijl de werkelijke kostprijs van zo'n certificaat met 103 euro een stuk lager zou liggen. Dezelfde dag vroeg een federaal parlementslid aan minister Van Quickenborne, bevoegd voor mededinging, om een onderzoek te openen naar mogelijke prijsafspraken onder de energieleveranciers. De minister van ondernemen ging daar direct op in en gaf de mededingingsautoriteiten een onderzoeksopdracht. De daaropvolgende donderdag vielen inspecteurs van de dienst mededinging binnen bij leveranciers.
De nationale regulator CREG was er als de kippen bij om “zich solidair te tonen met de actie die vandaag gevoerd wordt door de Algemene Directie Mededinging bij de leveranciers van elektriciteit inzake een problematiek die niet alleen in Vlaanderen bestaat, maar die België in zijn geheel raakt”. De CREG zou in vijf studies de bevoegde overheden 'gewaarschuwd' en 'op de hoogte gebracht' hebben dat een aantal leveranciers de boeteprijs doorrekenen en niet de marktprijs.
Een week later publiceerde de VREG haar studie. Die is heel wat genuanceerder dat wat de dame en heren politici, met de CREG in hun kielzog, lieten uitschijnen. In de studie wordt inderdaad vastgesteld dat veel leveranciers een 'premie' of een 'marge' aanrekenen aan hun klanten. Tegelijk stelt de VREG vast dat de leveranciers “geen structurele 'marge' [kunnen] heffen op hun groene bijdrage, zonder dit ofwel te compenseren op hun zuivere energieprijs, ofwel een concurrentieel nadeel op te lopen”. Nog volgens de VREG wijst “het feit dat veel elektriciteitsleveranciers een 'premie' binnen de kost van de certificaatverplichting kunnen doorrekenen, erop dat de energiemarkt (nog) niet volledig transparant is en nog niet volledig concurrentieel werkt”. “Het gaat dus om een probleem van (gebrek aan) transparantie en van vermelding van kosten, eerder dan om een probleem van onterechte kostenaanrekening”, besluit de VREG.
Nergens in de studie van de VREG staat enige indicatie naar mogelijke mededingingsbeperkende afspraken tussen de verschillende leveranciers over de waardering die zij plakken op de verplichting tot het inleveren van groenestroomcertificaten. Overigens heeft ook de CREG nooit aangegeven dat de onderzochte praktijk juridisch laakbaar zou zijn. Indien ze anticompetitief gedrag zou hebben vastgesteld, had ze dit zeker gemeld aan de minister en de Raad voor de Mededinging en had ze voorstellen gedaan om de marktwerking te verbeteren, zelfs als ze niet territoriaal bevoegd zou zijn. Zij kwam enkel prima facie tot gelijkaardige vaststellingen als de VREG.
Uiteraard moeten politici, en de minister voor ondernemen in de eerste plaats, wantoestanden laten onderzoeken en liefst nog tijdig (laten) remediëren. Maar zulke politieke initiatieven mogen niet op basis van steekvlammetjes, zonder kennis en kunde van het dossier en van de studie van de bevoegde regulatoren, genomen worden. De snelheid waarmee de mededingsautoriteiten nu te werk moesten gaan leidt bijna overal tot ongenoegen. Een aantal klanten melden zich misnoegd bij hun leveranciers. Die leveranciers moeten veel werk steken aan de afhandeling van de inval, de communicatie daarover en het verbeteren van hun waarschijnlijk onterecht beklad imago. De regulatoren kunnen enkel machteloos toekijken dat de studies waarin zij veel werk steken voor de zoveelste keer niet gelezen worden. Alleen advocaten lijken er nog wel bij te varen.
Het komt nu aan onze mededingingsautoriteiten toe om na te gaan of er, ondanks het feit dat de VREG dit nergens vermeldt noch insinueert, mededingingsbeperkende afspraken rond de doorrekening van de groenestroomcertificaten geweest zijn. De resultaten zullen we hopelijk sneller kennen dan die van enkele andere onderzoeken die zij de afgelopen jaren gestart zijn in de energiesector. De kans dat er inbreuken waren, lijkt mij ook eerder beperkt. Men kan zich de vraag stellen of het vanuit economisch oogpunt misschien niet normaal is dat de leveranciers de boeteprijs doorrekenen als kostprijs voor de groenestroomcertificaten. De opportuniteitskost van zulk certificaat is toch juist die boeteprijs. Leveren ze te weinig certificaten in (omdat ze verkiezen om hun certificaten op de markt te verkopen), is dat toch de decretaal vastgelegde prijs die ze moeten betalen?
Zie hierover trouwens ook de gelijkaardige opmerkingen van André Jurres op zijn blog.
Steekvlampolitiek
dinsdag 11 oktober 2011
Het Vlinderakkoord en de nettarieven
Vandaag stelden de federale onderhandelaars het Vlinderakkoord, de afspraken voor de zesde staatshervorming, voor in de Kamer.
Zoals al veel eerder overeengekomen, wordt de bevoegdheid over de distributienettarieven overgedragen van de federale staat naar de gewesten. De federale overheid blijft eigenlijk enkel nog bevoegd voor de tarieven voor het gebruik van de installaties van Fluxys en Elia, zelfs als die installaties een spanningsniveau hebben van minder dan of gelijk aan 70 kV. Die uitzondering heeft als grote voordeel voor Elia dat ze zich maar tot één (federale) regulator moet wenden en niet tot vier.
De grote onafhankelijke expertise die binnen de schoot van de federale regulator CREG de laatste jaren was opgebouwd met betrekking tot de distributienettarieven (en de gerechtelijke procedures daarover) gaat hopelijk niet verloren door de bevoegdheidsoverdracht. Ondanks het feit dat de gewesten vanaf de inwerkingtreding van het Vlinderakkoord zeer snel een eigen decretaal tarifair kader mogen uitwerken zou het een passend signaal zijn om een deel van die expertise over te nemen. Daarmee zou men ook duidelijk maken dat een regionalisering niet betekent dat de vaststelling en de goedkeuring van de tarieven niet langer in het belang zal zijn van alle rechtstreeks betrokken marktdeelnemers, en van de eindconsument in de eerste plaats.
Het Vlinderakkoord en de nettarieven
maandag 10 oktober 2011
De toezichthouder moet toezicht houden, niet meer.
In zijn meest recente studie over "het financieringsmechanisme van de gratis kilowatturen in Vlaanderen" verwijst de CREG voor de verantwoording van haar studie naar artikel 23, § 2, tweede lid Elektriciteitswet. Uit dit artikel leidt de CREG het volgende af:
"Enkele van de opdrachten die de wet aan de CREG toevertrouwt, zijn "toezicht houden op de transparantie en de mededinging op de elektriciteitsmarkt" en "erop toezien dat met name technische en tarifaire toestand van de elektriciteitssector alsook de evolutie van deze sector het algemeen belang beogen en in het algemene energiebeleid kaderen." De wet verzoekt de CREG "de permanente monitoring van de elektriciteitsmarkt te verzekeren, zowel op het vlak van de marktwerking als op het vlak van de prijzen"."Artikel 23, § 2, tweede lid Elektriciteitswet belast de CREG
"met een raadgevende taak ten behoeve van de overheid inzake de organisatie en werking van de elektriciteitsmarkt, enerzijds, en met een algemene taak van toezicht en controle op de toepassing van de betreffende wetten en reglementen, anderzijds".Te dien einde zal de CREG o.a.
"1° gemotiveerde adviezen geven en voorstellen voorleggen in de gevallen bepaald door deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan;Terecht verwees de CREG niet naar artikel 23, § 2, tweede lid, 1° en 2°, Elektriciteitswet om haar studie te verantwoorden. De Vlaamse politieke keuze voor gratis elektriciteit vloeit niet voort uit de Elektriciteitswet of de uitvoeringbesluiten ervan, maar vindt haar wettelijke basis in het Energiedecreet. Dat decreet bepaalt niet dat de CREG 'gemotiveerde adviezen' kan geven of 'voorstellen' kan voorleggen. Evenmin blijkt uit de studie dat de Vlaamse regering aan de CREG gevraagd heeft om onderzoeken te doen of studies uit te voeren in verband met de Vlaamse elektriciteitsmarkt.
2° op eigen initiatief of op verzoek van de minister of van een gewestregering onderzoeken en studies uitvoeren in verband met de elektriciteitsmarkt;
3° toezicht houden op de transparantie en de mededinging op de elektriciteitsmarkt overeenkomstig artikel 23bis;
19° er op toezien dat met name technische en tarifaire toestand van de elektriciteitssector alsook de evolutie van deze sector het algemeen belang beogen en kaderen in het algemene energiebeleid. De Commissie verzekert de permanente monitoring van de elektriciteitsmarkt, zowel op het vlak van de marktwerking als op het vlak van de prijzen. De Koning kan, op voorstel van de Commissie, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels van de permanente monitoring van de elektriciteitsmarkt nader bepalen;"
Artikel 23, § 2, tweede lid, 3°, Elektriciteitswet verplicht de CREG inderdaad om "toezicht te houden op de transparantie en de mededinging op de elektriciteitsmarkt overeenkomstig artikel 23bis". Artikel 23bis Elektriciteitswet is ingevoegd door de wet van 8 juni 2008. Het legt aan de CREG op om er op toe te zien dat "elk elektriciteitsbedrijf, dat elektriciteit levert aan in België gevestigde afnemers, zich onthoudt, afzonderlijk of in overleg met meerdere andere elektriciteitsbedrijven, van elk anti-competitief gedrag of oneerlijke handelspraktijken die een weerslag hebben of zouden kunnen hebben op een goed werkende elektriciteitsmarkt in België". Indien de CREG zulke gedragingen vaststelt, moet zij dit melden aan de minister van energie of aan de Raad voor de Mededinging.
Een studie over een gewestelijke keuze voor gratis elektriciteit is geen vrijgeleide voor elektriciteitsbedrijven om anti-competitief gedrag te vertonen of oneerlijke handelspraktijken erop na te houden. Het loutere naleven van de verplichting tot het verlenen van de gratis elektriciteit, door alle betrokken marktspelers, zorgt juist voor een gelijk speelveld tussen die verschillende marktactoren. Het komt dan ook vreemd over dat de CREG deze bepaling hanteert om haar studie te verantwoorden. Overigens stelt zij in haar studie ook op geen enkele manier zulke laakbare gedraging vast, noch koppelt zij hieraan enig initiatief naar de minister van energie of de Raad voor de Mededinging toe.
De enige houvast die de CREG lijkt te hebben voor deze studie is artikel 23, § 2, tweede lid, 19°, Elektriciteitswet: "er op toezien dat met name technische en tarifaire toestand van de elektriciteitssector alsook de evolutie van deze sector het algemeen belang beogen en kaderen in het algemene energiebeleid." De Elektriciteitswet bepaalt wel dat de Koning de nadere regels van de permanente monitoring nader kan bepalen. Tot op heden heeft de Koning geen uitvoeringsbesluit in die zin aangenomen. Zulk besluit is volgens ons nodig om de krijtlijnen van de toezichtsopdracht te trekken.
Van Dale geeft als derde betekenis van 'toezicht' "het waken dat een persoon of zaak zich gedraagt of bevindt, dat een handeling geschiedt, overeenkomstig een bepaalde norm". Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal moet aan die omschrijving nog toegevoegd worden "m.betr.t. een instelling of bedrijf bepaaldelijk: het er voor waken, dat daarin alles op de juiste wijze geschiedt. Hoede, zorg, controle". Een moderner woord voor 'toezicht' is 'monitoring'. In het Engels betekent 'to monitor' o.a. ook 'toezien op'.
Opdat er toezicht kan zijn, moet er een norm zijn waaraan hij die toezicht houdt waarover hij toezicht houdt kan toetsen. Kan die norm voor een energieregulator 'het algemeen belang' zijn? Of 'het algemene energiebeleid'?
Wat het 'algemeen belang' is, evolueert. Volgens Wikipedia duidt het 'algemeen belang' "op datgene dat voor het welzijn van het volk in het algemeen nuttig, gewenst of nodig is". Bij het Franse lemma 'intérêt général' staat "est une notion qui désigne la finalité des actions ou des institutions qui intéressent l'ensemble d'une population". "Sans sens précis elle désigne à la fois le lieu géométrique des intérêts des individus qui composent la nation et en même temps un intérêt propre à la collectivité qui transcende celui de ses membres." Het begrip 'algemeen belang' lijkt dusdanig politiek-filosofisch beladen dat het, indien het zelf niet omschreven is in specifieke wetgeving, moeilijk als norm kan dienen waaraan een regulator gedragingen van markpartijen kan toetsen.
Ook het concept van 'het algemene energiebeleid' is evolutief. Anders dan bij het meer filosofisch beladen concept 'algemeen belang' zou het 'algemene energiebeleid' kunnen afgeleid worden uit de politieke afspraken die een meerderheid in het parlement maakt bij het begin van of tijdens een legislatuur. Veelal zullen de krijtlijnen van het 'algemene energiebeleid' ook blijken uit de beleidsbrief van de bevoegde minister en de debatten daarover in het parlement. Dit betekent dat het 'algemene energiebeleid' afhangt van de bevoegdheid van dat parlement.
Het 'algemene energiebeleid' mag niet zo algemeen zijn dat een minister of een parlement zich uitspreekt over het beleid op een vlak waarvoor men niet bevoegd is. Als de minister of het parlement dit niet kunnen, kan men ook moeilijk aannemen dat een regulator het 'algemene energiebeleid', dat dus territoriaal of bevoegdheidsrechtelijk beperkt is, gebruikt als kapstok voor een toezicht op het het energiebeleid van een andere overheid. Anders zou dat toezicht ook bijvoorbeeld moeten kunnen slaan op het 'algemene energiebeleid' dat de Nederlandse, Franse of Duitse overheid als leidraad hebben.
Laat dit nu juist juridisch het meest problematische zijn aan de studie van de CREG. Een federale regulator, wiens werking begrenst is door een federale wetgeving, waarvan de bevoegdheidsverdelende bijzondere wet van 8 augustus 1980 de grenzen trekt, mag zich niet inlaten met politieke keuzes die een gewest maakt. Die politieke keuzes, vertaald als 'algemeen energiebeleid', van dat gewest, kunnen enkel getoetst worden door de instanties die de gewestelijke decreetgever daartoe aangeduid heeft.
Het feit dat de federale regulator waarschijnlijk meer nog dan andere regulatoren over meer dan voldoende mensen, tijd en middelen beschikt om zulke studies te maken, mag geen verantwoording voor de bevoegdheidsoverschrijding zijn.
De toezichthouder moet toezicht houden, niet meer.
maandag 3 oktober 2011
Etikettering van het energieverbruik van huishoudelijke apparaten
Een van de manier om de doelstelling van 20% meer energie-efficiëntie te bereiken tegen 2020 is het verbeteren van een correcte informatie over het energieverbruik van huishoudelijke apparaten. Aan de hand van die correct uitgewerkte informatie kan de eindconsument een onderbouwde beslissing nemen voor energie-efficiënte apparaten. In dit opzicht hervormt Richtlijn 2010/30/EG betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen (zoals water, chemische stoffen, …) op de etikettering en in de standaard-productinformatie van energiegerelateerde producten Richtlijn 92/95/EEG fundamenteel. De nieuwe richtlijn is van toepassing op alle energiegerelateerde producten die tijdens hun gebruik een significant direct of indirect effect hebben op het energieverbruik en vormt een tandem met de Ecodesign-richtlijn.
Met “de verstrekking van nauwkeurige, zinnige en vergelijkbare informatie over het specifieke energieverbruik van energiegerelateerde producten” zou de consument ertoe aangezet moeten worden om te kiezen voor minder energieverbruikende producten. Hierdoor zouden ook producenten aangemoedigd kunnen worden om maatregelen te nemen om zulke producten op de markt te brengen. De Richtlijn is niet van toepassing op tweedehandsproducten, middelen voor personen- of goederenvervoer en “het plaatje waarop het vermogen is vermeld of het equivalent daarvan, dat met het oog op de veiligheid op de producten wordt aangebracht”.
De verplichtingen van de richtlijn gelden in de eerste plaats voor die producten waarvoor de Europese Commissie in een zogenaamde ‘gedelegeerde handeling’ voorwaarden voor de etikettering heeft opgenomen. Naast de op etiketten al gebruikte klassen A tot G, kan de Commissie drie bijkomende klassen aan de indeling toevoegen “indien dat gelet op de technologische vooruitgang nodig is”: A+, A++ en A+++. De indeling in klassen wordt geëvalueerd wanneer een belangrijk aandeel van de producten op de interne markt in de twee hoogste energie-efficiëntieklassen wordt ingedeeld en wanneer bijkomende besparingen mogelijk worden door de producten verder te differentiëren.
De Europese Commissie moet die gedelegeerde handelingen aannemen voor producten die intrinsiek kunnen leiden tot belangrijke besparingen van energie en andere essentiële hulpbronnen. Wanneer de Commissie een ontwerp hiertoe opstelt, moet zij rekening houden met de Ecodesign-richtlijn en een analyse uitvoeren over de gevolgen voor het milieu, eindgebruikers en fabrikanten vanuit het oogpunt van concurrentievermogen, innovatie, markttoegang, kosten en baten. Zij overlegt hierover met de belanghebbenden.
Het Europees Parlement of de Raad kunnen tegen een gedelegeerde handeling bezwaar maken binnen een (verlengbare) periode van twee maanden na datum van kennisgeving door de Europese Commissie van de handeling. In geval van bezwaar treedt de handeling niet in werking. Bij gebreke van bezwaar binnen de voorgeschreven (en eventueel verlengde) termijn, wordt de handeling gepubliceerd in het Publicatieblad.
De Europese Commissie heeft intussen de volgende de gedelegeerde handelingen aangenomen:
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2010 (televisies)
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1061/2010 (huishoudelijke wasmachines)
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1060/2010 (huishoudelijke koelapparaten)
– Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1059/2010 (afwasmachines)
Voor producten die gereguleerd zijn door gedelegeerde handelingen moeten de leveranciers de overeenstemmende etiketten aanbrengen, een fiche verstrekken, technische documentatie opstellen die toelaat om de gegevens op het etiket en de fiche te controleren, stavingstukken voor inspectie bijhouden, en de fiche en het etiket gratis verstrekken aan de handelaars. De handelaars moeten de etiketten goed zichtbaar en leesbaar aanbrengen en de fiche ter beschikking stellen in de productbrochure. Ook bij het uitstallen van de producten moeten de etiketten duidelijk zichtbaar zijn. Bij verkoop op afstand, waarbij “de potentiële eindgebruiker het product waarschijnlijk niet uitgestald ziet”, moeten de potentiële eindgebruikers de informatie krijgen die op het etiket voor dit product en op het fiche wordt vermeld, alvorens zij het product kopen.
De lidstaten moeten niet alleen erop toezien dat de leveranciers en handelaars hun verplichtingen nakomen. Zij moeten het systeem van etiketten en fiches aan het grote publiek toelichten middels voorlichtings- en promotiecampagnes. Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de richtlijn kan door handelaars te verplichten om producten op te nemen die aan de bepalingen voldoen, door voorafgaand de nodige preventieve maatregelen te nemen als er voldoende bewijs is dat een product mogelijk niet aan de bepalingen voldoet en het uit de handel nemen van bepaalde producten.
De lidstaten moeten ook de regels vaststellen voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn en de gedelegeerde handelingen vastgestelde nationale bepalingen, inclusief het onrechtmatige gebruik van het etiket. Die vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
Met het koninklijk besluit van 13 augustus 2011 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van energiegerelateerde producten wordt de Richtlijn op federaal vlak omgezet. De wettelijke basis van het koninklijk besluit is o.a. de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming.
De Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie houdt in eerste instantie toezicht op de naleving van de etiketteringsverplichtingen. De ultieme sanctie is het verbod om het product in de handel te brengen of het uit de handel te nemen.
Etikettering van het energieverbruik van huishoudelijke apparaten
woensdag 21 september 2011
Een bekrachtigingswet is een wet, geen uitvoeringsbesluit
Tecteo, de distributienetbeheerder in de provincie Luik, en de CREG hadden een verschil in visie over de rapporteringsverplichting die de distributienetbeheerder heeft ten aanzien van de federale energieregulator. Tecteo zou zulk rapport niet overgemaakt hebben, waarop de CREG, met toepassing van artikel 31 Elektriciteitswet een administratieve geldboete oplegde.
Artikel 31 Elektriciteitswet bepaalt dat de CREG “elke in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan binnen de termijn bepaald door de commissie”.
Tegen de beslissing van de CREG om een administratieve geldboete op te leggen ging Tecteo in beroep bij het Hof van Beroep van Brussel. Die stelde in zijn arrest van 11 oktober 2010 vast dat de rapporteringsverplichting eerst was opgenomen in het koninklijk besluit van 11 juli 2002 inzake de distributienettarieven. Dit koninklijk besluit is nadien bekrachtigd door de wet van 21 december 2007.
Door die bekrachtiging neemt het koninklijk besluit in de hiërarchie der normen eenzelfde rang in als een formele wet. Hieruit volgt, volgens het Hof van Beroep: “une disposition ayant force de loi formelle ne saurait constituer une norme d’exécution d’une autre disposition qui est située au même rang dans la hiérarchie des normes.”
In zijn arrest van 19 mei 2011 (Cass 19 mei 2011 C.10.0199.F/9, CREG tegen Tecteo) bevestigt het Hof van Cassatie het arrest van het Hof van Beroep van Brussel:
“Il suit de la confirmation de l’arrêté royal du 11 juillet 2002 que le législateur a donné à cet arrêté royal une valeur législative.
L’effet rétroactif au 27 juillet 2002 donné à cette confirmation a pour conséquence que cet arrêté royal doit être présumé avoir eu une valeur législative dès son origine.
Dès lors, l’arrêté royal du 11 juillet 2002, qui a valeur de loi, n’est pas un arrêté d’exécution visé à l’article 31 de la loi du 29 avril 1999.
Le moyen, qui, en chacune de ses branches, repose sur l’affirmation contraire, manque en droit.”
In het voorontwerp van wet ter omzetting van de Richtlijn 2009/72/EG zoals de regering dit in tweede lezing goedkeurde op 19 juli 2011, wordt voorgesteld om artikel 31 Elektriciteitswet als te wijzigen:
“Art. 31. Onverminderd de andere door deze wet voorziene maatregelen, kan de commissie elke (...) persoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen [van deze wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, van de uitvoeringsbesluiten ervan, de navolgende wetten betreffende de tarieven of betreffende de
bijdrage bedoeld in artikel 21bis of van alle andere bepalingen waarvan zij de controle verzekert krachtens artikel 23, § 2, lid 2, 8° van deze wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt] binnen de termijn bepaald door de commissie. (...)"
Volgens ons is de voorgestelde wijziging van artikel 31, eerste lid, nog steeds onvoldoende overtreden die de CREG vaststelt in het kader van controletaken die haar door andere wetgeving is verleend, te sanctioneren. De wijziging verwijst naar de algemene taakomschrijving van de CREG om de administratieve geldboete te rechtvaardigen. De
vraag kan echter gesteld worden of de controlebevoegdheid opgenomen in andere wetgeving of in bekrachtigingswetten geen autonome bevoegdheid is die niet krachtens artikel 23, § 2, lid 2, 8°, Elektriciteitswet wordt toegewezen maar wel krachtens die andere wetgeving zelf.
Het eerste lid zou daarom kunnen luiden:
“Art. 31. Onverminderd de andere door deze wet voorziene maatregelen, kan de commissie elke in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen van deze wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, van de uitvoeringsbesluiten ervan, de navolgende wetten betreffende de tarieven of betreffende de bijdrage bedoeld in artikel 21bis of van alle andere bepalingen waarvan zij de controle verzekert (…)".
Een bekrachtigingswet is een wet, geen uitvoeringsbesluit
dinsdag 20 september 2011
Heeft de beslissing over de Duitse Brennelementesteuer een impact op de Belgische nucleaire repartitiebijdrage?
Gisteren besliste de 4de Senat van het Finanzgericht Hamburg om in te gaan op de vraag van E.ON om de verplichting tot indienen van de belastingsformaliteiten onder de Duitse Brennelementesteuer uit te stellen. Het Finanzgericht vond dat er voldoende juridische twijfels waren bij de (grond)wettelijkheid van die belasting.
De Duitse Kernbrennstoffsteuerwet van 8 december 2010 belast, als een verbruiksbelasting, kernbrandstof (Plutonium 239 en Plutonium 241, Uranium 233 en Uranium 235) die voor de commerciële elektriciteitsproductie gebruikt wordt. De heffing per gram kernbrandstof bedraagt 145 EUR. De heffing zou op jaarbasis 2,3 miljard EUR opbrengen.
De heffing is verschuldigd zodra een brandstofelement of een afzonderlijke reactorstaaf voor het eerst in een kernreactor ingebracht wordt en een zichzelf in stand houdende kettingreactie opgestart wordt. De belasting geldt van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2016.
Veel gelijkenissen met deze Brennelementesteuer vertoont het wetsvoorstel dat CD&V en cdH indienden in het Parlement. Het wetsvoorstel tot vaststelling van een heffing op kernbrandstof wil door middel van een heffing ervoor zorgen dat een deel van de nucleaire rente terugvloeit naar de samenleving en dat een ‘level playing field’ wordt gecreëerd door een verhoging van de productiekosten van de kernproducenten. Volgens artikel 3 van het voorstel is kernbrandstof (Plutonium 239, Plutonium 241, Uranium 233, Uranium 235, Uranium 238 en Thorium) die voor industriële elektriciteitsproductie gebruikt wordt in kernreactoren op het Belgisch grondgebied onderhevig aan een heffing bij het laden en afsluiten van een reactorvat. Het voorstel noemt die http://www.blogger.com/img/blank.gifkernbrandstofbelasting een ‘accijns’. De heffing bedraagt per gram kernbrandstof 120 EUR en zou volgens de indieners overeenkomen met een jaarlijkse opbrengst van 750 miljoen EUR. De heffing is verschuldigd zodra een brandstofelement of een afzonderlijke brandstofnaald voor het eerst in een kernreactor ingebracht wordt en een zichzelf in stand houdende kettingreactie opgestart wordt.
Dit voorstel besprak de CREG vorige week nog in haar Studie (F)110908-CDC-1079
over “de wetsvoorstellen betreffende de nucleaire heffing”.
De reden waarom het Finanzgericht (zeer) kritisch staat tegenover de Duitse regeling heeft echter niets te maken met de aard, de bepaling of de modaliteiten van de belasting, maar wel met het Duitse grondrecht: “Das FG Hamburg äußert ernstliche Zweifel an der formellen Verfassungsmäßigkeit des Kernbrennstoffsteuergesetzes.”
De Duitse Grondwet bevat vrij strikte bepalingen over wie bevoegd is om welke belastingen te heffen. Volgens het Finanzgericht is de Kernbrennstoffsteuer geen belasting die binnen de wetgevende bevoegdheid van de bond (de federale overheid) valt. De Kernbrennstoffsteuer is volgens het Finanzgericht immers geen 'verbruiksbelasting' (Verbrauchsteuer) omdat kernbrandstof geen verbruiksgoed (laat staan een consumentengoed) is dat in het algemene marktverkeer wordt gebracht door producenten voor onmiddellijk of aanstaand verbruik door verbruikers. Ten slotte betwijfelt het Finanzgericht of de Bond een 'nieuwe' belasting mag uitvinden, die niet voorzien is in de Duitse Grondwet.
In België zijn de grondwettelijke belastingsregels veel summierder uitgewerkt. Ze bevatten in ieder geval niet de verschillende beperkingen van de Duitse grondregels. Integendeel zelfs, de federale overheid heeft de 'residuaire' bevoegdheid inzake belastingen. Op zich lijken de bezwaren van het Finanzgericht dus niet direct bruikbaar door de tegenstanders van een uraniumaccijns in ons land.
Heeft de beslissing over de Duitse Brennelementesteuer een impact op de Belgische nucleaire repartitiebijdrage?